Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.7
II.7 Opname van de onschuldpresumptie in de mensenrechtenverklaring van 1789
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595120:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Desjardins 1883, p. 3: “La réformation du droit criminel est demandée unanimement par les cahiers. Le désir est le même chez tous [...].” Köster (1979, p. 90) vond meer dan 600 cahiers die betrekking hadden op strafrechtelijke aangelegenheden. Zie ook Esmein 1882, p. 404: “Pour la législation criminelle, les cahiers sont le miroir fidèle de I'esprit public.”
Köster 1979, p. 91 meent zelfs dat “nahezu alle mi û stände” van de Ordonnance criminelle van 1670 met een beroep op de onschuldpresumptie werden bekritiseerd, hetgeen wat overdreven lijkt. Zie wel de volgende cahiers de doléances: Cahier van de stad Istres: “L’innocence de l’accusé sera présumée jusqu’à son entière conviction; et jusqu’alors il sera traité avec les ménagements que l’on doit à la probité malheureuse.” Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel VI, p. 306 (art. 65). Cahier van de inwoners van Nogent le Rotrou: “Représenter qu’il n’est peut être pas un endroit où les prisons soyent assez spacieuses et les geôliers assez humaines pour procurer à des malheureux, qui sont toujours censés innocents jusqu’à la condamnation, les premiers éléments nécessaires à leur existence; on en voit périr de misère, de vermine, privés même de paille nécessaire pour ne pas sentir l’humidité de leurs cachots et mourir de mille supplices avant qu’il soit décidé qu’ils sont coupables.” Citaat ontleend aan Henrion 2006, p. 223-224.Cahier van de drie standen van Langres: “La loi présume que l’accusé est innocent jusqu’à ce qu’il soit condamné; Pourquoi donc le traite-t-elle en coupable en lui faisant subir l’humiliation de comparaître sur la sellette? C’est le ministère public qui inflige cette peine ignominieuse et prémature.” Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel III, p. 445. Eénmaal wordt die bescherming aangevuld met een bewijsrechtelijke eis, namelijk dat enkel de bescherming mag worden opgeheven bij een volledig en wettig bewijs. Zie Cahier van de derde stand van Parijs: “Tout accusé dont le crime n’est pas prouvé aux yeux de la loi, étant présumé innocent, la formule de hors de cour sera supprimée, et l’accusé sera ab-sous des chefs d’accusation sur lesquels il n’y aura pas de preuve complète et légale Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel V, p. 289 (art. 8).
O.a. Cahier van de adel van Blois: “Etablies dans un temps d’ígnorance et de barbarie, elles participent à la férocité des moeurs, qui régnaient alors. Dès le premier moment, l’acussé est supposé coupable; tout conseil, toute assistence lui est refuse.” Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel II, p. 381. Cahier van de geestelijkheid van Clermont-Ferrand: “Qu'il soit pourvu à la salubrité des prisons, pour que ceux qui y seraient traduits injustement n'y éprouvent pas d'autre peine que celle de leur détention, et que les criminels n'y soient pas punis avant d'être jugés et condamnés; que, pour la consolation des uns et des autres, et pour ramener les méchants aux principes de l'honnêteté et de la vertu, il soit fait régulièrement, deux fois par semaine, des instructions chrétiennes par l'aumônier desdites prisons.” Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel II, p. 763 (art. 16). Gezamenlijk cahier van de drie standen van Bayonne: “Les accusés sont protégés par la loi tant qu’ils ne seront pas jugés coupables, et dédommagés lorsqu’ils seront reconnus innocents.” Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel III, p. 100 (art. 14). Cahier van de derde stand van Nemours: “Notre ordonnance n’est pas meilleure: elle est entièrement dirigée contre l’accusé; elle a beaucoup de dispositions tyranniques et cruelles; ses rédacteurs n’ont point songé que, jusqu’au jugement, rien ne constate si l’accusé est coupable de crime, ou si l’accusateur l’est de calomnie.” Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel IV, p. 179-180.
Uitgangspunt voor de debatten was het ontwerp van het zogeheten sixième bureau van de Assemblée Nationale zelf, zie Schickhardt (1931) 1965, p. 85. Daarin trof ik geen rudimenten van het beginsel. Ook andere voorstellen voor een declaratie bevatten deze niet, zie aldus Klövekorn (1911) 1965, p. 201.
Zo ook Klövekorn (1911) 1965, p. 201; Rials 1988, p. 234; Fauré 1989, p. 339; Badinter 2001, p. 140; Henrion 2006, p. 208-209.
Duport: “qu’il existe en France un usage barbare de punir les coupables, lors même qu’ils ne le sont pas encore déclarés; qu’il a vu deux fois les cachots de la Bastille; qu’il a vu ceux de la prison du Châtelet, et qu’ils sont mille fois plus horribles encore; que cependant c’est une vérité que les précautions que l’on prend pour s’assurer des coupables ne font pas partie des peines”. Archives parlementaires de 1787 à 1860, deel VIII, p. 471.
Zie over die wijzigingen zeer uitgebreid Henrion 2006, p. 209-221.
Vgl. Lombois 1990, p. 81.
Vgl. Henrion 2006, p. 208. Zie voor de discussie Archives parlementaires de 1787 à 1860,deel VIII, p. 471-472, waarin onder andere de Engelse ‘warrant’, lettres de cachets en zelfs het legaliteitsbeginsel worden besproken zonder duidelijke samenhang.
Zie Stuckenberg 1998, p. 33-34 met nadere verwijzingen.
Foret 2007, p. 230 e.v. i.h.b. p. 259-260 spreekt daarom van een “consecration imparfait”.
Vanwege de groeiende onrust en politieke instabiliteit in Frankrijk, kwam in mei 1789 voor het eerst sinds 1614 de États-Généraux bijeen. Afgevaardigden hadden het recht klaagbrieven, zogeheten cahiers de doléances, van tot hun achterban behorende burgers aan te bieden aan de vergadering. Dit recht bestond al geruime tijd, maar het massale gebruik ervan voorafgaand aan de eerste vergadering van de États-Généraux in 175 jaar was ongewoon. De cahiers de doléances tonen hoezeer alle standen van de Franse bevolking zich om het strafrecht zorgen maakten en zijn een afspiegeling van de opvattingen over het strafrecht in het hervormingsgezinde Frankrijk.1
In deze cahiers kwam de positie van de verdachte uitgebreid aan bod. Diverse cahiers noemen een vermoeden van onschuld expliciet.2 Nog talrijker zijn de cahiers die niet expliciet aan de onschuldpresumptie refereren, maar waarin wel erop wordt gewezen dat een verdachte nog geen veroordeelde is en dat hij derhalve niet als schuldige of met de nodige voorzichtigheid moet worden behandeld.3 De strekking van de daaruit afgeleide normen verschilt niet naar gelang het cahier expliciet van een vermoeden van onschuld spreekt. In beide wordt onderstreept hoezeer schuldigverklaring door een rechter het scharnierpunt is in de positie van het bij een strafzaak betrokken individu. De belangrijkste beweegredenen voor dergelijke aansporingen lijken het gevaar van willekeur en dat van een onterecht hardvochtige bejegening van onschuldigen. De eruit afgeleide normen zijn divers. Opgekomen werd tegen onder meer het gebruik van de sellette, tegen de pijnbank en tegen de voorwaarden voor voorlopige hechtenis en de omstandigheden waaronder deze wordt ondergaan. Ook het gebrek aan rechtsbijstand zag men als uitwas van een strafproces waarin de verdachte vanaf het eerste moment wordt gezien als “supposé coupable”. Hoewel de cahiers hier en daar aan een vermoeden van wel refereren wordt het standpunt van Letrosne dat de verdachte tot veroordeling de status van een vrije, onschuldige burger behoudt, niet op die manier herhaald.
Ondanks de ruime aandacht voor het verbod op bejegening als schuldige in de cahiers, ontbreekt de onschuldpresumptie in de eerste na aanvang van de Franse Revolutie opgestelde ontwerpen voor een mensenrechtendocument.4 Eerst tijdens de debatten van de Assemblée Nationale bekommerde Adrien Duport zich om de onschuldpresumptie. Een door hem voorgesteld artikel vormde de basis voor artikel 9 van de Déclaration des droits de l´homme et du citoyen (hierna: DDHC).5 Met zijn voorstel, dat direct steun vond bij collega-gedeputeerde De Lally-Tollendal, had Duport het oog op de in zijn optiek barbaarse omstandigheden waarin gedetineerden zich bevonden, terwijl zij nog niet schuldig waren verklaard.6 Enkele kleine wijzigingen daargelaten,7 is het voorstel van Duport opgenomen in artikel 9 DDHC:
“Tout homme étant présumé innocent jusqu’à ce qu’il ait été déclaré coupable, s’il est jugé indispensable de l’arrêter, toute rigueur qui ne serait pas nécessaire pour s’assurer de sa personne doit être sévèrement réprimée par la loi.”
Aan de tekst valt op dat artikel 9 DDHC de onschuldpresumptie niet voorschrijft, maar deze bevat in een bijzin (“étant présumé innocent...”). Het beginsel vervult tekstueel geen normatieve functie maar eerder een explicatieve.8 Het vormt de leidende gedachte achter hetgeen daarna volgt. De onschuldpresumptie staat niet aan voorlopige hechtenis in de weg, maar is wel de grondslag voor een proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging bij zowel de beslissing om het dwangmiddel toe te passen (jugé indispensable) als de wijze van tenuitvoerlegging (‘toute rigueur qui ne serait pas nécessaire [...] doit être réprimée’).
De aan de vaststelling van artikel 9 DDHC voorafgaande debatten, geven weinig extra inzicht in de betekenis van de onschuldpresumptie in de bepaling. Besproken is enkel aan welke gebruiken uit het oude strafrecht het artikel in de weg zou staan. Die bespreking verliep tamelijk chaotisch.9 Aangenomen wordt dat het artikel zich in ieder geval verzette tegen willekeurige hechtenis, lettres de cachets, de eed van de aangeklaagde, de weigering van toegang tot een raadsman, het verhoor op de sellette en de pijnbank.10 Gelet op de tekst zal het artikel ook ongetwijfeld de omstandigheden in detentie hebben bestreken. Een meer conceptuele afbakening van de door de onschuldpresumptie gestelde grenzen aan de bejegening van een verdachte, ontbreekt echter. Wel is duidelijk dat de meer oorspronkelijke, op het bewijs georiënteerde betekenis van de onschuldpresumptie in deze bepaling naar de achtergrond is verdwenen.11