Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.3.2
II.3.2 Herleving van het Romeinse recht en de opkomst van de inquisitoire procedure
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596269:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Caenegem 1956, p. 319; Hildebrandt 2002, p. 221-222.
Vgl. over (de oorzaken van) deze omwenteling nader: Esmein 1882, p. 66 e.v.; Van Heijnsbergen 1927, p. 5; Drenth 1939, p. 77-94; Van der Vrugt 1982, p. 8-12; Hildebrandt 2002, p. 272 e.v.; Van Hattum 2012, p. 101 e.v.
Zie eerst en vooral op die manier ook Köster 1979, p. 8-31. Daarnaast ook Stuckenberg (1998, p. 13 e.v.) en Henrion (2006, p. 93 e.v.). Een en ander is te meer plausibel daar tot in de negentiende eeuw vermoeden van onschuld en vermoeden van goedheid niet altijd duidelijk werden onderscheiden, zie hiervoor § II.1.
In het recht van West-Europa vond vanaf de tweede helft van de elfde eeuw een heuse omwenteling plaats.1 Het gecentraliseerde gezag van vorsten nam verder toe, evenals de macht van de rooms-katholieke kerk. Terwijl de accusatoire procesvorm vooral geschikt was ter handhaving van het ongeschreven, in het actuele rechtsbewustzijn gewortelde Germaanse recht, brachten kerkelijke en wereldlijke vorsten recht tot stand dat eenzijdig door de overheid is afgekondigd en niet, althans niet altijd, in dat bewustzijn is ingeslepen. De accusatoire procedure schoot ter handhaving daarvan tekort, omdat deze is gebaseerd op het initiatief van een benadeelde. Ondertussen ontstond vanuit Noord-Italië hernieuwde belangstelling voor de beoefening van het Romeinse recht. Dit alles droeg eraan bij dat zich een nieuwe procedure ontwikkelde, die als de inquisitoire procesvorm pleegt te worden aangeduid.2 Ambtshalve vervolging en onderzoek, een streven naar materiële waarheid en onomstotelijk bewijs als voorwaarde voor een veroordeling, kenmerken deze procedure. Bij het Vierde Lateraans Concilie (1215) legde de kerk de procedure vast en werden de aan de accusatoire procesvorm verbonden godsoordelen verboden.
Professionele bestudering van het recht raakte ook weer meer in zwang. Canoniek en Romeins recht werden beide onderwezen en kerkelijke en seculiere jurisdictie waren niet strikt te scheiden. Het is vanaf deze periode en tegen deze achtergrond dat theorieën over rechtsvermoedens ontstonden en zich een vermoeden van goedheid aandiende. In eerste instantie als op empirie gebaseerd bewijsmiddel in het positief-wettelijk bewijsstelsel van het inquisitoire proces, maar al gauw ook als een door het canonieke recht en humanisme beïnvloed bewijslastverdelingsmechanisme. Plausibel is dat het deze vermoedens zijn die de kiem van de hedendaagse onschuldpresumptie vormen.3