Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.3.4.4.6
3.3.4.4.6 Integriteit
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455478:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het fair play-beginsel § 7.4.5.
Van den Blink 2010, p. 56; Van Hassel 2010, p. 144.
Ik wijs op het feit dat de Hoge Raad in de Laurus-zaak, HR 8 april 2005, NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink (Laurus) heeft beslist dat er in de tweede fase van de enquêteprocedure geen recht bestaat op het leveren van tegenbewijs. Ook het feit dat uit het empirisch onderzoek van Böcker e.a. 2010, p. 181; Klaassen 2010a, p. 96-97 en Klaassen 2010b, p. 156-157 blijkt dat er bij partijen veel onvrede is over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgeoefend, mogen onderzoekers zich aantrekken.
Het laatste element dat onder het vereiste ‘attitude’ valt, is integriteit. Dit is een containerbegrip, waar veel van hetgeen bij de vorige elementen is vermeld ook onder valt. De onderzoekers moeten de partijen bij het onderzoek fair behandelen.1 Verder valt te wijzen op de verplichting van artikel 2:351 lid 3 BW, dat bepaalt dat het de met het onderzoek belaste personen verboden is hetgeen hun bij hun onderzoek blijkt, verder bekend te maken dan hun opdracht met zich brengt.
Een ander aspect waarvoor ik aandacht vraag – alhoewel dit met integriteit als zodanig misschien niet veel te maken heeft – is dat de onderzoekers ook begrip moeten hebben voor de rol van partijen en hun advocaten bij het onderzoek. Partijen en andere betrokkenen hebben belang bij en moeten ook de gelegenheid krijgen tot tegenspraak. Uit de ervaringen die Van den Blink en Van Hassel te boek hebben gesteld, blijkt voorbeeld dat zij, naar mijn mening, te weinig begrip hebben voor het belang van betrokkenen om het onderzoek te kunnen beïnvloeden. Ook zouden zij zich niet behoren te verschuilen achter het feit dat zij alleen achteraf, in hun verslag, aan de Ondernemingskamer verantwoording afleggen van hun werkzaamheden. Om te spreken van een “hinderlaag voor onderzoekers” en “trukendoos om zand in de onderzoeksmachine te strooien”, gaat mij te ver.2 Juist omdat de mogelijkheden om in de tweedefaseprocedure de bevindingen van de onderzoekers te bestrijden beperkt zijn,3 moeten onderzoekers tijdens het onderzoek openstaan voor het feit dat zij het ook wel eens bij het verkeerde eind kunnen hebben. Dat zal niet alleen de kwaliteit van het onderzoek ten goede komen, maar ook bevorderen dat de betrokkenen zich neerleggen bij de conclusies van de onderzoekers. Dat onderzoekers de regie moeten voeren over het onderzoek is evident, maar het geeft geen blijk van een juiste attitude als onderzoekers niet openstaan voor redelijke verlangens en opmerkingen van de betrokken partijen.