Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/280:280 Geschil over de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/280
280 Geschil over de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455861:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3940, NJ 2008, 521 en JBPr 2009, 1, m.nt. E.F. Groot (Vanbuul/Hoes). Zie ook HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6200, RvdW 2007, 987. De verzoeker meende dat de vaststellingsovereenkomst onder dwang was ondertekend en de bedoeling had niet alle schade te dekken, maar liet na dit te onderbouwen (het beroep in cassatie werd verworpen op grond van art. 81 Wet RO).
HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3940, NJ 2008, 521 en JBPr 2009, 1, m.nt. E.F. Groot (Vanbuul/Hoes).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als niet ter discussie staat of aan alle twistpunten een einde is gemaakt, maar de geldigheid van de vaststellingsovereenkomst zelf onder vuur ligt, bijvoorbeeld omdat een beroep op dwaling wordt gedaan, is sprake van een nieuwe vordering. In dat geval geldt niet de zware stelplicht die wel op de verzoeker ligt als er sprake van lijkt te zijn dat de verzoeker een al in een beslissing met gezag van gewijsde of een vaststellingsovereenkomst beslecht geschilpunt in een nieuwe procedure opnieuw ter discussie probeert te stellen.1 In de zaak Vanbuul/Hoes2 deed zich een extra complicatie voor: volgens de vaststellingsovereenkomst zouden partijen zich neerleggen bij een vonnis van de voorzieningenrechter en geen procedures meer voeren. Vervolgens wenste Hoes BV deze vaststellingsovereenkomst te vernietigen en vroeg zij in het kader van die vernietigingsprocedure om een voorlopig getuigenverhoor. Naar de mening van het hof waren partijen aan de vaststellingsovereenkomst gebonden, totdat in de bodemprocedure anders was beslist. Conform die vaststellingsovereenkomst mochten andere procedures dan die bodemprocedure niet worden gevoerd en dus ook niet een procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. De Hoge Raad besliste anders. De vaststellingsovereenkomst stond niet in de weg aan een procedure waarbij vernietiging van die overeenkomst werd gevorderd. Verzoekster moest dan ook een voorlopig getuigenverhoor ter beoordeling van haar processuele positie in die procedure kunnen uitlokken. Een andere opvatting zou een door het bestaan van de vaststellingsovereenkomst niet gerechtvaardigde beperking van de processuele mogelijkheden van verzoekster betekenen.
Naar mijn mening is dit oordeel van de Hoge Raad correct. De hoofdzaak en het voorlopig getuigenverhoor moeten als twee-eenheid worden beschouwd: degene die een civiele hoofdzaak aanhangig kan maken of heeft gemaakt, komt automatisch (in abstracto) het middel van het voorlopig getuigenverhoor toe. Het staat partijen vrij overeen te komen dat in het kader van een bepaalde hoofdzaak een voorlopig getuigenverhoor niet kan worden verzocht, maar van een dergelijke afspraak was in casu geen sprake. Het hof had daarom niet mogen concluderen dat de vaststellingsovereenkomst in de weg stond aan het voorlopig getuigenverhoor.