Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.2.3
3.2.3 De bevoegdheid tot opschorting en de uitoefening van het opschortingsrecht
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS586347:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Het opschortingsrecht staat ter vrije dispositie van de bevoegde schuldeiser. Dat betekent onder meer dat de rechter niet ambtshalve de vordering van de wederpartij mag afwijzen op de grond dat de schuldeiser een opschortingsrecht had, zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 205 en Asser/Sieburgh 6-I 2016/287.
Streefkerk 2013/26.1.
Fesevur 1988, p. 146.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 208.
Anders: Rb. Gelderland 13 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4688, r.o. 4.11 en 4.14. Zie verder par. 3.4.
Streefkerk 2013/26.1.
Biemans 2011/530 en 553 en stelling 4.
Zie art. 6:129 BW, Parl. Gesch. Boek 6, p. 497 en Faber 2005/203.
Gedachten over de gelijkenis tussen verrekening en het retentierecht gaan al ver terug: Heyning-Plate 1969, p 12-13 beschrijft dat Justinianus de exceptio doli afschaft en er het opschortingsrecht voor in de plaats stelt. Daarnaast wordt de verrekening naar Justiniaans recht erkend. Gaat het om gelijksoortige schulden, dan is verrekening toegestaan. Zijn de schulden niet gelijksoortig, dan bestaat er een retentierecht. Vgl. ook Heyning-Plate 1969, p. 27, waar zij Carpzovius aanhaalt, die in zijn Iurisprudentiae Forensis uit 1638 retentie gelijkstelt met compensatie. Ze leidt daaruit af dat retentie net als compensatie voldoening aan de crediteur verschaft. De vergelijking is ook terug te vinden in de Duitse literatuur die is verschenen kort na inwerkingtreding van het BGB en het HGB over het Zurückbehaltungsrecht uit het HGB, zie bijvoorbeeld Schlegelberger 1904, p. 76-77. Zie ook Blaum 2008, p. 57.
De partij die verrekent wordt ‘schuldenaar’ genoemd. Dit komt overeen met het gebruik van het begrip ‘schuldenaar’ om de opschortende partij aan te duiden in afdeling 6.1.7 BW, terwijl de retentor als ‘schuldeiser’ wordt aangeduid; zie par. 2.1.
Snijders 1999, p. 562. Het Nederlandse recht onderscheidt dit type rechten in navolging van de Duitse ‘Gestaltungsrechte’. Zie verder over wilsrechten Rupke 1914, p. 44, Suijling 1948, p. 102-111. Zie voor Duitsland o.m. Seckel 1903, p. 204-253 en Hattenhauer 2011.
Faber 2005/14.
Snijders 1999, p. 560. Het Zurückbehaltungsrecht wordt in Duitsland ook wel geschaard onder de Einreden. Daaronder valt het Zurückbehaltungsrecht en de Einrede des nicht erfüllten Vertrages (de enac), zie Kötz 2009, p. 365-373. Einreden en Einwendungen zijn beide waarschijnlijk het beste te vertalen met verweermiddelen, waarbij een Einrede een aanspraak van de wederpartij tijdelijk, en een Einwendung definitief remt. Verjaring is bijvoorbeeld een Einwendung: het ontneemt de wederpartij definitief de mogelijkheid om de vordering in rechte geldend te maken. Zie over het onderscheid: Kötz 2009, p. 326. In het Duitse recht bestaat discussie over de vraag of een Einrede wel een Gestaltungsrecht kan zijn. Seckel bijvoorbeeld schaart de Einreden niet onder de Gestaltungsrechten (zie Seckel 1903, p. 216), omdat volgens hem niet het bestaan van de aanspraak, maar alleen de werking erdoor weggenomen wordt. Zie bijvoorbeeld ook Ahrens 2003, p. 24. Nieuwere wetenschappelijke inzichten bestempelen deze zienswijze als achterhaald. Zij menen kort gezegd dat doordat de Einrede afstamt van de exceptio uit het Romeinse recht (Roth 1988, p. 13), zij lange tijd slechts werd beschouwd als een procesrechtelijke bevoegdheid. Aan de Einrede zou te lang geen materieelrechtelijke werking zijn toegekend, zie Thomale 2012, p. 922-968, die meent dat Einreden en Gestaltungsrechte ‘wesensgleich’ zijn. In dezelfde zin: Hattenhauer 2011, p. 243-254. Zie ook par. 2.2.4.
Dit geldt althans als de verrekening terugwerkt tot een moment voorafgaand aan het intreden van het verzuim. Werkt de verrekening terug tot een moment na het intreden van het verzuim, dan blijven de gevolgen van het verzuim gedeeltelijk in stand, zie Faber 2005/204.
Vgl. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3072, NJ 2015/85, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Eurostrip/Veelenturf q.q.), zie ook HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610, NJ 2009/50, m.nt. J. Hijma (Ammerlaan/Enthoven), r.o. 4.6, Faber 2005/2.
Zie par. 2.3.3.
Biemans 2011/553.
HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199 (Hendrikx/Peters).
Streefkerk 2013/26.1.
HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199 (Hendrikx/Peters), r.o.3.5.
Streefkerk 2013/26.1.
HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7195, NJ 2009, 342, m.nt. J. Hijma (Hartendorp/Kooij), HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, NJ 2012/ 584 (Tyco/Delata).
HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, NJ 2012/584 (Tyco/Delata), r.o 3.4.2.
HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7195, NJ 2009/342, m.nt. J. Hijma (Hartendorp/Kooij), r.o. 3.4.2.
Zie over het arrest: Lok 2008.
Zie hierover Schelhaas & Stolp 2009/3, p. 60-61.
Annotatie van J. Hijma, nr. 9, onder HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008: BB7195, NJ 2009/342 (Hartendorp/Kooij).
Annotatie van J. Hijma, nr. 9, onder HR 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008: BB7195, NJ 2009/342 (Hartendorp/Kooij).
Zie hiervoor het einde van randnr. 48.
Zie hierna par. 3.4.
Zie verder par. 3.3.3.4.
In deze zin Biemans 2011/553.
48. Art. 3:290 BW geeft – kort gezegd – aan dat retentierecht de bevoegdheid tot opschorting is. Art. 6:52 BW gebruikt dezelfde terminologie. Het is de wet zelf, die een schuldeiser de bevoegdheid tot opschorting toekent. De bevoegde schuldeiser heeft een keuze om al of niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid.1 Maakt de schuldeiser wel gebruik van zijn bevoegdheid, dan is het juridisch relevante moment het moment waarop hij bevoegd was geworden tot opschorting.2 Dit is geen kwestie van terugwerkende kracht. De bevoegdheid was er immers van meet af aan; namelijk vanaf het moment dat cumulatief aan de vereisten voor het retentierecht was voldaan.3 Die rechtsgevolgen treden uiteraard alleen in, indien de schuldeiser gebruik maakt van het recht, het recht uitoefent.4 Oefent hij het recht niet uit, dan doet dat niets af aan zijn bevoegdheid, maar aan de niet- uitgeoefende bevoegdheid zijn geen gevolgen verbonden. De vereisten voor de bevoegdheid tot opschorting komen in paragraaf 3.3 aan bod. Voor het intreden van de rechtsgevolgen is niet vereist dat de retentor ‘een beroep’ doet op het opschortingsrecht.5
Met Streefkerk meen ik dat het bepalende moment voor het mogelijke intreden van de rechtsgevolgen van het retentierecht het moment is waarop de bevoegdheid tot opschorting is ontstaan.6 Daarvoor zijn in ieder geval drie argumenten te geven. Ten eerste zal een schuldeiser met een retentierecht veelal pas van de bevoegdheid gebruik maken op het moment dat hij wordt aangesproken tot afgifte. Ten tweede heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een beroep op een opschortingsrecht ook nog kan worden gedaan tijdens een juridische procedure. Ten derde volgt uit de wet wanneer de bevoegdheid tot opschorting bestaat, terwijl het moment van de daadwerkelijke uitoefening van het retentierecht daarentegen veel minder duidelijk is afgebakend.
Een alternatieve benadering van het ontstaansmoment van opschortingsrechten is om pas een retentierecht (of in het algemeen: een opschortingsrecht) aan te nemen, op het moment dat sprake is van uitoefening van de bevoegdheid. Met name Biemans verdedigt deze benadering in zijn proefschrift.7 De uitoefening bestaat volgens hem in het uitbrengen van een verklaring aan de schuldeiser die door laatstgenoemde is ontvangen. Het voordeel van deze benadering is dat er een (min of meer) naar buiten kenbaar, afgebakend punt in de tijd aan te wijzen is waarop het recht aanvangt. Dat lijkt mede met het oog op anterioriteit en posterioriteit van rechten van derden aantrekkelijk. Maar uit de wet volgt al iets anders; want volgens art. 3:290 BW is het retentierecht (…) de bevoegdheid (…) om op te schorten (…) (mijn cursivering). Op elk van de genoemde drie argumenten voor het beslissend achten van de opschortingsbevoegdheid (en niet de ‘uitoefening’ van het recht) ga ik hierna in. Daarbij bespreek ik ook de alternatieve benadering, waarin pas sprake is van een bestaand opschortingsrecht zodra de bevoegdheid is uitgeoefend.
1) Een schuldeiser met een retentierecht zal veelal pas van de bevoegdheid gebruik maken als hij wordt aangesproken tot afgifte
49. Tot op dat moment is er voor de schuldeiser geen reden om zich op zijn retentierecht te beroepen. Dit gegeven is bij verrekening de reden voor het terug werken tot het moment dat de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan.8 De partij die bevoegd is tot verrekening zal veelal pas van zijn bevoegdheid gebruik maken op het moment dat hij door zijn wederpartij wordt aangesproken tot betaling. De retentor heeft de macht over de zaak tot zekerheid ingeval zijn wederpartij niet nakomt. Ook bij de retentor bestaat de kans dat hij zich pas op zijn retentierecht beroept als hij tot afgifte wordt aangesproken. Pas op dat moment wordt het voor retentor c.q. schuldenaar relevant om actie te ondernemen. Daarom is het bepalende moment voor de rechtsgevolgen van opschorting niet het moment waarop de retentor gebruik maakt van zijn recht, maar dat waarop zijn bevoegdheid ontstaat. Ter onderbouwing van mijn stelling dat aansluiting kan worden gezocht bij de manier van terugwerking van verrekening, ga ik kort in op de gelijkenis tussen opschorting – het retentierecht in het bijzonder – en verrekening.
Op het eerste gezicht hebben retentierecht en verrekening weinig met elkaar te maken: door verrekening gaan verbintenissen (finaal) teniet, terwijl retentierecht juist bedoeld is als een tijdelijk pressiemiddel. Maar bij nadere beschouwing blijkt wel van een vergelijkbare strekking: door het retentierecht verrekent de retentor als het ware de prestatie die hij nog moet volbrengen (de afgifte van de zaak) met de uitgebleven prestatie van zijn wederpartij (het voldoen van de vordering van de retentor).9 Opschorting en verrekening zijn dan ook mijns inziens in belangrijke opzichten vergelijkbaar. Ze hebben dezelfde structuur. Bij beide is sprake van een schuldeiser aan wie de wet een bepaalde bevoegdheid toekent.10 De partij die bevoegd is tot opschorting of verrekening heeft de keuze om daar al of niet gebruik van te maken. Dit type rechten wordt wel aangeduid met wilsrechten. Wilsrechten zijn rechten die de bevoegdheid geven om eenzijdig verandering aan te brengen in een rechtstoestand.11 Verrekening is een wilsrecht:12 de schuldenaar kan eenzijdig verandering brengen in de rechtstoestand die bestaat tussen hem en de schuldenaar. Uitoefening van het wilsrecht heeft tot gevolg dat beide vorderingen tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgaan. Ook opschorting is een wilsrecht.13 De partij die bevoegd is om op te schorten, kan er ook voor kiezen om af te zien van een beroep op opschorting. Hij brengt dan geen verandering in de rechtstoestand. Net als bij verrekening werkt de uitoefening van het wilsrecht opschorting terug tot het moment dat de bevoegdheid is ontstaan. Het feit dat verrekening volgens art. 6:129 BW terugwerkt tot het moment dat de schuldenaar bevoegd is geworden, brengt mee dat een reeds ingetreden verzuim wordt gezuiverd, ook voor de periode dat het verzuim al was ingetreden.14 In lijn hiermee neem ik aan dat ook voor opschorting geldt dat als vast komt te staan dat de opschorting bevoegdelijk is geschied, de rechtsgevolgen intreden voor de periode dat de bevoegdheid bestond. Ook het feit dat voortgezette opschorting uiteindelijk tot verrekening kan leiden, laat de gemeenschappelijkheid van beide figuren zien.15 Indien de opschorting van de betaling van een geldsom voortduurt, in afwachting van betaling door de wederpartij, leidt zij op den duur vanzelf tot verrekening. Opschorting kan op die manier een finaal karakter krijgen. De opschorting van de afgifte van een zaak is bedoeld als tijdelijk pressiemiddel en is doorgaans niet geschikt om oneindig voort te duren. Een oneindige pressie zou namelijk in veel gevallen betekenen dat de feitelijke macht en het eigendoms- of gebruiksrecht van de schuldenaar uiteen blijven lopen. Maar het feit dat finaliteit doorgaans niet past bij het retentierecht, neemt niet weg dat het wel mogelijk is dat het retentierecht een finaal karakter krijgt.16
Wanneer niet de opschortingsbevoegdheid, maar een separate uitoefening beslissend zou zijn voor het bestaan van het opschortingsrecht (zoals in de alternatieve benadering die Biemans voorstaat),17 zou een onwenselijke discrepantie ontstaan tussen opschorting en verrekening. Verrekening werkt ingevolge art. 6:129 lid 1 BW terug tot het moment waarop de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan. Wanneer voor een opschortingsrecht niet het ontstaan van de bevoegdheid, maar een ‘uitoefeningsverklaring’ als beslissend moment zou gelden, zou er een verschil tussen de rechtsposities van de schuldenaar en schuldeiser zijn, naar gelang de schuldenaar opschort of verrekent. Dit heeft niet de voorkeur, nu opschorting en verrekening dogmatisch dichtbij elkaar liggen en praktisch gezien in veel gevallen niet goed kunnen worden onderscheiden.
2) De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een beroep op een opschortingsrecht voor het eerst in een procedure mag worden gedaan18
50. Het feit dat een beroep op een opschortingsrecht pas in een procedure wordt gedaan, betekent niet dat de opschortende partij ook pas op dat moment het opschortingsrecht heeft.19 In de zaak Hendrikx/Peters had de rechtbank – dat was in deze zaak de appèlinstantie – in haar oordeel het beroep van Hendrikx op opschorting van de betaling van huur vanwege gebreken in het gehuurde afgewezen, omdat het voor het eerst werd gedaan tijdens een gerechtelijke procedure. De Hoge Raad casseert het vonnis van de rechtbank op (onder andere) dit punt en oordeelt:
“De bevoegdheid tot opschorting moet worden gezien als een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een tegenvordering die hij op zijn schuldeiser heeft. Hieruit volgt dat een beroep op een opschortingsrecht in beginsel steeds kan worden gedaan door de schuldenaar, ook wanneer de schuldeiser in rechte een vordering tot nakoming instelt.”20
Streefkerk leidt uit dit arrest af, dat indien de schuldeiser een gegrond beroep op een opschortingsrecht heeft gedaan, de gevolgen van de opschorting terug werken tot het moment waarop de schuldeiser bevoegd is geworden tot opschorting.21 Hiermee is volgens hem niet goed te rijmen dat de schuldeiser dan wél in verzuim zou zijn geweest in de periode dat de bevoegdheid tot opschorting bestond, maar de schuldeiser zich er nog niet op had beroepen. Het verzuim is volgens hem dan achteraf bezien niet ingetreden. Streefkerk verwijst ter onderbouwing van zijn stelling naar de arresten Hartendorp/Kooij en Tyco/Delata.22 In het arrest Tyco/Delata deed de schuldenaar (Tyco), pas nadat hij in verzuim was geraakt, een beroep op de onzekerheidsexceptie van art. 6:263 BW. De Hoge Raad honoreerde dit beroep en oordeelde dat Tyco zich ook voor het eerst na het verstrijken van de overeengekomen termijn voor nakoming kon beroepen op zijn opschortingsrecht.23 De Hoge Raad overweegt overigens niet expliciet dat het verzuim dan achteraf bezien niet is ingetreden in de periode voorafgaand aan het beroep op de onzekerheidsexceptie. Maar A-G Wuisman doet dat wel in zijn conclusie voor het arrest. Volgens hem is het verzuim niet ingetreden, nu Tyco een gegrond beroep op art. 6:263 BW heeft gedaan.24
In (r.o. 3.4.2 van) het arrest Tyco/Delata verwijst de Hoge Raad zelf naar het arrest Hartendorp/Kooij, in welk arrest hij had overwogen dat een beroep op opschorting, gedaan nadat de wederpartij een ontbindingsverklaring had uitgebracht, nog mogelijk was.25 Het arrest Hartendorp/ Kooij kenmerkt zich er echter door dat vaststond dat geen van beide partijen meer kon nakomen.26 Opschorting had dan ook voor geen van beiden enig nut. De Hoge Raad laat dan ook verder de gevolgen van het beroep op opschorting (van Hartendorp) buiten beschouwing. Hij stapt – ondanks zijn gegrondbevinding van het beroep van Hartendorp op opschorting – materieel over de opschorting heen en oordeelt dat Kooij toch de overeenkomst mocht ontbinden.27 Hijma schrijft in zijn annotatie onder het arrest dat het vaker voorkomt dat pas nadat partijen zich (al of niet wederzijds) op opschorting of ontbinding hebben beroepen, zal kunnen worden vastgesteld wie welke remedie toekomt.28 Blijkt achteraf dat de opschortende partij daartoe bevoegd was, dan was de partij die voordien de ontbindingsverklaring had uitgebracht niet bevoegd tot ontbinding en trof de ontbindingsverklaring derhalve de overeenkomst niet. De bevoegdheid was in dat geval van meet af aan afwezig. Hijma merkt vervolgens op dat een dergelijke exercitie ook voor andere verweren geldt, waaronder verzuim. Deze, door Hijma als ‘terugblik’ aangeduide, exercitie kan alleen goed worden verricht op basis van alle feiten van een bepaald geval, om vast te stellen of het gebruik van een bepaald rechtsmiddel – achteraf bezien – geoorloofd was.29 Het beoordelingsmoment voor een toets van de geoorloofdheid kan goed na het ontstaansmoment van de bevoegdheid liggen. Aan het moment waarop een partij gebruik maakte van het rechtsmiddel komt geen zelfstandige betekenis toe. Ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan dus worden afgeleid dat de rechtsgevolgen van opschorting (en bijvoorbeeld ook van ontbinding) al kunnen intreden op het moment dat aan de vereisten voor opschorting is voldaan.
Een nadeel aan de alternatieve benadering waarin niet de bevoegdheid tot opschorting beslissend is, maar de uitoefening ervan,30 is dat goed mogelijk is dat de ‘uitoefening’ pas enige tijd plaatsvindt nadat de schuldeiser bevoegd is geworden tot opschorting. Veelal zal het beroep op het retentierecht pas worden gedaan op het moment dat de schuldenaar zijn zaak terugeist. Het is onwenselijk om de uitoefening van een bevoegdheid die de schuldeiser beoogt te beschermen, op die manier in de handen te leggen van een willekeurig door de schuldenaar gekozen moment. Hiervoor is ook jegens derden geen goede grond. Vanaf het moment dat aan de vereisten voor de opschortingsbevoegdheid is voldaan, heeft de retentor de door de wettelijke bepalingen beschermde positie.
3) De uitoefening van het opschortingsrecht manifesteert zich niet op een andere manier dan de bevoegdheid
51. Het derde, meer praktische, argument voor het aanknopen van rechtsgevolgen aan de bevoegdheid tot opschorting, is dat de uitoefening van een retentierecht zich niet per definitie op een andere manier manifesteert dan de enkele bevoegdheid. Het houderschap van een bewaarnemer-retentor manifesteert zich bijvoorbeeld niet op een andere manier dan bijvoorbeeld dat van een bewaarnemer zonder retentierecht. De bewaarnemer die niet wordt betaald, houdt gewoon de zaak onder zich. Uit de wet volgt wanneer een schuldeiser de bevoegdheid heeft tot opschorting. Over de manier van uitoefening van het recht is niets bepaald. Voor uitoefening van een retentierecht is in beginsel31 mededeling aan de schuldenaar (of aan betrokken derden), noch een uiterlijk zichtbare manifestatie van het retentierecht vereist.
In de bouwpraktijk pleegt men wel door middel van borden het retentierecht op een onroerende zaak kenbaar te maken aan de buitenwereld. Dit gebruik is waarschijnlijk gegroeid nadat de Hoge Raad in het arrest Agema/WUH voor het eerst oordeelde dat het retentierecht op een onroerende zaak mogelijk is indien de schuldeiser op een ook voor derden voldoende duidelijke wijze de feitelijke macht uitoefent. Het lijkt erop dat de Hoge Raad hier in latere arresten van is teruggekomen in die zin dat alleen voor het inroepen van het retentierecht jegens een posterieure derde is vereist dat de feitelijke macht kenbaar is.32 In het (latere) arrest Deen/Van der Drift was sprake van een bordje met daarop de tekst ‘Bouwbedrijf Deen Dedemsvaart’ dat in de nok van het woonhuis was aangebracht. Het feit dat aannemers op de bouwwerken waarop zij een retentierecht pretenderen een bord ophangen met daarop de tekst ‘hier wordt een retentierecht uitgeoefend’, zegt echter niets over de vraag of deze uitoefening rechtsgeldig geschiedt. Bovendien betekent een bord niet per definitie dat de feitelijke macht wordt uitgeoefend, hoogstens dat deze wordt gepretendeerd. Hetzelfde geldt voor een partij die aan de wederpartij verklaart een retentierecht uit te oefenen: ook daarvan is niet per definitie gezegd dat deze verklaring krachtens bevoegde opschorting wordt uitgebracht.
Al met al is de uitoefening van een retentierecht niet goed te onderscheiden van het ‘opschortingsbevoegd zijn’. De wet geeft houvast voor de beoordeling van de vraag of de bevoegdheid tot opschorting er is. Daarentegen is de beoordeling van de daadwerkelijke uitoefening van een retentierecht lastiger. Zou men daarentegen menen dat eerst een verklaring de schuldenaar moet hebben bereikt, vooraleer de schuldeiser zich op het opschortingsrecht mag beroepen,33 dan heeft dit voor derden alsnog weinig toegevoegde waarde. Ook dit is een reden om voor wat betreft de rechtsgevolgen aan te knopen bij het moment dat de bevoegdheid ontstond, en niet het moment dat zij werd uitgeoefend.