Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.1:3.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591075:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
45. In dit hoofdstuk behandel ik de vereisten voor het retentierecht. Het retentierecht is volgens art. 3:290 BW de bevoegdheid om de afgifte van zaken op te schorten. Het gegeven dat de schuldeiser bevoegd is, betekent nog niet dat hij deze bevoegdheid ook uitoefent. De rechtsgevolgen van het retentierecht kunnen wel al intreden op het moment waarop de bevoegdheid tot opschorting is ontstaan. In dit hoofdstuk licht ik dit onderscheid tussen het hebben van de opschortingsbevoegdheid en de uitoefening van het recht nader toe. Dat doe ik in paragraaf 3.2. In paragraaf 3.3 worden de vereisten voor het retentierecht behandeld. Ten slotte gaat paragraaf 3.4 over de vraag of, en zo ja hoe, de uitoefening van het retentierecht zich manifesteert. Ik ga met name in op de vraag of de uitoefening van het retentierecht moet worden medegedeeld aan de wederpartij of anderszins kenbaar dient te zijn.
In dit hoofdstuk laat ik de positie van derden-rechthebbenden op de zaak nog even buiten beschouwing; die komt aan bod in hoofdstuk 4. Omdat art. 3:291 BW een onderscheid maakt tussen ‘ouder’ en ‘jonger’ gerechtigden tot de zaak, is het ontstaansmoment van het retentierecht ook voor hun positie van belang.