Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.2.1:3.2.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/3.2.1
3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS591076:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
46. Art. 3:290 BW omschrijft het retentierecht als een bevoegdheid met een bepaalde inhoud. Die inhoud is negatief van aard: het is de bevoegdheid om iets niet te doen, om niet af te geven. Een bevoegdheid impliceert dat men er gebruik van kan, maar niet hoeft, te maken. De vraag laat zich dus stellen of reeds het toekomen van een bevoegdheid aan een schuldeiser al ‘het retentierecht’ is, of dat pas sprake kan zijn van een retentierecht als de bevoegdheid daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Bovendien kan men zich afvragen waar die ‘uitoefening’ van het retentierecht uit bestaat, ter onderscheiding van de toestand waarin de uitoefening er nog niet was. In paragraaf 3.2.3 ga ik in op het materiële verschil tussen ‘bevoegd zijn’ en uitoefening van het recht. In paragraaf 3.2.4 zet ik uiteen welke rechtsgevolgen verbonden zijn aan een bevoegd uitgeoefend retentierecht en in paragraaf 3.2.5 behandel ik de gevolgen van een onbevoegd gedaan beroep op een opschortingsrecht. Vóór dit alles ga ik in paragraaf 3.2.2 eerst in op de terminologie.