Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/7.3.1.3
7.3.1.3 Waardestijging- of daling van de zaken
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90866:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 mei 1995, NJ 1995/531; HR 24 september 2004, NJ 2006/201.
Faber, JOR 2016/321, onder 6; Schuijling, RMT 2017/1, p. 26; Rongen, Ondernemingsrecht 2017/37, p. 225.
Al laat deze situatie zich minder makkelijk denken dan een waardedaling. Het zal vaak gaan om zaken waarvan een schaarste ontstaat.
Vriesendorp 1985, p. 68-69; Brahn 1991, p. 135; Heyman, WPNR1994/6119, p. 10; Vegter, WPNR 1995/6191, p. 556; Van Hees & Kortmann, NJB 1995/27, p. 995-996; Salomons, WPNR 1996/6237, p. 654; Van Hees 1997, p. 184-186; Dalhuisen 2003, p. 39; Van Vliet NTBR 2008/43, paragraaf 5.1.2; Voorzichtig Verstijlen 2015, GS Vermogensrecht, art. 3:92 BW, aant. 40.
Stb.2016, 360.
Vriesendorp 1985, p. 68-69; Heyman, WPNR1994/6119, p. 10; Vegter 1995, p. 556; Salomons WPNR 1996/6237, p. 654; Dalhuisen 2003, al noemen zij geen argumenten, p. 39; Van Vliet NTBR 2008/43, paragraaf 5.1.2. Daarnaast betogen Kortmann & Van Hees NJB 1995, p. 995-996; Kortmann & Van Hees, WPNR 1995/6187, p. 456 de afdracht van overwaarde bij een sale and lease back constructie. Ik merk op dat niet steeds duidelijk is of de auteurs het oog hebben op een daadwerkelijke stijging van de waarde van de zaak, of op de terugbetaling van de betaalde koopprijstermijnen.
Ik sluit mij aan bij Struycken. Zie Struycken WPNR 1996/6215 p. 180 en Struycken WPNR 1996/6237 p. 655-658. Eveneens: W.H. van Boom in zijn noot onder HR 12 februari 2016, AA 2016, p. 368 en Verheul 2018, paragraaf 183-186; Atema, FIP 2018/270.
Kamerstukken II 1933/34, 431, nr. 3, p. 12-13; MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388; Kamerstukken II 2015/16, 34 442, nr. 3, p. 31-32. Zie over de ratio van art. 1576t BW: Schürmann 1936, p. 137; Conclusie A-G Hartkamp HR 8 mei 1992 NJ 1993/1, punt 9; Mezas 1985, p. 15.
Ook in het kader van andere recente wetgeving heeft de wetgever zich alleen uitgelaten over waardedalingen en vervalclausules. Zie naast het hierboven weergegeven citaat uit de MvT bij art. 7:92 BW ook de parlementaire behandeling van art. 44 lid 2 WCK, art. 8:810 BW en art. 11 lid 3 Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken.
Heyman, WPNR 1994/6119, p. 10; Dalhuisen 2003, p. 13 en 39.
Van Hees 1997, p. 184-186.
Vgl. Van Hees & Kortmann, NJB 1995/27, p. 995-996; Struycken, WPNR 1996/6237, p. 656-657.
Van Hees & Kortmann, NJB 1995/27, p. 995-996.
Struycken, WPNR 1996/6215, p. 180.
Vgl. Verheul 2018, p. 183.
Van Hees & Kortmann, NJB 1995/27, p. 996. Anders: Salomons, WPNR 1995/6204, p. 821.
Verheul, MvV 2015/9, p. 275.
Schoordijk 1986, p. 310; Salomons, WPNR 1995/6204, p. 821-822; Verheul 2018, p. 183-186. Vgl. W.H. van Boom in zijn noot onder HR 12 februari 2016, AA 2016, p. 368.
Nadat de leverancier de zaken heeft opgeëist, kan blijken dat de waarde van de zaken is gewijzigd. Ten eerste kunnen de zaken in waarde zijn gedaald. Gedacht kan worden aan een machine die door de koper is gebruikt in de periode tussen de levering en revindicatie. Een tweedehands machine is vaak minder waard dan de gloednieuwe variant. Ook kan de koper de zaak hebben beschadigd.
Indien de zaak in waarde is gedaald, bepaalt art. 6:277 BW dat de koper het positieve contractsbelang aan de leverancier moet vergoeden.1 Dit is het verschil tussen koopprijsvordering en de waarde van de zaak bij uitoefening van het eigendomsvoorbehoud. In het geval de koper reeds een gedeelte van de koopprijs aan hem heeft betaald kan de leverancier deze schadevergoedingsvordering verrekenen met zijn restitutieverplichting aan de koper ex art. 6:271 BW. Ook als een pandrecht op de restitutievordering van de koper wordt gevestigd of bij wijze van substitutie van rechtswege ontstaat, zoals Schuijling en Faber aannemen, kan de leverancier nog verrekenen.2 Het pandrecht op de vordering komt namelijk tot stand nadat beide vorderingen zijn ontstaan uit dezelfde rechtsverhouding (art. 6:130 lid 2 jo. lid 1 BW).
De leverancier kan ook de betaalde koopprijstermijnen behouden boven dit bedrag indien partijen dit zijn overeengekomen.3 Partijen kunnen deze afspraak echter niet maken in een overeenkomst van goederenkrediet. Art. 7:92 BW bepaalt dat een leverancier de betaalde termijnen moet terugbetalen aan de koper voor zover het bedrag hoger is dan de schadevergoedingsvordering ex art. 6:277 BW. Anders dan bij de overige bepalingen over goederenkrediet, volgt uit art. 7:98 BW dat van art. 7:92 BW niet kan worden afgeweken.
De zaak kan ook in waarde zijn gestegen tussen het moment van de levering en de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.4 De leverancier revindiceert dan een zaak met een hogere waarde. Deze waardestijging moet de leverancier op grond van art. 6:278 BW afdragen aan de koper, indien de koper aannemelijk maakt dat de leverancier de overeenkomst niet zou hebben ontbonden zonder deze waardestijging. Ook is de leverancier op grond van art. 6:275 BW verplicht om de kosten voor veranderingen of toevoegingen aan de zaak te vergoeden aan de koper.
Daarnaast wordt door een deel van de literatuur verdedigd dat de waardestijging van de zaak ook buiten deze gevallen toekomt of moet toekomen aan de koper.5 Er worden vier grondslagen genoemd: art. 7A:1576t BW (oud) (nu: art. 7:92 BW), het zekerheidskarakter van het eigendomsvoorbehoud, ongerechtvaardigde verrijking ex art. 6:212 BW en de redelijkheid en billijkheid. Naar mijn mening brengt geen van deze grondslagen (in beginsel) met zich dat de waardestijging niet aan de leverancier toekomt.
i) 7A:1576t BW (oud) en art. 7:92 BW
De meest genoemde grondslag is een analoge toepassing van art. 7A:1576t BW (oud), dat sinds de invoering van de Wet Consumentenkredietovereenkomsten, goederenkrediet en geldlening (ongewijzigd) in art. 7:92 BW is opgenomen.6 Voor deze grondslag worden een aantal argumenten aangevoerd. Ten eerste lijkt de wettekst van deze dwingendrechtelijke bepaling duidelijk. De leverancier is verplicht tot ‘volledige verrekening’ als hij in een ‘betere vermogenstoestand’ verkeert door ontbinding van de overeenkomst dan door nakoming. Ten tweede wordt aangevoerd dat de ratio van deze bepaling is om de leverancier niet meer te laten ontvangen dan hij bij correcte nakoming van de overeenkomst zou hebben gekregen.7
Ik meen echter dat met art. 7:92 BW (en art. 7A:1576t BW (oud)) door de wetgever niet is beoogd om waardestijgingssituaties te regelen en daarom niet van toepassing is bij de uitoefening van het eigendomsvoorbehoud.8 Hiervoor voer ik drie argumenten aan.
Teneerste wordt in de memorie van toelichting geen aandacht besteed aan de situatie waarin de zaak in waarde is gestegen, anders dan de tekst van de wet suggereert. Er is slechts gedacht aan gevallen waarin de koper al één of meer termijnen heeft betaald waarna de leverancier de koopovereenkomst ontbindt. In dat geval mag de leverancier niet én de zaak opeisen én de betaalde termijnen behouden waardoor hij onredelijk bevoordeeld wordt.9 Vervalbedingen met dit gevolg zijn niet toegestaan op grond van art. 7:92 BW en diens voorganger. Dit heeft volgens de minister niet tot gevolg dat vervalbedingen altijd verboden zijn. De leverancier mag de reeds betaalde termijnen bijvoorbeeld wel houden, indien de zaak in waarde is gedaald.10 Dan is geen sprake van een onredelijke bevoordeling van de leverancier.
Tentweede is in de memorie van toelichting een aanwijzing te vinden dat een waardestijging aan de leverancier toekomt. De minister merkt op dat art. 7A:1576t BW (oud) zich richt tegen deze vervalbedingen, maar:
“Voor zoover ter zake geen bijzondere bedingen zijn gemaakt, blijft het gemeene recht, neergelegd in artt. 1302 en 1303 B.W., van toepassing.”11
Afgezien van de regeling over vervalbedingen meende de minister derhalve dat de gewone regels van ontbinding (art. 1302 en 1303 BW (oud)) toegepast moeten worden. Onder het BW (oud) had ontbinding terugwerkende kracht, waardoor de leverancier werd geacht altijd de eigendom van de zaak (inclusief overwaarde) te hebben gehad. De koper is achteraf gezien nooit eigenaar geweest. Onder het huidige recht leidt ontbinding tot ongedaanmakingsverbintenissen. De leverancier moet de eventueel betaalde termijnen terugbetalen aan de koper. Er ontstaat geen ongedaanmakingsverbintenis met betrekking tot de overwaarde. De koper dient de eigendom terug over te dragen aan de leverancier. Heeft de leverancier een eigendomsvoorbehoud bedongen, dan is dit niet nodig, omdat de onvoorwaardelijke eigendom door ontbinding ‘automatisch’ terug is bij de leverancier. Dit is de eigendom van de zaak, inclusief de overwaarde.
Tenderde geven de regels van ontbinding de koper het recht om de overwaarde te vorderen, indien de leverancier de overeenkomst ontbindt om te profiteren van de prijsstijging van de zaak op grond van art. 6:278 BW.12 Geen andere wettelijke regel legt een verplichting op de leverancier om de overwaarde af te dragen aan de koper.
Kortom, zowel onder het oude als huidige recht brengt ontbinding mee dat de leverancier wordt geacht altijd eigenaar te zijn geweest van de zaak, inclusief de eventuele overwaarde. Dit leidt slechts uitzondering als de koper een geslaagd beroep op art. 6:278 BW doet.
ii) Het zekerheidskarakter van het eigendomsvoorbehoud
Een tweede aangevoerde grondslag voor een verplichting tot afdracht van de overwaarde is het zekerheidskarakter van de overdracht onder eigendomsvoorbehoud.13 Een functionele benadering van het eigendomsvoorbehoud pleit voor een dergelijke afdracht aan de koper. Op grond van deze benadering wordt het eigendomsvoorbehoud zoveel als mogelijk hetzelfde behandeld als het pand- en hypotheekrecht. Dit brengt mee dat de afdrachtverplichtingen in art. 3:253 BW en art. 3:270 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing zijn.14
Het Belgische recht biedt hiervan een voorbeeld. Op grond van de functionele benadering die ten grondslag ligt aan de Pandwet geldt voor zowel het pandrecht als het eigendomsvoorbehoud een verrijkingsverbod. Dit verbod houdt in dat de leverancier de waarde van de gerevindiceerde zaak moet ‘verrekenen’ met zijn vordering op de koper. Is de waarde van de zaak hoger dan de vordering, dan dient de leverancier het ‘overschot’ af te dragen aan de koper. Op deze wijze wordt een resultaat bereikt dat vergelijkbaar is met het executeren van een zaak waarop een pandrecht rust.
Ik meen echter dat twijfelachtig is of deze functionele benadering in het Nederlandse recht een grondslag voor afdracht van de waardestijging kan zijn. Hoewel in het Nederlandse recht het eigendomsvoorbehoud en het pand- en hypotheekrecht namelijk wel een vergelijkbare functie vervullen, is de technisch-juridische constructie verschillend. Ook ligt aan het Nederlandse zekerhedenrecht geen functionele benadering ten grondslag, althans niet zoals wettelijk is vastgelegd in het Belgische en Amerikaanse recht. In geval van een Nederlands pand- of hypotheekrecht is de koper eigenaar van de zaak. De pand- of hypotheekhouder verhaalt zich op de executieopbrengst van de zaak en dient de overwaarde af te dragen aan de koper op grond van de wet. Bij het eigendomsvoorbehoud is juist de leverancier na ontbinding weer volledig eigenaar van de zaak. Hij executeert de zaak niet, maar revindiceert deze als eigenaar.
iii) Ongerechtvaardigde verrijking
Een derde grondslag is de ongerechtvaardigde verrijking ex art. 6:212 BW. Hiervoor is een ongerechtvaardigde verrijking van de één en een verarming van de ander nodig.15 Het is echter naar mijn mening twijfelachtig of de koper verarmd is als de overwaarde die het gevolg is van een waardestijging van de zaak toekomt aan de leverancier. Verder kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de ongerechtvaardigdheid van de verrijking.16 Is het ongerechtvaardigd om de eigenaar die de zaken op krediet levert aan de koper en vervolgens de zaken revindiceert omdat hij onbetaald blijft, een waardestijging van de zaak te doen toekomen? De vraag kan ook anders worden geformuleerd: is het gerechtvaardigd om de overwaarde aan de koper te laten toekomen en hem te laten profiteren van zijn eigen wanprestatie?17 Naar mijn mening is het billijk dat de leverancier in beginsel aanspraak maakt op de overwaarde. Was de koper de overeenkomst wel correct gekomen, dan was de overwaarde aan hem toe gekomen. In dat geval was hij namelijk volledig eigenaar geworden van de zaak. Tot dat moment heeft de leverancier zich echter de eigendom voorbehouden tot zekerheid van betaling. Deze voorwaardelijke eigendom groeit aan tot volledige eigendom door ontbinding. Het is gerechtvaardigd dat de overwaarde aan de leverancier toekomt.
iv) De redelijkheid en billijkheid
Tot slot wordt betoogd dat de redelijkheid en billijkheid in verhouding tot andere schuldeisers van de koper deze afdrachtverplichting kan meebrengen.18 Dit is naar mijn mening inderdaad het geval. Er kunnen situaties bestaan die rechtvaardigen dat de overwaarde niet moet toekomen aan de leverancier, maar aan de koper. Anders dan in de literatuur wel wordt aangenomen, dient dit de uitzondering te zijn op de regel dat in beginsel de overwaarde aan de leverancier toekomt. In beginsel wordt de koper namelijk niet in een slechtere positie gebracht dan voor het moment dat de zaak aan hem werd overgedragen. De koper kan zelfs indirect profiteren van de waardestijging. Zijn verplichting tot vergoeding van het positieve contractsbelang bij ontbinding neemt af, omdat de verkoper minder winst derft.19
Samengevat
Samengevat komt het bovenstaande op het volgende neer. De waardestijging komt in beginsel toe aan de leverancier.20 Wel geeft de wet een aantal correctiemechanismen zoals art. 6:278 BW, art. 6:275 BW en de redelijkheid en billijkheid op grond waarvan (een gedeelte van) de waardestijging bij wijze van uitzondering aan de koper kan toekomen.
Betreft het echter een overeenkomst van goederenkrediet dan kan niet worden uitgesloten dat de waardestijging moet worden afgedragen aan de koper. Ondanks dat de wetgever niet heeft beoogd om met art. 7:92 BW en art. 7A:1576t BW de waardestijging van de zaak te regelen, suggereren de bewoordingen van de bepalingen wel een afdrachtverplichting. Partijen zijn gebonden aan deze regels, en kunnen er niet contractueel vanaf wijken in een overeenkomst van goederenkrediet.