Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/2.2
2.2 Rol- en procesregelingen
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581922:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een praktijk die thans is gecodificeerd in art. 82 lid 3 Rv.
Zie hierover Snijders, Ynzonides & Meijer 2002, nr. 140.
Ook de procespartijen kunnen overigens invloed uitoefenen op het verloop van de procedure, zij het dat de (rol)rechter uiteindelijk het laatste woord heeft. Zo bepaalt art. 133 lid 2 Rv dat de rechter een (eenstemmig) uitstelverzoek van partijen volgt, tenzij dit zou leiden tot onredelijke vertraging van het geding. Vgl. ook art. 1.3 van het (hierna te bespreken) Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken. Volgens deze bepaling kunnen partijen vóór de eerste roldatum gezamenlijk een van het reglement afwijkende procesvoering verzoeken. De rechter volgt partijen in beginsel in hun voorstel.
Zie hierover Boon & Van der Wal 1990; Van Mierlo 1998.
Gepubliceerd in Sterf. 2001, nr. 249. Zie voor een bespreking Wesseling-van Gent e.a. 2001; Leijten 2000; zie over de totstandkoming van dit reglement Uniken Venema 2001.
Gepubliceerd in Stcrt. 2003, nr. 115.
Gepubliceerd in Sfcrf. 1999, nr. 251.
Beide gepubliceerd in Sterf. 2004, nr. 58. Ook op andere rechtsgebieden dan het burgerlijk procesrecht bestaan overigens landelijke procesregelingen. Gewezen kan hier met name worden op de landelijke procesregeling bestuursrecht (Sfcrf. 2003, nr. 206) en de procesregeling voor de belastingkamers bij de gerechtshoven (Sfcrf. 2002, nr. 60).
Zo kent bij v. de Rechtbank Maastricht een 'Procesreglement Rekestenkamer' (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder Rechtbank Maastricht, Informatie voor de advocatuur) en vermelden diverse rechtbanken (o.a. 's-Hertogenbosch, Maastricht en Utrecht) op www.rechtspraak.nl (overigens onder verschillende benamingen) eigen richtlijnen voor verzoekschriften tot het leggen van conservatoir beslag.
Burgerlijke zaken die met een dagvaarding moeten worden ingeleid, worden ingevolge art. 113 lid 2 Rv ingeschreven op de rol van een enkelvoudige kamer. De behandeling van de zaak vindt - tenzij bij het desbetreffende gerecht de rolbehandeling schriftelijk plaatsvindt1 - vervolgens grotendeels plaats op rolzittingen. Hier worden door (de procureurs van) partijen ten overstaan van de rolrechter proceshandelingen verricht, zoals bijvoorbeeld het nemen van conclusies en akten, het vragen van uitstel voor proceshandelingen, het instellen van incidentele vorderingen of het vragen van pleidooi of vonnis.2
De (rol)rechter bepaalt bij dit alles in belangrijke mate het verloop van de procedure.3 Zo bepaalt de rechter de termijnen voor het nemen van conclusies en het verrichten van andere proceshandelingen en kan hij hiervoor aan partijen uitstel verlenen (art. 133 Rv); ook kan hij toestaan dat na de conclusie van antwoord nog repliek en dupliek (en eventueel nog meer conclusies) worden genomen (art. 132 lid 2 en 3 Rv). Voorts beslist hij over het houden van een comparitie (art. 87 en 88 Rv) en over het toestaan van pleidooi (art. 134 Rv).
In de praktijk hebben alle gerechten voor de behandeling van dagvaardingszaken een rolregeling of rolreglement, waarin de wijze waarop de rolrechter zijn procesbeleid voert nader is geregeld. Hoewel in de verzoelcschriftprocedure geen rolbehandeling plaatsvindt, bestaan veelal ook reglementen voor de behandeling van verzoekschriftzaken. Werden dergelijke regelingen in het verleden door ieder gerecht afzonderlijk vastgesteld,4 de laatste jaren zijn in toenemende mate uniforme landelijke regelingen tot stand gebracht. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken,5 het Landelijk reglement voor de civiele rol van de kantonsectoren,6 het uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken7 en de landelijke procesreglementen van de rechtbanken voor de scheidingsprocedure en de alimentatieprocedure.8 Ondanks deze tendens naar de vaststelling van procesreglementen op landelijk niveau komen plaatselijke reglementen (al dan niet als aanvulling bij een landelijk reglement) overigens ook nog steeds voor.9
Hoewel uiteraard niet alle rol- en procesregelingen dezelfde inhoud hebben, zijn wel een aantal onderwerpen te noemen die hierin doorgaans geregeld worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de termijnen voor het verrichten van proceshandelingen, de gevallen waarin hiervan uitstel kan worden verkregen en de wijze waarop dit uitstel verzocht dient te worden, de gang van zaken bij niet-verschijnen van de gedaagde of verweerder, het gelasten van een comparitie na antwoord en het houden van pleidooi of mondelinge behandeling. Daarnaast zijn in rol- en procesregelingen in het algemeen ook bepalingen met betrekking tot zaken van meer praktische aard opgenomen, bijvoorbeeld omtrent de wijze waarop stukken moeten worden ingediend, de wijze van inschrijving van zaken en de openingstijden van de griffie.