Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/2.10:2.10 Inventarisatie
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/2.10
2.10 Inventarisatie
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579471:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen is een aantal rechtersregelingen die thans in de praktijk bestaan, kort besproken. De behandelde voorbeelden laten zien dat deze regelingen in meerdere opzichten (aanzienlijke) variatie kunnen vertonen. Zo verschilt de herkomst van de besproken regelingen: sommige zijn slechts door één gerecht vastgesteld, andere zijn op landelijk niveau tot stand gebracht, al dan niet via 'vertegenwoordigers' als bijvoorbeeld de vergadering van rechtbankpresidenten of sectorvoorzitters. Niet zelden zijn rechtersregelingen afkomstig van - formeel gesproken - buitengerechtelijke gremia als de NVvR of de Kring van Kantonrechters. Voorts bestaan verschillen in de wijze van totstandkoming (vindt bijvoorbeeld ook overleg met andere betrokkenen dan rechters plaats?) en in de mate van bekendmaking (in hoeverre wordt een rechtersregeling ook buiten de kring van direct betrokkenen gepubliceerd?).
Een belangrijk punt van onderscheid ten slotte wordt gevormd door het onderwerp waarop de verschillende rechtersregelingen betrekking hebben. De in het voorgaande besproken regelingen hebben gemeen dat zij steeds betrekking hebben op de wijze waarop een bepaalde beslissingsruimte, die door de wetgever aan de rechter is gelaten, zal worden ingevuld.1 Hiermee is echter nog weinig gezegd, omdat rechterlijke beslissingsruimte zich in verschillende vormen kan voordoen. Vooruitlopend op een uitgebreidere bespreking van dit onderwerp in § 4.4.2, kan voorshands een drietal hoofdtypen worden aangeduid, waarbij overigens opmerking verdient dat deze hoofdtypen niet steeds scherp van elkaar te scheiden zijn en zich mengvormen kunnen voordoen.2
In de eerste plaats kunnen rechtersregelingen betrekking hebben op de wijze waarop bepaalde, doorgaans als 'discretionair' aangeduide, bevoegdheden moeten worden gehanteerd. Meestal gaat het hierbij om discretionaire bevoegdheden die berusten op het procesrecht, zoals het bepalen van termijnen, het verlenen van uitstellen, het toestaan van (nadere) conclusies, het gelasten van een comparitie of pleidooi of de invulling van de sanctiemogelijkheden van art. 21 en 22 Rv. Er bestaan echter ook regelingen omtrent de invulling van aan het materiële recht ontleende discretionaire bevoegdheden, zoals de aanbevelingen uit het rapport Voor-werk II die betrekking hebben op het gebruik van de rechterlijke matigingsbevoegdheden van art. 241 Rv en art. 6:109 BW ten aanzien van (bedongen, respectievelijk niet-bedongen) buitengerechtelijke kosten.
Een tweede categorie vormen de regelingen omtrent de bepaling van de hoogte van vergoedingen, zoals bijvoorbeeld het liquidatietarief, de kantonrech-tersformule en de alimentatienormen. Deze categorie is overigens aan de eerste verwant. Ook de vaststelling van dergelijke vergoedingen wordt immers vaak als 'discretionair' aangeduid:3 de beslissing van de rechter ter zake is bijvoorbeeld slechts in (zeer) beperkte mate voor toetsing door de hoogste rechter vatbaar.4
Ten derde komen rechtersregelingen voor met betrekking tot de uitleg van bepaalde wettelijke begrippen of vereisten. Voorbeelden uit deze laatste categorie zijn enkele aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters (bijvoorbeeld de aanbeveling inzake het voormalige réintegratieplan), de afspraak van de rechtbankpresidenten inzake het kort geding en de belastingaanslag als 'eis in de hoofdzaak' en de invulling van het begrip 'tijdig' van art. 15 Betekeningsverdrag door de Rechtbank Amsterdam. In § 4.4.2 zal deze materie verder worden uitgediept.