Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.1.1:6.1.1 Inleiding
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.1.1
6.1.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450695:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. de artikelen 21 en 198 lid 3 Rv, die op de enquêteprocedure van overeenkomstige toepassing zijn (zie § 1.6).
Zie § 6.2.
Artikel 198 lid 3 Rv. Deze medewerkingsplicht ligt in het verlengde van de verplichting van partijen om de feiten die voor de beslissing van belang zijn, volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Rv).
Zie § 1.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wet geeft de onderzoekers een aantal specifieke bevoegdheden waarvan zij bij het uitvoeren van het onderzoek gebruik kunnen maken. Deze zijn opgenomen in de artikelen 2:351-2:352a BW. Deze bevoegdheden zijn de volgende:
het recht van inzage in boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon (artikel 2:351 lid 1 BW);
de bevoegdheid inlichtingen te verkrijgen van (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers van de rechtspersoon (artikel 2:351 lid 1 BW);
de bevoegdheid de raadsheer-commissaris te verzoeken de bevelen tot medewerking te geven die de omstandigheden nodig maken (artikel 2:352 BW);
de bevoegdheid de Ondernemingskamer te verzoeken in het belang van het onderzoek getuigen te horen (artikel 2:352a BW);
de bevoegdheid de Ondernemingskamer te verzoeken de onderzoeksbevoegdheden uit te breiden tot een nauw verbonden rechtspersoon (artikel 2:351 lid 2 BW).
In de praktijk komt het zelden of nooit voor dat de onderzoekers van hun formele bevoegdheden gebruik moeten maken. Veruit de meeste rechtspersonen die het voorwerp zijn van onderzoek en hun (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers werken vrijwillig aan het onderzoek mee. Dit geldt ook voor derden die niet verplicht zijn om aan het onderzoek mee te werken. Dit betekent dat jurisprudentie over de formele bevoegdheden van de onderzoekers beperkt is. Kennelijk hebben partijen (en derden) er doorgaans voldoende belang bij om vrijwillig aan het onderzoek mee te werken. Dit belang is in de eerste plaats gelegen in het niet verzwakken van de eigen processuele positie. Als een partij niet meewerkt aan het onderzoek kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.1 In enquêtes zal ook het voorkomen van reputatieschade en de behoefte om de eigen visie op de gang van zaken te kunnen geven een belangrijke drijfveer zijn om aan het onderzoek mee te werken. Dit neemt niet weg dat de formele bevoegdheden van de onderzoekers in bepaalde omstandigheden nuttig, zo niet onmisbaar, kunnen zijn om adequaat onderzoek te doen. Bovendien gaat van deze formele bevoegdheden ook een belangrijke preventieve werking uit. Zij vormen dus een prikkel voor alle betrokkenen om vrijwillig aan het onderzoek mee te werken. Erg verrassend is deze conclusie niet. De door de rechter in een civiele procedure overeenkomstig artikel 198 Rv benoemde deskundigen hebben geen bijzondere bevoegdheden, zonder dat dit in de praktijk tot veel problemen aanleiding geeft.2 Eerst per 1 januari 2002 is in de wet opgenomen dat partijen verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door deskundigen.3
De bepalingen over het deskundigenbericht lenen zich in beginsel voor overeenkomstige toepassing in het onderzoek in de enquêteprocedure.4 Dat geldt ook voor de algemene verplichting tot medewerking aan het onderzoek als gecodificeerd in artikel 198 lid 3 Rv. Voor zover de onderzoekers medewerking van partijen bij de enquêteprocedure behoeven en zich niet kunnen beroepen op een van hun specifieke bevoegdheden, kunnen zij zich op deze bepaling beroepen. Als partijen daaraan geen gevolg geven, kan de Ondernemingskamer daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.