Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.2.3.1
5.2.3.1 Bestaand pand- of hypotheekrecht
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590659:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk over deze bepalingen ook hierna nr. 676, 678 en 680.
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 311 en M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 840.
Zie HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders.
Zie ook Kortmann 1993a, p. 102; Kortmann 2005, p. 67-69; S.C.J.J. Kortmann in zijn noot (sub 2) onder HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 (Rabobank/Stormpolder); A.I.M. van Mierlo in zijn noot onder HR 11 maart 2005, JIN 2005/162 (Rabobank/Stormpolder); Tjon-En-Fa & Heemstra 2006, p. 266-267; Van Straaten 2005; Guillaume 2006, p. 724-725; Verdaas 2008a, nr. 383; A. Steneker in zijn noot (sub 4) onder Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (BaldN an Boekhold); Hugenholtz/Heemskerk 2009, nr. 223. Anders: Broekveldt 2005. Vgl. voorts Stein/Rueb 2009, par. 17.5.10.
Zie Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (BaldNan Boekhold), m.nt. A. Steneker.
Zie Kortmann 2005, p. 67-69; Tjon-En-Fa & Heemstra 2006, p. 268 e.v.; H.J. Snijders in zijn noot (sub 4) onder HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder); Guillaume 2006, p. 725; Biemans 2006, p. 99, nt. 4; N.E.D. Faber in zijn noot (sub 3.1) onder Hof 's-Gravenhage 6 februari 2007, ]OR 2007/103; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 257. Vgl. Vander Weijden 2007, p. 581-582; A. van Hees in zijn noot onder HR 11 maart 2005, JBPr 2006/2 (Rabobank/Stormpolder).
Zie o.a. Kortmann 1993a, p. 102; W. Snijders 1999, p. 584; Loesberg 2001, p. 248; Kortmann 2005, p. 67-68; Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 3.1, sub c (p. 81). Vgl. o.a. H.J. Snijders in zijn noot (sub 3) onder HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder). Zie r.o. 4.32, Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (BaldNan Boekhold), m.nt. A. Steneker.
Vgl. Tjon-En-Fa & Heemstra 2006, p. 268-269 (nr. 13); Guillaume 2006, p. 725; Verdaas 2008a, nr. 383; A. Steneker in zijn noot (sub 6) onder Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (BaldNan Boekhold).
Dit gebeurt op dezelfde wijze als de uitoefening van bijvoorbeeld een opzeggingsrecht of een keuzerecht. Zie hierv66r nr. 198 e.v.
Vgl. Vriesendorp 1992b, p. 350, die heeft voorgesteld om de bevoegdheid van de openbaar pandhouder tot uitoefening van de aan de verpande vordering verbonden rechten in art. 3:246 lid 1 BW te verankeren; en Broekveldt 2005.
Vgl. voor andere zienswijzen over deze onderbouwing, o.a. Kortmann 2005, p. 67; S.C.J.J. Kortmann in zijn noot (sub 1) onder HR 11 maart 2005, JOR 2005/131 (Rabobank/ Stormpolder); en H.J. Snijders in zijn noot onder HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder).
Anders: Wibier 2008c, die op grand van het arrest Rabobank/Stormpolder de openbaar pandhouder hiertoe wei bevoegd acht. Zie daarover hierna nr. 474.
245. Uit het voorgaande blijkt onder meer dat bestaande pand- en hypotheekrechten als afhankelijke rechten en nevenrechten op de stille cessionaris overgaan op het moment van de stille cessie. Het is de vraag of de inningsbevoegde stille cedent deze zekerheidsrechten mag uitoefenen. Het antwoord luidt bevestigend. Een analyse van de rechtsfiguren waarbij een derde andermans vordering int, leert dat de inningsbevoegde derde uit hoofde van zijn inningsbevoegdheid de aan de vordering verbonden pand- en hypotheekrechten mag uitoefenen.
Dat bijvoorbeeld de inningsbevoegde pandhouder en vruchtgebruiker bevoegd zijn om de aan de vordering verbonden rechten van pand en hypotheek uit te oefenen, volgt onder meer uit art. 3:256 BW en art. 3:274 lid 1 BW. Art. 3:256 BW en art. 3:274 lid 1 BW bepalen dat bij het tenietgaan van een pandrecht respectievelijk een hypotheekrecht op de pandhouder respectievelijk de hypotheekhouder jegens de pandgever respectievelijk de hypotheekgever de verplichting rust om een verklaring af te geven dat het recht teniet is gegaan. Rust op de vordering tot zekerheid waarvan het pandrecht dan wel het hypotheekrecht dient, een beperkt recht, dan rust deze verplichting op de beperkt gerechtigde (de vruchtgebruiker of de pandhouder). Hieruit volgt dat de vruchtgebruiker en de pandhouder bevoegd worden geacht tot uitoefening van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten.1 In de parlementaire geschiedenis bij art. 3:81 lid 3 BW is voorts bepaald dat de pandhouder de aan de vordering verbonden hypotheekrechten kan uitoefenen.2
246. Dat een beslaglegger bevoegd is om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen, volgt uit het arrest Rabobank/Stormpolder.3 Er was executoriaal derdenbeslag gelegd op een vordering waaraan een hypotheekrecht was verbonden. De schuldenaar van de beslagen vordering betaalde niet, en de rechtsvraag was of de beslaglegger het aan de beslagen vordering verbonden hypotheekrecht kon uitoefenen. De Hoge Raad oordeelt dat de beslaglegger (Rabobank) het aan de vordering verbonden hypotheekrecht kan uitoefenen, in dier voege dat hij bij de verdeling van de executieopbrengst voorrang krijgt boven de schuldeisers van de geëxecuteerde (Hengstmengel). De onderbouwing is dat de beslaglegger op grond van art. 477 jo 477 a Rv zijn vordering op de geëxecuteerde kan verhalen door inning van de vordering van de geëxecuteerde op de derde-beslagene. Het is in overeenstemming hiermee dat de beslaglegger profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden hypothecaire voorrang boven de andere schuldeisers die verhaal zoeken op het verhypothekeerde goed. Een andere opvatting zou kort gezegd tot de ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) van de andere schuldeisers leiden ten koste van de geëxecuteerde.
Hoewel de Hoge Raad het antwoord op de vraag toespitst op de bevoegdheid van de beslaglegger om zich met voorrang op de executieopbrengst van het verhypothekeerde goed te verhalen, volgt uit het arrest ook dat de inningsbevoegde beslaglegger in plaats van de geëxecuteerde bevoegd is om het verhypothekeerde goed te executeren.4 De beslaglegger kan niet profiteren van de voorrang als hij niet eerst het verhypothekeerde goed kan uitwinnen.
Het arrest heeft een breder toepassingsbereik. Hetgeen voor een aan de vordering verbonden hypotheekrecht geldt, dient ook voor andere aan de vordering verbonden zekerheidsrechten te gelden, zoals een pandrecht.5 Uit het arrest volgt voorts dat niet enkel de beslaglegger, maar in het algemeen een inningsbevoegde derde bevoegd is om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen.6 Dat de inningsbevoegde derde hiertoe bevoegd is, en niet bijvoorbeeld alleen de beheersbevoegde derde, is gerechtvaardigd omdat zekerheidsrechten zoals pand, hypotheek en borgtocht een hulpmiddel zijn om in rechte nakoming af te dwingen. Tussen de inningsbevoegdheid en de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten bestaat een zo nauwe samenhang dat het gerechtvaardigd is dat de inningsbevoegde de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten kan uitoefenen.7 Niet alleen de beslaglegger, maar bijvoorbeeld ook de openbaar pandhouder, de bewindvoerder, de beheersbevoegde deelgenoot en de curator zijn derhalve bevoegd om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen. Ook de inningsbevoegde lasthebber is daartoe in beginsel bevoegd, tenzij uit de last tot inning anders blijkt. De inningsbevoegde derde kan onder meer bij het verzuim van de schuldenaar het verpande goed executeren (art. 3:248 en 3:268 BW), een stil verpande roerende zaak opeisen (art. 3:237 lid 3 BW) en van een stil verpande vordering mededeling doen aan de schuldenaar (art. 3:239 lid 3 BW).8
Om bevoegd te zijn tot de uitoefening van de nevenrechten, behoeven de nevenrechten zich niet in het vermogen van de inningsbevoegde derde te bevinden. De derde die bevoegd is tot de uitoefening van de zekerheidsrechten oefent andermans zekerheidsrechten uit.9 De zekerheidsrechten blijven net als de vordering in het vermogen van de schuldeiser. De inningsbevoegde derde hoeft dus niet de rechthebbende van de zekerheidsrechten te zijn, om deze te kunnen uitoefenen. De zekerheidsrechten hoeven bijvoorbeeld niet eerst op hem over te gaan.
247. Dat de inningsbevoegde pandhouder en beslaglegger bevoegd zijn om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen, is in zoverre opmerkelijk, omdat een wettelijke grondslag voor de toekenning van deze bevoegdheden ontbreekt. Anders dan aan een beheersbevoegde of bestuursbevoegde derde komen aan de pandhouder en de beslaglegger in beginsel niet meer bevoegdheden toe dan die de wet afzonderlijk aan hun toekent.10 De verwijzing van de Hoge Raad naar het "wettelijk systeem" van art. 477 en 477a Rv is in dit opzicht niet onbegrijpelijk.11 Door het arrest Rabobank/Stormpolder bestaat geen aanleiding om aan de bevoegdheid van de openbaar pandhouder en de beslaglegger te twijfelen. Tegelijkertijd dient voorzichtigheid te worden betracht om met een beroep op het arrest Rabobank/Stormpolder op grond van hun inningsbevoegdheid andere bevoegdheden aan de pandhouder en de beslaglegger toe te kennen. Voor bevoegdheden die rechtstreeks verband houden met de inningsbevoegdheid biedt het arrest een aanknopingspunt, maar niet voor bevoegdheden die daaraan niet dienstig zijn, zoals de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming aan een schuldovememing.12