Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/5.2.3.2
5.2.3.2 Afwijkende opvattingen: bezwaarde en beslagenvorderingen
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591865:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vriesendorp 1991. Voor de invoering van het huidige BW speelde deze kwestie niet bij (wat thans is) de (stille) verpanding van vorderingen, omdat vorderingen onder het oude recht fiduciair werden overgedragen, waardoor de fiduciaire zekerheidseigenaar de schuldeiser van de vordering was en uit dien hoofde aan de vordering verbonden zekerheidsrechten kon uitoefenen (vgl. art. 3:82 BW en ar. 6:142 BW).
Zie Vriesendorp 1991, p. 768 en vgl. ook nt. 6.
Zie Vriesendorp 1991, p. 768-767. Vgl. Asbreuk-van Os 1992, p. 842.
Zie Vriesendorp 1991, p. 771.
Zie o.a. Heyman 1992; Molenaar 1992; Van der Grin ten 1993b, p. 458; Molenaar 1999, nr. 16; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 825; in een vorige druk, Asser/ Hartkamp 4-I 2004, nr. 563 (maar zie inmiddels anders: Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 257); W. Snijders 1999, p. 584; Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 550; en in een eerdere druk, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 1992, nr. 366. Mijnssen verdedigt in deze druk dat de pandhouder kan verlangen dat de vestiging van het pandrecht op de vordering waaraan de hypotheek is verbonden in de openbare registers kan worden ingeschreven. Mijnssen stipt de kwestie aan in het kader van de overdracht van vorderingen. Dit standpunt is later gewijzigd. Zie Asser Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 211.
Zie o.a. Heyman 1992, p. 346; Molenaar 1992, p. 349 (m.k.); in een eerdere druk, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 1992, nr. 366; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 825; Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 550. Zie voor de grondslag van deze opvatting o.a. T.M., Pari. Gesch. Boek 3, p. 404. Zie daarover Struycken 2007, par. 6.2
Zie o.a. Vriesendorp 1991, p. 768-769; Heyman 1992, p. 346; Vriesendorp 1992b, p. 772.
Zie o.a. Molenaar 1992, p. 349 (r.k.); Asser/Hartkamp 4-I 2004, nr. 563; Van der Grinten 1993b, p. 458; W. Snijders 1999, p. 584. In Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 257 wordt inmiddels aangesloten bij de opvatting van Kortmann 2005, p. 67e.v.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 311: 'Zo kan ook de pandhouder van een vordering die door hypotheek is verzekerd, het hypotheekrecht op het verhypothekeerde goed uitoefenen, nadat dit eigendom van zijn schuldenaar (de schuldeiser uit de aan hem verpande vordering) is geworden en dus de hypotheek door vermenging met de eigendom in diens hand is tenietgegaan. En evenzo gaat het, wanneer zijn schuldenaar (de schuldeiser uit de aan hem verpande vordering) van het hypotheekrecht afstand heeft gedaan.' Zie ook M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 840.
Vgl. Verdaas 2008a, nr. 375; S.C.J.J. Kortmann in zijn noot (sub 2) onder HR 11 maart 2005, ]OR 2005/131 (Rabobank/Stormpolder); A. Steneker in zijn noot (sub 5) onder Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (Bald Van Boekhold).
Bijvoorbeeld: heeft de pandhouder met een pandrecht op de vordering een recht van pand of een recht van hypotheek op het hypotheekrecht? Wat is een recht van vruchtgebruik op een pand- of hypotheekrecht? Welke bevoegdheden heeft de pandhouder op grond van dit recht? Vindt vestiging van rechtswege plaats of moet het zekerheidsrecht afzonderlijk worden bezwaard? Moet de verpande vordering of het hypotheekrecht worden ingeschreven?
Zie hiervoornr. 239. Vgl. o.a. Verdaas 2008a, nr. 376; A. Stenekerinzijnnoot (sub 7) onder Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (Bald/Van Boekhold).
Vgl. o.a. Pleysier 1985; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 603,605 en 639; Asser/Mijnssen & DeHaan 3-I 2006, nr. 15 en 18; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 13; Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 444; Snijders & Rank Berenschot 2007, nr. 479-480; Losbladige Vermogensrecht 2009 (P.C. vanEs), art. 3:98, aant. 139.
Vgl. ook de suggestie van Heyman 1992, p. 346, die naar voren brengt dat de pandhouder zich ex art. 3:251lid 1 BW kan wenden tot de President van de rechtbank met het verzoek de vordering aan zich te Iaten verblijven, waardoor de verpande vordering op hem overgaat (en waarmee het probleem is opgelost). Zie voor de aanname dat een derde de nevenrechten alleen kan uitoefenen als hij daarvan de rechthebbende is ook Steffens 2006, p. 140.
Sommige schrijvers hebben op dit punt terecht hun mening bijgesteld naar aanleiding van het arrest Rabobank/Stormpolder. Zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 257. Andere schrijvers gaan mijns inziens ten onrechte nog steeds uit van de 'oude' onderbouwing. Zie bijvoorbeeld Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 825; en Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 550.
Zie bijvoorbeeld de conclusie (sub 3.30) van A-G Wesseling-Van Gent voor HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J, Snijders. V gl. hierover ook Guillaume 2006, p. 724.
Zie W. Snijders 1999, p. 584; J.C. van Oven in Oudelaar 2001, p. 252; A.I.M. van Mierlo in zijn noot onder Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/ Stormpolder). Vgl. Heyman 1992, p. 347.
Ook de Rechtbank en het Hof hebben in de procedure Rabobank/Stormpolder kennelijk deze redenering gevolgd of ten onrechte aangenomen dat het om een procedure ex art. 477a lid 1 Rv ging. Zie sub 3 en sub 5, Hof, Hof 's-Gravenhage 30 juli 2003, JOR 2004/53 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. A.I.M. van Mierlo. Ook A-G Wesselingvan Gent volgt deze redenering, zie haar conclusie (sub 3.31 e.v.) voor HR 11 maart 2005, NJ 2006, 362 (Rabobank/Stormpolder), m.nt. H.J. Snijders. Vgl. Vriesendorp 1992a, p. 348, r.k.
Zie o.a. Mijnssen & Van Mierlo 2009, par. 1.6; en r.o. 4.32, Rb. Amsterdam 13 mei 2009, JOR 2009/213 (Bald/Van Boekhold), m.nt. A. Steneker. Zie ook hiervoor nr. 24.
Anders (zonder motivering): Guillaume 2006, p. 727.
248. De inningsbevoegde beperkt gerechtigde is op grond van zijn inningsbevoegdheid bevoegd om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen. In de literatuur zijn ten aanzien van een verpande en een beslagen vordering ook andere opvattingen verdedigd.
De vraag of een pandhouder de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten kan uitoefenen, is begin jaren negentig opgeworpen door Vriesendorp en ( destijds) ontkennend beantwoord.1 Vriesendorp acht het voor de uitoefening van de zekerheidsrechten beslissend dat deze rechten in het vermogen van de pandhouder terecht komen.2 De overgang van de rechten van pand en hypotheek is volgens hem echter niet mogelijk op grond van de verpanding van de vordering, omdat de vordering in het vermogen van de pandgever blijft. De overgang is volgens hem alleen mogelijk als de inningsbevoegdheid van de pandhouder als een zelfstandig en overdraagbaar recht wordt beschouwd waaraan de zekerheidsrechten verbonden kunnen zijn. Hij wijst deze mogelijkheid echter (m.i. terecht) af.3 Zijn conclusie is dat de openbaar pandhouder na de invoering van het BW niet (meer) van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten kan profiteren, tenzij dit gebeurt met medewerking van de pandgever of door een volmachtverlening aan de pandhouder, hetgeen echter complicaties oplevert in een eventueel faillissement van de pandgever.4
In de literatuur is - onder meer als reactie op de bijdrage van Vriesendorp - door vrijwel alle schrijvers verdedigd dat de pandhouder wei de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten kan uitoefenen. Afgezien van Kortmann hebben deze auteurs voor de onderbouwing van hun stand punt steeds aansluiting gezocht bij het bijzondere rechtskarakter van de vestiging van een beperkt recht.5 Daarbij zijn twee redeneringen gevolgd die ongeveer tot hetzelfde resultaat leiden.
In een benadering wordt de vestiging van een beperkt recht op een goed als een wijze van overdracht van bepaalde bevoegdheden uit dat recht beschouwd.6 Bij de verpanding van een goed is sprake van een gedeeltelijke of 'kwalitatieve' overdracht van het goed waarop het pandrecht rust. In dit verband wordt soms de inningsbevoegdheid als een afzonderlijk recht aangemerkt, dat door de vestiging van het beperkte recht aan de pandhouder wordt overgedragen.7 Omdat sprake is van een dergelijke 'kwalitatieve' overgang van de vordering of een overgang van het 'inningsrecht', gaan op grond van art. 3:82 BW en art. 6:142lid 1 BW door de vestiging van het beperkte recht de aan de vordering verbonden zekerheden op de pandhouder of vruchtgebruiker over voor zover dat nodig is om die zekerheidsrechten uit te oefenen. De zekerheidsrechten gaan in deze benadering op dezelfde 'gedeeltelijke' of 'kwalitatieve' wijze op de beperkt gerechtigde over als waarop de vordering door de vestiging van het beperkt recht op hem is overgegaan.
In de andere benadering wordt aangenomen dat "de vestiging van het beperkt recht op het hoofdrecht zich mede uitstrekt tot het daarvan afhankelijke recht" .8 Het beperkte recht komt van rechtswege ook te rusten op de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten. De overgang van de zekerheidsrechten vindt volgens deze zienswijze niet plaats. Zij blijven bij de schuldeiser van de vordering. Voor deze benadering is steun gezocht in de parlementaire geschiedenis bij art. 3:81lid 3 BW. Art. 3:81 lid 3 eerste zin BW bepaalt dat afstand en vermenging niet ten nadele werken van hen die op het tenietgaande beperkt recht op hun beurt een beperkt recht hebben. Uit de parlementaire geschiedenis zou volgen dat art. 3:81 lid 3 BW ook van toepassing is op de pandhouder met een pandrecht op een vordering die door een hypotheekrecht is gedekt, hetgeen zou impliceren dat het pandrecht op het hypotheekrecht rust.9
249. De zienswijzen overtuigen niet en zijn ook niet wenselijk als onderbouwing voor de bevoegdheid van de beperkt gerechtigde om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen.
Bij de vestiging van een beperkt recht op een goed is van de overdracht van dat goed of van een of meer bevoegdheden geen sprake.10 Als de beperkt gerechtigde door de vestiging van een beperkt recht een of meer bevoegdheden verkrijgt ten aanzien van het goed waarop het beperkt recht wordt gevestigd, is nog geen sprake van de overgang van dat goed. Bij de vestiging van een beperkt recht op een vordering is om die reden art. 6:142 BW niet van toepassing. Hetzelfde geldt voor art. 3:82 BW, dat evenmin van (overeenkomstige) toepassing is op de vestiging van een beperkt recht op een vordering (vgl. art. 3:98 BW).11
De tweede zienswijze impliceert dat een pandhouder een pandrecht verkrijgt op de aan de vordering verbonden rechten van pand en hypotheekrecht. Deze uitleg roept meer vragen op dan dat zij beantwoordt.12 Zij staat haaks op de opvatting in de literatuur dat op de rechten van pand en hypotheek geen beperkt recht kan komen te rusten.13 Het voorbeeld in de parlementaire geschiedenis bij art. 3:81lid 3 BW overtuigt evenmin. Het is een ongelukkig voorbeeld. In de literatuur over art. 3:81lid 3 BW wordt het dan ook niet aangehaald om de werking van deze bepaling te verduidelijken.14 Uit de passage kan worden afgeleid dat de pandhouder bevoegd is om het hypotheekrecht uit te oefenen, en dat volgens de wetgever art. 3:81lid 3 BW op dit geval van (overeenkomstige) toepassing is. Maar uit het voorbeeld volgt niet dat de stapeling van beperkte zekerheidsrechten mogelijk is.
Beide zienswijzen gaan uit van de veronderstelling dat een beperkte gerechtigde de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten alleen kan uitoefenen als hij daarop een goederenrechtelijke aanspraak heeft. De beperkt gerechtigde moet (kennelijk) de zekerheidsrechten door overgang hebben verkregen of door de verkrijging van een beperkt recht daarop, wil hij deze rechten kunnen uitoefenen.15 Deze aanname is onjuist. Uit het arrest Rabobank/Stormpolder blijkt dat een goederenrechtelijke aanspraak niet nodig is om andermans zekerheidsrechten te kunnen uitoefenen.16 Meer in het algemeen is het niet vereist om een goederenrechtelijke aanspraak te hebben, om andermans recht te kunnen uitoefenen. De onderbouwing voor de pandhouder en de vruchtgebruiker is een 'gelegenheidsoplossing', die uitgaat van het (veronderstelde) bijzondere rechtskarakter van een beperkt recht, die als onderbouwing tekortschiet voor andere rechtsfiguren, met het gevaar dat op grond daarvan bij andere rechtsfiguren aan de inningsbevoegde derde de bevoegdheid om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen, wordt ontzegd.17 De benadering dat de inningsbevoegde derde op grond van zijn inningsbevoegdheid bevoegd is tot uitoefening van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten, biedt voor alle rechtsfiguren een eenvoudige en duidelijke onderbouwing en heeft om die reden dan ook de voorkeur.
250. In de literatuur is v66r het arrest Rabobank/Stormpolder ook de vraag gesteld of de beslaglegger de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten kan uitoefenen. Door een aantal schrijvers is de vraag bevestigend beantwoord.18 Het bijzondere rechtskarakter van de desbetreffende rechtsfiguur, het derdenbeslag, is echter ook aanleiding geweest om de vraag ontkennend te beantwoorden. De schrijvers die van mening zijn dat de beslaglegger een eigen vordering jegens de derde-beslagene int, hebben daaruit afgeleid dat de beslaglegger niet kan profiteren van het hypotheekrecht, omdat het hypotheekrecht niet aan zijn vordering verbonden is.19 Uit het oordeel van de Hoge Raad volgt niet alleen dat de beslaglegger het aan de beslagen vordering verbonden hypotheekrecht kan uitoefenen, maar ook dat de beslaglegger de vordering van de geƫxecuteerde int, en niet een eigen vordering. De Hoge Raad overweegt dat "de derdenbeslaglegger de bevoegdheid toekomt zijn vordering op de beslagdebiteur te verhalen door inning van de vordering van de beslagdebiteur op de derdebeslagene" (r.o. 3.6). De beslaglegger oefent in een procedure ex art. 477a lid 2 Rv of art. 477a lid 4 Rv derhalve andermans vordering uit.20
Als een beslaglegger in een procedure ex art. 477a lid 1 Rv (wel) zijn eigen vordering te gelde maakt, kan hij het aan de beslagen vordering verbonden hypotheekrecht niet uitoefenen. Het hypotheekrecht is niet aan zijn vordering verbonden. Door het ontbreken van de verklaring ex art. 476a-476b Rv is het bestaan of de omvang van de hoofdvordering onzeker, en daarmee ook het bestaan of de omvang van de aan de (veronderstelde) hoofdvordering verbonden zekerheidsrechten.21 De beslaglegger kan op grond van art. 477a lid 1 Rv van de derde-beslagene aanvullende schadevergoeding vorderen voor het voordeel dat hij misloopt doordat hij de aan deze vordering verbonden zekerheidsrechten niet kan uitoefenen.