Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.6.9.4:7.6.9.4 Het ter beschikking stellen van brondocumenten en de administratie van de rechtspersoon aan degenen die recht hebben op het maken van opmerkingen
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.6.9.4
7.6.9.4 Het ter beschikking stellen van brondocumenten en de administratie van de rechtspersoon aan degenen die recht hebben op het maken van opmerkingen
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453029:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3,p. 191-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita), r.o. 3.3-3.4.
Zo ook Leijten & Nieuwe Weme 2012, p. 154.
Zie § 6.1.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Degenen die in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen op het conceptverslag te maken, stellen zich soms op het standpunt dat zij dat alleen kunnen doen als zij inzage hebben in het bronmateriaal en de gespreksverslagen waar de onderzoekers zich op hebben gebaseerd.1 Aandachtspunt 3.5, dat gaat over de toepassing van hoor en wederhoor door de onderzoekers, behandelt deze situatie. De toelichting op deze bepaling geeft aan dat onder meer kan worden gedacht aan het verlenen van toegang tot de administratie van de vennootschap aan degenen die gedurende het tijdvak waarop het onderzoek betrekking heeft, deel uitmaakten van het bestuur of de raad van commissarissen of anderszins daarbij een rol hebben gespeeld, voor zover dit nodig is in het belang van het onderzoek met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor. De toelichting voegt daaraan toe dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin dit niet wenselijk is, bijvoorbeeld als er sprake is van koersgevoelige informatie.
Zoals hiervoor in § 7.4.12.3 al opgemerkt, is het de vraag of de onderzoekers deze toegang kunnen geven. De administratie is eigendom van de rechtspersoon. De onderzoekers hebben wel een recht op inzage daarin, maar dat inzagerecht brengt mijns inziens niet mee dat zij derden inzage mogen geven in documenten die zij niet aan het verslag hechten. Daarentegen ben ik het met de hieraan ten grondslag liggende gedachte, dat het met het oog op de toepassing van hoor en wederhoor soms nodig kan zijn om verwerende partijen inzage te geven in de brondocumenten, volledig eens.2 Dit geldt vooral in inquisitoire enquêtes, waarbij het vaak voorkomt dat de functionarissen van de rechtspersoon in de periode waarop het onderzoek betrekking heeft, niet meer in functie zijn en uit dien hoofde geen toegang meer hebben tot de administratie van de rechtspersoon. De onderzoekers kunnen de rechtspersoon, of, indien deze in staat van faillissement verkeert, de curator dan bijvoorbeeld verzoeken om een dataroom in te richten waarin deze documenten zijn opgenomen. De algemene verplichting van de rechtspersoon om aan het onderzoek mee te werken3 brengt mijns inziens mee dat hij die toestemming ten behoeve van personen die vroeger ook al toegang tot deze brondocumenten hadden, alleen op grond van zwaarwegende redenen zou mogen weigeren. Indien de rechtspersoon (of zijn curator) die toestemming zou weigeren, kunnen de onderzoekers daarvan melding maken in een tussentijds verslag of in het onderzoeksverslag. De Ondernemingskamer kan daarmee dan rekening houden bij haar beslissing. Als bijvoorbeeld de curatoren van een failliete rechtspersoon niet zouden willen meewerken aan het verstrekken van inzage in de administratie aan voormalige bestuurders en commissarissen, zou de Ondernemingskamer op die grond het onderzoek kunnen beëindigen, omdat daardoor het verdedigingsbeginsel (recht op tegenspraak) wordt geschonden. Mocht het onderzoek zijn afgerond terwijl de voormalige bestuurders en commissarissen geen mogelijkheid tot inzage in de administratie hebben gehad, dan zou de Ondernemingskamer op die grond een verzoek om wanbeleid vast te stellen zonder inhoudelijke beoordeling kunnen afwijzen. Op deze manier kunnen de onderzoekers en de Ondernemingskamer bijvoorbeeld druk uitoefenen op de curator van de rechtspersoon die over de administratie van de rechtspersoon beschikt, om deze aan verwerende partijen in de enquête ter beschikking te stellen.