Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.6.9.2
7.6.9.2 Partijen aan wie het conceptverslag voor het maken van opmerkingen moet worden voorgelegd
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451837:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.1.2.3.
Zie § 7.1.2.3.
In de Meavita-zaak is het conceptverslag uitgelekt en in de pers besproken. Zie Meavita-verslag nr. 1.54 en 1.55. Omdat journalisten bronbescherming hebben, valt in de praktijk meestal niet na te gaan wie het conceptverslag heeft gelekt.
Uiteraard is het partijen niet toegestaan een blackline waaruit de verschillen tussen het conceptverslag en het definitieve verslag blijken, aan derden ter inzage te geven of als productie in het geding te brengen. Daardoor zou immers bekend worden wat in het conceptverslag heeft gestaan, hetgeen is verboden.
Zie bijvoorbeeld Trouw 13 mei 2017: Schadeclaim tegen universiteit Wageningen om aanpassen rapport.
Zie artikel 198 lid 2 Rv en hoofdstuk 5 Leidraad deskundigen in civiele zaken, besproken in § 7.2.2.
Degenen die het recht hebben om opmerkingen te maken over het conceptverslag zijn, volgens een letterlijke lezing van artikel 2:351 lid 4 BW, degenen die in het verslag worden genoemd. Dit is slordig geformuleerd, daar alleen degenen dit recht hebben ten aanzien van wie wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben in het conceptverslag zijn opgenomen. Dat deze lezing de juiste is, blijkt ook uit de wetsgeschiedenis.1
De term ‘wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben’ slaat niet op iedereen die in het conceptverslag kritisch wordt besproken, maar geldt alleen voor personen over wie de onderzoekers iets negatiefs in het verslag opmerken dat van voldoende gewicht is om de positie van deze personen te schaden. In de memorie van toelichting bij het Wetsvoorstel aanpassing enquêterecht omschrijft de minister dit als het risico op een defamerende werking.2 Ontbreekt dat risico, dan heeft een persoon die in het verslag wordt genoemd geen recht op inzage in het conceptverslag om daarover opmerkingen te maken.
Voor deze terughoudende interpretatie pleit ook de vertrouwelijkheid van het onderzoek. De kring van partijen die kennis kan nemen van de voorlopige bevindingen van de onderzoekers moet zo beperkt mogelijk worden gehouden. Ook al is het eenieder verboden om mededelingen te doen uit het conceptverslag, het risico bestaat, zoals de Meavita-zaak leert, dat de voorlopige bevindingen van de onderzoekers een eigen leven gaan leiden.3 In de praktijk laten partijen die opmerkingen over het conceptverslag hebben gemaakt, een blackline maken van de verschillen tussen het definitieve verslag en het conceptverslag, om te zien wat de onderzoekers wel en niet naar aanleiding van die opmerkingen hebben aangepast.4 Met betrekking tot andere onderzoeken dan die in de enquêteprocedure is het wel voorgekomen dat als blijkt dat de onderzoekers negatieve bevindingen hebben afgezwakt, partijen de onderzoekers verwijt ‘slappe knieën’ te hebben.5 Dit verwijt is uiteraard onterecht, omdat het doel van wederhoor nu juist is dat de onderzoekers naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen hun voorlopige bevindingen heroverwegen.
Ik meen dus dat, anders dan in het deskundigenonderzoek in de civiele procedure,6 de verzoeker in beginsel geen aanspraak kan maken op inzage in het conceptverslag. Dat is slechts anders indien er over de verzoeker wezenlijke bevindingen in het conceptverslag zijn opgenomen. Dat zal zich in een inquisitoire enquête niet voordoen, maar in een curatieve of antagonistische enquête is dat wel denkbaar. In dat geval zou ik de inzage in beginsel willen beperken tot die delen van het conceptverslag die op de verzoeker betrekking hebben.
De rechtspersoon heeft in beginsel het recht op om het conceptverslag in te zien en daarover opmerkingen te maken. Een uitzondering zou ik willen maken indien de rechtspersoon failliet is. In dat geval heeft de rechtspersoon namelijk geen eigen belang meer. De curator van de rechtspersoon kan in ieder geval niet hetrecht op wederhoor namens de rechtspersoon uitoefenen. De curator is in dit verband te beschouwen als een vertegenwoordiger van de gezamenlijk schuldeisers van de rechtspersoon, en zijn het de voormalige bestuurders en commissarissen van de rechtspersoon die als verweerder zijn aan te merken.
Zij die bestuurder of commissaris waren gedurende de periode waarop het onderzoek betrekking heeft, zullen vrijwel altijd aan te merken zijn als partijen die het recht hebben om opmerkingen te maken op het conceptverslag. Voor andere partijen zal dat van geval tot geval moeten worden bekeken.