Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/:3.2.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/
3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575940:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste algemene leerstuk dat een rol speelt bij de vraag naar de juridische betekenis van rechtersregelingen is de rechterlijke onafhankelijkheid. Wanneer immers rechtersregelingen tot stand worden gebracht, en a fortiori wanneer dergelijke regelingen resulteren in gebondenheid daaraan van (bepaalde) rechters, impliceert dit in zekere zin dat rechters aan andere rechters voorschrijven hoe te beslissen. De vraag is hoe een en ander zich verhoudt tot de eis (onder meer neergelegd in art. 6evrm) dat de rechter in een rechtsstaat onafhankelijk dient te zijn.
Bij de beantwoording van deze vraag zal allereerst worden ingegaan op de verschillende vormen waarin de rechterlijke onafhankelijkheid onderscheiden kan worden (§ 3.2.2). Het type onafhankelijkheid waar het in dit kader met name om draait, is de onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters. Wat houdt deze laatste vorm van onafhankelijkheid in en hoe ver reikt zij (§ 3.2.3)? Na bespreking van deze vragen kan worden geïnventariseerd op welke wijze de rechterlijke onafhankelijkheid, in het bijzonder de onafhankelijkheid tegenover andere rechters, de mogelijkheden tot vaststelling van rechtersregelingen beïnvloedt (§ 3.2.4).