Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.2.2
3.2.2 Verschillende vormen van onafhankelijkheid
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS581921:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Verhey 2001, p. 20-24; Kortmann 2001, p. 348-351; Bovend'Eert 1999, p. 9-10; Stroink 1999, p. 8-9; Franken 1997, p. 239-240; Duynstee 1974, p. 43-54. Zie voor een overzicht ook Kuijer 2004, p. 207-210.
Zie over de Trias Politica ook § 3.3.2.1.
Aldus Kortmann 2001, p. 348-349.
Zie Bovend'Eert 1999, p. 10-11; Stroink 1999, p. 20; Franken 1997, p. 239.
Aldus Bovend'Eert 1997, p. 234.
Vgl. Hermans 1998, p. 302; Martens 1997, p. 12-13; Franken 1997, p. 238; Smits 1996, p. 246-247.
Zie onder meer Stroink 2001, p. 53; Bovend'Eert 1997, p. 240; Franken 1997, p. 239; Snijders 1997b, p. 1796; Brenninkmeijer 1989, p. 1621.
De onafhankelijkheid van de rechter kent verschillende verschijningsvormen. Het meest gebruikelijk in de Nederlandse literatuur is een onderscheid tussen persoonlijke of rechtspositionele onafhankelijkheid enerzijds, en zakelijke of functionele onafhankelijkheid anderzijds.1 Persoonlijke onafhankelijkheid ziet op waarborgen inzake onder meer benoeming, bezoldiging, schorsing en ontslag van rechters. Dergelijke waarborgen zijn onder andere in de Grondwet en de Wet Rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) vastgelegd (vgl. o.a. art. 117 Gr.w. en art. 46b e.v. Wrra). Functionele onafhankelijkheid houdt in de eerste plaats in dat de rechter bij zijn beslissing geen aanwijzingen kan krijgen van de andere staatsmachten (wetgevende en uitvoerende macht). Hoewel de functionele onafhankelijkheid van de rechter in het Nederlandse constitutionele recht niet met zoveel woorden is vastgelegd, volgt deze uit de Triasgedachte,2 alsmede uit het ontbreken van enige gezags- of bevelsrelatie tussen de rechterlijke macht en de overige staatsmachten.3 De functionele onafhankelijkheid is echter niet beperkt tot een verbod aan andere staatsmachten om concrete aanwijzingen aan de rechter te geven. Dit aspect van onafhankelijkheid brengt met zich dat de rechter beslissingsvrijheid heeft, zodat elke vorm van beïnvloeding achterwege dient te blijven.4 Ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake art. 6evrm wordt wel afgeleid dat de rechter zijn beslissing dient te kunnen baseren op zijn eigen, vrije oordeelsvorming omtrent feiten en rechtsgronden, zonder enige binding ten opzichte van partijen of de overheid en zonder dat zijn beslissing door een andere instantie dan een andere, onafhankelijke, rechter kan worden gewijzigd.5
De (functionele) onafhankelijkheid van de rechter is echter geen doel in zichzelf, noch een 'persoonlijk privilege'6 van de rechter: zij is uiteindelijk slechts een middel om een eerlijke rechtspraak ('fair trial', vgl. art. 6evrm) te garanderen.7 De rechterlijke onafhankelijkheid is bovendien naar haar aard niet onbeperkt, omdat de rechter bij het geven van zijn beslissing steeds gebonden is aan het recht.8