Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.3.1
II.3.1 Germaanse stammen en Frankische vorsten: onschuldvermoeden in het accusatoire strafproces?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593960:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Al ging het zogenaamde vulgaire Romeinse recht nooit geheel verloren, van een rechtsleer als autonome beroepsoefening was geen sprake meer. Zie daarover Kunkel 1975, p. 174 e.v.; Lesaffer 2008, p. 166-167.
Zie uitgebreid Hildebrandt 2002, p. 174-197.
Hildebrandt 2002, p. 204 e.v.
Vgl. Drenth 1939, p. 104 en 236.
Zie o.a. Van der Vrugt 1982, p. 4; Hildebrandt 2002, p. 206.
Dat godsoordeel kon bestaan uit een vuur- of waterproef, het foutloos uitspreken van een spreuk, of een tweegevecht. Zie nader Van der Vrugt 1982, p. 4-7. Of een en ander als bewijsrecht kan worden gekwalificeerd in die zin dat ermee naar waarheid werd gestreefd, is betwist. Vgl. en contrasteer Van Heijnsbergen 1929a, p. 227-228 en Hildebrandt 2002, p. 205-208.
Anders: Von Bar 1866, p. 58 e.v., i.h.b. p. 60. Hij leidt een onschuldvermoeden af uit het gegeven dat de verdachte bij betrapping op heterdaad of spontane bekentenis niet de mogelijkheid tot tegenbewijs of reinigingseed had. Alleen waar men de onschuld van de beschuldigde voor mogelijk hield, hoefde hij aldus ‘slechts’ een eed af te leggen. Door dat als een vermoeden van onschuld te beschouwen, miskent Von Bar het gewichtige, religieuze karakter van de eed. Eerder lijkt de schuld van de verdachte het uitgangspunt, terwijl hij die aanname kan ontkrachten door religieus bewijs. Zie voor verwerping van het weinig overtuigende standpunt van Von Bar nader Köster 1979, p. 35-39.
Zie over de strekking en het belang van deze verordeningen van Frankische koningen nader Ganshof 1955; Hildebrandt 2002, p. 210 e.v.
Stuckenberg (1998, p. 13) vond in het Capitularium Karoli magni et ludovici, P II, boek 7, hfdst. 259: “Omnia primo diligenter cunctos oportere inquiere et cum iustitia definiantur. Nullus quenquam ante iustum iudicium damnet, nullum suspicionis arbitrio iudicet. Prius quidem probet et sic iudicet. Non enim qui accusatur, sed qui convincitur, reus est [...].” Quintard-Morénas p. 113, voetnoot 59 wijst op het Capitularia regum Francorum, p. 1079. Vermoedelijk is het adagium nog ouder. Rudimenten ervan zijn al in het Corpus Iuris te herkennen, zo bleek hiervoor. Volgens Henrion 2006, p. 145 is dezelfde gedachte al bij St. Augustinus (354-430 n.Chr.) te vinden. Quintard-Morénas p. 113, ziet de idee ook terug in de Codex Theodosius, boek 9.1.19.
“Ut nullus describatur reus, priusquam convicatur [...] Iudex criminosum discutiens, non ante setentiam proferat finitivam quam aut reus ipse confiteatur, aut per testes idoneos convicatur.” Geciteerd uit Keijzer 1987, p. 236. Ook aangehaald door Schubarth 1978; Spong 2003.
Keijzer 1987, p. 236. Schubarth 1978, p. 1, spreekt van een “alte Vorform der Unschuldsvermutung”.
Het gecentraliseerde overheidsgezag dat eerst in de Romeinse republiek, later in het keizerrijk aanwezig was, beheerste niet heel Noordwest-Europa. Toen de Romeinse beschaving in West-Europa vanaf de vierde eeuw begon af te brokkelen, waren het vooral talrijke Germaanse stammen die West-Europa bevolkten. De relatieve fijnzinnigheid en uniformiteit die de Romeinse rechtsleer kenmerkten, maakten plaats voor een veelheid aan landrechten van verschillende stammen.1 Van een statelijke samenlevingsvorm en wat wij vandaag de dag als publiekrecht zouden beschouwen, was nauwelijks sprake. Louter binnen de kleinste gemeenschappen bestond een dusdanige hiërarchie dat daarin gestraft werd. Conflicten binnen en tussen stammen werden hoofdzakelijk beslecht op basis van consensualiteit en door middel van collectieve besluitvorming.2
Dat veranderde in het Frankische tijdperk (ca. 481-987). Frankische vorsten hebben dan verscheidene andere Germaanse stammen aan zich weten te onderwerpen. Landeigenaren zijn niet langer onafhankelijk, maar allen afhankelijk van dezelfde vorst. Aldus kwam een gezagsrelatie tussen vorst en onderdanen, een vorm van overheidsgezag, tot stand. Teneinde hun macht te consolideren, lieten koningen het Germaanse recht optekenen en in hun naam handhaven. Door deze toename van centraal gezag ontstond tevens de mogelijkheid tot het voeren van processen.3 Tussen burgerlijke en strafprocessen werd nog niet scherp onderscheiden, en het proces was sterk accusatoir van aard. Oorspronkelijk vond het vrijwel steeds plaats op instigatie van een benadeelde.4
De rechter verrichte geen feitenonderzoek.5 Het ontbreken van onafhankelijke waarheidsvinding, leidde tot problemen. Bekende de beschuldigde niet dat hij het feit had begaan, dan was hij genoodzaakt zelf zijn onschuld aan te tonen. Ten ‘bewijze’ van diens onschuld was doorgaans het afleggen van een reinigingseed – eventueel bijgestaan door zogenaamde eedhelpers die de geloofwaardigheid van de hoofdeed bevestigden – of een godsoordeel nodig.6 In deze procedure speelde rationele waarheidsvinding een bescheiden rol en was voor rechtsvermoedens geen plaats. Ook overigens bestaan geen aanwijzingen dat de onschuldpresumptie als zodanig reeds bekend was.7
Wel treft men in de optekeningen van het Frankische recht in de zogeheten capitularia,8 waarschuwingen een verdachte niet reeds als veroordeelde te bejegenen. In zowel het Capitularium Karoli magni et ludovici als het Capitularium regum Francorum komt een versie voor van het adagium “non qui accusatur, sed qui convincitur, reus est”. Oftewel, niet hij die wordt beschuldigd, maar hij die wordt veroordeeld, is een misdadiger.9 De Duitse bisschop Von Worms (ca. 1010) zou aan die waarschuwing voor het eerst ook een zekere bewijsgraad verbinden.10 Daarom beschouwt Keijzer diens decreet als de oudste bron waarin men de onschuldpresumptie “inhoudelijk” (ik begrijp: als een recht om niet als schuldige behandeld te worden vóór veroordeling) terugvindt.11 Van een vermoeden van onschuld in woordelijke zin is nog geen sprake.