Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/681
De opvatting dat onder ‘voorwerpen’ in de zin van art. 10a lid 1 Opiumwet geen onroerende zaken worden verstaan, vindt geen steun in het recht.
HR 25-06-2024, ECLI:NL:HR:2024:851
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 juni 2024
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
23/01309
- Conclusie
A-G mr. A.E. Harteveld
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:851, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:407, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑04‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑07‑2023
- Wetingang
Art. 10a lid 1 Opiumwet
Essentie
De opvatting dat onder ‘voorwerpen’ in de zin van art. 10a lid 1 Opiumwet geen onroerende zaken worden verstaan, vindt geen steun in het recht.
Samenvatting
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat onder ‘voorwerpen’ in de zin van art. 10a lid 1 Opiumwet geen onroerende zaken worden verstaan. Die opvatting vindt — mede gelet op de wetsgeschiedenis van die bepaling — geen steun in het recht. Het oordeel van het hof dat het door de verdachte en zijn mededader gehuurde bedrijfspand/opslagruimte bestemd was tot het plegen van feiten als bedoeld in art. 10 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.