Dit artikel luidde tot 1 april 1994: “Hij die door een der in artikel 47, eerste lid, onder 2°, vermelde middelen een ander tracht te bewegen om een misdrijf te begaan (…)”. Bij art. 47, eerste lid onder 2° Sr gaat het, voor zover hier van belang, om “verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen”.
HR, 25-06-2024, nr. 23/01309
ECLI:NL:HR:2024:851
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2024
- Zaaknummer
23/01309
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:851, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑06‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:407
ECLI:NL:PHR:2024:407, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:851
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑07‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0141
Uitspraak 25‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en MDMA, art. 10a Opiumwet. Bewijsklacht huur van bedrijfspand/opslagruimte. Kunnen onroerende zaken worden aangemerkt als ‘voorwerpen’ a.b.i. art. 10a Opiumwet? Opvatting dat onder ‘voorwerpen’ in de zin van art. 10a.1 Opiumwet geen onroerende zaken worden verstaan, vindt (mede gelet op wetsgeschiedenis van die bepaling) geen steun in recht. Oordeel van hof dat door verdachte en zijn mededader gehuurd(e) bedrijfspand/opslagruimte bestemd was tot plegen van feiten a.b.i. art. 10.4 Opiumwet, is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 23/01310.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01309
Datum 25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2023, nummer 20-000436-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van overtreding van artikel 10a van de Opiumwet voor zover die bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte en zijn mededader een bedrijfspand/opslagruimte hebben gehuurd.
2.2
Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en zijn mededader
- een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te Eindhoven, gehuurd en
- een hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere jerrycans en meerdere vaten en meerdere maatbekers en
- een grote hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: methanol en zwavelzuur en APAA.”
2.3
Artikel 10a lid 1 Opiumwet luidt:
“Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4
Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat onder ‘voorwerpen’ in de zin van artikel 10a lid 1 Opiumwet geen onroerende zaken worden verstaan. Die opvatting vindt – mede gelet op de wetsgeschiedenis van die bepaling, die is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.9 en 4.10 – geen steun in het recht. Het oordeel van het hof dat het door de verdachte en zijn mededader gehuurde bedrijfspand/opslagruimte bestemd was tot het plegen van feiten als bedoeld in artikel 10 lid 4 Opiumwet, is ook niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.
Conclusie 16‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Begrip “voorwerpen” a.b.i. art. 10a.1 aanhef en onder 3 Opiumwet. Dit begrip is niet beperkt tot lichamelijk zaken. Het beschikbaar stellen van een ruimte (een onroerende zaak) teneinde mogelijk te maken dat daar drugs wordt verhandeld c.q. vervaardigd kan zowel onder art. 10a.1 aanhef en onder 2 Opiumwet als onder art. 10a.1 aanhef en onder 3 Opiumwet worden geschaard. Het hof heeft het vonnis van de Rb waarin het huren van een bedrijfspand/opslagruimte als het voorhanden hebben van voorwerpen is bewezenverklaard derhalve kunnen bevestigen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01309
Zitting 16 april 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 27 maart 2023, het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 februari 2021, waarbij de verdachte wegens 1. “medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,- zich of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en- voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II” en 5. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”, bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien maanden.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/01310. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4.1
Het middel klaagt dat het hof het vonnis van de rechtbank niet had mogen bevestigen voor zover daarin als het voorhanden hebben van voorwerpen (mede) bewezen is verklaard dat de verdachte een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , heeft gehuurd.
4.2
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [b-straat 1] te [a-straat 1] te [plaats] , gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of
- (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere jerrycans en/of meerdere vaten en/of meerdere maatbekers en/of
- (een) grote hoeveelhe(i)d(en) Chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: methanol en/of zwavelzuur en/of APAA”
4.3
Daarvan is in het door het hof bevestigde vonnis bewezenverklaard dat verdachte:
“op 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine
en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en zijn mededader
- een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , gehuurd
en
- een hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere jerrycans en meerdere vaten en meerdere maatbekers
en
- een grote hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: methanol en zwavelzuur en APAA”
4.4
Dit feit is in het door het hof bevestigde vonnis als volgt gekwalificeerd:
“medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,
-zich of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en
- voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.”
4.5
Het bestreden arrest houdt voorts, voor zover van belang, de volgende strafmotivering in:
“Op te leggen straf
(…)
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting haar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de ernst van het feit heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich, samen met zijn zoon, schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van amfetamine, een grote hoeveelheid hennep, vier stroomstootwapens en 71 busjes CS-gas.
Daarnaast heeft verdachte voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet gepleegd door in een door hem gehuurde loods allerlei voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarmee amfetamine en/of MDMA kan/kunnen worden gemaakt.
Drugs als deze, eenmaal in handen van gebruikers, kunnen grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ook hierdoor ernstige schade wordt berokkend.
Stroomstootwapens en busjes CS-gas worden veelvuldig gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een gevaar en een bedreiging voor de samenleving. Het onbevoegd voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico met zich voor de veiligheid van de maatschappij.
Op geen enkel moment tijdens het strafproces heeft verdachte blijk gegeven inzicht te hebben in het strafbare van zijn handelen en heeft hij zich slechts laten leiden door zijn eigen financiële gewin. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Naar het oordeel van het hof kan - gelet op de vorenomschreven ernst van de feiten - niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 januari 2023, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant de verdachte bij vonnis van 23 december 2019 ter zake van ‘medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het vervaardigen van harddrugs’ heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Het hof zal deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin meewegen in de op te leggen straf omdat de veroordeling heeft plaatsgevonden nadat de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd. Tot slot blijkt uit voornoemd uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Tot slot heeft het hof de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.
(…)Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, passend en geboden zou zijn geweest. Nu de redelijke termijn in hoger beroep eveneens is geschonden, dient dit naar het oordeel van het hof eveneens consequenties te hebben ten aanzien van de strafoplegging. Het hof zal daarom volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden. Het opleggen van een straf als door de raadsman is bepleit doet haar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het feit en is derhalve niet passend.
(…)”
4.6
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat onder het begrip “voorwerpen” als bedoeld in art. 10a Opiumwet moet worden verstaan lichamelijke zaken. Onroerende zaken zoals schuren, loodsen, etc. zijn daarmee niet bedoeld. Daarbij wordt nog gewezen op de specifieke strafbaarstelling van art. 11a Opiumwet, waarin het voorhanden hebben van onder meer vervoermiddelen en ruimten strafbaar is gesteld. Volgens de stellers van het middel heeft de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis ten onrechte als het voorhanden hebben van voorwerpen (mede) bewezen verklaard dat de verdachte een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , heeft gehuurd. De verdachte zou hierdoor in zijn belangen zijn geschaad, omdat uit de strafmotivering blijkt dat ten bezware van de verdachte acht is geslagen op de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in een door hem gehuurde loods voorwerpen aanwezig hebben.
4.7
Het middel stelt de vraag aan de orde of een bedrijfspand/opslagruimte als een “voorwerp” in de zin van art. 10a, eerste lid aanhef en onder 3°, Opiumwet kan worden aangemerkt.
4.8
Art. 10a, eerste lid, Opiumwet luidt, voor zover hier van belang:
“Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
(…)
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
4.9
Art. 10a Opiumwet is ingevoerd bij Wet van 4 september 1985 tot nadere wijziging van de Opiumwet (Stb. 1985, 495). Het daarin voorkomende begrip “voorwerpen” wordt niet nader gedefinieerd in de Opiumwet. Uit de wetsgeschiedenis bij deze bepaling blijkt dat wat de opsomming en omschrijving van de voorbereidings-(bevorderings)handelingen aansluiting is gezocht bij art. 96, tweede lid, onder 1°-3°, het toenmalige art. 134bis1.en bij art. 214 Sr.2.Als voorbeeld van het onder 2° strafbaar gestelde wordt in de Memorie van Toelichting genoemd het beschikbaar stellen van een ruimte teneinde mogelijk te maken dat daar heroïne wordt verhandeld.3.Bij voorwerpen, voertuigen en betaalmiddelen als bedoeld onder 3° kan worden gedacht aan voorwerpen en voertuigen die geschikt zijn gemaakt voor de smokkel van drugs met onaanvaardbaar risico, bijvoorbeeld de handelaar die zijn auto of koffer heeft voorzien van geheime bergplaatsen.4.
4.10
In het Wetboek van Strafrecht (en het Wetboek van Strafvordering5.) wordt het begrip “voorwerpen” wel van een definitie voorzien. In een zestal bepalingen, te weten art. 33a, art. 36e, art. 46, art. 420bis, art. 420quater en art. 421 Sr wordt onder “voorwerpen” verstaan: alle zaken en alle vermogensrechten. Nu blijkens de wetsgeschiedenis van art. 10a Opiumwet bij de opsomming en omschrijving van de in het eerste lid genoemde handelingen aansluiting is gezocht bij enkele strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht, en een definitie van dit begrip in de Opiumwet zelf ontbreekt, ligt het voor de hand om bij de uitleg van het begrip “voorwerpen” uit te gaan van de betekenis die in het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip wordt gegeven.6.
4.11
In genoemd art. 96 Sr7.luidt het tweede lid onder 3° als volgt: “voorwerpen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf”. Dit artikel hield eerder ook nog een derde lid in, waarin was bepaald dat de voorwerpen in het tweede lid onder 3° verbeurd kunnen worden verklaard. Dit derde lid is in 1959 vervallen8., omdat de algemene regeling van de verbeurdverklaring werd herzien en de bijzondere regelingen over verbeurdverklaringen overbodig werden.9.Met betrekking tot het toen ingevoerde art. 33a (oud) Sr heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis onder “voorwerpen” als bedoeld in die bepaling onroerende zaken (in de betekenis welke daaraan in het huidige BW toekomt) mede heeft willen begrijpen, maar hij er vanaf heeft gezien dat uitdrukkelijk te bepalen, om zodoende de rechter te kunnen doen beoordelen in welke gevallen verbeurdverklaring van zodanige zaken redelijk is te achten. Volgens de Hoge Raad moet op grond daarvan worden aangenomen dat het begrip 'voorwerpen' in art. 33a (oud) Sr zich mede tot onroerende zaken zoals een huis uitstrekt. Uit de omstandigheid, dat eerst bij het bij de wet van 10 dec. 1992, Stb. 1993, 11, ingevoegde art. 33a vierde lid Sr uitdrukkelijk is bepaald dat onder voorwerpen onder meer alle zaken - derhalve ook onroerende zaken10.- moeten worden verstaan, kan volgens de Hoge Raad het tegendeel niet worden afgeleid. Uit de wetsgeschiedenis bij die bepaling blijkt volgens de Hoge Raad dat de wetgever met het bepaalde in art. 33a vierde lid Sr voor zover inhoudende dat onder voorwerpen alle zaken worden verstaan, niet heeft beoogd alsnog de verbeurdverklaring van onroerende zaken mogelijk te maken, maar dienaangaande slechts een verduidelijking heeft gegeven van het begrip 'voorwerpen', zoals dat ook voorkwam in art. 33a (oud) Sr.11.Uit de wetsgeschiedenis bij art. 36e Sr volgt dat van eenzelfde ruime betekenis van het begrip “voorwerpen” wordt uitgegaan.12.Ook buiten de context van de verbeurdverklaring of de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (en inbeslagneming13.) wordt bij de onder 4.10 genoemde bepaling over voorbereiding, de (schuld)witwasbepalingen en de bepaling over het financieren van terrorisme van een dergelijke betekenis van dit begrip uitgegaan.14.
4.12
Uit het voorgaande blijkt dat het beschikbaar stellen van een ruimte (een onroerende zaak) teneinde mogelijk te maken dat daar drugs wordt verhandeld of vervaardigd zowel onder art. 10a, eerste lid aanhef en onder 2° Opiumwet als ook onder art. 10a, eerste lid aanhef en onder 3° Opiumwet kan worden geschaard.
4.13
Dat in art. 11a Opiumwet behalve “voorwerpen” ook “ruimten” worden benoemd heeft te maken met (i) de latere datum en (ii) de specifieke aard van dat delict. Ik citeer uit de Nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer15.de volgende passage waaruit dat blijkt:
“De leden van de SGP-fractie vroegen wat de rechtvaardiging is voor de verschillen tussen artikel 10a en het nieuwe artikel 11a. Bij de redactie van het voorgestelde artikel 11a van de Opiumwet is naast artikel 10a van de Opiumwet aansluiting gezocht bij de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen in artikel 46 Sr en de voorbereiding van valsheidsdelicten (artikelen 223 Sr en 234 Sr). Dit lag voor de hand, omdat genoemde artikelen – zoals zij thans luiden – van recenter datum zijn dan artikel 10a van de Opiumwet. Het nieuwe artikel 11a komt overigens grotendeels overeen met het eerste lid, onder 3°, van artikel 10a Opiumwet. Verder is het nieuwe artikel 11a toegespitst op de problemen die zich met betrekking tot lijst II middelen voordoen. De problemen rond de illegale hennepteelt staan daarbij centraal. Zo is de term «ruimten» toegevoegd, omdat het een feit van algemene bekendheid is dat illegale hennepteelt en handelingen gericht op de ver- en bewerking van geoogste illegale hennep nagenoeg niet aan de buitenlucht geschiedt.”
Een argument tegen de aanname dat in art 10a Opiumwet een ‘ruimte’ niet valt te rubriceren onder ‘voorwerpen’ lijkt mij, anders dan de stellers van het middel poneren16., aan die wetsgeschiedenis niet te ontlenen.
4.14
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank waarin het huren van een bedrijfspand/opslagruimte als het voorhanden hebben van voorwerpen is bewezenverklaard derhalve kunnen bevestigen, zodat het middel faalt.17.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑04‑2024
Vgl. in verband met art. 11a Opiumwet Kamerstukken II, 2010-2011, 32842, nr. 3, p. 8: “Ook de overige (AEH: het eerdere ging over het begrip gegevens) in het nieuwe artikel 11a gebezigde begrippen sluiten aan bij de betekenis van de bestaande begrippen als gehanteerd in de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht en zoals deze worden uitgelegd in de vaste jurisprudentie.” Net als in art. 46 Sr wordt in art. 11a Opiumwet naast het voorhanden hebben van voorwerpen ook het voorhanden hebben van ruimten strafbaar gesteld.
In art. 214 Sr gaat het onder meer om het voorhanden hebben van voorwerpen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het namaken of vervalsen van muntspeciën of van munt-of bankbiljetten. Zie in dit verband Kamerstukken II, 1930-1931, 415, nr. 5 (MvT), pag. 2. Voordien sprak dit artikel niet over voorwerpen, maar over werktuigen (Schmidt II (heruitgave M. Scharrenborg, 2017), p. 427).
Stb. 1958/296.
Schmidt II (heruitgave M. Scharrenborg, 2017), p. 25.
Zie in dit verband Kamerstukken II, 21 504, nr. 3, p. 20-22 (onder 4.2).
HR 18 januari 1994, NJ 1994/337.
Zie Kamerstukken II, 1991-1992, 21 504, nr. 8, p. 10-11.
Kamerstukken II, 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 20-22.
Zie wat betreft art. 46 Sr Kamerstukken II, 2001-2002, 28 031, nr.6, p. 2, wat betreft art. 420bis en art. 420quater Sr Kamerstukken II, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 16 en wat betreft art. 421 Sr Kamerstukken II, 2012-2013, 33 478, nr. 3, p. 3-4 (met een verwijzing naar genoemde Kamerstukken die zien op art. 46 Sr).
Overigens in navolging van T&C Sr, Opiumwet art. 10a, aant. 12 onder d., waarin de auteur stelt dat een onroerende zaak niet onder het begrip voorwerp valt. Een nadere motivering wordt daarbij niet verschaft.
Beroepschrift 19‑07‑2023
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/01309
Betekening aanzegging: 23 mei 2023
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230206
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch d.d. 27 maart 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 10a Opiumwet alsmede 358, 359, 415 en 425 Sv ‘en wel om het navolgende:
In het vonnis heeft de rechtbank onder meer bewezen verklaard dat verdachte op 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- —
voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en zijn mededader
- —
een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te [a-plaats], gehuurd en
- —
een hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere jerrycans en meerdere vaten en meerdere maatbekers
en
- —
een grote hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: methanol en zwavelzuur en APAA.
Het vonnis is door het hof bevestigd.
Onder ‘voorwerpen’ als bedoeld in art. 10a Opiumwet moet worden verstaan lichamelijke zaken. Onroerende zaken zoals schuren, loodsen e.d. zijn daarmee niet bedoeld.
Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte (mede) bewezen verklaard dat verdachte op 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte, en zijn mededader een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te [a-plaats], gehuurd.
De bewezenverklaring is dan ook onvoldoende met redenen omkleed zodat het hof ten onrechte het vonnis ten aanzien van de bewezenverklaring heeft bevestigd.
Toelichting
1.1
Aan verdachte is onder feit 1 tenlastegelegd, dat:
- ‘1.
hij op of omstreeks 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit bedoeld in het vierde lidyan artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende. lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- —
een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit (en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- —
zich en/of een of meer ander (en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- —
voorwerpen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mederdader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)
- —
een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [b-straat 1] te [a-straat 1] te [a-plaats], gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of
- —
(een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodïgdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere jerrycans en/of meerdere vaten en/of meerdere maatbekers en/of
- —
(een) grote hoeveelhe(i)d(en) Chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: methanol en/of zwavelzuur en/of APAA;’
1.2
In het vonnis is bewezen verklaard, dat verdachte
- ‘1.
op 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- —
voorwerpen en stoffen voorhanden
heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader
wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)
hebbende hij, verdachte, en zijn mededader
- —
een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te [a-plaats], gehuurd en
- —
een hoeveelheid laboratoriumbenodigdheden voorhanden gehad, waaronder: meerdere jerrycans en meerdere vaten en meerdere maatbekers
en
- —
een grote hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen voorhanden gehad, waaronder: methanol en zwavelzuur en APAA’
1.3
Het bewezenverklaarde is door de rechtbank gekwalificeerd als:
‘T.a.v. feit 1:
medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden of té bevorderen,
- —
zich of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en
- —
voorwerpen en stoffen voorhanden hebben waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.’
1.4
Ten aanzien van de strafoplegging heeft de rechtbank onder mee overwogen:
‘De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich, samen met zijn vader, schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van amfetamine, een grote hoeveelheid hennep, vier stroomstootwapens en 71 busjes traangas. Daarnaast heeft hij voorbereidingshandelingen als bedoeld in de Opiumwet verricht door in een door hem gehuurde loods allerlei voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarmee amfetamine en/of MDMA kunnen worden gemaakt.’
1.5
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Vonnis waarvan beroep.
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de opgelegde straf.
Op te leggen straf
(…)
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting haar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten aanzien van de ernst van het feit heeft, het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich, samen met zijn zoon1., schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van amfetamine, een grote hoeveelheid hennep, vier stroomstootwapens en 71 busjes CS-gas. Daarnaast heeft verdachte voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet gepleegd door in een door hem gehuurde loods allerlei voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben waarmee amfetamine en/of MDMA kan/kunnen worden gemaakt.
(…)’
1.6
Art. 10a Opiumwet luidt:
- ‘1.
Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
- 1°.
een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
- 2°.
zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
- 3°.
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.’
- 2.
Niet strafbaar is hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.’
1.7
Onder ‘voorwerpen’ als bedoeld in art. 10a Opiumwet moet worden verstaan lichamelijke zaken. Onroerende zaken zoals schuren, loodsen e.d. zijn daarmee niet bedoeld.2. In dit kader wordt ook gewezen op art. 11a Opiumwet waarin specifiek en apart strafbaar is gesteld het voorhanden hebben van (onder meer) vervoermiddelen en ruimten waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in art. 11 lid 3 of 5 strafbaar gesteld feit. De betreffende wet is op 1 maart 2015 in werking getreden teneinde (onder meer) verhuurders strafbaar te stelen die onvoldoende toezicht houden op wat erin hun (verhuurde) ruimtes gebeurt.3.
1.8
Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte (mede) bewezen verklaard dat verdachte op 13 december 2017 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) hebbende hij, verdachte, en zijn mededader een bedrijfspand/opslagruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te [a-plaats], gehuurd. De bewezenverklaring is dan ok onvoldoende met redenen omkleed zodat het hof ten onrechte het vonnis ten aanzien van de bewezenverklaring heeft bevestigd.
1.9
Niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende in zijn belangen is geschaad. Uit het vonnis en het arrest blijkt immers dat bij de strafoplegging ten bezware van verdachte acht is geslagen met de omstandigheid dat verdachte schuldig heeft gemaakt aan in een door hem gehuurde loods voorwerpen aanwezig te hebben.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 19 juli 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 19‑07‑2023
Bedoeld zal zijn: vader.
Blom, T7C Strafrecht, Opiumwet, art. 10a, aant. 12 onder d.
Zie o.m. Kamerstukken II 2011/12, 32842, 6, p. 13–14.