Rechtbank Rotterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:400.
HR, 26-09-2025, nr. 24/03920
ECLI:NL:HR:2025:1386
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-09-2025
- Zaaknummer
24/03920
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Juridische beroepen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1386, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑09‑2025; (Cassatie)
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHDHA:2024:1877
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:355
ECLI:NL:PHR:2025:355, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1386
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Arbeidsrecht 2025/311
VAAN-AR-Updates.nl 2025-1236
AR-Updates.nl 2025-1236
CFN 2025/90 met annotatie van -
JAR 2025/270
TRA 2025/99 met annotatie van E.F. Grosheide
TvPP 2025/52, p.243 met annotatie van M. Immerzeel
CFN 2025/61 met annotatie van -
JAR 2025/270
Uitspraak 26‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Geldigheid studiekostenbeding in verband met beroepsopleiding advocatuur, art. 7:611a lid 4 BW. Verplichting werkgever tot verstrekken scholing, art. 7:611a lid 1 BW. Verhouding art. 7:611a lid 1 BW en art. 7:611a lid 2 BW, verplichting opleiding kosteloos te verstrekken, art. 13 Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden (EU 2019/1152). Toepassing bij permanente opleiding.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03920
Datum 26 september 2025
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
[werkneemster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER in het principaal hoger beroep,
VERWEERSTER in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de werkneemster,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
tegen
[werkgever] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in principaal hoger beroep,
VERZOEKSTER in het incidenteel hoger beroep,
hierna: de werkgever,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
Belanghebbenden:
NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN,
gevestigd te Den Haag,
hierna: de NOvA,
advocaten: S.F. Sagel en I.L.N. Timp.
1. De prejudiciële procedure
Bij beschikking van 22 oktober 2024 in de zaak 200.340.178/01 heeft het gerechtshof Den Haag op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.
De werkneemster en de werkgever hebben geen schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben S.F. Sagel en I.L.N. Timp, advocaten bij de Hoge Raad, namens de NOvA op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals voorgesteld onder 5.7 en 5.15 van de conclusie.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze zaak gaat over de vraag of een zogeheten studiekostenbeding (ook wel scholings(kosten)beding genoemd) met betrekking tot de Beroepsopleiding Advocatuur nietig is op grond van art. 7:611a lid 4 BW. Een studiekostenbeding houdt in dat een werknemer onder omstandigheden aan zijn werkgever studiekosten moet vergoeden die zijn werkgever voor hem heeft gemaakt.
2.2
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:
(i) De werkneemster is per 1 juni 2022 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de werkgever in de functie van advocaat-stagiaire. De arbeidsovereenkomst is aangegaan onder een aantal ontbindende voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de werkneemster uiterlijk op 1 december 2025 de Beroepsopleiding Advocatuur heeft afgerond.
(ii) De arbeidsovereenkomst bevat het volgende studiekostenbeding:
“1. Werkneemster zal deelnemen aan de Beroepsopleiding Advocaten (BA).
Werkgever draagt de studiekosten van Werkneemster bestaande uit:
Lesgelden;
Lesmaterialen;
Een examen en een herexamen per vak, het tweede of volgende herexamen komt voor rekening van Werkneemster;
2. Werkneemster volgt de studie in eigen tijd, behoudens de voorgeschreven contactmomenten, zoals cursusdagen. Ten behoeve van een examen krijgt de Werkneemster een vrije dag. Voor herexamens wordt Werkneemster geacht een vakantiedag op te nemen;
3. Reis- en verblijfkosten komen voor rekening van Werkneemster;
4. Werkneemster is gehouden de (…) studiekosten volledig aan Werkgever terug te betalen voor zover deze kosten niet of niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op een aan Werkneemster verschuldigde transitievergoeding:
indien Werkneemster zonder gegronde reden de opleiding afbreekt voordat deze met een diploma is afgerond; dan wel
de opleiding niet binnen redelijke termijn afrondt; dan wel
het dienstverband op initiatief van Werkneemster tijdens de opleiding is beëindigd; dan wel
het dienstverband op initiatief van Werkgever tijdens de opleiding rechtsgeldig is beëindigd wegens een dringende reden zoals omschreven in artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek.
5. Werkneemster is ook gehouden de studiekosten volledig of deels aan Werkgever terug te betalen (…) indien:
het dienstverband op verzoek van Werkneemster binnen drie jaar na afronding van de opleiding wordt beëindigd of het dienstverband door Werkgever binnen drie jaar na afronding van de opleiding wegens een dringende reden zoals omschreven in artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek wordt beëindigd.
Hierbij geldt de volgende afbouwregeling:
(...)
6. Werkneemster erkent door ondertekening van deze arbeidsovereenkomst dat Werkgever haar uitdrukkelijk heeft geattendeerd op de verplichting uit hoofde van dit artikel om de studiekosten geheel of ten dele terug te betalen indien Werkneemster vóór of binnen drie jaar na afronding van de opleiding bij Werkgever uit dienst treedt en dat Werkgever haar tevens heeft gewezen op de voor haar mogelijk ernstige consequenties van die verplichting.”
(iii) De werkneemster is medio 2023 op staande voet ontslagen.
2.3
In deze procedure heeft de werkneemster de kantonrechter onder meer verzocht voor recht te verklaren dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet. De werkgever heeft de kantonrechter onder meer verzocht de werkneemster te veroordelen tot terugbetaling van de studiekosten.
2.4
De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en heeft de door de werkneemster verzochte verklaring voor recht afgewezen. Het verzoek van de werkgever tot terugbetaling van de studiekosten heeft de kantonrechter afgewezen op de grond dat het studiekostenbeding (zie hiervoor in 2.2 onder (ii)) nietig is.1.
2.5.1
In hoger beroep hebben partijen op alle onderdelen van het geschil een schikking bereikt, met uitzondering van de geldigheid van het studiekostenbeding. Daarover hebben zij een oordeel van het hof gevraagd. Het hof heeft de NOvA op haar verzoek als belanghebbende aangemerkt.2.De NOvA heeft het hof gevraagd prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Partijen hebben dit verzoek ondersteund.
2.5.2
Het hof heeft aanleiding gezien de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen:
1. Kan de Beroepsopleiding Advocatuur worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een advocaat-stagiaire, zodat de werkgever in beginsel op grond van art. 7:611a lid 1 BW gehouden is de advocaat-stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen?
2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, heeft dan te gelden dat een werkgever op grond van art. 7:611a lid 2 BW gehouden is om de Beroepsopleiding Advocatuur telkens kosteloos aan zijn werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden, aan te bieden?
3. Moeten de Advocatenwet en de Verordening op de Advocatuur3. (hierna: Voda), waarop de Beroepsopleiding Advocatuur is gegrond, zo worden uitgelegd dat deze een specifieke grondslag vormen als bedoeld in art. 7:611a lid 2 BW, op grond waarvan de werkgever verplicht is deze beroepsopleiding kosteloos aan zijn advocaat-stagiaires te verstrekken?
3. Beantwoording van de prejudiciële vragen
Art. 7:611a BW
3.1.1
Art. 7:611a BW is door een amendement ingevoerd op 1 juli 20154.en luidde destijds:5.
“De werkgever stelt de werknemer in staat scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst indien de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen.”
De toelichting op het amendement houdt onder meer in:6.
“Scholing en een leven lang leren horen bij de moderne arbeidsmarkt. (…) Dit amendement beoogt daarom de verplichtingen van de werkgever om de werknemer te scholen expliciet te verankeren in de wet. Met dit artikel wordt op dit punt het goed werkgever- en werknemerschap nader ingevuld.
Het brengt allereerst tot uitdrukking dat de werkgever de werknemer in staat stelt scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Dit sluit aan bij het voorgestelde artikel 7:669, tweede lid, onderdeel d, BW waaruit reeds blijkt dat de werkgever een werknemer niet wegens disfunctioneren kan ontslaan als de ongeschiktheid het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor scholing van de werknemer. Het sluit ook aan bij artikel 7:669, eerste lid, BW. Op grond hiervan kan de werkgever de arbeidsovereenkomst alleen beëindigen als hiervoor een redelijke grond bestaat en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, niet mogelijk is of niet in de rede ligt.”
3.1.2
Tijdens de parlementaire behandeling merkten de indieners over het amendement op:
“Een leven lang leren zou volgens ons echt een plek in deze wet moeten krijgen. Het is ontzettend belangrijk dat mensen goed inzetbaar zijn en blijven en dat er wordt geïnvesteerd in scholing, ook in de periode dat men werkt voor een baas. Gelukkig hebben steeds meer werkgevers en werknemers dat op hun gezamenlijke agenda staan, maar er zijn uitzonderingen. Vandaar dat ik graag een verankering van die scholing in de wet wil. Daartoe heb ik met de heer Van Weyenberg een amendement ingediend.”7.
“Bij een moderne arbeidsmarkt horen scholing en een leven lang leren. Het gaat om duurzame inzetbaarheid, zorgen dat je van baanzekerheid naar werkzekerheid gaat. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft daar recentelijk aandacht voor gevraagd. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt keer op keer de positieve effecten van scholing, niet alleen van onderwijs in jonge jaren, maar ook van scholing als je al werkt. Ik vind het bij goed werkgeverschap horen dat je mensen scholing aanbiedt zodat zij zich in hun baan kunnen ontwikkelen, maar ook zodat zij goed geëquipeerd zijn wanneer die baan ooit eindigt of wanneer zij ooit een nieuwe horizon willen opzoeken. Daarom hebben wij op dat vlak een amendement ingediend, samen met de Partij van de Arbeid.”8.
3.1.3
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft in de memorie van antwoord over de verhouding van art. 7:611a BW tot studiekostenbedingen opgemerkt:9.
“Zoals uit het desbetreffende artikel blijkt, betreft het hier scholing gericht op het vervullen van de eigen functie van de werknemer, dan wel scholing gericht op het vervullen van een andere functie binnen de organisatie van de werkgever als de eigen functie niet langer kan worden verricht. In beide gevallen geldt, zoals ook nu al het geval, dat de werkgever gehouden is dergelijke scholing te financieren (…). De bepaling laat het gebruik van zogenoemde scholingsbedingen onverlet. Op grond van een dergelijk beding kan een werknemer, dus nog steeds verplicht worden bij een door hemzelf genomen ontslag, kosten van scholing (als hier bedoeld) aan de werkgever te vergoeden.”
3.1.4
Uit het voorgaande volgt dat art. 7:611a BW bij de invoering daarvan zowel gericht was op scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie als op de ontwikkeling van de werknemer en scholing voor toekomstige functies (‘een leven lang leren’). De werkgever moet scholing op grond van de bepaling financieren, al was volgens de minister wel een studiekostenbeding mogelijk.
Implementatie van de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden
3.2.1
Per 1 augustus 2022 is art. 7:611a BW gewijzigd ter implementatie van Richtlijn 2019/115210.(hierna: de Implementatiewet respectievelijk de Richtlijn). Art. 13 van de Richtlijn luidt:
“Verplichte opleiding
De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de werkgever op grond van het Unierecht of het nationale recht of collectieve overeenkomsten verplicht is zijn werknemers een opleiding te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangeworven uit te voeren, deze opleiding kosteloos wordt aangeboden aan de werknemers, als arbeidstijd wordt beschouwd en, indien mogelijk, plaatsvindt tijdens de werkuren.”
De Richtlijn bepaalt in art. 20 lid 1 dat zij geen geldige grondslag vormt voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers in de lidstaten en in art. 20 lid 2 dat zij geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om voor de werknemers gunstigere wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren (‘minimumharmonisatie’).11.
3.2.2
De considerans van de Richtlijn vermeldt in punt 37:
“Als werkgevers op grond van het Unierecht of het nationale recht of bij collectieve overeenkomst verplicht zijn hun werknemers opleiding te verstrekken voor het uitvoeren van het werk waarvoor zij in dienst zijn, is het belangrijk ervoor te zorgen dat dergelijke opleiding gelijkelijk aan alle werknemers wordt gegeven, ook aan personen met atypische vormen van werk. De kosten van dergelijke opleiding mogen niet ten laste van de werknemer komen of worden ingehouden op of afgetrokken van zijn loon. Dergelijke opleiding moet worden meegeteld als arbeidstijd en moet, indien mogelijk, tijdens de werkuren plaatsvinden. Deze verplichting heeft geen betrekking op beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie, zolang de werkgever niet verplicht is deze aan te bieden aan de werknemer op grond van het Unierecht of het nationale recht of een collectieve overeenkomst. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om werknemers te beschermen tegen misbruik in verband met opleiding.”
3.2.3
Ter implementatie van de Richtlijn werd aan de oude tekst van art. 7:611a BW lidnummer 1 toegekend en werden vier leden toegevoegd, die voor zover hier van belang luiden:
“2. Wanneer de werkgever op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationaal recht,12.een collectieve arbeidsovereenkomst, of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is zijn werknemers scholing te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangenomen uit te voeren, wordt de in lid 1 bedoelde scholing kosteloos aangeboden aan de werknemers, beschouwd als arbeidstijd en, indien mogelijk, vindt deze plaats tijdens de tijdstippen waarop arbeid verricht moet worden.
(…)
4. Een beding waarbij de kosten van scholing als bedoeld in lid 2 worden verhaald op of verrekend met geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking van de werknemer, is nietig.
(…).”
De gewijzigde tekst is volgens art. 227 Overgangswet nieuw BW13.van toepassing vanaf het moment van inwerkingtreding van de Implementatiewet, dus per 1 augustus 2022.14.
3.2.4
In de algemene toelichting bij de Implementatiewet wordt opgemerkt:
“In artikel 13 van de Richtlijn is, kort gezegd, geregeld dat een wettelijk verplichte opleiding voor de werknemer kosteloos is en als arbeidstijd wordt beschouwd. Deze bepaling wordt geïmplementeerd in artikel 7:611a BW. Niet iedere opleiding valt onder deze bepaling. Het gaat alleen om opleidingen die de werkgever op grond van de wet of collectieve overeenkomst verplicht is aan te bieden. Het gaat niet om de verplichting van een werknemer om bepaalde opleidingen in de zin van de beroepskwalificatierichtlijn (Richtlijn 2005/36/EG, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties) te volgen, voor het behouden van de beroepskwalificatie. Het betreft uitsluitend aan de werkgever opgelegde verplichtingen tot het verstrekken van een opleiding. De werkgever kan op grond van nationaal recht, of collectieve overeenkomst of Europees recht, gehouden zijn deze opleiding aan te bieden. Het gaat dan meestal om opleidingen op het gebied van veiligheid en arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld het bijhouden van de vakbekwaamheid). De richtlijn schrijft voor dat de kosten van deze opleidingen niet ten laste komen van de werknemer.”15.
Naar aanleiding van opmerkingen van de Raad voor de rechtspraak vermeldt de algemene toelichting voorts:
“De Raad adviseert verder het verband tussen het eerste en het tweede lid van artikel 7:611a te verduidelijken, zodat duidelijk is dat de op grond van het eerste lid bij wet verplichte opleidingen onder de reikwijdte valt. Artikel 7:611a BW is om die reden aangepast. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de scholing die valt onder het eerste lid ook onder het tweede lid valt.”16.
3.2.5
“Artikel 611a, tweede lid
Het tweede lid betreft een omzetting van artikel 13 van de richtlijn. In de richtlijn is de term opleiding gebruikt. In het bestaande artikel 611a wordt de term «scholing» gebruikt. Daar wordt in het nieuwe tweede lid bij aangesloten. Met die term is geen andere invulling van het begrip beoogd dan de richtlijn aan de term opleiding geeft. In het tweede lid wordt verwezen naar de scholing die in het eerste lid wordt bedoeld. Hieruit volgt dat eerst moet worden gekeken of er sprake is van scholing als bedoeld in het eerste lid. Als dit zo is, dan moet worden gekeken of de werkgever verplicht is de opleiding aan te bieden aan de werknemer. Als dit zo is, dan is de scholing voor de werknemer kosteloos en wordt deze als werktijd beschouwd. Alle kosten die de werknemer moet maken in verband met het volgen van de scholing, zijn voor rekening van de werkgever (bijvoorbeeld reiskosten, boeken en ander studiemateriaal, examengelden). Als het mogelijk is, moet deze scholing ook onder werktijd worden aangeboden.
Verplichting tot aanbieden scholing
Scholing die de werkgever verplicht aan moet bieden kunnen onder meer zien op veiligheid en het bijhouden van vakbekwaamheid. (…)
De verplichting om scholing aan te bieden kan voortvloeien uit nationale wetgeving, Europese regelgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten of rechtspositieregelingen.
Onder scholing, bedoeld in het tweede lid, wordt blijkens overweging 37 van de richtlijn niet verstaan beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie, zolang de werkgever niet verplicht is deze aan te bieden aan de werknemer op grond van het Unierecht of het nationale recht of een collectieve overeenkomst. (…)
Artikel 611a, vierde lid
Het komt geregeld voor dat een arbeidsovereenkomst een scholingskostenbeding bevat, waarbij de werknemer verplicht wordt een vergoeding te betalen aan de werkgever. Bijvoorbeeld wanneer de werknemer zijn baan opzegt binnen een bepaalde periode na de scholing.
Het bestaan van een dergelijk beding zou in strijd kunnen zijn met het effet utile van de richtlijn, wanneer het gaat om scholing die de werkgever op grond van het recht verplicht is aan te bieden. Het vierde lid bepaalt daarom dat dergelijke bedingen nietig zijn. Nietig zijn betekent dat het beding van rechtswege niet geldt en een werkgever daar dus ook geen beroep op kan doen. Dit geldt zowel voor bestaande overeenkomsten (door de onmiddellijke werking) als voor overeenkomsten die worden gesloten na inwerkingtreding van de wet.
Een dergelijk beding, waarbij de kosten voor de verplichte scholing uiteindelijk ten laste van de werknemer komen, is nietig, ongeacht welke omstandigheden ten grondslag liggen. Zodoende maakt het niet uit of de opleiding met goed of slecht gevolg is afgelegd of dat de werknemer binnen een termijn de arbeidsovereenkomst ontbindt.”17.
3.2.6
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer is ook de betekenis van lid 1 van art. 7:611a BW aan de orde gekomen. Daarover heeft de minister opgemerkt:
“Het (nieuw genummerde) eerste lid van artikel 7:611a wordt niet gewijzigd door middel van de implementatie van de richtlijn. De richtlijn regelt dat scholing die de werkgever op grond van de wet verplicht moet verstrekken kosteloos moet worden aangeboden. Dat geldt dus ook voor scholing die valt onder artikel 7:611a (eerste lid) BW. Opleidingen die op grond van artikel 7:611a BW ook nu al door de werkgever moeten worden verstrekt, moeten inderdaad kosteloos verstrekt worden. Het betreft namelijk een bij wet door de werkgever verplicht te verstrekken opleiding. Het gaat hier om opleidingen die noodzakelijk zijn voor het kunnen (blijven) uitvoeren van de functie. Hieronder valt bijvoorbeeld de scholing die de werknemer moet volgen om met een nieuw computersysteem te kunnen werken dat door de werkgever wordt ingevoerd. Ook scholing die de werknemer moet volgen in het kader van een verbetertraject valt hieronder. Bijvoorbeeld wanneer gebleken is dat een werknemer onvoldoende beheersing heeft van de Engelse taal en de werkgever vindt dat het voor de uitvoering van de functie noodzakelijk is, dan valt die scholing onder artikel 7:611a BW en dient dus kosteloos aangeboden te worden. Onder artikel 7:611a BW valt in beginsel niet ook de scholing die noodzakelijk is voor het verkrijgen van een diploma of certificaat waarover de werknemer bij eerste aanvang van de werkzaamheden al dient te beschikken om op grond een wettelijke bepaling een functie te mogen uitvoeren. De omstandigheden van het geval bepalen of daarvan sprake is of niet.”18.
En voorts:
“Om les te kunnen geven op een school dient de werknemer te beschikken over een bepaalde onderwijsbevoegdheid. Deze kan worden behaald door een lerarenopleiding af te ronden aan een hogeschool of universiteit. Hoewel deze scholing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de functie, valt deze, in beginsel, niet onder scholing als bedoeld onder artikel 7:611a BW. Hieronder valt in beginsel niet(…) ook de scholing die noodzakelijk is voor het verkrijgen van een diploma of certificaat waarover de werknemer bij eerste aanvang van de werkzaamheden al dient te beschikken om op grond van een wettelijke bepaling een functie te mogen uitvoeren. Deze scholing is niet per definitie hetzelfde als een bij wet door de werkgever verplicht te verstrekken opleiding. De omstandigheden van het geval bepalen of daarvan sprake is.”19.
De Beroepsopleiding Advocatuur
3.3.1
Elke beginnende advocaat is volgens art. 9b lid 1 Advocatenwet verplicht gedurende de eerste drie jaar waarin hij als zodanig is ingeschreven als (advocaat-)stagiaire de praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een ervaren andere advocaat (hierna: de patroon). Van het met gunstig gevolg voltooien van de stage verstrekt volgens art. 9b lid 5 Advocatenwet de raad van de orde in het arrondissement een verklaring (hierna: de stageverklaring) aan de stagiaire.
Een advocaat-stagiaire wordt, zolang deze niet beschikt over een stageverklaring, voorwaardelijk als advocaat op het tableau ingeschreven (art. 1 lid 3 in verbinding met lid 1 Advocatenwet). Na in beginsel drie jaar wordt de advocaat-stagiaire van het tableau geschrapt als deze geen stageverklaring heeft verkregen (art. 8c lid 1, onder c, Advocatenwet).
De NOvA draagt op grond van art. 9c lid 1 Advocatenwet zorg voor een opleiding voor stagiaires (hierna: de Beroepsopleiding Advocatuur) en stelt de stagiaire in de gelegenheid deze opleiding te volgen, die met een examen wordt afgesloten. Krachtens art. 9b lid 7 en art. 9c lid 2 Advocatenwet bevat de Voda nadere regels over de verplichtingen waaraan de patroon en de stagiaire hebben te voldoen en over de Beroepsopleiding Advocatuur. Art. 3.2 Voda eist voor het verkrijgen van de stageverklaring onder meer dat de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding. Dit certificaat wordt alleen verstrekt als de stagiaire aan alle opleidingsverplichtingen heeft voldaan en alle vereiste toetsen met goed gevolg heeft afgelegd. Op grond van art. 3.17 Voda is de stagiaire verplicht onderwijs te volgen. Art. 3.19 Voda verplicht de stagiaire tot het afleggen van de examens. De patroon van de stagiaire is verplicht ervoor te zorgen dat de stagiaire de voor hem op grond van art. 3.17 en 3.19 Voda geldende verplichtingen nakomt (art. 3.13 Voda).
De kosten van de beroepsopleiding worden aan de stagiaire in rekening gebracht. De factuur kan op naam worden gesteld van het kantoor van de stagiaire (art. 2.28 Voda).
3.3.2
De stage moet worden goedgekeurd door de raad van de orde in het arrondissement. De daartoe op grond van de Voda opgestelde Beleidsregel stage en patronaat (hierna: de Beleidsregel) eist onder meer een minimumsalaris voor de advocaat-stagiaire in loondienst en verlangt voor een advocaat-stagiaire in loondienst dat de kosten van de beroepsopleiding voor rekening van het kantoor van de patroon komen, waarbij wordt opgemerkt dat geen bezwaar bestaat tegen een terugbetalingsregeling met een glijdende schaal indien dit arbeidsrechtelijk mogelijk is.20.De hoofdregel dat de kosten voor rekening van het kantoor komen is in de huidige vorm voor het eerst opgenomen in de Beleidsregel 2023 naar aanleiding van de hiervoor in 3.2.1 genoemde Richtlijn; in de Beleidsregel 2022 was deze regel ook het uitgangspunt, maar kon daarvan na een gemotiveerd voorstel worden afgeweken.
Vraag 1: art. 7:611a lid 1 BW en de Beroepsopleiding Advocatuur
3.4.1
De eerste vraag stelt aan de orde of de Beroepsopleiding Advocatuur kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie in de zin van art. 7:611a lid 1 BW.
3.4.2
Het is duidelijk dat de Beroepsopleiding Advocatuur “noodzakelijk” is. Het volgen daarvan is voor advocaat-stagiaires immers verplicht (zie hiervoor in 3.3.1). Men kan evenwel verschillend denken over het antwoord op de vraag of de opleiding noodzakelijk is “voor de uitoefening van de functie”. Verdedigbaar is de opvatting dat de Beroepsopleiding Advocatuur een vooropleiding is, waarmee de advocaat-stagiaire voldoet aan een deel van de eisen om zich zelfstandig als advocaat te kunnen vestigen. Een dergelijke vooropleiding is dan een ‘startkwalificatie’ voor het beroep – net als een voltooide universitaire opleiding rechten – en niet een opleiding die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie in de zin van art. 7:611a lid 1 BW (zie hiervoor in 3.2.6). Voor deze opvatting pleit dat de advocaat-stagiaire voorwaardelijk als advocaat wordt ingeschreven, en dat de stagiaire die de beroepsopleiding niet met succes afsluit, de functie van advocaat na het einde van de stage niet meer zal mogen uitoefenen (zie hiervoor in 3.3.1).
3.4.3
De voorkeur verdient evenwel de opvatting dat de Beroepsopleiding Advocatuur niet wordt beschouwd als een opleiding voor het werk, maar als een opleiding tijdens het werk (‘training on the job’). Voor deze opvatting pleit dat de advocaat-stagiaire tijdens de stageperiode – dus ook ten tijde van het volgen van de Beroepsopleiding Advocatuur – is ingeschreven als advocaat, werkzaamheden als advocaat verricht en daarvoor een bij het verrichten van die werkzaamheden passende beloning ontvangt. Dat deze werkzaamheden onder supervisie van een ervaren andere advocaat worden verricht, en dat de inschrijving van de stagiaire als advocaat voorwaardelijk is, maakt dat niet anders. Een bijkomende reden om aan deze opvatting de voorkeur te geven, is dat deze beter aansluit bij de door art. 7:611a BW en de Richtlijn beoogde bescherming van werknemers. De opvatting vindt verder steun in de Beleidsregel, waarin de kosten van de beroepsopleiding, anders dan lijkt te volgen uit art. 2.28 Voda, als uitgangspunt voor rekening komen van het kantoor van de patroon waar de advocaat-stagiaire in dienst is (zie hiervoor in 3.3.2). Dit uitgangspunt wijst erop dat de beroepsgroep deze kosten – en daarmee de opleiding – beschouwt als dienstbaar aan dit kantoor.
3.4.4
Het antwoord op de eerste vraag is derhalve dat de Beroepsopleiding Advocatuur moet worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een advocaat-stagiaire, zodat de werkgever op grond van art. 7:611a lid 1 BW gehouden is de advocaat-stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen.
3.5.1
De tweede vraag houdt kort samengevat in of iedere opleiding die onder de scholingsverplichting van lid 1 valt op grond van lid 2 door de werkgever kosteloos moet worden aangeboden. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, staat art. 7:611a lid 4 BW eraan in de weg dat de kosten van een dergelijke opleiding met een scholingskostenbeding voor rekening van de werknemer worden gebracht.
3.5.2
De tekst van art. 7:611a lid 2 BW wijst in de richting van een ontkennende beantwoording van de vraag. Het lid formuleert immers een voorwaarde “Wanneer de werkgever … verplicht is” en stelt dat een werkgever indien daaraan voldaan is “de in lid 1 bedoelde scholing” kosteloos aan de werknemers moet aanbieden. Deze voorwaarde is zinloos wanneer een werkgever de in lid 1 bedoelde scholing altijd kosteloos moet aanbieden.
3.5.3
De wetsgeschiedenis van de Implementatiewet (zie hiervoor in 3.2.4-3.2.6) biedt argumenten zowel voor een ontkennend als voor een bevestigend antwoord op de vraag. Zo sluit de toelichting op lid 2 aan bij hetgeen hiervoor in 3.5.2 is opgemerkt over de voorwaardelijke formulering, hetgeen pleit voor een ontkennend antwoord. Maar elders in de toelichting wordt naar aanleiding van het advies van de Raad voor de rechtspraak geschreven dat art. 7:611a BW is aangepast en dat daarmee is “bewerkstelligd dat de scholing die valt onder het eerste lid ook onder het tweede lid valt” (zie hiervoor in 3.2.4 slot).
3.5.4
De doorslag geeft dat art. 7:611a BW moet worden uitgelegd in overeenstemming met de Richtlijn. Volgens art. 13 van de Richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat wanneer een werkgever op grond van onder meer het nationale recht verplicht is zijn werknemers een opleiding te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangeworven uit te voeren, deze opleiding kosteloos wordt aangeboden. Een dergelijke verplichting ligt besloten in art. 7:611a lid 1 BW. Deze bepaling is immers gelijk aan het oude art. 7:611a BW, en die bepaling is mede ingevoerd om werkgevers te verplichten werknemers de opleidingen te laten volgen die noodzakelijk zijn voor hun werk (zie hiervoor in 3.1.4).
Zodra een werkgever een bepaalde opleiding op grond van art. 7:611a lid 1 BW aan een werknemer moet aanbieden omdat deze noodzakelijk is voor diens werk, is dus sprake van een verplichting in de zin van art. 13 van de Richtlijn. Volgens de Richtlijn moet een dergelijke opleiding kosteloos worden aangeboden. Een uitleg van art. 7:611a BW waarin iedere opleiding die onder lid 1 valt op grond van lid 2 kosteloos moet worden aangeboden, bewerkstelligt dat de bepaling in overeenstemming is met de Richtlijn. Dit wordt niet anders doordat de wetgever bij het aanpassen van art. 7:611a BW aan de Richtlijn deze consequentie van lid 1 wellicht niet duidelijk voor ogen heeft gehad (zie hiervoor in 3.5.3).
3.5.5
Aan het voorgaande doet niet af dat de verplichting uit art. 13 van de Richtlijn volgens punt 37 van de considerans geen betrekking heeft op “beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie”. Deze uitzondering is volgens punt 37 namelijk niet van toepassing als een werkgever verplicht is de opleiding aan de werknemer aan te bieden op grond van het Unierecht of het nationale recht, en een dergelijke verplichting ligt, zoals hiervoor is overwogen, naar Nederlands recht besloten in art. 7:611a lid 1 BW. De betekenis van bedoelde uitzondering kan daarom verder in het midden blijven.
3.5.6
Volgens de schriftelijke opmerkingen van de NOvA is het woord “telkens” in de tweede vraag opgenomen om aan de Hoge Raad voor te leggen of ruimte bestaat voor maatwerk, bijvoorbeeld op grond van de norm van art. 7:611 BW.
3.5.7
Maatwerk in de vorm van afwijkende afspraken is op grond van art. 7:611a lid 4 BW niet mogelijk. De vraag of de kosten van de Beroepsopleiding Advocatuur onder bijzondere omstandigheden voor rekening van een werknemer kunnen worden gebracht, bijvoorbeeld als op hem een (schade)vergoedingsplicht tegenover de werkgever is komen te rusten, is daarmee nog niet beantwoord. Omdat die vraag in deze zaak niet aan de orde is gesteld, en zou kunnen nopen tot het stellen van prejudiciële vragen van uitleg over de Richtlijn aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zal de Hoge Raad zich over deze kwestie verder niet uitlaten. Uit het antwoord zal het woord “telkens” om deze reden worden weggelaten.
3.5.8
Het antwoord op de tweede vraag luidt daarom dat een werkgever op grond van art. 7:611a lid 2 BW gehouden is om de Beroepsopleiding Advocatuur kosteloos aan te bieden aan zijn werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden.
Vraag 3: Specifieke grondslag
3.6.1
3.6.2
Omdat, naar volgt uit het antwoord op de tweede vraag, art. 7:611a lid 1 BW een algemene grondslag biedt voor de verplichting van een werkgever om de Beroepsopleiding Advocatuur kosteloos aan zijn advocaat-stagiaire te verstrekken, behoeft de derde vraag geen beantwoording bij gebrek aan belang.
Permanente opleiding
3.7
De NOvA heeft de Hoge Raad verzocht zich om redenen van doelmatigheid ten overvloede uit te laten over de vraag of de kosten in verband met door de Voda voorgeschreven opleidingspunten in de zin van art. 4.4 Voda voor rekening van een werknemer mogen komen. Omdat het antwoord op deze vraag in het voorgaande besloten ligt, zal de Hoge Raad voor de duidelijkheid aan dat verzoek voldoen.
3.8.1
Art. 4.4 Voda schrijft voor dat een advocaat elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten behaalt, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, en bevat nadere regels over deze verplichting.
3.8.2
Uit deze regeling volgt dat het behalen van opleidingspunten noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van advocaat. De kwestie of sprake is van een vooropleiding (zie hiervoor in 3.4.2-3.4.3) doet zich bij deze permanente educatie niet voor. Uit hetgeen hiervoor in 3.5.1-3.5.5 is overwogen over de verhouding tussen art. 7:611a lid 1 en lid 2 BW, volgt dat werkgevers de advocaten die bij hen in dienst zijn in staat moeten stellen de verplichte opleidingspunten te behalen en dat de kosten daarvan voor rekening van de werkgever komen. Afwijking hiervan is op grond van art. 7:611a lid 4 BW niet toegestaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- beantwoordt de vragen 1 en 2 op de hiervoor in 3.4.4 en 3.5.8 weergegeven wijze en ziet af van de beantwoording van vraag 3;
- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van NOvA en op nihil aan de zijde van de werkneemster en de werkgever.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 26 september 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑09‑2025
Gerechtshof Den Haag 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1877.
Besluit van het college van afgevaardigden van 4 december 2014 tot vaststelling van de verordening op de advocatuur, Stcrt. 2014, 36091 (nadien nog een aantal keer gewijzigd).
Wet werk en zekerheid, Stb. 2014, 216, en Stb. 2014, 274 (besluit inwerkingtreding).
Zie voor de geschiedenis van art. 7:611a BW nader de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2-3.4.
Handelingen II, 2013/14, nr. 53, item 4, p. 21 (Hamer).
Handelingen II, 2013/14, nr. 53, item 4, p. 27 (Van Weyenberg).
Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 100.
Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden, Stb. 2022/277, ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (PbEU 2019, L 186).
Zie over de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10-3.14.
Op 1 juli 2025 gewijzigd, er stond eerst “nationale recht”, zie Verzamelwet Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie 2025, Stb. 2025, 124, Besluit inwerkingtreding Stb. 2025, 155.
Ingevoegd door art. IV van de implementatiewet, Stb. 2022, 277.
Zie art. V Implementatiewet, Stb. 2022, 277.
Kamerstukken II 2021/22, 35962, nr. 3, p. 10-12.
De beleidsregels zijn per arrondissement vastgesteld, maar volgens de NOvA uniform. Zie onder meer Beleidsregel stage en patronaat 2024 (Amsterdam), en Beleidsregel stage en patronaat 2025 (Overijssel), art. 2 lid 1 onder c en d, te vinden op de websites van de Orde van Advocaten in het genoemde gebied.
Conclusie 21‑03‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03920
Zitting 21 maart 2025
CONCLUSIE IN PREJUDUCIËLE PROCEDURE
B.J. Drijber
In de zaak van
[werkneemster] ,
tegen
[werkgever] B.V.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [werkneemster] , respectievelijk als [werkgever].
1. Inleiding
1.1
In deze prejudiciële procedure zijn vragen gesteld door het gerechtshof Den Haag naar aanleiding van een geschil over de rechtsgeldigheid van een studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een advocaat-stagiaire. Volgens het beding is de werkneemster gehouden de door de werkgever betaalde studiekosten voor de Beroepsopleiding Advocaten (hierna: BA) terug te betalen, onder andere indien het dienstverband door de werkgever (tussentijds) rechtsgeldig is geëindigd wegens een dringende reden (art. 7:677 BW).
1.2
Tot 1 augustus 2022 bevatte art. 7:611a BW een ‘algemene’ scholingsplicht, op grond waarvan de werkgever verplicht was de werknemer in staat te stellen noodzakelijke scholing te volgen. Als gevolg van de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (Richtlijn (EU) 2019/1152)1.en de wet ter implementatie van die richtlijn is art. 7:611a BW aangepast. Art. 7:611a BW (oud) is ongewijzigd opgenomen in het eerste lid van het nieuwe art. 7:611a BW. Daarnaast zijn vier leden toegevoegd. In het bijzonder van belang is het tweede lid van art. 7:611a BW, waarin is bepaald dat scholing die de werkgever op grond van Unierecht, nationaal recht of cao verplicht is te verstrekken, kosteloos moet worden aangeboden. Het vierde lid bepaalt dat studiekostenbedingen nietig zijn.
1.3
Naar aanleiding van de implementatiewetgeving zijn in de feitenrechtspraak en de literatuur vragen gerezen over de verhouding tussen het eerste en het tweede lid van art. 7:611a BW. Tevens bestaat onduidelijkheid of beroepsopleidingen (steeds) onder art. 7:611a BW vallen.
1.4
De eerste prejudiciële vraag van het hof Den Haag is of de BA kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van advocaat-stagiaire, zodat de werkgever op grond van art. 7:611a lid 1 BW gehouden is de advocaat-stagiaire in de staat te stellen om deze opleiding te volgen. De tweede prejudiciële vraag is of, indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, een werkgever dan op grond van art. 7:611a lid 2 BW de BA telkens kosteloos moet aanbieden aan werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden. De derde prejudiciële vraag is of de Advocatenwet en de Verordening op de advocatuur (hierna: Voda), waarop de BA is gebaseerd, zó moeten worden uitgelegd dat deze een specifieke grondslag vormen als bedoeld in art. 7:611a lid 2 BW, zodat de werkgever op grond daarvan is verplicht de BA kosteloos te verstrekken.
1.5
Het praktisch belang van de prejudiciële vragen is aanzienlijk. Studiekostenbedingen komen kennelijk veel voor, niet alleen in arbeidsovereenkomsten met advocaat-stagiaires.2.
2. Achtergronden
2.1
In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan:3.
(i) [werkneemster] is per 1 juni 2022 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [werkgever] in de functie van advocaat-stagiaire. De arbeidsovereenkomst is aangegaan onder een aantal ontbindende voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat werkneemster uiterlijk op 1 december 2025 de BA met goed gevolg heeft afgelegd.
(ii) De arbeidsovereenkomst van [werkneemster] bevat het volgende studiekostenbeding:
"1. Werkneemster zal deelnemen aan de Beroepsopleiding Advocaten (BA). Werkgever draagt de studiekosten van Werkneemster bestaande uit:
• Lesgelden;
• Lesmaterialen;
• Een examen en een herexamen per vak, het tweede of volgende herexamen komt voor rekening van Werkneemster;
2. (…);
3. (…);
4. Werkneemster is gehouden de onder sub b genoemde studiekosten4.volledig aan Werkgever terug te betalen voor zover deze kosten niet of niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op een aan Werkneemster verschuldigde transitievergoeding:
• indien Werkneemster zonder gegronde reden de opleiding afbreekt voordat deze met een diploma is afgerond; dan wel
• de opleiding niet binnen redelijke termijn afrondt; dan wel
• het dienstverband op initiatief van Werkneemster tijdens de opleiding is beëindigd; dan wel
• het dienstverband op initiatief van Werkgever tijdens de opleiding rechtsgeldig is beëindigd wegens een dringende reden zoals omschreven in artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek.
5. Werkneemster is ook gehouden de studiekosten volledig of deels aan Werkgever terug te betalen - voor zover deze kosten niet of niet volledig in mindering kunnen worden gebracht op de aan Werkneemster verschuldigde transitievergoeding indien:
• het dienstverband op verzoek van Werkneemster binnen drie jaar na afronding van de opleiding wordt beëindigd of het dienstverband door Werkgever binnen drie jaar na afronding van de opleiding wegens een dringende reden zoals omschreven in artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek wordt beëindigd. Hierbij geldt de volgende afbouw regeling: (...)
6. Werkneemster erkent door ondertekening van deze arbeidsovereenkomst dat Werkgever haar uitdrukkelijk heeft geattendeerd op de verplichting uit hoofde van dit artikel om de studiekosten geheel of ten dele terug te betalen indien Werkneemster vóór of binnen drie jaar na afronding van de opleiding bij Werkgever uit dienst treedt en dat Werkgever haar tevens heeft gewezen op de voor haar mogelijk ernstige consequenties van die verplichting.”
(iii) [werkneemster] is op 19 mei 2023 op staande voet ontslagen.
2.2
Op 17 juli 2023 heeft [werkneemster] de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam verzocht om (i) een verklaring voor recht dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet, (ii) toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding, en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, (iii) betaling van achterstallig salaris en vakantiegeld en (iv) uitbetaling van vijftien niet-genoten vakantiedagen.
2.3
[werkgever] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [werkneemster] en de kantonrechter verzocht haar te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding en tot terugbetaling van de studiekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.4
De kantonrechter heeft [werkgever] veroordeeld om aan [werkneemster] te betalen: (i) het achterstallige salaris, (ii) het verschuldigde vakantiegeld en (iii) de vijftien niet-genoten vakantiedagen. De kantonrechter heeft de overige verzoeken van [werkneemster] afgewezen. Verder heeft de kantonrechter [werkneemster] veroordeeld tot betaling aan [werkgever] van een bedrag van € 6.004,80 (netto) aan gefixeerde schadevergoeding. De overige verzoeken van [werkgever] zijn afgewezen. Met betrekking tot het verzoek om terugbetaling van de studiekosten heeft de kantonrechter geoordeeld dat het studiekostenbeding nietig is.
2.5
[werkneemster] is bij het gerechtshof Den Haag (hierna: hof) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter. [werkneemster] heeft het hof verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen, alsnog haar verzoeken volledig toe te wijzen en de verzoeken van [werkgever] volledig af te wijzen.
2.6
Vervolgens hebben partijen het hof laten weten dat zij een schikking hebben bereikt. De schikking heeft – voor zover in deze prejudiciële procedure relevant – de volgende inhoud:
a) De schikking heeft betrekking op alle onderdelen van het geschil met uitzondering van het geschil over de geldigheid van het studiekostenbeding waarover een oordeel van het hof wordt gevraagd.
b) Partijen zijn het geen van beiden volledig eens met de feitenvaststelling door de kantonrechter, maar gezien de schikking die partijen hebben bereikt, is er volgens hen geen noodzaak om deze feiten opnieuw vast te stellen.
c) Partijen hebben in onderling overleg vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst op 19 mei 2023 is geëindigd om ‘neutrale redenen'
d) Partijen twisten in deze procedure niet (langer) erover dat er een studiekostenbeding is overeengekomen en dat dit beding voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest […] / […].5.
e) Partijen zijn overeengekomen dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst om neutrale redenen ook zou (kunnen) leiden tot een terugbetalingsplicht onder het studiekostenbeding, mits het studiekostenbeding niet nietig wordt bevonden op grond van art. 7:611a lid 4 BW.
f) Partijen zijn overeengekomen dat de proceskostenveroordeling beperkt kan blijven tot de griffiekosten, zodat voor het overige iedere partij de eigen kosten draagt.
2.7
[werkgever] heeft het hof in incidenteel hoger beroep verzocht om te bepalen dat het studiekostenbeding rechtsgeldig is.
2.8
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen nader het volgende overeengekomen:1) [werkneemster] trekt haar grieven in principaal appel in en partijen verzoeken het hof [werkneemster] niet-ontvankelijk te verklaren in het principaal appel;2) Partijen komen overeen dat de bestreden beschikking van de kantonrechter niet wordt uitgevoerd en de tussen hen getroffen schikking in de plaats treedt van deze beschikking (met dien verstande dat deze schikking geen betrekking heeft op het studiekostenbeding).
2.9
De Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA) heeft het hof verzocht te bepalen dat zij zich als belanghebbende mag mengen in de procedure tussen [werkneemster] en [werkgever], met dien verstande dat zij als procespartij wordt aangemerkt opdat zij in het kader van een eventuele prejudiciële procedure alle proceshandelingen mag verrichten. Verder heeft de NOvA het hof verzocht om in het belang van de rechtseenheid en rechtszekerheid voor de gehele beroepsgroep van advocaten op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, zodat duidelijkheid wordt verkregen over de vraag of een studiekostenbeding voor de BA in het licht van art. 7:611a BW rechtsgeldig kan worden overeengekomen. De NOvA benadrukt dat zij zich niet een-op-een achter de visie van een van de partijen schaart. Gelet op haar taak en rol stelt zij zich in dezen ‘partijneutraal’ op.
2.10
Zowel [werkneemster] als [werkgever] heeft te kennen gegeven het verzoek van de NOvA om prejudiciële vragen te laten stellen aan de Hoge Raad over de geldigheid van het studiekostenbeding te ondersteunen. Partijen hebben ook geen bezwaar ertegen dat de NOvA in het hoger beroep als belanghebbende wordt aangemerkt.
2.11
NOvA heeft bij het hof een verweerschrift ingediend waarin feitelijke en juridische voorlichting wordt gegeven over de onderhavige problematiek.
2.12
Het hof heeft overwogen dat de NOvA voldoende heeft gemotiveerd dat zij een eigen belang heeft bij de uitkomst van de procedure, althans bij de beantwoording van de prejudiciële vragen die – in het belang van de rechtseenheid en de rechtszekerheid – aan de Hoge Raad worden gesteld. Zij is door haar wettelijke vastgestelde bemoeienis met de BA en haar lokale rol bij de beoordeling van arbeidsovereenkomsten met advocaat-stagiaires nauw betrokken bij het onderwerp dat in de hoger beroepsprocedure aan de orde is. Het hof heeft geoordeeld dat de NOvA daarom in dit geval als belanghebbende kan worden aangemerkt.
2.13
Bij beschikking van 22 oktober 2024 heeft het hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:6.
“1. Kan de Beroepsopleiding Advocatuur worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een advocaat-stagiaire, zodat de werkgever in beginsel op grond van art. 7:611a lid 1 BW gehouden is de advocaat-stagiaire in slaat te stellen deze opleiding te volgen?"
2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, heeft dan te gelden dat een werkgever op grond van art. 7:611a lid 2 BW gehouden is om de Beroepsopleiding Advocatuur telkens kosteloos aan zijn werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden, aan te bieden?
3. Moeten de Advocatenwet en de Voda, waarop de Beroepsopleiding Advocatuur is gegrond, zo worden uitgelegd dat deze een specifieke grondslag vormen als bedoeld in art. 7:611a lid 2 BW, op grond waarvan de werkgever verplicht is deze beroepsopleiding kosteloos aan zijn advocaat-stagiaires te verstrekken?”
2.14
De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen in behandeling genomen. [werkneemster] , [werkgever] en de NOvA zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen in te dienen (art. 393 lid 2 Rv). [werkneemster] en [werkgever] hebben hier van afgezien. De NOvA heeft op 17 januari 2025 schriftelijke opmerkingen ingediend.7.
3. Algemeen juridisch kader: scholingsplicht en bekostiging scholing
Inleiding
3.1
Voordat ik toekom aan de bespreking van de prejudiciële vragen schets ik het juridisch kader. Daarbij begin ik met het algemene arbeidsrechtelijke kader (de relevante bepalingen van het BW). Achtereenvolgens komen aan bod:
- de scholingsplicht ingevolge art. 7:611a BW (oud)
- de Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden
- de reikwijdte van art. 7:611a BW na omzetting
- de vraag of beroepsopleidingen buiten de reikwijdte van art. 7:611a lid 1 én 2 BW vallen
- de vraag of art. 7:611 lid 2 BW is beperkt tot opleidingen met een specifieke grondslag
- de rechtsgeldigheid van een studiekostenbeding
- een studiekostenbeding voor opleidingen die niet onder art. 7:611a BW vallen
De scholingsplicht ingevolge art. 7:611a BW (oud)
3.2
Tot 1 augustus 2022 luidde art. 7:611a BW (oud) als volgt:
“De werkgever stelt de werknemer in staat scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst indien de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen.”
3.3
Dit artikel is ingevoerd bij de Wet werk en zekerheid (hierna: Wwz).8.Het bevat voor de werkgever een algemene scholingsplicht ten behoeve van de werknemer. De scholingsplicht is in die wet terecht gekomen als gevolg van een amendement.9.De achtergrond daarvan was de overtuiging dat scholing en een leven lang leren horen bij de moderne arbeidsmarkt. Het doel van het amendement was de verplichtingen van de werkgever om de werknemer te scholen expliciet te verankeren in de wet, en daarmee nadere invulling te geven aan goed werkgever- en werknemerschap.10.
3.4
Tijdens de behandeling van het voorstel voor de Wwz in de Eerste Kamer is ook de geldigheid van een scholingsbeding aan de orde geweest. De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid vroeg of met art. 7:611a BW (oud) was beoogd te regelen dat de werkgever in principe de scholing ten behoeve van de werknemer financiert en of hiermee een wijziging is beoogd van de mogelijkheid tot een terugbetalingsverplichting door de werknemer van de kosten van scholing aan de werkgever als de arbeidsovereenkomst gedurende een zekere tijd na het afronden van de scholing eindigt.11.Minister Asscher beantwoordde die vraag als volgt (onderstreping hier en hierna in deze conclusie steeds door mij toegevoegd, tenzij anders staat vermeld, A-G):12.
“Zoals uit het desbetreffende artikel blijkt, betreft het hier scholing gericht op het vervullen van de eigen functie van de werknemer, dan wel scholing gericht op het vervullen van een andere functie binnen de organisatie van de werkgever als de eigen functie niet langer kan worden verricht. In beide gevallen geldt, zoals ook nu al het geval, dat de werkgever gehouden is dergelijke scholing te financieren (en de hieraan verbonden kosten, gelet op de formulering van artikel 7:673, zesde lid, BW, ook niet in mindering kan brengen op een toekomstige transitievergoeding). De bepaling laat het gebruik van zogenoemde scholingsbedingen onverlet. Op grond van een dergelijk beding kan een werknemer dus nog steeds verplicht worden bij een door hemzelf genomen ontslag, kosten van scholing (als hier bedoeld) aan de werkgever te vergoeden.”
3.5
Uit de onderstreepte passage volgt dat de wetgever ervan uitging dat art. 7:611a BW (oud) niet in de weg stond aan het rechtsgeldig overeenkomen van een studiekostenbeding.
Richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden
3.6
In 2019 is de Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie (hierna: Richtlijn)13.vastgesteld. De doelstelling van de Richtlijn is om arbeidsvoorwaarden te verbeteren door transparantere en beter voorspelbare werkgelegenheid te bevorderen en tegelijkertijd te zorgen voor aanpassingsvermogen op de arbeidsmarkt.14.De Richtlijn stelt minimumvereisten vast en gaat zodoende uit van minimumharmonisatie.15.
3.7
Art. 13 Richtlijn bevat de verplichting voor de werkgever om kosteloos een opleiding te verstrekken om het werk waarvoor de werknemer is aangeworven uit te voeren:
“Verplichte opleiding
De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer de werkgever op grond van het Unierecht of het nationale recht of collectieve overeenkomsten verplicht is zijn werknemers een opleiding te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangeworven uit te voeren, deze opleiding kosteloos wordt aangeboden aan de werknemers, als arbeidstijd wordt beschouwd en, indien mogelijk, plaatsvindt tijdens de werkuren.”
3.8
In overweging 37 van de preambule van de Richtlijn is het volgende opgenomen:
“Als werkgevers op grond van het Unierecht of het nationale recht of bij collectieve overeenkomst verplicht zijn hun werknemers opleiding te verstrekken voor het uitvoeren van het werk waarvoor zij in dienst zijn, is het belangrijk ervoor te zorgen dat dergelijke opleiding gelijkelijk aan alle werknemers wordt gegeven, ook aan personen met atypisch vormen van werk. De kosten van dergelijke opleiding mogen niet ten laste van de werknemer komen of worden ingehouden op of afgetrokken van zijn loon. Dergelijke opleiding moet worden meegeteld als arbeidstijd en moet, indien mogelijk, tijdens de werkuren plaatsvinden. Deze verplichting heeft geen betrekking op beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie, zolang de werkgever niet verplicht is deze aan te bieden aan de werknemer op grond van het Unierecht of het nationale recht of een collectieve overeenkomst. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om werknemers te beschermen tegen misbruik in verband met opleiding.”
3.9
Art. 20 Richtlijn bevat een zogenoemde non-regressiebepaling, die het de lidstaten verbiedt het bij hen bestaande niveau van bescherming van werknemers terug te schroeven:
“Geen achteruitgang en gunstigere bepalingen
1. Deze richtlijn vormt geen geldige grondslag voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers in de lidstaten.
2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om voor de werknemers gunstigere wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toe te passen of in te voeren, dan wel de toepassing van voor de werknemers gunstigere collectieve overeenkomsten te bevorderen of toe te staan.
3. Deze richtlijn laat eventuele andere rechten die door andere rechtshandelingen van de Unie aan werknemers zijn verleend, onverlet.”
3.10
Over de totstandkoming van art. 13 Richtlijn merk ik het volgende op.
3.11
In (toen) art. 11 van het voorstel van de Commissie is de volgende scholingsplicht opgenomen:
“Member States shall ensure that where employers are required by Union or national legislation or relevant collective agreements to provide training to workers to carry out the work for which they are employed, such training shall be provided cost-free to the worker.”
3.12
Het Commissievoorstel diende te worden goedgekeurd door de Uniewetgever, het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. Het Committee on Employment and Social Affairs van het Parlement heeft voorgesteld om in art. 11 (i) van het Commissievoorstel de vergoedingsplicht van de werkgever uit te breiden tot scholing die de werkgever aan de werknemer heeft opgelegd en (ii) ‘national legislation’ te vervangen door ‘national law’.16.De eerste voorgestelde wijziging heeft de eindstreep niet gehaald. De tweede voorgestelde wijziging (wijziging van ‘legislation’ in ‘law’) is wél aangenomen.17.
3.13
Enig houvast over de uitleg van art. 13 Richtlijn biedt een lijvig rapport van de Expert Groep die de Europese Commissie heeft bijgestaan bij de implementatie van de Richtlijn (hierna: Rapport Expert Groep).18.Dit rapport vermeldt over de reikwijdte van art. 13 Richtlijn, in samenhang met overweging 37, onder meer het volgende:
“Article 13 introduces a right to training to be provided to the worker free of charge, where the employer is required by law or collective agreement to provide such training, for the worker to carry out the work for which he/she is employed. (…) The scope of the Article is explained in Recital 37: “[…] That obligation does not cover vocational training or training required for workers to obtain, maintain or renew a professional qualification as long as the employer is not required by Union or national law or collective agreement to provide it to the worker.” That means that the Article relates solely to training which the employer is obliged to provide to workers for the job at hand and does not cover obligatory training that the worker must have completed in order to be qualified to take up a particular post (i.e. a “qualification”, such as a type rating for a particular aircraft in civil aviation), or vocational training, unless the employer is required to provide this training.
Where the obligation is placed on the employer to provide this training, the cost may not be passed on to the worker – neither in the form of a request for payment of all or part of the training, nor as a deduction from or stopping of salary, nor by way of a reduction of benefits in any other form that would otherwise be paid to the worker.”
Voor de toepasselijkheid van art. 13 Richtlijn is onvoldoende dat de werknemer verplicht is een opleiding te volgen om een bepaalde beroepskwalificatie te behalen. Vereist is dat de werkgever verplicht is de werknemer in staat te stellen de opleiding te volgen om zijn ‘job at hand’ goed te doen.
3.14
Het Rapport Expert Groep gaat ook in op de vraag wat de betekenis is van art. 13 Richtlijn voor studiekostenbedingen. Daarover vermeldt het rapport het volgende:19.
“A Member State expert asked if this Article is applicable on contractual clauses that are strictly regulated and stipulate that, when training as mentioned in Article 13 of the Directive is provided and paid for by the employer, the worker has to pay back parts of the cost of the training if the worker terminates the employment contract within a certain period after the training has been completed. The Commission services replied that the Directive is silent on this particular issue. However, from Recital 37 it is clear that where the obligation is placed on the employer to provide such training, the cost may not be passed on to the worker – neither in the form of a request for payment of all or part of the training, nor as a deduction from or stopping of salary, nor, as the Commission services sees it, by way of a reduction of benefits in any other form that would otherwise be paid to the worker.”
3.15
Hieruit leid ik af dat over studiekostenbedingen in de Richtlijn niet uitdrukkelijks is geregeld, maar dat blijkens overweging 37 is bedoeld dat studiekosten niet mogen worden afgewenteld op de werknemer als de werkgever verplicht is om de opleiding aan te bieden.
3.16
De Richtlijn is met de Wet implementatie EU-richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden (hierna: Wtva) geïmplementeerd.20.De Wtva is per 1 augustus 2022 in werking getreden. De implementatie strekte tot zuivere implementatie van de Richtlijn,21.dus zonder aanvullende nationale verplichtingen (‘geen kop erop’).
De reikwijdte van art. 7:611a BW
3.17
Art. 13 Richtlijn is geïmplementeerd in een nieuw art. 7:611a BW. Art. 7:611a BW (oud) werd art. 7:611a lid 1 BW en bleef ongewijzigd. De leden 2 t/m 5 zijn toegevoegd. Art. 7:611a BW luidt sinds 1 augustus 2022, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. De werkgever stelt de werknemer in staat scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst indien de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen.
2. Wanneer de werkgever op grond van toepasselijk Unierecht, toepasselijk nationale recht, een collectieve arbeidsovereenkomst, of een regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan verplicht is zijn werknemers scholing te verstrekken om het werk waarvoor zij zijn aangenomen uit te voeren, wordt de in lid 1 bedoelde scholing kosteloos aangeboden aan de werknemers, beschouwd als arbeidstijd en, indien mogelijk, vindt deze plaats tijdens de tijdstippen waarop arbeid verricht moet worden.
3. (…)
4. Een beding waarbij de kosten van scholing als bedoeld in lid 2 worden verhaald op of verrekend met geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking van de werknemer, is nietig.
5. (…).”
3.18
De MvT bevat de volgende passage over art. 13 Richtlijn:22.
“In artikel 13 van de Richtlijn is, kort gezegd, geregeld dat een wettelijk verplichte opleiding voor de werknemer kosteloos is en als arbeidstijd wordt beschouwd. Deze bepaling wordt geïmplementeerd in artikel 7:611a BW. Niet iedere opleiding valt onder deze bepaling. Het gaat alleen om opleidingen die de werkgever op grond van de wet of collectieve overeenkomst verplicht is aan te bieden. Het gaat niet om de verplichting van een werknemer om bepaalde opleidingen in de zin van de beroepskwalificatierichtlijn (Richtlijn 2005/36/EG, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties) te volgen, voor het behouden van de beroepskwalificatie. Het betreft uitsluitend aan de werkgever opgelegde verplichtingen tot het verstrekken [van] een opleiding. De werkgever kan op grond van nationaal recht, of collectieve overeenkomst of Europees recht, gehouden zijn deze opleiding aan te bieden. Het gaat dan meestal om opleidingen op het gebied van veiligheid en arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld het bijhouden van de vakbekwaamheid). De richtlijn schrijft voor dat de kosten van deze opleidingen niet ten laste komen van de werknemer. (…).”
3.19
De MvT vervolgt met een toelichting op de reikwijdte van art. 7:611a BW, mede naar aanleiding van een advies van de Raad voor de rechtspraak.23.Ik citeer:24.
“De Raad merkt ten eerste op dat in de toelichting op het wetsvoorstel het onderscheid tussen opleidingen waar het wetsvoorstel wel en niet op van toepassing is, niet duidelijk is. De Raad adviseert het onderscheid tussen deze twee categorieën te verduidelijken. Dit advies is overgenomen (zie de toelichting bij artikel I, onderdeel A). De Raad adviseert verder het verband tussen het eerste en het tweede lid van artikel 7:611a te verduidelijken, zodat duidelijk is dat de op grond van het eerste lid bij wet verplichte opleidingen onder de reikwijdte valt. Artikel 7:611a BW is om die reden aangepast. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de scholing die valt onder het eerste lid ook onder het tweede lid valt.
(…)
De Raad verzoekt te verduidelijken of het na de inwerkingtreding het wetsvoorstel voor werkgevers mogelijk blijft om een rechtsgeldig studiekostenbeding overeen te komen indien het gaat om andere scholing dan waar de richtlijn op ziet. Dat is inderdaad het geval, voor zover voldaan wordt aan de criteria die daarvoor op grond van de jurisprudentie gelden.
(…).”
3.20
De reden om aan art. 7:611a BW vier nieuwe leden toe te voegen is volgens de MvT:25.
“De nieuwe leden moeten, mede gelet op overweging 37 van de richtlijn, worden gezien als een verbijzondering van het eerste lid.”
3.21
In antwoord op Kamervragen heeft de Minister over de strekking van het eerste lid, en met name van de woorden ‘scholing die noodzakelijk is’, het volgende opgemerkt:26.
“Dan per onderwerp. Allereerst de verplichte scholing. Het wetsvoorstel is heel duidelijk dat de wettelijk verplicht te verstrekken opleiding door de werkgever kosteloos moet worden aangeboden en als het mogelijk is ook tijdens werktijd. Dat geldt voor opleidingen die verplicht worden verstrekt op grond van de cao of de wet of een Europese wet. Er mag dan ook geen terugbetalingsbeding in worden opgenomen. Het gaat dan om verplichte scholing die noodzakelijk is voor de uitvoering van de functie, maar ook voor de voortzetting van de arbeidsovereenkomst in het geval die functie zou vervallen. Ook die moet kosteloos en indien mogelijk tijdens werktijd.
(…).”
3.22
Over art. 7:611a lid 2 BW merkt de artikelsgewijze toelichting van de MvT op:27.
“Artikel 611a, tweede lid.
Het tweede lid betreft een omzetting van artikel 13 van de richtlijn. In de richtlijn is de term opleiding gebruikt. In het bestaande artikel 611a wordt de term “scholing” gebruikt. Daar wordt in het nieuwe tweede lid bij aangesloten. Met die term is geen andere invulling van het begrip beoogd dan de richtlijn aan de term opleiding geeft. In het tweede lid wordt verwezen naar de scholing die in het eerste lid wordt bedoeld. Hieruit volgt dat eerst moet worden gekeken of er sprake is van scholing als bedoeld in het eerste lid. Als dit zo is, dan moet worden gekeken of de werkgever verplicht is de opleiding aan te bieden aan de werknemer. Als dit zo is, dan is de scholing voor de werknemer kosteloos en wordt deze als werktijd beschouwd. Alle kosten die de werknemer moet maken in verband met het volgen van de scholing, zijn voor rekening van de werkgever (bijvoorbeeld reiskosten, boeken en ander studiemateriaal, examengelden). Als het mogelijk is, moet deze scholing ook onder werktijd worden aangeboden.
3.23
Voorts heeft de Minister bij MvA het volgende antwoord gegeven op de vraag of uit art. 7:611a BW de verplichting kan volgen om onderwijs kosteloos aan te bieden:28.
“Het (nieuw genummerde) eerste lid van artikel 7:611a wordt niet gewijzigd door middel van de implementatie van de richtlijn. De richtlijn regelt dat scholing die de werkgever op grond van de wet verplicht moet verstrekken kosteloos moet worden aangeboden. Dat geldt dus ook voor scholing die valt onder artikel 7:611a (eerste lid) BW. Opleidingen die op grond van artikel 7:611a BW ook nu al door de werkgever moeten worden verstrekt, moeten inderdaad kosteloos verstrekt worden. Het betreft namelijk een bij wet door de werkgever verplicht te verstrekken opleiding. Het gaat hier om opleidingen die noodzakelijk zijn voor het kunnen (blijven) uitvoeren van de functie.
De wetgever brengt hier dus een koppeling aan tussen het eerste en het tweede lid van art. 7:611a BW.
3.24
Uit het voorgaande kunnen de volgende uitgangspunten worden afgeleid:
1) Scholing is noodzakelijk in de zin van art. 7:611a lid 1 BW als de werkgever verplicht is die scholing aan te bieden.
3.25
De toepassing van deze op zichzelf duidelijke uitgangspunten zorgt in de praktijk voor discussie. Twee belangrijke discussiepunten zijn:
b) Is de verplichting van art. 7:611a lid 2 BW een opleiding kosteloos aan te bieden beperkt tot opleidingen die de werkgever ingevolge een specifieke grondslag moet aanbieden?
Ad a): Vallen beroepsopleidingen onder art. 7:611a leden 1 én 2 BW?
3.26
De achtergrond van deze vraag is de volgende. In overweging 37 van de preambule van de Richtlijn (zie 3.8) wordt vermeld dat de verplichting uit art. 13 Richtlijn geen betrekking heeft op beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie (hierna: beroepsopleidingen en -kwalificaties), zolang de werkgever niet verplicht is deze aan te bieden aan de werknemer op grond van het Unierecht, het nationale recht of een cao. In de MvT bij de Wtva wordt – onder verwijzing naar die overweging – opgemerkt dat onder verplichte scholing in de zin van art. 7:611a lid 2 BW niet wordt verstaan beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie. Later in het wetgevingsproces is gesteld dat art. 7:611a lid 2 BW geen betrekking heeft op beroepsopleidingen en -kwalificaties, tenzij de werkgever die op grond van nationaal recht, cao of Unierecht verplicht is aan te bieden.29.
3.27
In de MvA is herhaald dat onder art. 7:611a BW in beginsel niet valt de scholing die noodzakelijk is voor het verkrijgen van een diploma of certificaat waarover de werknemer bij eerste aanvang van de werkzaamheden al dient te beschikken,30.zoals bijvoorbeeld een bepaald hoger onderwijsdiploma.
3.28
In de literatuur is discussie over de vraag of de wetgever beroepsopleidingen en -kwalificaties als zodanig buiten de reikwijdte van het eerste lid heeft willen houden.31.
3.29
Mij lijkt duidelijk dat dit niet het geval is, tenzij het om de zojuist in 3.27 genoemde startkwalificaties gaat. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:611a BW (oud) ten tijde van de Wwz blijkt niet dat de wetgever toen beroepsopleidingen heeft willen uitzonderen van de (algemene) scholingsplicht. Vervolgens is bij de Wtva, die strekte tot zuivere implementatie van de Richtlijn (zie 3.16),32.art. 7:611a BW (oud) ongewijzigd opgenomen in het eerste lid van art. 7:611a BW. Het ligt niet in de rede dat de wetgever toen heeft beoogd de reikwijdte van (het nieuwe) lid 1 te beperken.33.Er bestaat daarom geen goede grond beroepsopleidingen categorisch uit te sluiten van de reikwijdte van het eerste lid van art. 7:611a BW. Dat wel doen zou bovendien in strijd zijn met de non-regressiebepaling van art. 20 Richtlijn (zie 3.9).34.
3.30
Overweging 37 van de preambule van de Richtlijn doet daar niet aan af. Zoals hiervoor weergegeven is daarin bepaald dat de vergoedingsplicht in art. 13 Richtlijn geen betrekking heeft op beroepsopleidingen of -kwalificaties, “zolang de werkgever niet verplicht is deze aan te bieden aan de werknemer op grond van het Unierecht of het nationale recht of collectieve overeenkomst.” Deze laatste zinsnede wordt in de literatuur wel aangeduid als ‘uitzondering op de uitzondering’: beroepsopleidingen zouden zijn uitgezonderd van de regel dat opleidingen kosteloos moeten worden aangeboden, tenzij een beroepsopleiding verplicht is. Ook als er systematisch op die manier naar zou moeten worden gekeken, brengt de uitzondering op de uitzondering simpelweg mee dat de hoofdregel van art. 13 Richtlijn van toepassing is. Ik verwijs ook naar de citaten uit het rapport van de Expert Groep (zie 3.13).
3.31
Ik concludeer dat een beroepsopleiding die de werkgever verplicht is aan te bieden valt zowel onder het eerste als onder het tweede lid van art. 7:611a BW en dus kosteloos moet worden verstrekt.
Ad b): Is art. 7:611 lid 2 BW beperkt tot opleidingen met een specifieke grondslag?
3.32
Deze vraag stelt opnieuw aan de orde de verhouding tussen het eerste en het tweede lid van art. 7:611a BW. Daarover bestaan grofweg twee lezingen.
3.33
Lezing 1 gaat ervan uit dat iedere opleiding die een werkgever op grond van het eerste lid van art. 7:611a BW aan de werknemer moet aanbieden, op grond van het tweede lid van dit artikel kosteloos moet worden aangeboden.35.Met andere woorden, onder het ‘nationale recht’ in het tweede lid moet eveneens worden verstaan de algemene scholingsplicht die is opgenomen in art. 7:611a lid 1 BW.
3.34
Lezing 2 maakt onderscheid tussen een algemene scholingsplicht van lid 1 en een specifieke scholingsplicht die ligt besloten in lid 2. Volgens deze lezing heeft de werkgever ingevolge art. 7:611a lid 2 BW alleen een vergoedingsplicht als er een specifieke wettelijke regeling of cao is op grond waarvan de werkgever de scholing moet verstrekken én de opleiding valt binnen het toepassingsgebied van art. 7:611a lid 1 BW (dat laatste volstaat dus niet).
3.35
Een tekstuele uitleg van de wettekst geeft geen uitsluitsel over de juiste lezing van art. 7:611a lid 2. Enerzijds wordt met de verwijzing in lid 2 naar “de in lid 1 bedoelde scholing” onderstreept dat de algemene scholingsplicht uit lid 1 onder het toepassingsbereik van lid 2 valt. Anderzijds pleit het in lid 2 gemaakte onderscheid tussen “toepasselijk nationale recht” en “de in lid 1 bedoelde scholing” voor de lezing dat onder ‘nationale recht’ niet de algemene scholingsplicht van lid 1 valt.36.
3.36
De wetsgeschiedenis van art. 7:611a BW is op dit punt ook niet helemaal eenduidig. Steun voor lezing 2 kunnen passages bieden in de MvT waarin wordt toegelicht dat lid 2 kan worden beschouwd als “verbijzondering” van het eerste lid.37.Verder wordt een stappenplan aangereikt: eerst moet worden gekeken of sprake is van scholing als bedoeld in het eerste lid en, indien dit het geval is, moet (daarnaast) worden gekeken of de werkgever verplicht is de opleiding aan te bieden.38.Ook voor lezing 1 zijn aanknopingspunten te vinden in de MvT, bijvoorbeeld waar staat “dat de scholing die valt onder het eerste lid ook onder het tweede lid valt.”39.Verder heeft de Minister in de MvA40.laten optekenen dat ook scholing die valt onder art. 7:611a lid 1 BW, kosteloos moet worden aangeboden. Volgens de Minister betreft het namelijk “een bij wet door de werkgever verplicht te verstrekken opleiding.”
3.37
De lagere rechtspraak toont verdeeldheid. Er zijn uitspraken waarin de kantonrechter de algemene scholingsplicht uit het eerste lid aanmerkt als ‘nationaal recht’ in de zin van het tweede lid van art. 7:611a BW.41.Er zijn ook uitspraken waarin de kantonrechter dit in het midden laat42.of de algemene scholingsplicht uit het eerste lid juist buiten de reikwijdte van het tweede lid laat vallen.43.Een voorbeeld van dat laatste is een uitspraak van de kantonrechter Den Haag van 24 augustus 2023. De kantonrechter overwoog daar dat de uit overweging 37 van de Richtlijn volgende ‘uitzondering op de uitzondering’ niet zo ruim moet worden geïnterpreteerd dat hieronder ook de algemene scholingsplicht van art. 7:611a lid 1 BW valt, omdat de (veronderstelde) uitzondering voor beroepsopleidingen en -kwalificaties dan verder zonder belang is.
3.38
De literatuur kent, niet verrassend, een vergelijkbare verdeeldheid. Sommige auteurs zijn, in lijn met de zojuist aangehaalde uitspraak van de kantonrechter Den Haag, overtuigd van de juistheid van lezing 2 omdat lezing 1 ertoe zou leiden dat de ‘beroepsuitzondering’ tot een dode letter zou verworden.44.In de literatuur kan lezing 1 op een meerderheid rekenen.45.Een argument daarvoor wordt veelal gevonden in de MvT,46.de MvA,47.de bespreking van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer,48.of in de Unierechtelijke achtergrond van de bepaling.49.
3.39
Hoewel de wetgevingsgeschiedenis over de implementatie van de Richtlijn op dit punt niet kraakhelder is50., schaar ik mij om dezelfde – grotendeels aan diezelfde wetsgeschiedenis ontleende – redenen achter lezing 1. Dat sluit aan bij het in 3.24 geformuleerde uitgangspunt dat de werkgever alle opleidingen die hij op grond van art. 7:611a lid 1 BW moet aanbieden, ingevolge lid 2 ook kosteloos moet aanbieden. Ik ga dus uit van een koppeling tussen het eerste en het tweede lid (zie reeds 3.23).
De rechtsgeldigheid van een studiekostenbeding
3.40
De volgende vraag is dan of het mogelijk is een studiekostenbeding op te nemen in een arbeidsovereenkomst ten aanzien van een opleiding die ‘noodzakelijk’ is in de zin van art. 7:611a lid 1 BW. Dat is niet het geval. Lid 4 van dit artikel verklaart een dergelijk beding immers nietig. De volgende passage uit de MvT gaat daarover:
“Het komt geregeld voor dat een arbeidsovereenkomst een scholingskostenbeding bevat, waarbij de werknemer verplicht wordt een vergoeding te betalen aan de werkgever. Bijvoorbeeld wanneer de werknemer zijn baan opzegt binnen een bepaalde periode na de scholing.
Het bestaan van een dergelijk beding zou in strijd kunnen zijn met het effet utile van de richtlijn, wanneer het gaat om scholing die de werkgever op grond van het recht verplicht is aan te bieden. Het vierde lid bepaalt daarom dat dergelijke bedingen nietig zijn. Nietig zijn betekent dat het beding van rechtswege niet geldt en een werkgever daar dus ook geen beroep op kan doen. Dit geldt zowel voor bestaande overeenkomsten (door de onmiddellijke werking) als voor overeenkomsten die worden gesloten na inwerkingtreding van de wet.
Een dergelijk beding, waarbij de kosten voor de verplichte scholing uiteindelijk ten laste van de werknemer komen, is nietig, ongeacht welke omstandigheden ten grondslag liggen. Zodoende maakt het niet uit of de opleiding met goed of slecht gevolg is afgelegd of dat de werknemer binnen een termijn de arbeidsovereenkomst ontbindt.
De kosten voor de scholing mogen niet ten laste komen van de werknemer. Dat is de strekking van het gebruik van het woord “kosteloos” in het tweede lid.
Het is denkbaar dat de werknemer nog aanspraak heeft op vergoedingen en uitbetalingen. In dat geval is het denkbaar dat de kosten niet worden verhaald maar verrekend. Ook een verrekeningsbeding is, op grond van dit vierde lid, nietig. (…).”51.
3.41
Ik ben mij ervan bewust dat de hier verdedigde uitleg financiële gevolgen kan hebben voor werkgevers. Een werkgever is verplicht te investeren in ‘noodzakelijke’ scholing van de werknemer, maar kan moeilijk voorkomen dat deze kort daarna vertrekt.52.In de literatuur is erop gewezen dat de voorgestelde ruime uitleg kan leiden tot een ‘chilling effect’, in die zin dat (vooral minder kapitaalkrachtige) werkgevers minder bereid zullen zijn opleidingsplekken aan te bieden.53.
3.42
Dit is een begrijpelijk punt van zorg, maar naar mijn mening niet een zwaarwegende reden om een andere, meer restrictieve uitleg van art. 7:611a BW voor te staan. Scholing van personeel kost geld, maar is het waard. Een werkgever kan die kosten in aanmerking nemen bij het bepalen of, en zo ja onder welke voorwaarden, hij bereid is een arbeidsovereenkomst aan te gaan of een (meerjarige) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden. Met niet-tussentijdse opzegbaarheid kan wellicht worden bewerkstelligd dat de werknemer tot aan het omslagpunt van de kosten verbonden blijft aan de werkgever, althans zelf niet rechtsgeldig kan opzeggen.54.
Studiekostenbeding voor opleidingen die niet onder art. 7:611a BW vallen
3.43
Tot slot wijs ik erop dat voor opleidingen die niet onder art. 7:611a BW vallen een studiekostenbeding in beginsel wel mogelijk is indien wordt voldaan aan de vereisten die de Hoge Raad in het arrest […] / […]55.daaraan heeft gesteld.56.De Hoge Raad overwoog in rov. 3.1 van dat arrest:
“(…)
In een dergelijke situatie kan de werkgever pas baat hebben van de studiewerkzaamheden van zijn werknemer, nadat de studieperiode gedurende welke het loon werd doorbetaald, is afgelopen, en wel voor zover en voor zolang de werknemer na beëindiging van zijn studieperiode bij de werkgever in dienst blijft. Wordt de dienstbetrekking bij de werkgever dadelijk na voltooiing van de studie beëindigd, dan kan niet gezegd worden dat de betreffende studiewerkzaamheden ten bate van de werkgever zijn verricht. Anders dan de Rb. in de zesde rechtsoverweging heeft aangenomen, verzet het systeem van de wet zich niet zonder meer tegen een financiële regeling tussen werkgever en werknemer, die met voormelde bijzondere aspecten aldus rekening houdt dat zij: a. de tijdsspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer tijdens diens studiewerkzaamheden verworven kennis en vaardigheden, b. bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking tijdens of onmiddellijk na afloop van de studieperiode eindigt, het loon over die periode aan de werkgever zal moeten terugbetalen en c. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder a. bedoelde tijdsspanne. Een dergelijke regeling komt er immers op neer dat het bedrag aan loon dat de werknemer uiteindelijk over de studieperiode geacht zal worden te hebben verdiend, in evenredigheid staat tot de duur van het dienstverband na afloop van de studie, in welke periode de studiewerkzaamheden van de werknemer pas mede ten bate van de werkgever hebben kunnen strekken.
(…).
Bovendien zal, wil een zodanige regeling — zoals in het onderhavige geval — bij beëindiging van de dienstbetrekking binnen een bepaalde tijd na afloop van de studie een verplichting tot terugbetaling van de reeds gedurende de studieperiode ontvangen loonbedragen meebrengen, deze voor de werknemer zo ernstige consequentie duidelijk aan hem moeten zijn uiteengezet.
Ook zal bij een dergelijke regeling de werkgever onder omstandigheden in strijd met de goede trouw handelen, als hij de werknemer op grond van de getroffen regeling aan terugbetaling van ontvangen loonbedragen houdt, wanneer hij zelf het initiatief tot beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer heeft genomen.
(…).”
De in dat arrest genoemde vereisten betroffen de voorwaarden waaronder terugbetaling van loon kan worden gevorderd en zien niet op studiekostenbedingen die (enkel) betrekking hebben op de kosten van een gevolgde opleiding.57.
4. Specifiek juridisch kader: het beroep van advocaat en de BA
Inleiding
4.1
Hiervoor ben ik ingegaan op de algemene regeling met betrekking tot scholingsverplichtingen in het arbeidsrecht. Hetgeen daar is opgemerkt is van toepassing op advocaat-stagiaires die een arbeidsovereenkomst hebben met een werkgever (en dat lijkt in het gros van de gevallen zo te zijn), maar niet op advocaat-stagiaires die als zelfstandige werken onder begeleiding van een (buiten)patroon. Hetgeen hieronder in dit hoofdstuk 4 wordt weergegeven geldt voor alle advocaat-stagiaires, ongeacht of zij in loondienst zijn. Op advocaat-stagiaires die werknemer zijn, is dus zowel het in hiervoor geschetste algemene kader uit boek 7 BW als het specifieke kader uit de Advocatenwet van toepassing.
Het beroep van advocaat
4.2
De Advocatenwet bevat regels over onder meer de inschrijving op het tableau, de schrapping van het tableau, de opleiding en de stage van advocaten.
4.3
4.4
Op grond van art. 9b lid 1 Advocatenwet is iedere advocaat58.verplicht gedurende de eerste drie jaar59.de praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een andere advocaat (de patroon) en (in beginsel) bij deze kantoor te houden. Deze periode wordt gedefinieerd als ‘stage’60.en de advocaat wordt in deze periode aangeduid met de benaming ‘(advocaat-)stagiaire’.61.Van het met gunstig gevolg voltooien van de stage verstrekt de raad van de orde in het arrondissement een verklaring (art. 9b lid 5 Advocatenwet). Zolang deze stageverklaring nog niet is verstrekt, is de advocaat op grond van art. 1 lid 3 Advocatenwet voorwaardelijk ingeschreven.
4.5
De NOvA draagt zorg voor de BA en stelt advocaat-stagiaires in de gelegenheid deze te volgen. Deze opleiding wordt afgesloten met een examen (art. 9c lid 1 Advocatenwet). De BA dient voor het uitoefenen van het beroep van advocaat-stagiaire. De BA leidt dan ook niet tot een kwalificatie die noodzakelijk is om het beroep van advocaat uit te oefenen, maar om dat beroep na drie jaar te kunnen blijven uitoefenen. In art. 8c lid 1 onder c Advocatenwet is namelijk bepaald dat de advocaat van het tableau wordt geschrapt in geval hij gedurende drie jaar voorwaardelijk als advocaat ingeschreven heeft gestaan, zonder dat de stageverklaring als bedoeld in art. 9b lid 5 Advocatenwet kan worden overgelegd of zonder dat het bewijs kan worden overgelegd dat met gunstig gevolg het in art. 9c Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd.
4.6
De Voda bevat nadere regels over de eisen ter bevordering van de vakbekwaamheid en de kwaliteit van de beroepsuitoefening (art. 28 lid 2 onder a Advocatenwet).
Nadere bepalingen over de advocatenstage
4.7
Hoofdstuk 3 van de Voda bevat bepalingen over de stage. Volgens art. 3.1 Voda vangt de stage aan op het moment dat de stagiaire is beëdigd, de stage en de patroon zijn goedgekeurd en de uitoefening van de praktijk is aangevangen. De verplichtingen van de stagiaire staan vermeld in paragraaf 3.1.3 Voda, in het bijzonder in art. 3.8 Voda. Het derde lid van art. 3.8 luidt:
“3. De stagiaire verricht de hem door de patroon of werkgever opgedragen werkzaamheden, met dien verstande dat de nakoming van de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13, tweede lid, voorrang heeft. (…).”
4.8
De verplichtingen van de patroon, die niet noodzakelijk werkgever is, zijn opgenomen in art. 3.13 Voda. De patroon moet er onder meer voor zorgen dat de advocaat-stagiaire zijn onderwijsverplichtingen nakomt. Ik citeer de leden 2, 3 en 8:
“1. (…).
2. De patroon draagt er zorg voor dat de stagiaire de voor hem geldende verplichtingen nakomt, waaronder de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.8 tot en met artikel 3.12, artikel 3.17 tot en met artikel 3.19 en artikel 2.28, en de maatregelen die door de algemene raad zijn vastgesteld, opleidingsmaatregelen daaronder begrepen.
3. De werkgever stelt de stagiaire die bij hem de praktijk in dienst uitoefent en bij hem kantoor houdt, met behoud van diens salaris, in de gelegenheid gedurende kantooruren de in het tweede lid genoemde verplichtingen na te komen en de daarvoor noodzakelijke voorbereidingen te treffen.
(…)
8. De patroon werkt mee aan de opleiding van een stagiaire en verleent zijn medewerking tevens aan de opleidingsmaatregelen op grond van artikel 3.14, eerste lid.
(…).”
4.9
Afdeling 3.2 van de Voda bevat nadere regels betreffende de BA. Voor deze zaak is vooral art. 3.17 relevant. Deze artikelen luiden:
“Artikel 3.17. Deelname onderwijs
1. De stagiaire neemt deel aan alle in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, bedoelde onderdelen van de beroepsopleiding advocaten.
2. (...).
3. De stagiaire neemt deel aan de eerste cyclus van de beroepsopleiding advocaten die na aanvang van de stage wordt aangeboden.
4. De stagiaire die niet direct na aanvang van de stage deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, wordt geacht de aangeboden toetsen niet te hebben behaald.
5. De algemene raad kan van het derde en vierde lid afwijken indien toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
(…).”
Hieruit volgt dat een advocaat-stagiaire verplicht is de BA te volgen.
4.10
Art. 2.28 lid 1 Voda bepaalt dat de kosten voor de BA aan de stagiaire in rekening worden gebracht. De factuur kan op naam kan worden gesteld van het kantoor van de stagiaire:
“1. De uitvoeringsorganisatie brengt aan de stagiaire die deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, respectievelijk het in artikel 3.19, eerste lid, genoemde examen, opleidings- en examengeld in rekening voor het voorportaal, met uitzondering van de basistest, en de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b. De aanbieder, bedoeld in artikel 3.23, brengt aan de stagiaire, bedoeld in de eerste volzin, het verschuldigde bedrag voor de basistest in rekening. De factuur kan op naam worden gesteld van het kantoor van de stagiaire.”
Verplichting opleidingspunten te behalen
4.11
Tot slot bepaalt art. 4.4 Voda dat elke advocaat (die de stage heeft voltooid) verplicht is opleidingspunten te behalen. Art. 4.4 Voda luidt, voor zover hier relevant:
“1. Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.
(…)
5. Een advocaat behaalt één opleidingspunt door:
a. ieder heel uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gevolgd dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, indien:
(…)
b. ieder half uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gegeven dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt;
c. iedere 500 woorden van een juridisch artikel dat hij heeft geschreven en dat is gepubliceerd in de rechtsliteratuur;
d. ieder heel uur dat hij heeft deelgenomen aan kwaliteitstoetsen in de vorm van: i) intervisie met ten hoogste vier punten per jaar; ii) peer review met ten hoogste vier punten per jaar;
(…).”
4.12
Volgens de NOvA is het in deze zaak gevoerde debat over de rechtsgeldigheid van een studiekostenbeding eveneens relevant voor de verplichting opleidingspunten te behalen.62.
5. Bespreking van de prejudiciële vragen
Eerste prejudiciële vraag: is de BA ‘noodzakelijk’ in de zin van art. 7:611a lid 1 BW?
5.1
Deze vraag houdt in of de BA kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van advocaat-stagiaire. Mijns inziens luidt het antwoord op deze vraag bevestigend: de werkgever is op grond van art. 7:611a lid 1 BW verplicht de advocaat-stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen.
5.2
Ter onderbouwing van dit standpunt stel ik voorop dat, mede gelet op de achtergrond en het doel van de scholingsplicht, het begrip ‘noodzakelijk’ ruim moet worden uitgelegd. Dit volgt reeds uit de redenen waarom de scholingsplicht destijds is ingevoerd met de Wwz (zie 3.3-3.4). Ook de wetsgeschiedenis van de Wtva bevat aanknopingspunten voor een ruime uitleg. Ik verwijs naar 3.17 e.v.
5.3
In de lagere rechtspraak zijn voorbeelden te vinden waarin, in lijn met de door mij verdedigde uitleg van art. 7:611a lid 1 BW, scholing is aangemerkt als ‘noodzakelijk’ indien zij verplicht is op grond van de wet63.of verplicht is gesteld door de werkgever.64.Naast deze formele grond, kan scholing ook ‘noodzakelijk’ zijn indien zonder scholing de werkzaamheden niet (goed) kunnen worden uitgeoefend.65.Er zijn ook rechtspraakvoorbeelden waarin werd aangenomen dat een opleiding niet vereist was voor de eigen functie van de werknemer.66.Daarbij werd onder meer van belang geacht op wiens initiatief de opleiding is gestart. Heeft de werknemer zelf verzocht een opleiding te volgen, dan kan dat een indicatie zijn dat sprake is van een niet-noodzakelijke opleiding, aldus de kantonrechter Almere.67.Daar staat tegenover het geval dat de werkgever de werknemer een opleiding had aangeboden, maar volgens de kantonrechter toch geen sprake was van een verplichting om die scholing te volgen.68.
5.4
In de literatuur zijn verschillende uitwerkingen van de term ‘noodzakelijk’ voorgesteld. Sommige auteurs menen dat “in ieder geval” de verplicht gestelde scholing als noodzakelijk kan worden aangemerkt.69.Het gaat dan immers om een condicio sine qua non voor de uitoefening van de functie.70.Verder is het afhankelijk van de omstandigheden van het geval of scholing ter verbetering van de vakbekwaamheid dan wel in het kader van een verbetertraject als ‘noodzakelijk’ zijn aan te merken. Gezichtspunten daarbij kunnen zijn: a) de mate waarin de opleiding bijdraagt aan de inzetbaarheid van de werknemer in de eigen functie of in een opvolgende functie; b) op wiens verzoek de opleiding is gestart en of de werknemer feitelijk een keuze had om de opleiding te volgen; c) of de werknemer de functie alleen onder supervisie kan uitoefenen zolang hij de opleiding niet heeft afgerond.
5.5
Het kan naar mijn mening nauwelijks twijfel lijden dat de BA voor advocaat-stagiaires is aan te merken als ‘noodzakelijke opleiding’ in de zin van art. 7:611a lid 1 BW. Zoals hiervoor werd vermeld (zie 4.4), is iedere advocaat-stagiaire verplicht om de BA te volgen. Het niet kunnen volgen van de BA leidt ertoe dat na drie jaar niet een stageverklaring als bedoeld in art. 9b lid 5 Advocatenwet of een bewijs dat met gunstig gevolg het in art. 9c Advocatenwet bedoelde examen is afgelegd, kan worden overgelegd. Dat heeft tot gevolg dat de advocaat-stagiaire van het tableau wordt geschrapt en dus niet meer het beroep van advocaat kan uitoefenen (zie 4.5). Met de verplichting van de advocaat-stagiaire de BA te volgen is onlosmakelijk verbonden de verplichting van de werkgever71.om de advocaat-stagiaire in de gelegenheid te stellen (tijdens kantooruren, met behoud van salaris) de BA te volgen.
5.6
In de literatuur is echter opgemerkt dat een stagiaire niet is aangenomen voor de functie van advocaat, maar voor de functie van advocaat-stagiaire, en dat voor díe functie de BA niet noodzakelijk is.72.In het verlengde hiervan is betoogd dat de functie van advocaat-stagiaire een opleidingsfunctie is en dat het met goed gevolg afronden van de BA kwalificeert als het behalen van een beroepskwalificatie, startkwalificatie of een (ander) diploma waarover een werknemer moet beschikken om de functie van advocaat uit te oefenen.73.Een dergelijk betoog overtuigt mij niet. De advocaat-stagiaire beschikt over een startkwalificatie door het met goed gevolg afronden van de rechtenstudie. Hij staat voorwaardelijk ingeschreven op het tableau (art. 1 lid 1 jo. 3 Advocatenwet) en mag vanaf het moment van inschrijving de titel van advocaat voeren (art. 9a Advocatenwet) en in rechte optreden. Daarom kan niet redelijkerwijs worden betwist dat de BA ziet op de eigen functie van de advocaat-stagiaire.
5.7
Gelet op het voorgaande geef ik in overweging de eerste prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden. Dit betekent dat de BA kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van advocaat-stagiaire, zodat de werkgever op grond van art. 7:611a lid 1 BW gehouden is de advocaat-stagiaire in staat te stellen deze opleiding te volgen.
5.8
Ten overvloede merk ik op dat, in het verlengde van het bovenstaande, ook het behalen van het vereiste aantal opleidingspunten in de zin van art. 4.4 Voda (zie 4.11) heeft te gelden als ‘noodzakelijke scholing’ in de zin van art. 7:611a lid 1 BW.74.Het behalen van punten is onderdeel van de permanente opleiding van een advocaat, zoals wettelijk voorgeschreven. Dat geldt voor alle advocaten die werknemer zijn en hun stage hebben afgerond. Advocaten die geen werknemer zijn moeten ook opleidingspunten halen, maar voor hen geldt art. 7:611a lid 1 BW niet.
Tweede prejudiciële vraag: moet de BA op grond van art. 7:611a lid 2 BW kosteloos worden aangeboden?
5.9
De tweede prejudiciële vraag is of, indien het antwoord op de eerste prejudiciële vraag bevestigend luidt, heeft te gelden dat een werkgever op grond van art. 7:611a lid 2 BW is gehouden om de BA kosteloos aan te bieden aan zijn werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden.
5.10
Ik stel voorop dat het woord ‘aanbieden’ hier niet in die zin moet worden begrepen dat de werkgever de BA zelf zou moeten verzorgen. De werkgever moet de advocaat-stagiaire in staat te stellen de door de NOvA aangeboden BA te volgen.
5.11
Hiervoor heb ik toegelicht waarom een beroepsopleiding die is aan te merken als noodzakelijke scholing in de zin van art. 7:611a lid 1 BW op de grond dat de werkgever verplicht is die aan te bieden, door de werkgever ingevolge art. 7:611a lid 2 BW aan de advocaat-stagiaire kosteloos moet worden aangeboden (zie met name 3.22-3.24 en 3.31). Nu ik zojuist bij de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag heb vastgesteld dat de BA als ‘noodzakelijke scholing’ in de zin van art. 7:611a lid 1 BW is aan te merken, volgt daaruit dat de BA door de werkgever kosteloos dient te worden aangeboden.
5.12
Ingevolge art. 7:611a lid 4 BW is nietig een beding op grond waarvan de kosten van de BA (geheel of gedeeltelijk) kunnen worden verhaald op of verrekend met geldelijke inkomsten van de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking. Op de verplichting de BA kosteloos aan te bieden kan dus niet met een studiekostenbeding een uitzondering worden gemaakt.
5.13
Hiervoor in 3.41 wees ik op bestaande bezorgdheid dat het niet langer toestaan van een studiekostenbeding een chilling effect kan hebben met als gevolg dat minder werknemers in dienst worden genomen. Ik vind het moeilijk in te schatten in hoeverre een dergelijk effect zich in de advocatuur, en dan met name in de sociale advocatuur, zal voordoen. De schriftelijke opmerkingen van de NOvA (met aangehecht haar uitvoerige verweerschrift) zijn op dit punt ook niet heel concreet (wat misschien ook niet anders kan). Ik merk slechts op dat een oplossing voor dergelijke zorgen eventueel zou kunnen worden gezocht in (een verruiming van) subsidieregelingen.75.
5.14
Het voorgaande laat onverlet dat in uitzonderlijke gevallen de werkgever de betaalde scholings- c.q. studiekosten op grond van goed werknemerschap (art. 7:611 BW) al dan niet gedeeltelijk op de werknemer kan verhalen, bijvoorbeeld indien de werknemer (bewust) geen enkele inzet toont bij het volgen en behalen van die scholing.76.In een dergelijk geval berust de grondslag voor het verhalen van kosten op de advocaat-stagiaire dus niet op een (eerder) overeengekomen studiekostenbeding.
5.15
Gelet op het voorgaande geef ik in overweging de tweede prejudiciële vraag van het hof Den Haag in die zin te beantwoorden dat een werkgever op grond van art. 7:611a lid 2 BW gehouden is om de BA kosteloos aan te bieden aan werknemers die de functie van advocaat-stagiaire bekleden. Een beding op grond waarvan (al dan niet in bepaalde omstandigheden) de kosten voor de BA (geheel of ten dele) kunnen worden verhaald op of verrekend met geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking van de advocaat-stagiaire, is ingevolge art. 7:611a lid 4 BW nietig. Het voorgaande laat onverlet dat in uitzonderlijke gevallen de werkgever op grond van goed werknemerschap (art. 7:611 BW) de kosten van de BA geheel of gedeeltelijk kan verhalen op de advocaat-stagiaire.
5.16
Ten overvloede maak ik opnieuw enkele opmerkingen over de activiteiten in het kader van de permanente opleiding van advocaten. Het behalen van voldoende opleidingspunten berust op een wettelijke verplichting en de werkgever dient de advocaat-werknemer in staat te stellen dat aantal punten te halen. Die verplichting van de werkgever heeft een generiek karakter. Zij ziet niet op een specifieke cursus of opleiding die punten oplevert.
5.17
Indien het initiatief voor het volgen van een cursus (etc.) uitgaat van de werkgever, lijkt aannemelijk dat deze er dan van uitgaat dat de kosten daarvan voor zijn rekening komen. Bijvoorbeeld: de werkgever laat een kantoorcursus privacyrecht door een externe docent verzorgen of hij betrekt bij een intervisie-sessie een externe begeleider. Een ander voorbeeld is de situatie waarin de patroon, zowel met het oog op de praktijkontwikkeling van kantoor als ten behoeve van de professionele ontwikkeling van de advocaat-medewerker, voorstelt dat deze een specialisatieopleiding gaat volgen. Indien daarentegen het initiatief voor het volgen van een opleiding van de advocaat-werknemer uitgaat, kan niet in redelijkheid van de werkgever worden verwacht dat deze de kosten van eender welke opleiding vergoedt als hij daarvoor geen toestemming heeft gegeven.
5.18
In het – vermoedelijk uitzonderlijke – geval dat de werkgever onverhoopt een advocaat-werknemer niet in de gelegenheid stelt het vereiste aantal opleidingspunten te behalen (bijvoorbeeld door continue en volledige inzet voor kantoordossiers te eisen), dan kan de advocaat-werknemer jegens de werkgever beroep doen op art. 7:611a lid 2 in samenhang met art. 7:611a lid 1 BW.
De derde prejudiciële vraag: specifieke grondslag om de BA kosteloos te verstrekken?
5.19
De derde prejudiciële vraag is of de Advocatenwet en de Voda – in het bijzonder art. 8c lid 1 onder c en art. 3.1 jo. 3.8 lid 3 jo. 3.13 lid 2 jo. 3.17 jo. 3.19 Voda – zo moeten worden uitgelegd dat deze een specifieke grondslag vormen als bedoeld in art. 7:611a lid 2 BW, op grond waarvan de werkgever verplicht is deze beroepsopleiding kosteloos aan zijn advocaat-stagiaires te verstrekken.
6. Conclusie: beantwoording van de prejudiciële vragen
Ik geef de Hoge Raad in overweging om de prejudiciële vragen van het hof Den Haag te beantwoorden zoals vermeld in 5.7 en 5.15 van deze conclusie.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑03‑2025
Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, PbEU 2019, L 186/105.
Zie ook schriftelijke opmerkingen NOvA, p. 2.
Vgl. beschikking hof Den Haag van 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1877, rov. 3.1.
Uit de tekst van het geciteerde studiekostenbeding kan ik niet opmaken waar de woorden ‘onder sub b genoemde’ op slaan. Mogelijk zijn bedoeld de studiekosten die in lid 1 worden vermeld.
HR 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816, NJ 1983/796 (…] / [….).
Hof Den Haag 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1877.
Ook in deze prejudiciële procedure stelt de NOvA zich ‘partijneutraal’ op; zie haar schriftelijke opmerkingen, p. 3-4.
Stb. 2014, 216.
Amendement van de leden Van Weyenberg en Hamer, Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 29, p. 1-2. Zie ook: Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. A (Voorstel van wet); Handelingen II 2013/14, nr. 53, item 4, p. 19, 21, 27.
Dit werd nog eens benadrukt door de plaatsing van de algemene scholingsplicht direct na art. 7:611 BW (goed werkgever- en werknemerschap).
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C (MvA), p. 2, 100. Het betrof een vraag die door de Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland bij brief van 24 maart 2014 was opgeworpen.
Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C (MvA), p. 100. Zie ook rov. 5.7 van de verwijzingsbeschikking.
Richtlijn (EU) 2019/1152 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie, PbEU 2019, L 186/105.
Overweging 46 van de preambule van Richtlijn (EU) 2019/1152. Zie ook de verwijzingsuitspraak, rov. 5.9.
Overweging 47 van de preambule van de Richtlijn (EU) 2019/1152.
Europees Parlement, ‘Report on the proposal for a directive of the European Parliament and of the Council on transparent and predictable working conditions in the European Union’, nr. A8-/2018/0355, amendement 108.
Raad van de EU, ‘Resultaat van de eerste lezing door het Europees Parlement’, 8441/19, p. 1 en 48.
Rapport Expert Groep, ‘Transposition of Directive (EU) 2019/1152 on transparent and predictable working conditions in the European Union’, juni 2021, p. 59-60.
Rapport Expert Groep, p. 60.
Stb. 2022, 277.
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3, p. 1 (MvT).
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3, p. 3. Zie ook de verwijzingsbeschikking rov. 5.12.
Bijlage 1004493 bij Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3.
Handelingen II 2021/22, 35 962, nr. 71, item 24, p. 7.
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3, p. 10-11.
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. C (MvA), p. 4.
Kamerstukken I, 2021/22, 35 962, nr. C (MvA), p. 4.
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. C (MvA), p. 5.
Zie daarover: A.H. Arntz & E.F. Grosheide, ‘De toelaatbaarheid naar EU-recht van het studiekostenbeding bij beroepsopleidingen’, TAC 2024/4; P. Kruit & B. Schouten, ‘Scholing als arbeidsmarktinstrument’, in: A.R. Houweling & L.C.J. Sprengers, Transitie en arbeid. Boek ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de VvA, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 39-54. Zij merken onder meer op: “Bovendien wordt bij de noodzakelijke scholing het behalen en behouden van beroepskwalificaties uitgezonderd.”
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3, p. 1 (MvT).
Zo ook: A.H. Arntz & E.F. Grosheide, ‘De toelaatbaarheid naar EU-recht van het studiekostenbeding bij beroepsopleidingen’, TAC 2024/4, p. 172.
Vgl. de annotatie van E.F. Grosheide, TRA 2024/19, bij: Ktr. Oost-Brabant 4 september 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4377; E. Verhulp, T&C BW, commentaar op art. 7:611a BW (actueel t/m 1 juli 2024; en A.H. Arntz & E.F. Grosheide, ‘De toelaatbaarheid naar EU-recht van het studiekostenbeding bij beroepsopleidingen’, TAC 2024/4, p. 182.
Zie voor een weergave van deze lezing: de verwijzingsbeschikking in deze zaak, rov. 5.20.
G.C. Boot & J.A. van Gool, ‘Wanneer is het studiekostenbeding nog mogelijk en wat betekent dat dan? Een historische beschouwing’, TAC 2023/1, die schrijven dat gesteld kan worden dat de tekst “de in lid 1 bedoelde scholing” anders overbodig zou zijn en beter vervangen had kunnen worden door “deze”.
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3, p. 10-11. Zie voor een omgekeerd stappenplan de verwijzingsuitspraak in deze zaak, rov. 5.21.
Kamerstukken II 221/22, 35 962, nr. C (MvA), p. 4.
Bijv. Ktr. Almelo 12 december 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:6651, rov. 5.11; Ktr. Rotterdam 16 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:400, rov. 2.30-2.31.
Ktr. Utrecht 4 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6610, rov. 4.9.
Ktr. Zwolle 24 januari 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:336, JAR 2023/61, m.nt. T. Arntz, JIN 2023/40, m.nt. M.C. van Koppen & A. Olsthoorn, rov. 5.4; Ktr. Den Haag 24 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12734, rov. 4.10.
Zie ook M. Woltman & M.A. Swinkels, ‘Stappenplan bij verplichte scholing’, ArbeidsRecht 2024/37.
Onder meer: E. Verhulp, T&C BW, commentaar op art. 7:611a BW (actueel t/m 1 juli 2024); P.A. Hogewind-Wolters & P. Kruit, ‘Scholing van werknemers: nog veel te leren, maar voor wiens rekening?’, TAP 2021/88; D.J.B. de Wolff, ‘Implementatie van de Richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden’, TRA 2022/12; P. Kruit & B. Schouten’, ‘Scholing als arbeidsmarktinstrument’, in: A.R. Houweling & L.C.J. Sprenger, Transitie en arbeid. Boek ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de VvA, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 43-44; R. Schepers & I. Baijens, ‘Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden: hete hangijzers besproken’, ArbeidsRecht 2022/35; R. Schepers & I. Baijens, ‘Naschrift’, ArbeidsRecht’ 2022/53; G.C. Boot & J.A. van Gool, ‘Wanneer is het studiekostenbeding nog mogelijk en wat betekent dat dan? Een historische beschouwing’, TAC 2023/1; R. Schepers & I. Baijens, ‘Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden: een update’, ArbeidsRecht 2024/17; A.H. Arntz & E.F. Grosheide, ‘De toelaatbaarheid naar EU-recht van het studiekostenbeding bij beroepsopleidingen’, TAC 2024/4.
E. Verhulp, T&C BW, commentaar op art. 7:611a BW (actueel t/m 1 juli 2024); D.J.B. de Wolff, ‘Implementatie van de Richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden’, TRA 2022/12.
P. Kruit & B. Schouten’, ‘Scholing als arbeidsmarktinstrument’, in: A.R. Houweling & L.C.J. Sprenger, Transitie en arbeid. Boek ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de VvA, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 43-44.
G.C. Boot & J.A. van Gool, ‘Wanneer is het studiekostenbeding nog mogelijk en wat betekent dat dan? Een historische beschouwing’, TAC 2023/1, onder verwijzing naar Voorlopig Verslag Eerste Kamer, 35 962, B, p. 2.
P.A. Hogewind-Wolters & P. Kruit, ‘Scholing van werknemers: nog veel te leren, maar voor wiens rekening?’, TAP 2021/88.
Vgl. ook het verweerschrift van NOvA, par. 3.4.
Kamerstukken II 2021/22, 35 962, nr. 3, p. 11-12.
Zo lijkt bijvoorbeeld het opnemen van een concurrentiebeding geen begaanbare weg, nu een dergelijk beding niet bedoeld is om de werknemer te binden (zie HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:894, NJ 2022/226, JAR 2022/178, m.nt. A.M. Helstone, JIN 2022/119, m.nt. R.A.M. Mohamed). Daarbij komt dat met een wel toelaatbaar concurrentiebeding niet wordt tegengehouden dat de werknemer vertrekt om niet-concurrerende werkzaamheden uit te voeren.
R. Schepers & I. Baijens, ‘Wet transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden: hete hangijzers besproken’, ArbeidsRecht 2022/35; Annotatie E.F. Grosheide, TRA 2024/19, bij: Ktr. Oost-Brabant 4 september 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:4377.
Hier kleven mogelijk ook nadelen aan. Een tijdelijke arbeidsovereenkomst is, behoudens bijzondere gevallen (zoals opzegging tijdens de proeftijd, een dringende reden voor ontslag op staande voet krachtens art. 7:677 BW, of opzegging door de curator in het faillissement van de werkgever op de voet van art. 40 Fw), voor beide partijen niet tussentijds opzegbaar, tenzij een tussentijds opzegbeding is opgenomen (zie hierover nader mijn conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:900).
HR 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816, NJ 1983/796 (…] / [….). Zie voor het cassatieberoep na verwijzing: HR 5 juni 1987, NJ 1987/795.
Zie de conclusie van A-G Van Peursem, ECLI:NL:PHR:2013:1112, nr. 2.5-2.7, die de Hoge Raad uitnodigde om – gelet op de verdeeldheid in de lagere rechtspraak en literatuur – duidelijkheid te verschaffen over deze kwestie. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO (HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1081).
Zie hoofdstuk 4 van de schriftelijke opmerkingen van de NOvA.
Bijv. Ktr. Rotterdam 26 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4777, rov. 2.5 e.v. (het T.C.V.T.-certificaat van vakbekwaamheid is wettelijk verplicht voor elke machinist die in Nederland op een bouwplaats op een kraan draait en/of een bouwwerk opricht).
Bijv. Ktr. Utrecht, 10 juni 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3415, JIN 2023/149, m.nt. D. Quist & Y. Bijloo, rov. 4.14 (interne opleiding tot asbestinventariseerder werd door de werkgever verplicht voor de inspecteur en analist asbest en de werknemer had feitelijk geen keuze om de scholing niet te volgen); ktr. Haarlem, 11 oktober 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:10098, rov. 5.14 (de werknemer was in dienst getreden als Trainer BHV en EHBO en was op grond van de arbeidsovereenkomst verplicht de scholing tot instructeur te volgen); Ktr. Maastricht, 6 maart 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:1117, rov. 2.2, 4.7.1-4.7.2.
Ktr. Rotterdam 25 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:618, rov. 4.6 (zonder de opleiding tot trambestuurder zou de werknemer de functie van trambestuurder bij RET niet kunnen uitoefenen).
Zie o.a.: Hof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2293, rov. 3.17; Ktr. Almere 19 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5560, TRA 2023/41, m.nt. D.J. Buijs, rov. 4.24 (Master of Science Accountancy en Post-master Accountancy RA niet noodzakelijk voor de functie van assistent-accountant); Ktr. Rotterdam 30 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6037, JAR 2023/227, rov. 2.8 (cursus Monteur Beveiligingssystemen niet vereist voor functie); Ktr. Almere 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4201, JAR 2023/241 (autorijlessen zijn niet noodzakelijk voor functie); Ktr. Utrecht 13 december 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6981, rov. 4.6 (de kantonrechter acht verdedigbaar dat opleiding tot geregistreerd bedrijfsarts voor arts-in-opleiding niet noodzakelijk was, omdat hij de werkzaamheden al kon verrichten zonder dat hij geregistreerd was); Ktr. Utrecht 12 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:983, rov. 4.13; Ktr. Rotterdam 30 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:8929, rov. 2.7 (cursus Duitse taal is geen verplichte opleiding voor combimachinist nationaal).
Ktr. Almere 19 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5560, TRA 2023/41, m.nt. D.J. Buijs, rov. 4.24. Zie ook: Ktr. Roermond 8 januari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:63, rov. 4.17.
Ktr. Rotterdam 30 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:6037, JAR 2023/227, rov. 2.5-2.10.
P.A. Hogewind-Wolters & P. Kruit, ‘Scholing van werknemers: nog veel te leren, maar voor wiens rekening?’, TAP 2021/88; P.A. Hogewind-Wolters, ‘De scholingsplicht en het studiekostenbeding voor en na implementatie van de Arbeidsvoorwaardenrichtlijn', TAP 2022/49; P. Kruit & B. Schouten, ‘Scholing als arbeidsmarktinstrument’, in: A.R. Houweling & L.C.J. Sprengers, Transitie en arbeid. Boek ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de VvA, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 41.
Voorbeelden: de verplichte opleidingspunten voor advocaten, notarissen en BIG-geregistreerde zorgverleners, en het onderhouden van noodzakelijke vliegvaardigheden van piloten.
De verplichting van art. 3.13 lid 3 Voda ervoor zorg te dragen dat de stagiaire zijn verplichtingen nakomt richt zich tot de patroon, die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met de werkgever. Deze specifieke regeling komt naast de op de werkgever rustende algemene scholingsverplichting die is opgenomen in art. 7:611a lid 1 BW.
Zie bijv. D.J. Buijs, annotatie, bij: rb. Midden-Nederland 19 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5560, TRA 2023/41. Niet geheel duidelijk is of de annotator deze visie zelf aanhangt.
Zie ook de verwijzingsbeschikking, rov. 5.18.
Zoals bijvoorbeeld de subsidieregeling om advocaat-stagiaires binnen de sociale advocatuur op te leiden: Subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten 2024 - rvr.org.
Zie ook de schriftelijke opmerkingen van de NOvA, nr. 13. Dit zou verklaren waarom het hof in de tweede prejudiciële vraag spreekt van ‘telkens kosteloos’.