Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/279
279 Oppervlakkige beoordeling van het gezag van gewijsde/de vaststellingsovereenkomst
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458294:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2011/140 en 148; Numann (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 236, aant. 11.
Rb. Roermond 18 februari 2009, ECLI:NL:RBROE:2009:BH3356, NJF 2009, 154. De eiser bleek in de hoofdzaak een vervalste overeenkomst te hebben getoond, hetgeen de rechtbank een dermate ernstige en fundamentele schending van art. 21 en 85 Rv en de beginselen van een behoorlijke procesorde achtte, dat niet-ontvankelijkverklaring volgde. Art. 236 Rv stond aan het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van een nieuwe hoofdzaak in de weg, omdat de te stellen vragen de kern van het geschil betroffen in de reeds inhoudelijk beoordeelde hoofdzaak. De rechtbank wees terecht af op het criterium onvoldoende belang.
HR 2 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1948, NJ 2004, 656 (Havenga/Eemsmond Beheer).
Het is niet altijd eenvoudig om vast te stellen of een beslissing gezag van gewijsde heeft en bindende kracht heeft in een nieuwe hoofdzaak. Zo worden bijvoorbeeld beslissingen met gezag van gewijsde niet alleen gevonden in het dictum, maar ook in de beslissingen die het dictum (mede) dragen.1 In een zaak waarin het dictum in de hoofdzaak een niet-ontvankelijkverklaring bevatte, lag aan die afwijzing om een processuele reden een inhoudelijk oordeel (met gezag van gewijsde) ten grondslag.2 Toen een voorlopig getuigenverhoor werd verzocht in het kader van een nieuwe hoofdzaak, oordeelde de rechtbank dat de verzoeker geen belang had omdat de vragen die hij in het voorlopig getuigenverhoor aan de orde wilde stellen, de kern van het geschil in de eerder gevoerde hoofdzaak betroffen en daarover was al een inhoudelijk oordeel gegeven door de rechtbank. Voor de vaststellingsovereenkomst geldt ook dat lang niet altijd klip en klaar is welke twistpunten daarin wel en niet worden geregeld. In dat geval dient de vaststellingsovereenkomst te worden uitgelegd aan de hand van de omstandigheden van het geval (de Haviltex-formule).3
De rechter die oordeelt over het voorlopig getuigenverhoor mag in het kader van onvoldoende belang de vordering in de hoofdzaak slechts oppervlakkig beoordelen. Dat betekent dat al snel voldoende belang moet worden aangenomen als bij een oppervlakkige beoordeling van de vordering in de hoofdzaak niet kan worden aangenomen dat hoogstwaarschijnlijk is dat een vordering of twistpunt is afgedaan door een beslissing met gezag van gewijsde of in een vaststellingsovereenkomst. Wel kan eventueel in een belangenafweging op grond van het onevenredigheidscriterium misbruik worden aangenomen (mede) vanwege de zwakke materiële vordering van de verzoeker.