Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.2.2
6.2.2.2 Wanneer is sprake van een 'bijzonder geval'?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS575953:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. § 4.4.4.3.
Art. 1.3 LRr biedt slechts de mogelijkheid dat de rechter op een vóór de eerste roldatum gedaan eenstemmig verzoek van partijen een van het reglement afwijkende procesvoering toestaat.
Opgemerkt zij overigens dat de kantonrechtersformule, gelet op de herkomst daarvan, waarschijnlijk niet als recht in de zin van art. 79 RO valt te beschouwen (zie daarover § 4.4.4.4) en dus eigenlijk niet tot het in dit hoofdstuk behandelde type rechtersregelingen behoort.
Zie recentelijk o.a. HR 1 maart 2002 (TNO/Ter Meulen), Nf 2003, 210 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss; HR 1 maart 2002 (Guérand/PTT), Nf 2003, 211 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss; HR 2 november 2001 (Elverding en Kruijff/Wienholts), N] 2001,667; HR 15 december 2000 (Intramco/Grotenhuis), NJ 2001, 251 m.nt. PAS.
Zie hierover § 2.7. Zie voorts Loonstra 2001, p. 35-37; Scholtens 1998.
Hierbij verdient opmerking da t in de kantonrechtersformule zélf al een zekere mogelijkheid tot afwijking opgenomen, nu de correctie- of C-factor daarin variabel is en met het oog op de bijzondere omstandigheden van het geval kan worden aangepast. Gezien het feit dat als uitgangspunt een C-factor van 1 geldt, terwijl een C-factor groter dan 2 blijkens de (gepubliceerde) jurisprudentie uitzonderlijk is (waarover § 2.7), kan echter worden aangenomen dat de ruimte die de kantonrechtersformule zélf biedt voor afwijking niet onbeperkt is, en dat in bepaalde gevallen wel degelijk gesproken kan worden van afwijking van de formule.
Ktr. Nijmegen 9 februari 2001, NJ 2001, 244.
Zie voor een soortgelijk voorbeeld Ktr. Rotterdam 7 maart 2003, Prg. 2004,6222 (afwijking van het gebruikelijke (liquidatie)tarief omdat dit tot een te laag bedrag zou leiden nu gedaagde buiten zijn schuld in rechte is betrokken; vergoeding voor gemaakte proceskosten naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld).
Vgl. § 6.2.3.4.
Vgl. § 4.4.3.2.
Zie voor een enigszins andere opvatting Ktr. Deventer 19 februari 2004, LJN-nr. AO 9060, die het niet-naleven van de termijn voor het nemen van de conclusie van antwoord door gedaagde sauveerde en haar alsnog een nadere termijn voor antwoord gunde, omdat (onder meer) het belang van eiseres zich daartegen niet verzette. Hierbij zal echter een belangrijke rol hebben gespeeld dat het in casu ging om een partij die in persoon procedeerde.
Vgl. in deze zin ook Hof 's-Gravenhage 25 september 2002, NJ 2003,128 (slechts in bijzondere omstandigheden bestaat aanleiding voor afwijking van het liquidatietarief); Rb. Breda 15 november 2002, NJ2003,57 (geen omstandigheden aanwezig die het kennelijk onredelijk doen zijn, aan het liquidatietarief vast te houden); Hof 's-Gravenhage 5 juni 2002, LJN-nr. AE 5126 (niet aannemelijk dat in dit specifieke geval van het procesreglement zou moeten worden afgeweken; aangevoerde omstandigheden zijn daartoe onvoldoende).
De vraag is uiteraard, wanneer sprake is van een zodanig 'bijzonder' geval dat afwijking van een rechtersregeling gerechtvaardigd is. Aangezien zich uiteenlopende situaties laten denken waarin dit het geval zal kunnen zijn, is deze vraag eigenlijk niet goed in algemene termen te beantwoorden. Wel kan in algemene zin worden opgemerkt, dat de hier bedoelde rechtersregelingen doorgaans betrekking hebben op onderwerpen die in de praktijk veelvuldig aan de orde komen. Bij de vaststelling van een rechtersregeling zal dan de gemiddelde, 'doorsnee'-casus tot uitgangspunt worden genomen.1 In een geval dat om de een of andere reden afwijkt van dit gemiddelde (met als gevolg dat onverkorte toepassing van de desbetreffende rechtersregeling tot een onjuist of onrechtvaardig resultaat zou leiden) zal de rechter een rechtersregeling terzijde kunnen stellen.
Een voorbeeld: het Landelijk reglement voor de civiele rol bij de rechtbanken stelt voor het verrichten van proceshandelingen bepaalde, vrij korte, termijnen. Zo bedraagt de termijn voor het indienen van conclusies of akten zes weken, en na een tussenvonnis of in een incident zelfs slechts vier, respectievelijk twee weken (art. 2.7 LRr). In standaardzaken zullen deze termijnen, mede gezien de eigen verantwoordelijkheid die de rechter heeft voor het bewaken van de voortgang van de procedure (vgl. art. 20 Rv en art. 6evrm), zeker aanvaardbaar zijn. Denkbaar is evenwel dat in gecompliceerdere zaken, waarin bijvoorbeeld door pardjen omvangrijke producties worden ingebracht, deze termijnen (veel) te kort zullen zijn om daarop in het volgende processtuk adequaat te kunnen reageren. In een dergelijk geval zal de rechter van de in het landelijk rolreglement bepaalde termijnen moeten kunnen afwijken, niettegenstaande het feit dat in het reglement zélf in deze mogelijkheid niet expliciet is voorzien.2
Als tweede voorbeeld kan gewezen worden op de kantonrechtersformule.3 Hoewel de kantonrechter bij vaststelling van een vergoeding ex art. 7:685 lid 8 BW alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren dient mee te wegen,4 zullen doorgaans met name de duur van het dienstverband en leeftijd en salaris van de betrokken werknemer relevant zijn voor de hoogte van de toe te kennen vergoeding. Dit zijn dan ook de factoren die volgens de kantonrechtersformule in beginsel bepalend zijn voor de hoogte van de ontbindingsvergoeding.5 Zeer wel denkbaar is echter dat in sommige gevallen ook andere factoren van invloed dienen te zijn op deze vergoeding, of dat aan de in de kantonrechtersformule opgenomen factoren een ander gewicht dient te worden toegekend, zodat geheel of gedeeltelijk van de formule moet worden afgeweken.6
Een illustratie van het voorgaande biedt een uitspraak van de kantonrechter te Nijmegen.7 In deze zaak was de betrokken werkneemster weliswaar pas anderhalf jaar in dienst bij haar werkgever, maar had zij een vijftienjarig dienstverband bij een andere werkgever opgegeven om haar huidige functie te kunnen aanvaarden. Naar de mening van de kantonrechter kon bovendien in casu de werkgever een zeer ernstig verwijt gemaakt worden van de opgetreden verstoring van de arbeidsrelatie. Ten aanzien van de hoogte van de aan de werkneemster toe te kennen vergoeding overwoog de kantonrechter daarom:
"De korte duur van het dienstverband is in dit geval een contra-indicatie voor het berekenen van de vergoeding conform de z.g. kantonrechtersformule. Mede gezien hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de omstandigheden van partijen [te weten het ernstige verwijt dat aan de werkgever was te maken ter zake van de verstoring van de arbeidsrelatie - KT] zou dat tot een zeer onrechtvaardige uitkomst leiden, zelfs bij hantering van een hoge correctiefactor. Daarom zal de kantonrechter die vergoeding vaststellen aan de hand van de normen van redelijkheid en billijkheid."
Deze uitspraak laat zien dat zich inderdaad omstandigheden kunnen voordoen waaronder een rechtersregeling die in algemene zin juist is, niet behoort te worden toegepast, bijvoorbeeld omdat dat tot een zeer onrechtvaardige uitkomst zou leiden.8 Afwijking ligt alsdan in de rede en de kantonrechter gaat hier dan ook - terecht - toe over.
Niettemin zal van een rechtersregeling niet té spoedig afgeweken mogen worden. Hierbij speelt in de eerste plaats een rol dat een rechtersregeling altijd ten minste twee (proces)partijen zal raken, met in beginsel tegengestelde belangen. Afwijking van een rechtersregeling in het voordeel van de ene partij zal welhaast per definitie nadelig zijn voor de andere partij, terwijl die andere partij er in beginsel evenzeer op heeft mogen vertrouwen dat de desbetreffende rechtersregeling in beginsel zal worden toegepast.9 Belangrijker nog is dat een (te) lichtvaardig gebruik van de mogelijkheid tot afwijking ook in algemene zin ernstig afbreuk zou doen aan de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid die een rechtersregeling juist beoogt te bevorderen. In deze zin oordeelde ook het Hof Amsterdam in een geval waarin door appellanten, oorspronkelijk gedaagden, in eerste aanleg niet tijdig van antwoord was gediend en de rolrechter daarom ingevolge art. 1.7 LRr hun recht om te antwoorden vervallen had verklaard. Op het betoog dat de rolrechter, onder afwijking van het rolreglement, op deze beslissing had moeten terugkomen overwoog het hof onder meer:
"Anders dan appellanten betogen is het algemene belang ermee gediend dat wordt vastgehouden aan het Rolreglement. Dat is een zwaarwegend belang, onder meer omdat daarmee wordt bevorderd dat procedureel gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat tevoren zekerheid bestaat over de procedurele behandeling ter rolle. (-)
Handhaving van het Rolreglement is geboden om vorenbedoelde redenen van algemeen belang en niet (alleen) om voortvarend procederen te verzekeren of om het belang van de individuele partijen te dienen. Daarom is het feit dat bij inwilliging van het verzoek geen vertraging in de procedure zou zijn opgetreden noch het feit dat [de wederpartij] geen bezwaar had tegen die inwilliging, doorslaggevend."10
Deze overwegingen lijken mij juist. Rechtersregelingen in het algemeen, en rolreglementen in het bijzonder, worden (mede) vastgesteld teneinde de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid op een bepaald terrein te bevorderen.11 Deze doelstelling zou niet bereikt worden indien de rechter zonder dwingende redenen van een rechtersregeling zou kunnen afwijken, bijvoorbeeld enkel omdat de wederpartij geen bezwaar heeft tegen afwijking of daardoor niet benadeeld wordt.12
Met de bevoegdheid tot afwijking van een rechtersregeling zal dus terughoudend moeten worden omgegaan: zij dient gereserveerd te blijven voor echt bijzondere omstandigheden.13 Indien ook in 'normale' gevallen afwijking werkelijk noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat de toepassing van een rechtersregeling leidt tot onbillijke resultaten, dan zal de conclusie eigenlijk moeten zijn dat de regeling zélf niet juist is en dus aanpassing behoeft.