Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/3.2.3
3.2.3 Ook onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS580691:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Kortmann 2001, p. 351; Bok 1997, p. 236.
Zie onder meer Bovend'Eert 1999, p. 10; Stroink 1999, p. 8; De Werd 1998a, p. 144-145; Hermans 1998, p. 304; Buijs & Stroink 1997, p. 33; Ingelse 1996, p. 1666; Snijders 1992 p. 53. Enigszins anders Martens 1997, p. 13, die van mening is dat de functionele onafhankelijkheid in de eerste plaats toekomt aan het gerecht, en slechts bij wijze van afgeleide aan de individuele rechters. Eveneens anders Kortmann 2001, p. 351. Zie over dit onderwerp voorts § 5.2.2.
Zie Bovend'Eert 1999, p. 10; vgl. in dezelfde zin Rb. Leeuwarden 24 juli 2000, N] 2000,696. Terzijde wijs ik erop dat sedert 1 januari 2002 art. 24 RO voorziet in een bevoegdheid van het gerechtsbestuur tot het geven van 'algemene en bijzondere' aanwijzingen. Blijkens lid 2 van deze bepaling mag het bestuur hierbij echter niet treden in (kort gezegd) de behandeling, beoordeling of beslissing van concrete zaken of categorieën van zaken (de zogeheten 'onaftiankelijkheidsexceptie').
Vgl. Verhey 2001, p. 21.
Zie hierover Kuijer 2004, p. 277; Smits 1996, p. 279-280; Snijders 1992, p. 53.
In deze zin bijv. De Werd 1997b, p. 37; Buijs & Stroink 1997, p. 33-34.
Breruiinkmeijer 2001a, p. 59.
Zie hierover ook § 4.4.3.2 en § 7.5.2.4.
Brenninkmeijer 2001a, p. 59.
Ten onrechte anders: Pres. Rb. 's-Hertogenbosch 8 maart 2001, ]V 2001,158 met (kritische) noot van B.K. Olivier. Deze president oordeelde dat de rechterlijke onafhankelijkheid eraan in de weg staat dat een individuele rechter gebonden zou worden aan een bekendgemaakte 'inhoudelijke' regel van (landelijk) rechterlijk beleid; ook het aannemen van gebondenheid aan de uitspraken van andere rechters zou zich niet met de rechterlijke onafhankelijkheid verdragen.
Het gaat hieibij uiteraard niet zozeer om iedere individuele rechter persoonlijk (de personele samenstelling van een gerecht is immers steeds aan verandering onderhevig), als wel om de op het moment van totstandkoming in functionele zin betrokken rechters. De eis dat de betrokkenen bij de totstandkoming van een rechtersregeling in de gelegenheid zijn daarop invloed uit te oefenen kan slechts deze laatste groep gelden. Zie hierover ook § 5.2.2.
Vgl. Martens 1997, p. 13-14.
Aldus ook Martens 1997, p. 12-14; Snijders 1997b, p. 1796. Zie over de gebondenheid van de rechter aan precedenten uitgebreid hoofdstuk 7.
Hoewel de functionele onafhankelijkheid van de rechter in de eerste plaats bestaat ten opzichte van de wetgevende en uitvoerende macht,1 wordt tegenwoordig vrij algemeen aangenomen dat de rechter daarnaast (een zekere mate van) onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters toekomt.2 In elk geval kan de rechter naar huidig constitutioneel recht geen concrete aanwijzingen van andere rechters, bijvoorbeeld de president van zijn college, krijgen.3 Hoe ver deze onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters reikt is echter vrij onduidelijk, nu zowel het geldende Nederlandse recht4 als de jurisprudentie van het Europese Hof inzake art. 6evrm5 ter zake weinig aanknopingspunten bieden. De vraag waar het in dit verband met name om draait, is of de individuele onafhankelijkheid zó ruim moet worden opgevat dat ook beïnvloeding op andere wijze dan via concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld in de vorm van algemene 'aanbevelingen', 'richtlijnen' en dergelijke (kortom: rechtersregelingen) ongeoorloofd is, met name wanneer deze van andere rechters of rechterlijke gremia afkomstig zijn.6
Bij de beantwoording van deze vraag is met name van belang wat de ratio is van de rechterlijke onafhankelijkheid in het algemeen, en van de onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters in het bijzonder. Onafhankelijkheid is, zoals reeds opgemerkt, een middel om eerlijke rechtspraak te garanderen, maar geen doel in zichzelf. De eis van onafhankelijkheid strekt ertoe te voorkomen dat een rechter op ongeoorloofde wijze kan worden beïnvloed bij zijn beslissing. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer de regering in een concrete zaak aanwijzingen aan een rechter zou kunnen geven. Onafhankelijkheid betekent echter geenszins dat de rechter volgens zijn eigen, hoogstpersoonlijke, rechtsopvatting zou mogen of moeten rechtspreken. Of, zoals Brenninkmeijer het heeft geformuleerd, onafhankelijkheid staat niet gelijk aan subjectiviteit van de individuele rechter.7 Ook in de rechtspraak moeten gelijke gevallen immers gelijk behandeld worden.8 Rechtspraak is daarom, zo betoogt Breiminkmeijer, uiteindelijk gebaseerd op een, zich via afzonderlijke uitspraken ontwikkelende, gemeenschappelijke visie van de betrokken rechters.9
Hierop voortbouwend kan men zeggen dat de hier bedoelde vorm van rechterlijke onafhankelijkheid daarin tot uiting komt, dat iedere individuele rechter deel uitmaakt van de ontwikkeling van een dergelijke gemeenschappelijke visie of rechtsopvatting, en deze dus door middel van zijn beslissingen in een bepaalde richting kan sturen. De eis van individuele onafhankelijkheid reikt echter ook niet verder dan dat: heeft zich eenmaal een bepaalde gemeenschappelijke rechtsopvatting uitgekristalliseerd, dan dient een individuele rechter zich - behoudens goede redenen voor afwijking of verandering - hierbij aan te sluiten, ook al zou hij er persoonlijk een andere opvatting op na houden. De individuele onafhankelijkheid staat er dan ook niet aan in de weg dat de rechter gebonden kan worden aan een rechtersregeling waarin een zodanige gemeenschappelijke rechtsopvatting is neergelegd.10 Wel zal mijns inziens aan de individuele onafhankelijkheid het meest recht worden gedaan, indien de betrokken individuele rechters inderdaad in de gelegenheid worden gesteld op de totstandkoming van die gemeenschappelijke rechtsopvatting invloed uit te oefenen.11
Men kan bij de hier besproken vraag voorts een vergelijking maken met de rechtspraak in meervoudige kamers: de individuele rechter mag, ja moet, in eerste instantie zijn eigen oordeel over het geschil geven (hierin komt zijn individuele onafhankelijkheid tot uiting), maar uiteindelijk zal hij zich moeten aansluiten bij het oordeel van de meerderheid.12 Ook van de gebondenheid aan de uitspraken (precedenten) van andere rechters kan worden aangenomen dat deze niet in strijd komt met de onafhankelijkheid van de (individuele) rechter.13