A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 68.
HR, 30-09-2025, nr. 24/01578
ECLI:NL:HR:2025:1436
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2025
- Zaaknummer
24/01578
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Staatsrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1436, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:565
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:528
ECLI:NL:PHR:2025:528, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1436
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑12‑2024
- Vindplaatsen
NJ 2025/324 met annotatie van N. Rozemond
Uitspraak 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen lokaalvredebreuk in hal van ministerie van Economische Zaken tijdens demonstratie (art. 139.1 Sr) en medeplegen opzettelijk storen van geoorloofde openbare vergadering van Tweede Kamer tijdens demonstratie, art. 144 Sr. 1. Verweer m.b.t. lokaalvredebreuk strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. 2. Verweer m.b.t. verstoren van vergadering van tweede kamer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. Ad 1. Om redenen vermeld in HR:2025:1313 slaagt middel. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:126 m.b.t. optreden van autoriteiten i.v.m. strafbaar feit dat tijdens demonstratie is begaan. Bij beantwoording van vraag of beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is, kan o.m. locatie van demonstratie, in verband waarvan strafbaar feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan omstandigheid dat “private property” in geding is (vgl. EHRM nr. 44306/98 (Appleby tegen Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot wezenlijke aantasting van genot van “private property” geldt niet zonder meer “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als vreedzame, tegen overheidsbeleid gerichte, demonstratie in publieke plaats (zoals gebouw dat bij overheid in gebruik is of gebouw dat anderszins publieke functie heeft) tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. tegen Litouwen)). Als, in geval als dit, waarin verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van art. 144 Sr, rechter tot oordeel komt dat in concrete omstandigheden van geval strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee ontoelaatbare beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet rechter art. 144 Sr buiten toepassing laten en verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR:2024:1623). Hof heeft verweer verworpen en geoordeeld dat bewezenverklaard feit kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit maar dat voor dit opzettelijk storen van geoorloofde openbare vergadering geen straf of maatregel wordt opgelegd. Overwegingen van hof kunnen niet ’s hofs oordeel dragen dat (verder) politieoptreden tegen verdachte en vervolging van verdachte door OM, toelaatbare beperking van recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt. Met ’s hofs vaststellingen in zijn overwegingen is niet verenigbaar dat hof het verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM, heeft verworpen. HR merkt op dat in geval als dit bij beoordeling of strafrechtelijk optreden als geheel toelaatbare beperking van recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt, als relevant gezichtspunt mag worden betrokken dat demonstratie plaatsvindt in parlementsgebouw en tot doel heeft parlementair proces te verstoren (vgl. EHRM nr. 23158/20 (Makarashvili e.a. tegen Georgië)). Hof heeft echter onvoldoende concreet in zijn overwegingen betrokken of (mede) door gedragingen van verdachte sprake was van zodanige verstoring van parlementair proces dat verdergaand strafrechtelijk optreden dan aanhouding, eventueel gevolgd door korte periode van vrijheidsontneming, was geboden. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01579, 24/01580, 24/01581, 24/01582, 24/01583, 24/01584 en 24/01632. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01578
Datum 30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 april 2024, nummer 22-000788-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de zaak met parketnummer 09-248855-21 onder meer over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.2
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/01580, ECLI:NL:HR:2025:1313.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt in de zaak met parketnummer 09-031276-21 onder meer over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 EVRM.
3.2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-031276-21 bewezenverklaard dat:
“zij op 11 juni 2019 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten door:
- te zingen en
- het roepen van leuzen (waaronder “wij zijn Extinction Rebellion en wij komen in opstand”) en
- het tonen van een of meer spandoeken (met daarop de teksten “spreek de waarheid” en “nul uitstoot in 2025” en “burgerkamer” en “eerlijke transitie” en “de tijd dringt”),
een geoorloofde openbare vergadering, te weten een openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten Generaal, opzettelijk heeft gestoord”.
3.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“56. De aanhoudingen, vervolgingen en berechting van [verdachte] kunnen niet ‘necessary in a democratic society’ worden geoordeeld. In het licht van de Straatsburgse rechtspraak was dit niet legitiem.
57. De strafrechtelijke vervolging van cliënte in deze zaken was niet ‘necessary in a democratic society’. Dat geldt tot slot ook voor een strafrechtelijke sanctionering.
58. De acties op 11 juni 2019 (TK) en op 20 oktober 2020 (EKZ) waren volstrekt vreedzaam. De demonstranten hebben geen geweld gebruikt, geen schade veroorzaakt en ook de aanhoudingen verliepen zonder problemen.
(...)
62. Cliënte is na de acties vervolgens van haar vrijheid beroofd. De aanhouding, althans de daaropvolgende detentie, acht de verdediging in strijd met de zonet genoemde artikelen van het EVRM en IVBPR. Voor zover het nodig zou zijn, hadden andere middelen ten dienste gestaan dan aanhouding en strafrechtelijke vervolging. Een maatregel tot het verwijderen van cliënte zou toereikend zijn geweest.
63. Voor zover de acties ergernis opwekten of tijdelijk activiteiten van de Tweede Kamer en het Ministerie van EKZ hebben gehinderd of gefrustreerd, moeten deze nog steeds vreedzaam worden geoordeeld, gezien de rechtspraak van het EHRM. Ook indien wel schade zou zijn veroorzaakt, legt dat (zoals we op grond van de analyse van Roorda c.s. hebben gezien) geen doorslaggevend gewicht in de schaal.
64. In het licht van de rechtspraak van het EHRM kan niets anders worden vastgesteld dan dat het niet ‘necessary in a democratic society’ kan worden geoordeeld dat cliënte wordt gecriminaliseerd door een schuldigverklaring (en een strafrechtelijke sanctionering).
65. Verder geldt nog dat de twee aan cliënte ten laste gelegde feiten misdrijven betreffen die meetellen voor de vraag of men in aanmerking komt voor een VOG. Een veroordeling voor een van deze feiten veroorzaakt in beginsel hierdoor al een ‘chilling effect’. Dat geldt ook als geen straf wordt opgelegd.
66. Gezien deze omstandigheden maakt de strafrechtelijke vervolging van cliënte, althans haar criminalisering, althans een aan haar opleggen van een strafrechtelijke sanctie, inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM, die niet ‘necessary in a democratic society’ kunnen worden geacht. Ook kan deze niet proportioneel worden geacht ter voorkoming van publieke wanorde of strafbare feiten of van het beschermen van de rechten van anderen.
67. Aldus verzoekt de verdediging in de specifieke omstandigheden van deze zaken respectievelijk artikel 144 Sr en artikel 139 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 19 en 21 IVBPR. In het verlengde daarvan verzoekt de verdediging cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging.”
3.2.3
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als het medeplegen van het opzettelijk storen van een geoorloofde openbare vergadering, als bedoeld in artikel 144 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), en het gevoerde verweer als volgt verworpen:
“Het recht om te demonstreren is, zeker in een democratische samenleving, een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat, als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, politie en justitie mogen ingrijpen. Hoe ze ingrijpen, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden. Als de politie uiteindelijk besluit dat het nodig is om een einde te maken aan het strafbare feit, mag de politie dat doen. Van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat vervolgens alle belangen zorgvuldig worden afgewogen, voordat een demonstrant ook wordt vervolgd voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd.
Het is dan aan de rechter om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel. Het kan niet zo zijn dat het enkele feit dat een demonstrant is aangehouden, opgepakt, verhoord en vervolgd, maakt dat de demonstrant moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het tenlastegelegde wetsartikel in dat geval buiten toepassing zou moeten blijven. Het enkele feit dat het strafbare feit is gepleegd omdat iemand op die manier wilde demonstreren, maakt immers niet dat het feit opeens niet meer strafbaar zou zijn. Iets anders is of er, gelet op het demonstratierecht, naast de maatregelen van de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is om een straf of maatregel op te leggen.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 11 juni 2019 was er een demonstratie/straatfeest aangekondigd door de groep Extinction Rebellion in Den Haag. Op het Plein bij de Tweede Kamer stond een grote groep demonstranten. Ook op de openbare tribune van de Tweede Kamer bleken diverse leden van voornoemde groepering, waaronder verdachte, aanwezig te zijn. Op enig moment werden twee moties van de Partij voor de Dieren behandeld. Op het moment dat deze moties waren verworpen, begon de demonstratie. Door een vrouw uit het publiek werd geroepen “Extinction Rebellion”. De vergadering werd daarop geschorst. Een deel van de groep begon te zingen, leuzen te roepen en spandoeken te tonen. Hierop werd de groep naar buiten begeleid naar een andere zaal. De verdachte is om 14:49 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is zij om 18:50 uur verhoord. Om 20:00 uur is de verdachte heengezonden.
(...)
Het hof overweegt overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1742, rechtsoverwegingen 2.3.2, 2.3.3, 2.3.6 en 2.3.7) aangaande het juridisch kader als volgt.
(...)
Parketnummer 09-031276-21
Uit de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat demonstratie van de verdachte – nu van gewelddadige intenties geen sprake was – viel onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Uit het voorgaande volgt eveneens dat door de wijze van demonstreren een openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd verstoord, zodat artikel 144 Sr is overtreden. Dit artikel beschermt mede het recht op vrijheid van vergadering, waar het verstaan van het gesproken woord van essentieel belang is. Ingrijpen door de politie was noodzakelijk omdat de verdachte en haar medeverdachten door hun wijze van optreden het democratisch proces verstoorden. Tegen deze achtergrond bezien is het hof van oordeel dat de inperking van het recht van de verdachte om te demonstreren in de plenaire vergaderzaal van de Tweede Kamer door de verdachte uit de zaal te verwijderen en aan te houden, geen ontoelaatbare inbreuk op haar demonstratierecht vormde. In dat oordeel betrekt het hof dat er diezelfde dag op het Plein in Den Haag een (aangekondigde) demonstratie van Extinction Rebellion plaatsvond waarbij de verdachte zich had kunnen aansluiten.
(...)
Het hof verwerpt het verweer.”
3.2.4
Het hof heeft de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof heeft daartoe overwogen:
“Het hof bepaalt dat in verband met de geringe ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat zowel de demonstratie in de Tweede Kamer als bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een geweldloos en vreedzaam karakter hadden. Tijdens de demonstratie in het Ministerie van Economische Zaken is niemand gehinderd bij het in- of uitgaan van de hal van het departement. Evenmin is bij beide demonstraties schade toegebracht. Onder genoemde omstandigheden dient een gerechtvaardigde inperking van het demonstratierecht tot een minimum beperkt te blijven. Het hof neemt hierbij – zoals eerder vermeld – tevens in aanmerking dat de politie en het openbaar ministerie, gelet op het vreedzaam en beperkte karakter van de demonstraties, hadden kunnen volstaan met minder verstrekkende maatregelen.
Gelet op het voorgaande is er geen ruimte voor het opleggen van een straf of maatregel.”
3.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 144 Sr:
“Hij die door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis een geoorloofde openbare vergadering opzettelijk stoort, of door het verwekken van wanorde een geoorloofde betoging opzettelijk stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie.”
- Artikel 10 EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
- Artikel 11 EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
3.3.2
Het onder meer in artikel 10 en 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van die vrijheden vormt.
3.3.3
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) onder meer overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
3.3.4
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak onder meer overwogen:
“144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
(...)
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
3.3.5
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijk optreden als geheel – waaronder niet alleen de aanhouding en de (mogelijke) toepassing van andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen, maar ook de (eventuele) vervolging en bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
3.3.6
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan onder meer de locatie van de demonstratie, in het verband waarvan het strafbare feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” in het geding is (vgl., in een enigszins andere context, EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby tegen het Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot een wezenlijke aantasting van het genot van “private property” geldt niet zonder meer de “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als een vreedzame, tegen het overheidsbeleid gerichte, demonstratie in een publieke plaats – zoals een gebouw dat bij de overheid in gebruik is of een gebouw dat anderszins een publieke functie heeft – tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen), overweging 155).
3.3.7
Als, in een geval als dit, waarin de verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van artikel 144 Sr, de rechter tot het oordeel komt dat in de concrete omstandigheden van het geval het strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet de rechter artikel 144 Sr buiten toepassing laten en de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, rechtsoverweging 2.4.3 met betrekking tot artikel 138 Sr).
3.4.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte was samen met andere leden van Extinction Rebellion aanwezig op de openbare tribune van de Tweede Kamer der Staten-Generaal tijdens de behandeling van een tweetal moties. Ook op het Plein bij de Tweede Kamer stond een grote groep demonstranten van Extinction Rebellion. Toen de moties werden verworpen, werd door een vrouw uit het publiek “Extinction Rebellion” geroepen, waarop de vergadering van de Tweede Kamer werd geschorst. Een deel van de groep demonstranten begon te zingen, leuzen te roepen en spandoeken te tonen. De groep demonstranten, onder wie de verdachte, werd daarop naar een andere zaal begeleid. De verdachte is om 14.49 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is zij om 18.50 uur verhoord en om 20.00 uur heengezonden.
3.4.2
Het hof heeft het verweer van de raadsvrouw verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 EVRM. Het hof heeft daaraan allereerst ten grondslag gelegd dat het beëindigen van de demonstratie op zichzelf geen ontoelaatbare inbreuk op het demonstratierecht vormde, nu ingrijpen door de politie noodzakelijk was omdat de verdachte en haar medeverdachten door hun wijze van optreden het democratisch proces verstoorden, waarbij het hof ook van belang heeft geacht dat zij zich hadden kunnen aansluiten bij de demonstratie van Extinction Rebellion op het Plein bij de Tweede Kamer. In zoverre is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd.
3.4.3
De overwegingen van het hof kunnen echter niet zonder meer het oordeel van het hof dragen dat het (verdere) politieoptreden tegen de verdachte en de vervolging van de verdachte door het openbaar ministerie, een toelaatbare beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt. In dat verband is het volgende van belang.Het hof heeft vastgesteld dat de demonstratie een geweldloos en vreedzaam karakter had, waarbij geen schade is toegebracht. Het hof heeft verder geoordeeld dat een “inperking van het demonstratierecht tot een minimum” beperkt moet blijven en dat – gelet op het vreedzame en beperkte karakter van de demonstratie – de politie en het openbaar ministerie hadden kunnen volstaan met minder verstrekkende maatregelen dan de aanhouding van de verdachte, het overbrengen van de verdachte naar het politiebureau, het daar gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en het strafrechtelijk vervolgen van de verdachte. Het hof heeft zo kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het had volstaan om de verdachte te verwijderen van de publieke tribune, gevolgd door aanhouding en eventueel een korte periode van vrijheidsontneming en dat een verdergaand strafrechtelijk optreden, zoals dat in deze zaak plaatsvond, een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft opgeleverd, die verder is gegaan dan noodzakelijk was. Daarmee is niet verenigbaar dat het hof het verweer van de verdediging heeft verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 EVRM.
3.4.4
Opmerking verdient dat in een geval als dit bij de beoordeling of het strafrechtelijke optreden als geheel een toelaatbare beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt, als relevant gezichtspunt mag worden betrokken dat een demonstratie plaatsvindt in een parlementsgebouw en tot doel heeft het parlementaire proces te verstoren (vgl. over deze bescherming van “the needs and rights of the democratically elected members of Parliament to discharge their functions which are essential in any democratic society” ook EHRM 1 september 2022, nr. 23158/20 (Makarashvili e.a. tegen Georgië), overweging 99). In deze zaak heeft het hof echter onvoldoende concreet in zijn overwegingen betrokken of (mede) door de gedragingen van de verdachte sprake was van een zodanige verstoring van het parlementaire proces dat een verdergaand strafrechtelijk optreden dan een aanhouding, eventueel gevolgd door een korte periode van vrijheidsontneming, was geboden.
3.5
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M. Kuijer, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.
Conclusie 13‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Demonstraties in hal ministerie EZK en in Tweede Kamer. Lokaalvredebreuk (art. 139 Sr) en verstoring vergadering (art. 144 Sr). Middelen over verwerping verweer dat vervolging in strijd is met demonstratierecht (art. 11 EVRM) falen, grotendeels onder verwijzing naar PHR:2025:518. Conclusie strekt tot verwerping.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01578
Zitting 13 mei 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 10 april 2024 (22-000788-22) door het gerechtshof Den Haag wegens in de zaak met parketnummer 09-031276-21 “medeplegen van door het verwekken van wanorde en maken van gedruis een geoorloofde openbare vergadering opzettelijk storen” en in de zaak met parketnummer 09-248855-21 “medeplegen van wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen” veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.
1.2
Deze zaak betreft één van de acht demonstratiezaken waarin ik vandaag concludeer. In al deze zaken heeft het gerechtshof Den Haag op dezelfde dag uitspraak gedaan. Het gaat in zes zaken over een demonstratie op 20 oktober 2020 in het toenmalige ministerie van Economische Zaken en Klimaat (24/01578, 24/01579, 24/01580, 24/01581, 24/01582 en 24/01583), waarvan één ook over een demonstratie op 11 juni 2019 in de Tweede Kamer (24/01578), en in twee zaken over demonstraties op 9 juli 2022 in gebouwen die in gebruik waren bij de ING Bank (24/01584 en 24/01632).
1.3
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, in de voorliggende zaak twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het eerste middel
2.1
Het eerste middel betreft de zaak met parketnummer 09-248855-21. Het klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat art. 139 Sr buiten toepassing moet blijven vanwege onverenigbaarheid van de vervolging met onder meer art. 10 en 11 EVRM.
2.2
Het middel klaagt ten eerste over het oordeel van het hof dat na een vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd het aan de rechter is om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel. Dit oordeel impliceert dat de rechter een vervolgingsbeslissing die een ontoelaatbare inbreuk op art. 10 of 11 EVRM vormt, dan wel overige genomen strafrechtelijke maatregelen die zo’n inbreuk vormen, slechts kan verwerken in de straftoemetingsbeslissing, terwijl dit ook kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, tot ontslag van alle rechtsvervolging of tot vrijspraak.
2.3
Het middel klaagt ten tweede over het oordeel van het hof dat het bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening houdt met door de politie toegepaste maatregelen. Ook een maatregel die door het openbaar ministerie of de rechter tegen een demonstrant wordt toegepast zou op zichzelf een ontoelaatbare inbreuk op art. 10 of 11 EVRM kunnen vormen. Zo zou een strafrechtelijke vervolging op zichzelf, ook indien de rechter de demonstrant vrijspreekt, een ontoelaatbaar ‘chilling effect’ kunnen hebben.
2.4
Ik lees de uitspraak van het hof zo dat het hof heeft geoordeeld dat in deze zaak de vervolging en veroordeling van de verdachte niet disproportioneel zijn. Ik verwijs daarvoor naar mijn conclusie van vandaag in de zaak 24/01580, ECLI:NL:PHR:2025:518, onder 3.10 en 3.11. Ik merk daarbij verder op dat een cassatiemiddel niet kan zijn gericht tegen een deel van de motivering als dat deel niet van belang is voor een beslissing in de zaak.1.Daarom falen beide klachten.
2.5
Het middel bevat verder twee klachten die overeenkomen met de beide klachten in de zaak 24/01580. Deze klachten falen eveneens. De redenen daarvoor staan in mijn conclusie van vandaag in die zaak, ECLI:NL:PHR:2025:518, onder 3.
3. Het tweede middel
3.1
Het tweede middel ziet op de zaak met parketnummer 09-031276-21. Het klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat art. 144 Sr buiten toepassing moet blijven vanwege onverenigbaarheid van de vervolging met onder meer art. 10 en 11 EVRM.
3.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 09-031276-21 bewezenverklaard dat:Het hof heeft overwogen:
“Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 11 juni 2019 was er een demonstratie/straatfeest aangekondigd door de groep Extinction Rebellion in Den Haag. Op het Plein bij de Tweede Kamer stond een grote groep demonstranten. Ook op de openbare tribune van de Tweede Kamer bleken diverse leden van voornoemde groepering, waaronder verdachte, aanwezig te zijn. Op enig moment werden twee moties van de Partij voor de Dieren behandeld. Op het moment dat deze moties waren verworpen, begon de demonstratie. Door een vrouw uit het publiek werd geroepen “Extinction Rebellion”. De vergadering werd daarop geschorst. Een deel van de groep begon te zingen, leuzen te roepen en spandoeken te tonen. Hierop werd de groep naar buiten begeleid naar een andere zaal. De verdachte is om 14:49 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is zij om 18:50 uur verhoord. Om 20:00 uur is de verdachte heengezonden.
[…]
Uit de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat demonstratie van de verdachte – nu van gewelddadige intenties geen sprake was – viel onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Uit het voorgaande volgt eveneens dat door de wijze van demonstreren een openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd verstoord, zodat artikel 144 Sr is overtreden. Dit artikel beschermt mede het recht op vrijheid van vergadering, waar het verstaan van het gesproken woord van essentieel belang is. Ingrijpen door de politie was noodzakelijk omdat de verdachte en haar medeverdachten door hun wijze van optreden het democratisch proces verstoorden. Tegen deze achtergrond bezien is het hof van oordeel dat de inperking van het recht van de verdachte om te demonstreren in de plenaire vergaderzaal van de Tweede Kamer door de verdachte uit de zaal te verwijderen en aan te houden, geen ontoelaatbare inbreuk op haar demonstratierecht vormde. In dat oordeel betrekt het hof dat er diezelfde dag op het Plein in Den Haag een (aangekondigde) demonstratie van Extinction Rebellion plaatsvond waarbij de verdachte zich had kunnen aansluiten.”
3.3
Art. 144 Sr is opgenomen in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”) van het Wetboek van Strafrecht en luidt:
“Hij die door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis een geoorloofde openbare vergadering opzettelijk stoort, of door het verwekken van wanorde een geoorloofde betoging opzettelijk stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie.”
3.4
Het middel klaagt ten eerste over het oordeel van het hof dat de ten aanzien van de verdachte toegepaste strafrechtelijke maatregelen (aanhouding, ophouding voor onderzoek, vervolging en veroordeling) ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ zijn zoals bedoeld in onder meer art. 11 lid 2 EVRM.
3.5
Voor het juridische kader verwijs ik naar mijn conclusie van vandaag in de zaak 24/01580, ECLI:NL:PHR:2025:518, onder 2.
3.6
Het hof heeft geoordeeld dat de verwijdering van de verdachte uit de vergaderzaal en de aanhouding van de verdachte niet disproportioneel zijn geweest. Het hof is daarnaast kennelijk van oordeel geweest dat ook een veroordeling niet disproportioneel hoeft te zijn. Dat is niet onbegrijpelijk, omdat de verwijdering en aanhouding van de verdachte van korte duur zijn geweest en geen verband hebben gehouden met de inhoud van de demonstratie, terwijl uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat in dit soort zaken ook een veroordeling met een kleine sanctie niet disproportioneel hoeft te zijn. Daarom faalt de klacht.
3.7
Het middel klaagt ten tweede over het door het hof meewegen van het feit dat er diezelfde dag op het Plein in Den Haag een aangekondigde demonstratie van Extinction Rebellion plaatsvond waarbij de verdachte zich had kunnen aansluiten.
3.8
Ook deze klacht faalt. Het hof heeft deze omstandigheid in zijn oordeel betrokken, maar zij is niet nodig voor de motivering van het oordeel van het hof dat de tegen de verdachte toegepaste maatregelen – uitmondend in een veroordeling zonder strafoplegging voor het verstoren van de vergadering – niet disproportioneel zijn. Daarom kan de klacht niet tot cassatie leiden.2.
3.9
Voor de volledigheid merk ik nog op dat de in de schriftuur voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet van belang zijn voor de beoordeling van het middel, zodat de eis dat die vragen worden gesteld niet voor inwilliging in aanmerking komt. Ik verwijs naar mijn conclusie van vandaag in de zaak 24/01580, ECLI:NL:PHR:2025:518, onder 3.13.
3.10
Het middel faalt.
4. Slotsom
4.1
De middelen falen.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑05‑2025
A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 68.
Beroepschrift 29‑12‑2024
SCHRIFTUUR, HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoekster | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1989 |
adres | [adres] |
postcode/plaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Den Haag |
datum uitspraak | 10 april 2024 |
parketnummer | 22-000788-22 |
Middel 1
Het recht (waaronder de artikel 19 en 21 IVBPR, artikel 10 en 11 EVRM en artikel 11 en 12 Handvest van de grondrechten van de EU) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat verzoeksters verblijf in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was en/of dat artikel 139 Sr niet buiten toepassing blijft wegens strijd met de artikelen 19 en/of 21 IVBRP en/of 10 en/of 11 EVRM en/of 11 en/of 12 Handvest van de grondrechten van de EU en/of doordat het hof het tenlastegelegde feit heeft gekwalificeerd als het misdrijf van artikel 139 Sr en/of heeft verworpen het verweer dat verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat een schuldigverklaring en/of een veroordeling niet ‘necessary in a democratie society’ zoals bedoeld in artikel 21 IVBPR en/of artikel 11 EVRM kan worden geoordeeld.
Toelichting
1.
Het hof heeft onder ‘zaak met parketnummer 09-248055-21’ ten laste van verzoekster bewezen verklaard dat zij
‘op 20 oktober 2020 te 's‑Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten de hal van het Ministerie van Economische Zaken wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.’
2.
Verzoeksters raadsvrouw mr. C.J.M. van den Brûle heeft volgens haar in hoger beroep overgelegde pleitnota betoogd dat verzoekster dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, omdat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk maakt op de artikelen 10 en 11 EVRM. Daartoe heeft zij een uitvoerig juridisch kader geschetst en aansluitend aangevoerd:
- ‘56.
De aanhouding(…), vervolging(…) en berechting van [verdachte] kunnen niet ‘necessary in a democratic society’ worden geoordeeld, in het licht van de Straatsburgse rechtspraak was dit niet legitiem.
- 57.
De strafrechtelijke vervolging van cliënte (…) was niet ‘necessary in a democratie society’ (…)
- 58.
De actie(…) (…) op 20 oktober 2020 (EKZ) [was] volstrekt vreedzaam. De demonstranten hebben geen geweld gebruikt, geen schade veroorzaakt en ook de aanhoudingen verliepen zonder problemen.
(…)
- 62.
Cliënte is na de actie(…) vervolgens van haar vrijheid beroofd. De aanhouding, althans de daaropvolgende detentie, acht de verdediging in strijd met de zonet genoemde artikelen van het EVRM en IVBPR. Voor zover het nodig zou zijn, hadden andere middelen ten dienste gestaan dan aanhouding en strafrechtelijke vervolging. Een maatregel tot het verwijderen van cliënte zou toereikend zijn geweest.
- 63.
Voor zover de actie(…) ergernis opwekte(…) of tijdelijk activiteiten van (…) het Ministerie van EKZ hebben gehinderd of gefrustreerd, moet(…) deze nog steeds vreedzaam worden geoordeeld, gezien de rechtspraak van het EHRM. Ook indien wel schade zou zijn veroorzaakt, legt dat (zoals we op grond van de analyse van Roorda c.s. hebben gezien) geen doorslaggevend gewicht in de schaal.
- 64.
In het licht van de rechtspraak van het EHRM kan niets anders worden vastgesteld dan dat het niet ‘necessary in a democratie society’ kan worden geoordeeld dat cliënte wordt gecriminaliseerd door een schuldigverklaring (en een strafrechtelijke sanctionering).
- 65.
Verder geldt nog dat [het] (…) aan cliënte ten laste gelegde feit(…) [een misdrijf betreft dat] meetel [.] voor de vraag of men in aanmerking komt voor een VOG. Een veroordeling voor [dit] feit(…) veroorzaakt in beginsel hierdoor al een ‘chilling effect’. Dat geldt ook als geen straf wordt opgelegd.
- 66.
Gezien deze omstandigheden maakt de strafrechtelijke vervolging van cliënte, althans haar criminalisering, althans een aan haar opleggen van een strafrechtelijke sanctie, inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM, die niet ‘necessary in a democratie society’ kunnen [bedoeld zal zijn: kan, WHJ] worden geacht. Ook kan deze niet proportioneel worden geacht ter voorkoming van publieke wanorde of strafbare feiten of van het beschermen van de rechten van anderen.
- 67.
Aldus verzoekt de verdediging in de specifieke omstandigheden van deze [zaak] (…) artikel 139 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 19 en 21 IVBPR. In het verlengde daarvan verzoekt de verdediging cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging.’
3.
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
‘Het recht om te demonstreren is, zeker in een democratische samenleving, een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat, als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, politie en justitie mogen ingrijpen. Hoe ze ingrijpen, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden. Als de politie uiteindelijk besluit dat het nodig is om een einde te maken aan het strafbare feit, mag de politie dat doen. Van het openbaar ministerie mag worden verwacht dat vervolgens alle belangen zorgvuldig worden afgewogen, voordat een demonstrant ook wordt vervolgd voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd.
Het is dan aan de rechter om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel. Het kan niet zo zijn dat het enkele feit dat een demonstrant is aangehouden, opgepakt, verhoord en vervolgd, maakt dat de demonstrant moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het tenlastegelegde wetsartikel in dat geval buiten toepassing zou moeten blijven. Het enkele feit dat het strafbare feit is gepleegd omdat iemand op die manier wilde demonstreren, maakt immers niet dat het feit opeens niet meer strafbaar zou zijn. Iets anders is of er, gelet op het demonstratierecht, naast de maatregelen van de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is om een straf of maatregel op te leggen.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
(…)
Op 20 oktober 2020 heeft de verdachte rond 10:30 uur samen met ongeveer zes andere personen de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat aan de Bezuidenhoutseweg te Den Haag betreden. Men heeft daar gedemonstreerd onder andere door het voorlezen van een petitie waarin men aangaf het niet eens te zijn met het subsidiebeleid van het departement. De groep wilde door te demonstreren een gesprek met minister [minister EKZ] afdwingen. Het departement had toestemming gegeven om tot 17:00 uur te demonstreren. Toen het 17:00 uur was wilde de groep de hal niet verlaten. De inmiddels aanwezige politie heeft toen medegedeeld dat als men niet vrijwillig het pand zou verlaten er dan door de veiligheidsadviseur van het ministerie gevorderd zou worden het pand onmiddellijk te verlaten en dat men zich schuldig zou maken aan lokaalvredebreuk als men aan deze vordering geen gehoor zou geven. Men zou dan worden aangehouden en worden overgebracht naar het politiebureau. Vervolgens heeft de veiligheidsadviseur van het ministerie de demonstranten twee maal gevorderd het pand te verlaten. De demonstranten bleven zitten. Hierop is de verdachte om 17:10 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is zij om 20:42 uur verhoord. Om 21:46 uur is de verdachte heengezonden.
Het hof overweegt overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1742, rechtsoverwegingen 2.3.2, 2.3.3, 2.3.6 en 2.3.7) aangaande het juridisch kader als volgt.
‘2.3.2 1
Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving en gelden als ‘the foundations of such a society’. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen), alsmede het recht omvat om — binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen — tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen. (…)
2.3.3
Artikel 11 EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM. (…).
2.3.6
Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van ‘disruption to ordinary life’ met zich kan brengen. Zo'n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt — ongeacht de aard van en de vorm waarin dat optreden plaatsvindt en ongeacht de vraag of dit optreden tot een sanctie leidt — tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt immers dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een ‘reprehensible act’ pleegt tijdens de demonstratie. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.7
De vraag of en wanneer sprake is van zo'n ‘reprehensible act’ (laakbare gedraging), laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.’
(…)
Parketnummer 09-248855-21
Uit de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de demonstratie van de verdachte — gelet op de vreedzame wijze waarop deze werd gehouden — viel onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Aan de demonstranten is alle ruimte geboden om gedurende een periode van een aantal uren te demonstreren in het gebouw van het ministerie. Op enig moment — naar het hof aanneemt in verband met de sluitingstijd van het gebouw — werd de verdachte beperkt in de mogelijkheid om in het gebouw te demonstreren. Deze beperking, die zijn wettelijke grondslag vond in artikel 139 Sr, was van belang voor de bescherming van de rechten van anderen, te weten de ‘vrede’ in voor de openbare dienst bestemde lokalen. Naar het oordeel van het hof wordt die ‘vrede’ ernstig verstoord als de openingstijden van lokalen bestemd voor de openbare dienst zouden moeten worden aangepast aan de momenten en tijden waarop demonstranten hun rechten willen uitoefenen. Tegen deze achtergrond bezien is het hof van oordeel dat de inperking van het recht van de verdachte om na 17:00 uur door te demonstreren in het pand van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, geen ontoelaatbare inbreuk op haar demonstratierecht vormde, nu er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond het recht op demonstratie van de verdachte te beperken. Het hof betrekt in dat oordeel dat de verdachte meermalen de gelegenheid was gegeven zelf het pand te verlaten. De verdachte had aldus de demonstratie buiten voort kunnen zetten. Daarvan werd door haar geen gebruik gemaakt. Het verblijf in het gebouw dat op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering volgde, was wederrechtelijk.
Het hof is het op zichzelf met de verdediging eens dat, omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, de politie — gelet op het demonstratierecht — er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan. Zo had de politie de verdachte na de aanhouding en uitzetting op een andere plek kunnen heenzenden, in plaats van de verdachte mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor verhoor, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte.
Dit politieoptreden noch de vervolging doet echter af aan de wederrechtelijkheid van het gedrag van de verdachte, zodat het politieoptreden en de vervolging door het openbaar ministerie, zoals hierboven reeds is overwogen, ook niet tot ontslag van rechtsvervolging kunnen leiden, zoals door de verdediging is bepleit.
Het hof zal — zoals verderop in dit arrest blijkt — bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf wel rekening houden met de door de politie toegepaste maatregelen.
Het hof verwerpt het verweer.’
Juridisch kader
4.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM blijkt dat klachten over toepassing van (strafrechtelijke) overheidsmaatregelen in de context van een demonstratie worden getoetst aan de vrijheid van vreedzame vergadering (artikel 11 EVRM). De reikwijdte van dit recht wordt door het EHRM ruim uitgelegd. Daaronder vallen onder meer allerlei vormen van demonstraties. Uw Raad heeft in dit verband gewezen op onder meer blokkades, bezettingen en sit-ins.1.
5.
Onder de bescherming van artikel n EVRM valt het recht van de demonstrant om zelf tijd, plaats en wijze van uitvoering van demonstratie te bepalen.2.. Waaronder de vrijheid om te bepalen op welke wijze ‘the message may have the strongest impact’, wat met zich meebrengt dat desgewenst een demonstratie in beginsel ‘within sight and sound'van het doelwit dient plaats te vinden.3.
6.
De rechtmatigheid van een demonstratie behoort telkens op eigen merites te worden beoordeeld. De memorie van toelichting op artikel 5 Wet openbare manifestaties expliciteert dat met de aldaar bedoelde termen ‘voorschriften en beperkingen’ wordt geduid op ‘elementen van een beschikking voor één concreet geval, en niet om zogenaamde algemeen verbindende voorschriften.’4.
7.
Wanneer sprake is van een beperking van het vergaderingsrecht, moet volgens artikel 11 lid 2 EVRM worden getoetst of die beperking (i) een grondslag in het recht heeft, (ii) een van de in lid 2 genoemde doelen dient en (iii) noodzakelijk in een democratische samenleving is. Die beoordeling dient met redelijkheid, zorgvuldig en ‘in good faith’ te worden gedaan, op grond van ‘the case as a whole’.5.
8.
De feiten waarvoor verzoekster is veroordeeld, betreffen misdrijven tegen de openbare orde (vgl. Titel V wetboek van strafrecht). Het begrip ‘openbare orde’ heeft een ruimere betekenis dan het begrip ‘voorkomen van wanordelijkheden’ in artikel 11 lid 2 EVRM.6. Met ‘openbare orde’ wordt, aldus het EHRM, vaak gerefereerd aan ‘the body of political, economic and moral principles essential to the maintenance of the social structure, and in some jurisdictions even encompasses human dignity’, terwijl het voorkomen van wanordelijkheden ‘appears to convey a narrower significance, understood in essence in cases of this type as riots or other forms of public disturbance.’7.
9.
De vraag, welke vormen van overheidsoptreden als ‘beperkingen’ van het vergaderingsrecht in de zin van artikel 11 lid 2 EVRM moeten worden gezien, wordt door het EHRM ruim beantwoord. Als beperking geldt niet alleen het feitelijk afbreken van een demonstratie, maar ook daaropvolgend strafrechtelijk optreden. Dergelijke maatregelen achteraf zijn bijvoorbeeld: arrestatie, detentie op een politiebureau en een strafrechtelijke vervolging.8. In verband met de vraag, of een overheidsmaatregel ‘necessary in a democratic society’ is, dient dus onderscheid te worden gemaakt tussen de perceptie van de politie, die ter plaatse op grond van strafvorderlijke bevoegdheden kan overgaan tot aanhouding op grond van een redelijk schuldvermoeden, en de beoordeling achteraf van de proportionaliteit van die aanhouding, in het licht van de artikelen 21 IVBPR en 11 EVRM, door de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting.9.
10.
De term ‘noodzakelijk’ in artikel 11 lid 2 EVRM heeft een strikte betekenis en mag niet worden gelijkgesteld aan ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.10. Om ‘necessary in a democratie society’ te zijn, dient in de eerste plaats een beperkende maatregel geschikt te zijn om het gestelde doel te bereiken. In de tweede plaats dient er geen minder vergaande maatregel te zijn die hetzelfde doel kan bereiken; wanneer duidelijk is dat de autoriteiten hadden kunnen volstaan met minder vergaande beperkingen, hadden deze alternatieven moeten worden gekozen. In de derde plaats dient het door de maatregel gediende belang op te wegen tegen de beperking: de beperking moet beantwoorden aan een ‘pressing social need’, proportioneel zijn in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd zijn op ‘relevant and sufficient reasons’.11. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van een strafrechtelijke maatregel moet tot slot het ontmoedigende effect daarvan in ogenschouw worden genomen.12.
11.
Wat betreft het vereiste, dat een inbreuk op ‘relevant and sufficient reasons’ moet worden gegrond, oordeelt het EHRM het de ‘duty’ van de rechter ‘to establish convincing grounds’ tot rechtvaardiging van bijvoorbeeld de ontbinding van een demonstratie. Het zonder verdere uitleg gebruiken van algemene en abstracte termen zoals ‘wanordelijkheden’ schendt die plicht; een onjuiste vaststelling van feiten eveneens.13.
12.
Volgens het EHRM is terughoudendheid geboden voor het bestraffen van ‘illegal conduct’ dat verweven is met een demonstratie.14. Toepassing van maatregelen van strafrechtelijke aard vereist bijzondere rechtvaardiging.15. Roorda, Brouwer en Schilder constateren dat strafrechtelijke vervolging, laat staan strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten ‘in beginsel niet [is] toegestaan.’16. Het ontbreken van ‘compelling reasons’ om demonstranten mee te nemen naar het politiebureau ‘to achieve any of the legitimate aims’ vormt een sterke aanwijzing van een disproportionele inbreuk op de vrijheid van meningsuiting.17. Uit EHRM Açik and others tegen Turkije blijkt dat legitieme verwijdering van demonstranten uit een universiteit — naar Nederlands recht een voor de openbare dienst bestemd lokaal en dus vergelijkbaar met de lobby van een ministerie of de publieke tribune van de Tweede Kamer18. — niet zonder meer betekent dat daaropvolgende strafrechtelijke maatregelen, zoals arrestatie en detentie in een politiebureau, ‘necessary in a democratic society’ zijn.19. Benadrukt zij dat in deze zaak de demonstranten weigerden zelf te vertrekken.
13.
Bij de beantwoording van de vraag, of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan volgens een arrest van Uw Raad van 12 november 2024 mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat ‘private property’ in het geding is, bijvoorbeeld als in het verband van een demonstratie een strafbaar feit plaatsvindt dat het ongestoorde genot van privé-eigendom aantast. Die omstandigheid is in dit verband echter niet doorslaggevend. Dat blijkt uit voornoemd arrest, waarin Uw Raad een ontslag van alle rechtsvervolging uitsprak en voorlag een vreedzame ‘sit-in’ in de lobby van het gebouw van de Algemeen Pensioen Groep NV tegen de beleggingsactiviteiten van ABP in de fossiele industrie, welke de demonstranten na een vordering van de beveiliging om het gebouw te verlaten niet beëindigden.20.
14.
Ook de omstandigheid dat bij een demonstratie ‘the effective functioning of Parliament’ in het geding komt — door het EHRM een ‘value of key importance for a democratic society’ genoemd21. — is niet doorslaggevend. Dat moet worden afgeleid uit EHRM 1 september 2022, 23158/20 e.a. (Makarashvili and Others/Georgië), waarin centraal stond het door demonstranten volledig blokkeren van de toegang tot het parlementsgebouw en waarbij de demonstranten aangaven die blokkade vol te houden totdat aan hun politieke eisen was voldaan. Het EHRM oordeelde dat deze blokkade een ontwrichting van het dagelijks leven moet hebben veroorzaakt die verder ging dan een ‘minor disturbance’, waarbij betekenis gaf aan ‘all intents and purposes’ van de demonstranten. Ofschoon de demonstranten geen geweldshandelingen begingen of anderen daartoe aanzetten, konden de volledige obstructie van de ingangen tot het parlementsgebouw en van de politie tot het heropenen van die ingangen, in weerwil van verscheidene hun gegeven waarschuwingen, als ‘reprehensible’ gedrag worden aangemerkt, aldus het Hof. Met die vaststelling was echter de kous niet af. Daarop baseerde het Hof slechts zijn oordeel dat Georgië het belang van handhaving van de openbare orde zwaarder mocht laten wegen dan dat het door de demonstranten voortzetten van de blokkade (het door de politie heropenen van de ingangen was volgens het EHRM ‘niet onredelijk’) en vervolgens beoordeelde het Hof de vraag of de arrestatie en sanctionering van de demonstranten proportioneel waren. Daarbij gaf het betekenis aan de vraag of de demonstranten zonder een eis van voorafgaande aankonding, zonder beperkingen en zonder consequenties de mogelijkheid hadden hun ongenoegens te uiten. Die ruimte hadden zij ten minste anderhalve dag gekregen, aldus het Hof, zodat niet kon worden gezegd dat de autoriteiten onvoldoende tolerantie jegens de bijeenkomst hadden betoond.
15.
Het door vreedzame demonstranten organiseren van een onrechtmatige situatie geeft, kortom, niet de doorslag voor het toepassen van strafrechtelijke maatregelen: de autoriteiten moeten ook in zo'n geval een bepaalde mate van tolerantie tonen, ‘if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance’.22.
16.
Dat het toepassen van strafrechtelijke maatregelen tegen vreedzame demonstranten of personen die hun mening uiten zeer gevoelig ligt, wordt onderstreept door EHRM 11 oktober 2018, 14237/07 (Tuskia and Others/Georgië) en EHRM 30 november 2021, 52358/15 (Genov and Sarbinska/Bulgarije). In de eerste zaak werden de demonstranten, hoogleraren die een sit-in hielden in een universiteit, op grond van administratiefrechtelijke maatregelen aangepakt doch niet gearresteerd, gedetineerd of strafrechtelijk vervolgd. Het EHRM oordeelde dat de artikelen 10 en 11 EVRM niet waren geschonden. In de tweede zaak ging het om een ‘guilty finding’ en de oplegging van administratiefrechtelijke boetes (door het EHRM ‘penalising’ genoemd) wegens ‘hooliganism’ voor het met spuitverf aanbrengen van een mening op een publiek monument, hetgeen een schending van artikel 10 EVRM opleverde. Het EHRM overwoog daartoe onder meer: ‘The salient issue in this case is whether the interference, which took solely the form of a ‘penalt[y]’ rather than of an order requiring the applicants to repair any damage which their act had caused to the monument, was ‘necessary in a democratic society’’. Daaruit moet worden afgeleid dat een kostenverhaal op de daders voor het reinigen van het monument geen verdragsschending zou hebben opgeleverd.
17.
Door het toepassen van strafrechtelijke maatregelen jegens verzoekster en/of de bewezenverklaring en/of verzoeksters schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf van artikel 139 Sr is het recht van de Unie ten uitvoer gebracht zoals bedoeld in artikel 51 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU. De Europese Unie is namelijk partij bij het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus).23.
18.
Artikel 1 Verdrag van Aarhus luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:
‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.’
19.
Artikel 3 lid 8 luidt:
‘Elke Partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.’
20.
Onder ‘inspraak in de besluitvorming’ zoals bedoeld in artikel 1 Verdrag van Aarhus dient onder meer vreedzaam klimaatprotest te worden verstaan. Onder verwijzing naar de bevindingen en aanbevelingen van het Compliance Committee bij het verdrag24. benadrukt de UN Special Rapporteur on Environmental Defenders under the Aarhus Convention immers (voetnoten weggelaten):
‘(P)eaceful environmental protest is a legitimate exercise of the public's right to participate in decision-making as recognized in article 1 of the Convention. The Compliance Committee has also held that persecuting, penalizing or harassing members of the public seeking to exercise this right violates article 3(8) of the Convention.’25.
21.
De verdragspartijen hebben, aldus de Special Rapporteur,
‘a binding obligation under article 3(8) of the Convention to ensure that environmental defenders are not penalized, persecuted, or harassed for exercising their rights under the Convention.’26.
22.
Hij concludeert onder meer:
‘States should ensure that peaceful protest and civil disobedience have the same safeguards as other forms of assembly, and that any restrictions imposed are kept to the minimum (…). This includes preventing and repealing measures and practices that may have a chilling effect on environmental activism and protests, such as (…) the arrest, detention and prosecution of peaceful protesters (…).27.’
23.
In artikel 139 lid 1 Sr is door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ buiten twijfel gesteld dat het aldaar bedoelde vertoeven, ook al geschiedt dit tegen de wil van de rechthebbende, niet strafbaar is indien dit uit anderen hoofde gerechtvaardigd is.28. In de sfeer van artikel 138 Sr oordeelde Uw Raad in HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5352 over een stakingsactie van Vakbond FNV bondgenoten, waarbij de verdachte als organizer was betrokken, er onder meer in bestaand dat het hoofdkantoor van schoonmaakbedrijf [A] werd binnengedrongen:
‘Het Hof heeft overwogen dat de onderhavige actie van korte duur is geweest, dat daarbij slechts een geringe inbreuk is gemaakt op de rechten van [A] en de in het kantoor werkzame werknemers, dat niet is gebleken dat door deze actie enige schade is ontstaan of dat de actie gepaard is gegaan met (andere) strafbare feiten of wanordelijkheden, en dat de verdachte en de stakers de actie uit zichzelf hebben beëindigd. Daarin ligt als ‘s Hofs oordeel besloten dat weliswaar inbreuk is gemaakt op het in art. 138 Sr beschermde recht van [A], maar dat die inbreuk slechts beperkt — en daarmee niet van het voor toepassing van art. G ESH vereiste gewicht — is geweest en dat mede gelet daarop de in de tenlastelegging omschreven gedragingen werden gerechtvaardigd door het in art. 6, aanhef en lid 4, ESH neergelegde recht op collectief optreden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.’
24.
Indien het overheidsoptreden na afloop van een demonstratie disproportioneel is ten opzichte van de in artikel 11 lid 2 EVRM genoemde doelen, is de beperking van het vergaderingsrecht niet ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ en levert dit strijd op met artikel 11 EVRM. Indien dan toch wordt vervolgd, zal de strafrechter naar Nederlands recht op grond van artikel 94 Grondwet de strafbepaling waarop de dagvaarding berust buiten toepassing dienen te laten. Een geslaagd beroep op artikel 11 EVRM brengt met zich mee dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is en dit leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging (artikel 350 Sv jo. artikel 352 lid 2 eerste volzin Sv).29.
Eerste deelklacht
25.
‘s Hofs oordeel, dat na een vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie ‘voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd’ het aan de rechter is om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel, getuigt van een te beperkte, dus onjuiste, rechtsopvatting. Dit oordeel impliceert dat de rechter een vervolgingsbeslissing, die een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en/of 11 EVRM vormt, dan wel overige genomen strafrechtelijke maatregelen die zo'n inbreuk vormen, slechts kan verwerken in de straftoemetingsbeslissing. Uw Raad heeft geoordeeld dat dergelijke omstandigheden ook kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte,30. terwijl deze volgens de verdediging onder bepaalde omstandigheden ook tot vrijspraak kunnen leiden.31.
Tweede deelklacht
26.
Voor zover het hof met zijn oordeel, dat het bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf rekening houdt met door de politie toegepaste maatregelen, heeft het aan zijn arrest eveneens een te beperkte en dus onjuiste rechtsopvatting ten grondslag gelegd. Ook een maatregel die door het openbaar ministerie of de rechter jegens een demonstrant wordt toegepast (zoals het haar strafrechtelijk vervolgen of het haar opleggen van een strafrechtelijke sanctie) kan op zichzelf een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en/of 11 EVRM vormen. Zo kan een strafrechtelijke vervolging op zichzelf, ook indien de rechter de demonstrant vrijspreekt, een ontoelaatbaar ‘chilling effect’ hebben.32.
Derde deelklacht
27.
‘s Hofs oordeel, dat verzoeksters verblijf in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was en/of het (impliciete) oordeel dat de jegens verzoekster toegepaste strafrechtelijke maatregelen (aanhouding en/of ophouden voor onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf zoals bedoeld in artikel 139 Sr) een van de in artikel 11 lid 2 EVRM neergelegde doelen diende en/of verenigbaar is met artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 12 Handvest van de grondrechten van de EU, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of niet gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’.
28.
Dat geldt in het bijzonder voor het oordeel dat de jegens verzoekster op artikel 139 Sr gebaseerde beperking van verzoeksters vergadervrijheid van belang was voor ‘de bescherming van de rechten van anderen’. Dat oordeel is onbegrijpelijk, omdat artikel 139 Sr de openbare orde beoogt te beschermen. Voor zover het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat de beperking mocht worden gebaseerd op het door artikel 139 Sr beschemde belang, is ook dat oordeel onbegrijpelijk, althans heeft het onvoldoende uitgelegd waarom de beperking in het licht van de in artikel 11 lid 2 EVRM vermelde belangen gerechtvaardigd was. In ieder geval is dat oordeel niet gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’. Immers het door artikel 139 Sr beschermde rechtsbelang, ‘openbare orde’, wordt door het in artikel 11 lid 2 EVRM genoemde belang van het voorkomen van wanordelijkheden niet zonder meer ingevuld, omdat dit laatste een beperktere betekenis heeft. Nu het door artikel 139 Sr beschermde belang louter de openbare orde is, geldt dat evenzeer voor het in artikel 11 lid 2 EVRM genoemde belang van het voorkomen van strafbare feiten.
29.
Dat ten aanzien van verzoekster en/of de demonstratie, waaraan zij deelnam, sprake was van wanordelijkheden, heeft het hof niet vastgesteld en kan uit zijn bewijsvoering ook niet worden afgeleid. Het heeft slechts vastgesteld dat het departement de groep demonstranten toestemming had gegeven om tot 17:00 uur in de hal van het ministerie te demonstreren en dat na 17:00 uur verzoekster niet voldeed aan een vordering om zich te verwijderen.
Vierde deelklacht
30.
's Hofs oordeel, dat verzoeksters verblijf in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was en/of het oordeel (in reactie op het verweer van de raadsvrouw), dat de jegens verzoekster toegepaste strafrechtelijke maatregelen (aanhouding en/of ophouden voor onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf zoals bedoeld in artikel 139 Sr), ieder op zich of in onderlinge samenhang beschouwd, ‘necessary in a democratic society’ zijn zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 IVBPR en/of artikel 11 lid 2 EVRM en/of verenigbaar met artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 12 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU, is onjuist en/of onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Althans is dat oordeel niet gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’.
31.
Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat als de politie uiteindelijk besluit dat het nodig is om een einde te maken aan het strafbare feit, de politie dat mag doen, alsook dat de inperking van verzoeksters recht om na 17:00 uur door te demonstreren geen ontoelaatbare inbreuk op haar demonstratierecht vormde nu er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond om verzoeksters recht op demonstratie te beperken en dat verzoeksters daaropvolgende verblijf in het ministerie, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was.
32.
Aldus heeft het hof geoordeeld dat er een noodzaak bestond om het door verzoekster uitgeoefende recht als neergelegd in de artikelen 21 IVBPR en 11 EVRM na 17:00 uur te beperken door middel van een aanhouding. Dat is echter niet begrijpelijk in het licht van 's hofs oordeel dat het er ‘op zichzelf’ met de verdediging mee eens is dat (omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had en gelet op het demonstratierecht) de politie er ook voor had kunnen kiezen minder verstrekkende maatregelen te treffen dan is gedaan en dat de politie verzoekster na aanhouding en uitzetting op een andere plek had kunnen heenzenden. In dat laatste oordeel ligt besloten dat het hof het onnodig vond dat verzoekster ten spoedigste werd overgebracht naar een plaats voor verhoor ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 53 lid 2 Sv, zodat zijn oordeel, dat het achteraf bezien ‘necessary in a democratic society’ was verzoekster aan te houden, niet zonder meer begrijpelijk is en/of niet toereikend gemotiveerd. Volgens 's hofs oordeel kon immers worden volstaan met minder vergaande beperkingen.
33.
Ook is niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, 's hofs (impliciete) oordeel dat het jegens verzoekster toegepaste ophouden voor onderzoek en haar strafrechtelijke vervolging ‘necessary in a democratic society’ zijn. Het hof heeft immers geoordeeld dat wegens het vreedzame en beperkte karakter van de demonstratie de politie er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan, door verzoekster na de aanhouding en uitzetting op een andere plek heen te zenden, in plaats van haar mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor onderzoek, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte. Ook in dit verband heeft het hof ervan blijkgegeven dat kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.
34.
In het verlengde hiervan is ook onjuist en/of onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd de bewezenverklaring van ‘wederrechtelijk’ en/of verzoeksters schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf van artikel 139 Sr.
35.
Tot slot heeft het hof miskend dat verzoekster deelnam aan vreedzaam klimaatprotest, zodat de bewezenverklaarde gedraging kwalificeert als ‘inspraak in de besluitvorming’ als bedoeld in artikel 1 Verdrag van Aarhus en een schuldigverklaring een schending oplevert van de ‘binding obligation’ op grond van artikel 3(8) van dit verdrag ‘to ensure that environmental defenders are not penalized, persecuted, or harassed’.
36.
Het arrest kan, gelet op hetgeen in de vier deelklachten is gesteld, niet in stand blijven.
Prejudiciële vragen aan het Hof van justitie van de EU
37.
Voor de oplossing van dit geschil c.q. het beantwoorden van rechtsvragen in verzoeksters zaak is het van belang dat Uw Raad op de voet van artikel 267 VWEU de hierna te formuleren prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de EU. Die vragen zien op de reikwijdte van de bescherming die verzoekster in deze zaak ontleent aan artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus.
38.
Vooropgesteld zij dat het Hof van Justitie van de EU heeft overwogen dat internationale verdragen, die zijn gesloten door de Unie, voorwerp van een prejudiciële procedure kunnen vormen.33. Verwezen zij voorts naar het kader zoals hiervoor uiteengezet onder kantlijnnummers 17 tot en met 22.
39.
Die mogelijkheid is een verplichting voor rechterlijke instanties die in hoogste instantie recht spreken. Met deze verwijzingsplicht wordt voorkomen dat de hoogste rechtspraak in een lidstaat zich ontwikkelt in strijd met het Unierecht en daardoor andere rechterlijke instanties van die lidstaat in dezelfde zin gaan beslissen.34.
40.
De verplichting van de hoogste rechter tot het stellen van prejudiciële vragen geldt niet als de uitleg van het Unierecht niet noodzakelijk is om tot een beslissing te komen, als de juiste uitlegging van het Unierecht zo voor de hand ligt dat daarover geen enkele redelijke twijfel kan bestaan of als de betrokken Uniebepaling al door het Hof van Justitie van de EU is uitgelegd.35.
41.
Deze uitzonderingen doen zich in verzoeksters zaak niet voor.
42.
De prejudiciële vragen die in dit licht in verzoeksters zaak aan het Hof van Justitie van de EU dienen te worden gesteld, zijn de volgende.
- —
Wordt door het toepassen van strafrechtelijke maatregelen en/of de bewezenverklaring, schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf van artikel 139 Sr jegens verzoekster het recht van de Unie ten uitvoer gebracht zoals bedoeld in artikel 51 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU?
- —
Dient onder het door personen uitoefenen van hun rechten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, een en ander zoals bedoeld in artikel 1 en 3 lid 8 Verdrag van Aarhus, mede te worden verstaan het door klimaatactivisten houden van een vreedzaam protest zoals dat waaraan verzoekster deelnam in het gebouw van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat?
- —
Verhinderen artikel 1 en/of artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 11 en 12 Handvest van de grondrechten van de EU in verzoeksters geval, mede in het licht van de inhoud van deze cassatieschriftuur, het toepassen van strafrechtelijke maatregelen, in het bijzonder: een strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring wegens overtreding van artikel 138 Sr?
- —
Zijn de in artikel 191 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bedoelde doelstellingen relevant voor de beantwoording van deze vraag? Is daarbij tevens relevant of de uit artikel 191 VWEU voortvloeiende verplichtingen door de desbetreffende lidstaat worden nagekomen?
Middel 2
Het recht (waaronder de artikel 19 en 21 IVBPR, artikel 10 en 11 EVRM en artikel 11 en 12 Handvest van de grondrechten van de EU) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat artikel 144 Sr niet buiten toepassing blijft wegens strijd met de artikelen 19 en/of 21 IVBRP en/of 10 en/of 11 EVRM en/of 11 en/of 12 Handvest van de grondrechten van de EU en/of doordat het hof het tenlastegelegde feit heeft gekwalificeerd als het misdrijf van artikel 144 Sr en/of heeft verworpen het verweer dat verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat een schuldigverklaring en/of een veroordeling niet ‘necessary in a democratic society’ zoals bedoeld in artikel 21 IVBPR en/of artikel 11 EVRM kan worden geoordeeld.
Toelichting
1.
Het hof heeft onder ‘zaak met parketnummer 09-031276-21’ ten laste van verzoekster bewezen verklaard dat zij
‘op 11 juni 2019 te 's‑Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, door het verwekken van wanorde of het maken van gedruis, te weten door:
- —
te zingen en
- —
het roepen van leuzen (waaronder ‘wij zijn Extinction Rebellion en wij komen in opstand’) en
- —
het tonen van een of meer spandoeken (met daarop de teksten ‘spreek de waarheid’ en ‘nul uitstoot in 2025’ en ‘burgerkamer’ en ‘eerlijke transitie’ en ‘de tijd dringt’),
een geoorloofde openbare vergadering, te weten een openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten Generaal, opzettelijk heeft gestoord.’
2.
Verzoeksters raadsvrouw mr. C.J.M. van den Brûle heeft volgens haar in hoger beroep overgelegde pleitnota betoogd dat verzoekster dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, omdat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk maakt op de artikelen 10 en 11 EVRM. Daartoe heeft zij een uitvoerig juridisch kader geschetst en aansluitend aangevoerd:
- ‘56.
De aanhouding(…), vervolging(…) en berechting van [verdachte] kunnen niet ‘necessary in a democratic society’ worden geoordeeld, in het licht van de Straatsburgse rechtspraak was dit niet legitiem.
- 57.
De strafrechtelijke vervolging van cliënte (…) was niet ‘necessary in a democratic society’ (…)
(…)
- 61.
Ook de actie op 11 juni 2019 (TK) was kortdurend, heeft geen schade berokkend, er was sprake van een zorgvuldige voorbereiding en er is sprake van een geringe inbreuk.
- 62.
Cliënte is na de actie(…) vervolgens van haar vrijheid beroofd. De aanhouding, althans de daaropvolgende detentie, acht de verdediging in strijd met de zonet genoemde artikelen van het EVRM en IVBPR. Voor zover het nodig zou zijn, hadden andere middelen ten dienste gestaan dan aanhouding en strafrechtelijke vervolging. Een maatregel tot het verwijderen van cliënte zou toereikend zijn geweest.
- 63.
Voor zover de actie(…) ergernis opwekte(…) of tijdelijk activiteiten van de Tweede Kamer (…) hebben gehinderd of gefrustreerd, moet(…) deze nog steeds vreedzaam worden geoordeeld, gezien de rechtspraak van het EHRM. Ook indien wel schade zou zijn veroorzaakt, legt dat (zoals we op grond van de analyse van Roorda c.s. hebben gezien) geen doorslaggevend gewicht in de schaal.
- 64.
In het licht van de rechtspraak van het EHRM kan niets anders worden vastgesteld dan dat het niet ‘necessary in a democratic society’ kan worden geoordeeld dat cliënte wordt gecriminaliseerd door een schuldigverklaring (en een strafrechtelijke sanctionering).
- 65.
Verder geldt nog dat [het] (…) aan cliënte ten laste gelegde feit(…) [een misdrijf betreft dat] meetel [.] voor de vraag of men in aanmerking komt voor een VOG. Een veroordeling voor [dit] feit(…) veroorzaakt in beginsel hierdoor al een ‘chilling effect’. Dat geldt ook als geen straf wordt opgelegd.
- 66.
Gezien deze omstandigheden maakt de strafrechtelijke vervolging van cliënte, althans haar criminalisering, althans een aan haar opleggen van een strafrechtelijke sanctie, inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM, die niet ‘necessary in a democratic society’ kunnen [bedoeld zal zijn: kan, WHJ] worden geacht. Ook kan deze niet proportioneel worden geacht ter voorkoming van publieke wanorde of strafbare feiten of van het beschermen van de rechten van anderen.
- 67.
Aldus verzoekt de verdediging in de specifieke omstandigheden van deze [zaak] (…) artikel 144 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 19 en 21 IVBPR. In het verlengde daarvan verzoekt de verdediging cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging.’
3.
Het hof heeft dit verweer verworpen zoals weergegeven in middel 1 (kantlijnnummer 3) en als volgt:
‘Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 11 juni 2019 was er een demonstratie/straatfeest aangekondigd door de groep Extinction Rebellion in Den Haag. Op het Plein bij de Tweede Kamer stond een grote groep demonstranten. Ook op de openbare tribune van de Tweede Kamer bleken diverse leden van voornoemde groepering, waaronder verdachte, aanwezig te zijn. Op enig moment werden twee moties van de Partij voor de Dieren behandeld. Op het moment dat deze moties waren verworpen, begon de demonstratie. Door een vrouw uit het publiek werd geroepen ‘Extinction Rebellion’. De vergadering werd daarop geschorst. Een deel van de groep begon te zingen, leuzen te roepen en spandoeken te tonen. Hierop werd de groep naar buiten begeleid naar een andere zaal. De verdachte is om 14:49 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is zij om 18:50 uur verhoord. Om 20:00 uur is de verdachte heengezonden.
(…)
Parketnummer 09-031276-21
Uit de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat demonstratie [sic] van de verdachte — nu van gewelddadige intenties geen sprake was — viel onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Uit het voorgaande volgt eveneens dat door de wijze van demonstreren een openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd verstoord, zodat artikel 144 Sr is overtreden. Dit artikel beschermt mede het recht op vrijheid van vergadering, waar het verstaan van het gesproken woord van essentieel belang is. Ingrijpen door de politie was noodzakelijk omdat de verdachte en haar medeverdachten door hun wijze van optreden het democratisch proces verstoorden. Tegen deze achtergrond bezien is het hof van oordeel dat de inperking van het recht van de verdachte om te demonstreren in de plenaire vergaderzaal van de Tweede Kamer door de verdachte uit de zaal te verwijderen en aan te houden, geen ontoelaatbare inbreuk op haar demonstratierecht vormde. In dat oordeel betrekt het hof dat er diezelfde dag op het Plein in Den Haag een (aangekondigde) demonstratie van Extinction Rebellion plaatsvond waarbij de verdachte zich had kunnen aansluiten.
(…)
Het hof is het op zichzelf met de verdediging eens dat, omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, de politie — gelet op het demonstratierecht — er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan. Zo had de politie de verdachte na de aanhouding en uitzetting op een andere plek kunnen heenzenden, in plaats van de verdachte mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor verhoor, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte.
Dit politieoptreden noch de vervolging doen echter af aan de wederrechtelijkheid van het gedrag van de verdachte, zodat het politieoptreden en de vervolging door het openbaar ministerie, zoals hierboven reeds is overwogen, ook niet tot ontslag van rechtsvervolging kunnen leiden, zoals door de verdediging is bepleit.
Het hof zal — zoals verderop in dit arrest blijkt — bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf wel rekening houden met de door de politie toegepaste maatregelen.
Het hof verwerpt het verweer.’
Juridisch kader
4.
Voor het juridisch kader zij verwezen naar middel 1, kantlijnnummers 4 tot en met 22 en 24.
Eerste deelklacht
5.
's Hofs oordeel (in reactie op het verweer van de raadsvrouw), dat de jegens verzoekster toegepaste strafrechtelijke maatregelen (aanhouding en/of ophouden voor onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf zoals bedoeld in artikel 144 Sr), ieder op zich of in onderlinge samenhang beschouwd, ‘necessary in a democratie society’ zijn zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 IVBPR en/of artikel 11 lid 2 EVRM en/of verenigbaar met artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 12 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU, is onjuist en/of onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Althans is dat oordeel niet gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’.
6.
Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat de inperking van verzoeksters recht om te demonstreren in de plenaire vergaderzaal van de Tweede Kamer, door haar uit de zaal te verwijderen en aan te houden, geen ontoelaatbare inbreuk op haar demonstratierecht vormde, omdat door haar wijze van demonstreren een openbare vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal werd verstoord en ingrijpen door de politie noodzakelijk was omdat zij en haar medeverdachten door hun wijze van optreden het democratisch proces verstoorden. In dat oordeel heeft het hof betrokken dat er diezelfde dag op het Plein in Den Haag een aangekondigde demonstratie van Extinction Rebellion plaatsvond waarbij, aldus het hof, verzoekster zich had kunnen aansluiten.
7.
Aldus heeft het hof geoordeeld dat er een noodzaak bestond om het door verzoekster uitgeoefende recht als neergelegd in de artikelen 21 IVBPR en 11 EVRM te beperken door middel van een aanhouding. Dat is echter niet begrijpelijk in het licht van 's hofs overweging dat het er ‘op zichzelf’ met de verdediging mee eens is dat (omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had en gelet op het demonstratierecht) de politie er ook voor had kunnen kiezen minder verstrekkende maatregelen te treffen dan is gedaan en dat de politie verzoekster na aanhouding en uitzetting op een andere plek had kunnen heenzenden.36. In dat laatste oordeel ligt besloten dat het hof het onnodig vond dat verzoekster ten spoedigste werd overgebracht naar een plaats voor verhoor ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 53 lid 2 Sv, zodat zijn oordeel, dat het achteraf bezien ‘necessary in a democratie society’ was verzoekster aan te houden, niet zonder meer begrijpelijk is en/of niet toereikend gemotiveerd. Volgens 's hofs oordeel kon immers worden volstaan met minder vergaande beperkingen.
8.
Ook is niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, 's hofs (impliciete) oordeel dat het jegens verzoekster toegepaste ophouden voor onderzoek en haar strafrechtelijke vervolging ‘necessary in a democratic society’ zijn. Het hof heeft immers overwogen dat wegens het vreedzame en beperkte karakter van de demonstratie de politie er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan, door verzoekster na de aanhouding en uitzetting op een andere plek heen te zenden, in plaats van haar mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor onderzoek, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van verzoekster. Aldus heeft ook in dit verband het hof ervan blijkgegeven dat kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.
9.
Ook indien in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat 's hofs overweging, dat de politie er ook voor had kunnen kiezen minder verstrekkende maatregelen te treffen dan is gedaan en verzoekster na aanhouding en uitzetting op een andere plek had kunnen heenzenden, niet betrekking heeft op de zaak met parketnummer 09-031276-21, dan is zijn (impliciete) oordeel, dat verzoeksters ophouden voor onderzoek, strafrechtelijke vervolging, schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf zoals bedoeld in artikel 144 Sr, telkens op zich of in onderlinge samenhang beschouwd, ‘necessary in a democratic society’ is als bedoeld in artikel 21 lid 2 IVBPR en/of artikel 11 lid 2 EVRM en/of verenigbaar met artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 12 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU, nog steeds niet begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd c.q. niet voorzien van ‘relevant and sufficient reasons.’ Immers heeft het hof aan de noodzaak van het toepassen van deze maatregelen geen enkele overweging gewijd (slechts heeft het geoordeeld dat verzoeksters verwijdering uit de zaal en haar aanhouding geen ontoelaatbare inbreuk op haar demonstratierecht vormden).
10.
Dit klemt temeer gezien de volgende omstandigheden. Het hof heeft niet ervan blijkgegeven in dit verband ‘alles te hebben afgewogen’ (vgl. HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742) c.q. ‘the case as a whole’ te hebben beoordeeld, terwijl de opdracht tot opgaaf van 'relevant and sufficient reasons’, mede gelet op het subsidiariteitsbeginsel, is gericht aan het hof, dat hiertoe bovendien, als feitenrechter het beste in staat is. Verder heeft het hof in ieder geval ten aanzien van de zaak met parketnummer 09-248055-21 onmiskenbaar geoordeeld dat de politie er ook voor had kunnen kiezen minder verstrekkende maatregelen te treffen, zodat het de vraag, waarom dat voor parketnummer 09-031276-21 niet zou opgaan, ten onrechte in het midden heeft gelaten. Uit 's hofs vaststellingen blijkt immers dat ook verzoeksters demonstratie in de Tweede Kamer een ‘vreedzaam en beperkt karakter’ had. Daaruit moet worden afgeleid dat verzoeksters demonstratie een ontwrichting van het dagelijks leven veroorzaakte die niet verder ging dan een 'minor disturbance’. Het tegendeel blijkt in ieder geval niet. Ook moet uit de vaststellingen van het hof worden afgeleid dat verzoekster het ingrijpen door de handhavers niet heeft tegengewerkt of eventueel tot haar gerichte vorderingen heeft genegeerd. In ieder geval kan de vaststelling, dat verzoekster en haar mededemonstranten het democratisch proces verstoorden, de verwerping van het verweer van de raadsvrouw niet zelfstandig dragen.
11.
Mede in het licht van de eisen die de ‘necessity’-toets stelt, is het de vraag of de delictsomschrijving van artikel 144 Sr — doordat daarin niet expliciet ‘wederrechtelijk’ als bestanddeel is opgenomen — nog wel voldoende flexibel aansluit aan de principes die in het internationaal recht zijn ontwikkeld. Het bestanddeel ‘opzettelijk verstoren’ in artikel 144 Sr verhoudt zich immers niet zonder meer met het principe dat een vreedzame vergadering in beginsel naar eigen inzicht van de demonstrant mag worden vormgegeven en 'within sight and sound’ van haar ‘target object’ moet kunnen plaatsvinden, hetgeen derhalve evenzeer geldt wanneer die vergadering qua uitingen een andere vergadering als doelwit heeft.
12.
In dergelijke omstandigheden noopt deze notie in ieder geval tot grote terughoudendheid bij de kwalificatie van een deelname aan een vreedzame vergadering als het strafbare feit van artikel 144 Sr. Voor zover de ‘necessity’-toets daarvoor toereikend het vereiste ventiel kan vormen, heeft het hof dat miskend.
13.
Tot slot heeft het hof miskend dat verzoekster deelnam aan vreedzaam klimaatprotest, zodat de bewezenverklaarde gedraging kwalificeert als ‘inspraak in de besluitvorming’ als bedoeld in artikel 1 Verdrag van Aarhus en een schuldigverklaring een schending oplevert van de ‘binding obligation’ op grond van artikel 3(8) van dit verdrag ‘to ensure that environmental defenders are not penalized, persecuted, or harassed’.
14.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Tweede deelklacht
15.
Voor zover het hof in zijn beoordeling van de zaak onder parketnummer 09-031276-21 heeft betrokken dat er diezelfde dag op het Plein in Den Haag een aangekondigde demonstratie van Extinction Rebellion plaatsvond waarbij verzoekster zich had kunnen aansluiten, is dat oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
16.
Op de eerste plaats heeft het hof noch uit het gebezigde bewijsmateriaal, noch uit het verhandelde ter terechtzitting (ook niet in eerste aanleg) kunnen afleiden een andere demonstratie plaatsvond, terwijl het ook niet het wettige bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het deze omstandigheid heeft ontleend.37. Ook heeft het hof uit het gebezigde bewijsmateriaal of uit het verhandelde ter terechtzitting niet kunnen afleiden dat verzoekster ermee bekend was dat een andere demonstratie plaatsvond. Verder heeft het hof ten onrechte niets vastgesteld over het tijdstip waarop die demonstratie in vergelijking met het tijdstip van verzoeksters demonstratie in de Tweede Kamer plaatsvond. Tot slot heeft het hof niet vastgesteld dat verzoekster tot het zich aansluiten bij de andere demonstratie in de gelegenheid is gesteld. Uit 's hofs vaststellingen blijkt niet dat dat waarschijnlijk is: verzoekster werd immers na aanhouding direct afgevoerd naar het politiebureau en aldaar opgehouden voor onderzoek.
17.
Op de tweede plaats heeft het hof met deze overweging miskend dat verzoekster (en haar mededemonstranten) het recht hadden zelf te bepalen op welke wijze hun demonstratie de meeste impact zou hebben, en dus wanneer en waar (ten opzichte van het 'target object"), alsook hoe, deze zou plaatsvinden. Verzoeksters demonstratie diende voorts op eigen merites te worden beoordeeld, zodat geen betekenis toekomt aan de mogelijkheid om op een andere plaats en tijd en in een andere vorm te kunnen demonstreren. In wezen is 's hofs overweging te dezen een dooddoener, omdat immers in alle gevallen over demonstranten kan worden gesteld dat zij ook anders, elders en op een andere tijd hun mening kunnen uiten.
18.
Ook om deze redenen kan het arrest niet in stand blijven.
Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU
19.
Ook voor de oplossing van dit geschil c.q. het beantwoorden van rechtsvragen in terzake het feit onder parketnummer 09-031276-21 is het van belang dat Uw Raad op de voet van artikel 267 VWEU de in middel 1 onder kantlijnnummer 42 geformuleerde prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de EU.38.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster in cassatie.
Amsterdam, 29 december 2024,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑12‑2024
HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742 en HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1743.
EHRM 8 maart 2022, 10613/10 (Ekrem Can and Others/Turkije).
‘(T)he purpose of an assembly is often linked to a certain location and/or time, to allow it to take place within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact (…).’ Bijv. EHRM 7 februari 2017, 57818/09 e.a. (Lashmankin and Others/Rusland).
Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 19 (in het wetsvoorstel was artikel 5 nog artikel 4). Zo is bijvoorbeeld een vooraf ingestelde ‘blanket prohibition’ om te demontreren niet mogelijk, vgl. B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss. 2016, p. 376. Roorda verwijst ter verdere onderbouwing naar de memorie van toelichting, Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 21 en naar J.P. Loof, De burgemeester en de demonstratievrijheid, 2007, Gst. 2007/104. In de evaluatie van de WOM voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uit 2015 wordt ditzelfde standpunt ingenomen: B. Roorda, J. Brouwer en A.E. Schilder, evaluatie van de Wet openbare manifestaties voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2015, p. 227. Vgl. ook Kamerstukken II 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 19: ‘(I)ndien aan de gestelde aanmeldingseisen is voldaan, [mag] een manifestatie slechts in dwingende situaties preventief (…) worden verboden: een van de in artikel 2 genoemde belangen moet dat «vorderen», dat wil zeggen het belang in kwestie moet in de gegeven situatie preponderant zijn, en de situatie moet van dien aard zijn, dat niet met een lichtere maatregel — bij voorbeeld het stellen van voorschriften en beperkingen — kan worden volstaan.’ Tot slot ligt het vereiste, dat ieder demonstratie qua rechtmatigheid op eigen merites moet worden beoordeeld, ook besloten in de visie dat ook spontane, niet-aangekondigde demonstraties onder de bescherming van het EVRM vallen en door de autoriteiten in beginsel getolereerd dienen te worden: ‘in particular, where demonstrators do not engage in acts of violence it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance (…). Vgl. bijv. EHRM 15 november 2018, 29580/12, 36847/12, 11252/13 (Navalnyy/Rusland).
EHRM 15 oktober 2015, 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen) en EHRM 1 september 2022, 23158/20 e.a. (Makarashvili and Others/Georgië).
In de officiele teksten: ‘prevention of disorder’ en ‘la défense de l'ordre’.
Vgl. EHRM 15 oktober 2015, 27510/08 (Perinçek/Zwitserland): ‘Article 10 § 2 of the Convention, as well as Articles 8 § 2 and 11 § 2, contains, whereas Article 6 § 1 of the Convention and Article 1 § 2 of Protocol No. 7 speak of the ‘interests of public order’, Article 9 § 2 of the Convention uses the formula ‘protection of public order’, and Article 2 § 3 of Protocol No. 4 refers to the ‘maintenance of ordre public’. While, as noted in paragraph 134 above, when using the same term the Convention and its Protocols must in principle be taken to refer to the same concept, differences in the terms used must normally be presumed to denote a variation in meaning. Seen in this context, the latter formulas appear to bear a wider meaning, based on the broad sense of the notion of public order (ordre public) used in continental countries (see paragraph 16 of the explanatory report to Protocol No. 4) — where it is often taken to refer to the body of political, economic and moral principles essential to the maintenance of the social structure, and in some jurisdictions even encompasses human dignity — whereas the former appears to convey a narrower significance, understood in essence in cases of this type as riots or other forms of public disturbance.’
Bijv. EHRM 13 januari 2009, 31451/03 (Açik and Others/Turkije), EHRM 18 december 2007, 32124/02 e.a. (Nurettin Aldemir and Others/Turkije) en EHRM 15 oktober 2015, 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen). Roorda, Brouwer en Schilder stellen: ‘Van een ‘chilling effect’ kan sprake zijn (…) als een demonstrant strafrechtelijk wordt vervolgd, ongeacht of dit leidt tot een veroordeling. Dus ook als het Openbaar Ministerie de zaak seponeert of de rechter de demonstrant vrijspreekt.’ Zie B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie-en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 116.
Dit is in UK Supreme Court 25 juni 2021, 2019/0106 (Director of Public Prosecutions v. Ziegler and others) als volgt verwoord door Uw collega's in het Verenigd Koninkrijk, op grond van een analyse van de Straatsburgse rechtspraak: ‘Article 11(2) states that ‘No restrictions shall be placed’ except ‘such as are prescribed by law and are necessary in a democratic society …’ In Kudrevičius v Lithuania (2016) 62 EHRR 34, para 100 the European Court of Human Rights (‘ECtHR’) stated that ‘The term ‘restrictions’ in article 11(2) must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards’ so that it accepted at para 101 ‘that the applicants’ conviction for their participation in the demonstrations at issue amounted to an interference with their right to freedom of peaceful assembly’. Arrest, prosecution, conviction, and sentence are all ‘restrictions’ within both articles. Different considerations may apply to the proportionality of each of those restrictions. The proportionality of arrest, which is typically the police action on the ground, depends on, amongst other matters, the constable's reasonable suspicion. The proportionality assessment at trial before an independent impartial tribunal depends on the relevant factors being proved beyond reasonable doubt and the court being sure that the interference with the rights under articles 10 and 11 was necessary. The police's perception and the police action are but two of the factors to be considered. It may have looked one way at the time to the police (on which basis their actions could be proportionate) but at trial the facts established may be different (and on that basis the interference involved in a conviction could be disproportionate).’
Bijv. EHRM 26 april 1979, 6538/74 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk (No. 1)), EHRM 18 januari 2001, 24876/94, EHRM 4 december 2008, 30562/04 en 30566/04 (S. and Marper/Verenigd Koninkrijk), EHRM 19 november 2019, 58954/09 (Obote/Rusland) en EHRM 30 juni 2015, 41418/04 (Khoroshenko/Rusland). Zie ook A.J. Nieuwenhuis, M. den Heijer en A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, 2021, p. 113; J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, C.5.4.3 en J.H. Gerards, How to improve the necessity test of the European Court of Human Rights, International Journal of Constitutional Law, 2013, p. 467. A-G Paridaens wijst erop dat bij de beoordeling van de proportionaliteit de beoordelingsruimte van de staat — de ‘margin of appreciation’ - per zaak verschilt. Zij stelt (voetnoten weggelaten): ‘Die is onder meer afhankelijk van de vraag of het onderwerp onder de verdragspartijen controversieel is, of de kern van een recht in het geding is en of er plaatselijke omstandigheden meespelen die beter door de staat kunnen worden beoordeeld. Ook hecht het EHRM daarbij in toenemende mate waarde aan de kwaliteit van de toetsing op nationaal niveau.’ Zie conclusie A-G Paridaens 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:769.
Roorda, Brouwer en Schilder stellen dat daarvan sprake kan zijn reeds als een demonstrant strafrechtelijk wordt vervolgd, ongeacht of dit leidt tot een veroordeling. Zie B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 89 en p. 116. Zij verwijzen naar EHRM 1 december 2011, 8080/08, 8577/08 (Schwabe and M.G./Duitsland). Zie ook EHRM 29 november 2007, 0025/02 (Balçik and Others/Turkije), EHRM 18 december 2007, 32124/02 e.a. (Aldemir and Others/Turkije), EHRM 13 oktober 2020, 35880/14, 75926/17 (Zakharov and Varzhabetyan/Rusland) en EHRM 10 november 2020, 75186/12 (Navalnyy and Gunko/Rusland).
Vgl. bijv. EHRM 2 oktober 2012, 1484/07 (Kakabadze and Others/Georgië).
‘An analysis of the Court's case-law […] reveals that the Contracting States’ discretion in punishing illegal conduct intertwined with expression or association, although wide, is not unlimited.’ Vgl. bijv. EHRM 15 mei 2014, 19554/05 (Taranenko/Rusland).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie-en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 114. Zij verwijzen naar EHRM [GC] 15 oktober 2015, 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen) en EHRM 17 november 2009, 26258/07, 26255/07 (Rai and Evans/Verenigd Koninkrijk).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie-en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 115.
EHRM 26 april 2016, 25501/07 e.a. (Novikova and Others/Rusland). Zie ook EHRM 14 april 2015, 36443/06 (Lütfiye Zengin and Others/Turkije), EHRM 4 december 2014, 76204/11 (Navalnyy and Yashin/Rusland).
Vgl. bijv. HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4260.
EHRM 13 januari 2009, 31451/03 (Açik and Others/Turkije).
Vgl. Hoge Raad 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623.
Vgl. bijv. EHRM 22 december 2020, 14305/17 (Selahattin Demirtaş/Turkije [No. 2]) en EHRM 17 mei 2016, 42461/13 en 44357/13 (Karácsony and Others/Hongarije).
Vgl. A-G Van Wees, conclusie voor HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1622 en bijv. EHRM 15 oktober 2015, 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
Besluit van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (2005/370/EG). In HvJ-EU 4 mei 2010, ECLI:EU:C:2010:243 (TNT Express Nederland BV/AXA Versicherung AG, C-533/08) overwoog de Grote Kamer: ‘Wat internationale verdragen betreft, staat vast dat de verdragen die zijn gesloten door de Unie een integrerend bestanddeel zijn van de rechtsorde van de Unie (…).’
Dit Comité houdt ingevolge artikel 15 van het verdrag toezicht op de naleving van het verdrag.
UN Special Rapporteur on Environmental Defenders under the Aarhus Convention, ‘State repression of environmental protest and civil disobedience: a major threat to human rights and democracy’, februari 2024, p. 6. Hij verwijst naar de ‘Findings and recommendations with regard to communication ACCC/C/2014/102 concerning compliance by Belarus’, ECE/MP.PP/C.1/2017/19, par. 66.
VN-speciale rapporteur inzake Environmental Defenders, ‘State repression of environmental protest and civil disobedience: a major threat to human rights and democracy’, februari 2024, p. 6.
Idem, p. 21.
Vgl. HR 16 december 1969, ECLI:NL:HR:1969: AB5039.
Conclusie A-G Paridaens 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:769.
Vgl. bijv. HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633 en HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1639.
Vgl. HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5352.
Zie hierboven, voetnoot 5.
HvJ-EU (Grote Kamer) 4 mei 2010, ECLI:EU:C:2010:243(TNT Express Nederland BV/AXA Versicherung AG, C-533/08).
Vgl. conclusie A-G Drijber 2 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:118. Zie ook HvJ-EU 15 oktober 2024, C-144/23 (Kubera) en HvJ-EU 6 oktober 2011 C-561/19, alsook EHRM 10 april 2012, 4832/04 (Vergauwen/België) en EHRM 8 april 2014, 17120/09 (Dhahbi/Italië).
Vgl. conclusie A-G Drijber 2 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:118, alsook HvJ-EU 6 oktober 1982, 283/81 ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit) .
Dat deze overweging ook betrekking heeft op de zaak met parketnummer 09-031276-21 moet worden afgeleid uit het feit dat deze is opgenomen in een alomvattend oordeel over beide zaken 09-248055-21 en 09-031276-21, is weergegeven na een witregel over de initiële oordelen over deze zaken, deze qua inhoud op beide zaken van toepassing is en het hof niet heeft geoordeeld dat deze op slechts één van de beoordeelde gevallen ziet. Tot slot luidt de slotzin van deze overweging: ‘Het hof zal — zoals verderop in dit arrest blijkt — bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf wel rekening houden met de door de politie toegepaste maatregelen’, hetgeen blijkens 's hofs arrest voor beide feiten is geschied.
Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985; zie ook noot M.J. Borgers onder HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008, 70.
Waarbij voor ‘artikel 139 Sr’ uiteraard telkens ‘artikel 144 Sr’ dient te worden gelezen.