Ten tijde van de berechting in feitelijke aanleg was de verdachte aangeduid als [verdachte] .
HR, 19-12-2023, nr. 22/00882
ECLI:NL:HR:2023:1742
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2023
- Zaaknummer
22/00882
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Staatsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1742, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:815
ECLI:NL:PHR:2023:815, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑09‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1742
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑12‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0222
M en R 2024/24 met annotatie van B. Arentz
NJ 2024/233 met annotatie van E.J. Dommering
Uitspraak 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Beschadiging trap voor hoofdkantoor van oliemaatschappij door zwarte, op olie gelijkende vloeistof over trap te gieten (art. 350.1 Sr). Wordt met vervolging, berechting en bestraffing van verdachte ontoelaatbare inbreuk gemaakt op art. 10/11 EVRM? HR wijdt algemene beschouwingen aan reikwijdte van het in art. 10 en 11 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en aan beantwoording van vraag onder welke omstandigheden beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is. Hof heeft verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM verworpen en daarbij kennelijk betrokken dat verdachte, ook zonder door gieten van vloeistof privé-eigendom (tijdelijk) onbruikbaar te maken en zo gevaarlijke situatie voor derden te creëren, gelegenheid had om zich uit te spreken tegen activiteiten van oliemaatschappij. Verder ligt in overwegingen hof besloten dat aanleiding voor strafrechtelijke optreden tegen en vervolging van verdachte dan ook niet was gelegen in deelnemen aan protest tegen oliemaatschappij, maar in tijdens die protestactie plegen van strafbaar feit. In overwegingen ligt voorts besloten dat hof van oordeel is dat verdachte “reprehensible act” pleegde (laakbaar gedrag vertoonde), waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat beperking in uitoefening van recht op vrije meningsuiting en recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Tot slot heeft hof “alles afwegende” geoordeeld dat volstaan moet worden met geheel voorwaardelijke geldboete van € 350, waarmee hof heeft gewaarborgd dat bestraffing proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan “chilling” effect” uitgaat op personen die door deelname aan protestactie gebruik willen maken van recht op vrijheid van meningsuiting en recht op vrijheid van vergadering. Gelet hierop getuigt oordeel hof dat vervolging, berechting en bestraffing van verdachte onder deze omstandigheden geen strijd opleveren met art. 10/11 EVRM, niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00882
Datum 19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 maart 2022, nummer 22-001115-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
De cassatiemiddelen klagen in de kern over het oordeel van het hof dat met de vervolging, berechting en bestraffing van de verdachte voor haar gedragingen geen ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op haar recht op vrijheid van meningsuiting en betoging, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 31 januari 2020 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een trap voor het pand aan de Carel van Bylandtlaan 16, die aan Shell Global BV toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt.”
2.2.2
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 31 januari 2020 van de politie Eenheid Den Haag met nr. (...), inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] - zakelijk weergegeven - :
Op 31 januari 2020, te 13.20 uur, werd ik naar de Carel van Bylandtlaan te Den Haag gestuurd omdat zich daar, voor de hoofdingang van het kantoorgebouw van Shell, een groep van ongeveer 25 tot 30 actievoerders bevond. De actievoerders hebben positie ingenomen op het bordes en de trappen naar de hoofdingang. Door een vrouw, die deel uitmaakte van de groep betogers, werd een zwarte, op olie gelijkende, vloeistof over de trappen uitgegoten. Ik heb de menigte toegeroepen dat zij werden opgeroepen om de plaats van de demonstratie vrijwillig te verlaten. Indien men aan deze oproep geen gevolg zou geven, zou men bij weigering worden aangehouden. Ik zag dat door de aanwezige actievoerders geen gevolg werd gegeven aan de oproep om de demonstratie te beëindigen en de plaats te verlaten. Vervolgens heb ik de aanwezige politieambtenaren opdracht gegeven om alle actievoerende personen aan te houden.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 januari 2020 van de politie Eenheid Den Haag met nr. (...), inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] - zakelijk weergegeven - :
Op 31 januari 2020 kwam ik ter plaatse bij het gebouw van Shell in Den Haag. Om 14.08 bleken alle aangehouden verdachten te zijn geplaatst in een voertuig zodat zij konden worden overgebracht naar het hoofdbureau van politie. Ik zag dat een groot gedeelte van de trap naar de ingang van het gebouw was besmeurd met een donkere en vettige substantie. Dit zou door de beveiliging van Shell worden schoongemaakt. Dit omdat het erg glad en gevaarlijk was en zo te voorkomen dat bezoekers van het gebouw zouden uitglijden en ernstig gewond zouden raken.
3. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2020 van de politie Eenheid Den Haag met nr. (...), inhoudende de verklaring van de aangever [aangever]
- zakelijk weergegeven - :
Ik ben namens Shell Global, gevestigd aan de Carel van Bylandtlaan 16 te 's-Gravenhage, gerechtigd tot het doen van aangifte van vernieling. Op 31 januari 2020 was ik aan het werk op het hoofdkantoor van Shell. Toen ik in de ochtend aankwam op mijn werk was de trap nog schoon. Ik zag dat de demonstranten de trap voor het hoofdkantoor besmeurden met een zwarte substantie. Ik heb de trap afgezet omdat ik zag dat het niet veilig was om over de treden van de trap te lopen en om te voorkomen dat mensen gewond zouden raken. Ik voelde dat de treden glad waren door de vloeistof en ik zag dat de stof zwart afgaf wanneer je er doorheen liep.
4. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 februari 2022, inhoudende - zakelijk weergegeven - :
Ik ben degene die de substantie op een deel van de trap van Shell aan de Carel van Bylandtlaan in Den Haag heeft gegooid. Ik was de enige. Als iemand zonnebloemolie op een stenen trap gooit en wegloopt dan snap ik dat iemand daarover uitglijdt. We waren ons ervan bewust dat het glad had kunnen zijn.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“Op 31 januari 2020 omstreeks 13.20 uur vond er voor het kantoorgebouw van Shell aan de Carel van Bylandtlaan 16 in Den Haag een demonstratie plaats van ongeveer 25 tot 30 actievoerders. De verdachte maakte deel uit van de groep betogers. Zij heeft een zwarte, op olie gelijkende, vloeistof over de trappen voor het kantoorgebouw van Shell gegoten. De politie heeft de actievoerders opgeroepen om de demonstratie te beëindigen. Geen van de personen voldeed aan die oproep. Hierna zijn alle actievoerende personen, waaronder de verdachte, aangehouden.
Verbalisant [verbalisant 2] heeft, nadat alle personen in een politievoertuig waren geplaatst, gezien dat de trap naar de ingang van het gebouw was besmeurd met een donkere en vettige substantie. Dit zou door de beveiliging van Shell worden schoongemaakt, omdat het erg glad en gevaarlijk was. Men wilde voorkomen dat bezoekers van het gebouw zouden uitglijden en ernstig gewond zouden raken.
[aangever] heeft namens Shell aangifte gedaan van vernieling. Hij zag dat de trap was besmeurd met een zwarte substantie. Hij heeft de trap afgezet omdat het niet veilig was om over de treden van de trap te lopen. Hij voelde dat de treden glad waren en dat de trap zwart afgaf wanneer je er doorheen liep.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij heeft meegedaan aan een demonstratie van Extinction Rebellion en dat zij daarbij een substantie over de trap van het hoofdgebouw van Shell heeft gegoten. De substantie bestond uit zonnebloemolie, houtskoolpoeder en maïzena en kon makkelijk worden verwijderd. Zij heeft dit gedaan als symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten, omdat Shell een van de grootste vervuilers is ter wereld.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden staat vast dat de verdachte een zwarte olieachtige vloeistof over de trap voor het hoofdgebouw van Shell heeft gegoten. De vraag die beantwoord moet worden is of deze handeling een overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) oplevert.
Artikel 350 lid 1 Sr beschermt het ongestoorde gebruik en genot van een goed door degene aan wie dat goed toebehoort. Ook het onbruikbaar maken van een goed is strafbaar gesteld. Dit is opgenomen met het oog op de mogelijkheid een goed, zonder het te beschadigen, onbruikbaar te maken voor zijn bestemming. Voor het 'voor zijn bestemming onbruikbaar maken' is niet vereist dat de materie van het goed zelf is aangetast. Evenmin is vereist dat blijvende schade is toegebracht. Verder geldt dat is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld. Hij of zij moet hebben geweten, of bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard, dat hij of zij het goed in kwestie onbruikbaar maakte en dat het goed aan een ander toebehoorde. Het opzet hoeft niet gericht te zijn op de wederrechtelijkheid.
In onderhavig geval heeft de verdachte een olieachtige vloeistof over de trap van Shell gegoten waardoor deze trap tijdelijk onbruikbaar was. Uit de verklaringen van aangever en verbalisant [verbalisant 2] blijkt dat de trap tijdelijk niet voor zijn bestemming gebruikt kon worden; de trap was afgezet, omdat hij glad was en het gevaarlijk was om daaroverheen te lopen. Dat de trap slechts voor een deel was overgoten maakt dit oordeel niet anders. Dat geldt ook voor het feit dat er een schoonmaakploeg van Extinction Rebellion klaar stond om de trap schoon te maken. Dit laat namelijk onverlet dat (een groot deel van) de trap direct na het gieten van de vloeistof voor zijn bestemming onbruikbaar was.
Aan de inhoud van de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] met betrekking tot het klaar staan van een schoonmaakploeg om de substantie op de trap aanstonds te verwijderen wordt niet getwijfeld, maar het kan niet afdoen aan het oordeel dat de trap tijdelijk onbruikbaar was. (...)
De verdachte heeft tot slot verklaard dat het niet haar bedoeling was om de trap te vernielen, met andere woorden dat zij geen opzet heeft gehad op vernieling van de trap. Door de olieachtige vloeistof over de trap te gieten heeft zij echter naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij de trap glad en dus (tijdelijk) onbruikbaar maakte. Dat zij hiertoe gerechtigd was, blijkt nergens uit, hetgeen betekent dat zij ook wederrechtelijk heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 31 januari 2020 een trap van Shell onbruikbaar heeft gemaakt.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Ontslag van alle rechtsvervolging: strafrechtelijke veroordeling vormt een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en artikel 11 EVRM.
Fundamenteel karakter van het recht op betoging
8. Het strafrecht moet met terughoudendheid worden toegepast wanneer het betogingsrecht in het geding is. De gedragingen van cliënte worden in beginsel beschermd door de demonstratievrijheid (artt. 10 en 11 EVRM en artt. 19 en 21 IVBPR en art. 9 Grondwet). Ingrijpen door de politie waardoor inbreuk wordt gemaakt op het recht van cliënten tot betoging, dient volgens de rechtspraak van het Europese Hof proportioneel te zijn in verhouding tot de belangen van openbare orde en noodzakelijk zijn in een democratisch land. In deze zaak waren de aanhoudingen van de actievoerders onder wie ook cliënte onnodig en niet proportioneel.
9. EHRM
Op 30 november 2021 deed het EHRM uitspraak in de zaak van twee actievoerders in Bulgarije, een populair blogger en een politiek activist: Genov & Sabrinska v. Bulgarije. Zij werden veroordeeld voor "hooliganism" en beboet omdat zij op de herdenkingsdag van de Bolsjewiekse Revolutie in 1917 met een spuitbus met verf een tekst hadden aangebracht op een monument. Zij deden dit in het kader van vele landelijke protesten tegen de Bulgaarse regering. Aan het EHRM was voorgelegd of hun veroordeling verenigbaar was met art. 10 EVRM. Kern van de uitspraak van het EHRM is dat, aangezien niet was gebleken van enig serieuze of onomkeerbare schade aan het monument, terwijl het een vreedzame, geweldloze actie betrof, strafrechtelijke vervolging en bestraffing niet noodzakelijk is. Het Europese Hof verwees ook naar de uitspraak van het EHRM van 6 april 2021 in de zaak Handzhiyski v. Bulgaria, no. 10783/14 (ECLI:CE:ECHR:2021:0406JUD001078314) en concludeert dat de inbreuk op het recht van de actievoerders op hun right to freedom of expression door hen strafrechtelijk te veroordelen en hen een boete op te leggen, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, niet noodzakelijk was in een democratische samenleving als bedoeld in art. 10 van het EVRM. Daarmee was het recht op vrije meningsuiting volgens het EHRM geschonden.
10. Op de rechten die in onze Grondwet in art. 9, in de artikelen 10 en 11 in het EVRM en in artt. 19 en 21 IVBPR beschermd worden, mag alleen inbreuk worden gemaakt indien die inbreuk bij de wet is voorzien ter bescherming van een aantal met name genoemde belangen en noodzakelijk -necessary- is in een democratische samenleving. Het noodzaakcriterium wordt verder uitgewerkt in de zin, dat de maatregel moet voortspruiten uit een pressing social need (zie ook MvT hoofdstuk 6), en zowel proportioneel moet zijn als in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
11."Noodzakelijk", necessary, heeft een strikte betekenis. Deze eis mag volgens het Europese Hof niet worden ingevuld met ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’, zie bijv. in Handzhiyski v. Bulgaria, (ECLI:CE:ECHR:2021:0406JUD001078314): "Indeed, the adjective ‘necessary’ in Article 10 (2) implies the existence of a pressing social need, and does not have the flexibility of such expressions as ‘useful’, ‘reasonable’ or ‘disireable’ (...)”.
12. Maatregelen die na afloop van een vreedzame vergadering of betoging door de autoriteiten worden genomen kunnen bijdragen aan of zelfs op zichzelf genomen leiden tot de vaststelling dat inmenging plaatsvindt ogv art. 10 of 11 EVRM en dat daardoor deze bepalingen worden geschonden. Zie o.m. t.a.v. art. 11 EVRM de zaak Others tegen Litouwen: “The Court reiterates that an interference with the exercise of freedom of peaceful assembly does not need to amount to an outright ban, whether legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term “restrictions’’ in Article 11 §2 must be interpreted as including both measures taken before or during an act of assembly and those, such as punitive measures, taken afterwards (..).” EHRM (Grand Chamber) 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevicius and Others tegen Litouwen).
13. De door het EHRM in ogenschouw te nemen maatregelen achteraf kunnen zijn de arrestatie van de demonstranten, hun daarop aansluitende detentie op het politiebureau, hun strafrechtelijke vervolging of hun strafrechtelijke veroordeling. Het gaat hier dus om maatregelen die op zichzelf staand beperkingen vormen van de vrijheden als bedoeld in de artt. 10 en 11 EVRM nadat bijvoorbeeld een demonstrant is verwijderd van een bepaalde privélocatie wegens de bescherming op die locatie van zwaarder wegende rechten van anderen.
14. Mr. dr. B. Roorda, verbonden aan de Universiteit van Groningen, heeft onlangs met een team van onderzoekers, onder wie de Groningse staatsrechtgeleerden Brouwer en Schilder, in opdracht van het ministerie van BZK onderzoek gedaan naar recente demonstratie- en vergadering rechtelijke vraagstukken. Dit onderzoek is onlangs, op 1 november 2021, afgerond, en door de minister van BZK aangeboden aan de Tweede Kamer. (...)
Zij concluderen aan de hand van analyse van Europese rechtspraak:
“Strafrechtelijk optreden tegen demonstranten dient te voldoen aan de eisen die artikel 11 lid 2 EVRM stelt aan een beperking van de demonstratievrijheid. Bij de beoordeling of aan deze eisen is voldaan, zijn blijkens de rechtspraak van het EHRM de aard en de ernst van de (strafbare) gedraging en de aard en de ernst van de beperkende maatregel relevante factoren. Voor zover demonstranten zich vreedzaam gedragen, staat aanhouding en in het bijzonder strafrechtelijke vervolging en veroordeling op gespannen voet met artikel 11 EVRM. Als demonstranten zich niet of minder vreedzaam gedragen, dan is strafrechtelijk optreden eerder gerechtvaardigd en kan zelfs een gevangenisstraf noodzakelijk worden geacht. Dit is in het bijzonder het geval als demonstranten zich schuldig maken aan gewelddadigheden of hiertoe aanzetten. Dergelijk strafrechtelijk optreden kan ook gerechtvaardigd zijn als demonstranten zich schuldig maken aan ‘reprehensible’ gedrag, dat wil zeggen gedrag dat het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoort, in een grotere mate dan in het geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een demonstratieve blokkade van een snelweg. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van strafrechtelijk optreden moet ook het ‘chilling effect’ dat dit optreden op demonstranten kan hebben worden meegewogen, aldus het EHRM. (...) Tegen vreedzame demonstranten dient in beginsel niet strafrechtelijk te worden opgetreden. Als demonstranten zich schuldig maken aan gewelddadigheden of hiertoe aanzetten of als zij het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, verdergaand dan dat je mag verwachten bij een ‘normale’ demonstratie, dan is strafrechtelijk optreden - tot aan een gevangenisstraf aan toe - eerder gerechtvaardigd. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van strafrechtelijk optreden moet ook het ‘chilling effect’ ervan worden meegewogen, aldus het EHRM. Uit onze analyse van de Nederlandse rechtspraak volgt dat bij uitingsdelicten de context van de demonstratie en de mate waarin de uiting dienstig is aan of een bijdrage levert aan het maatschappelijk debat relevante factoren zijn bij de beoordeling of de uiting een strafbaar feit oplevert. Bij andere dan uitingsdelicten wegen rechters soms meerdere niet-inhoudelijke factoren mee bij de beoordeling van de strafbaarheid van een gedraging van een demonstrant, zoals de duur en de omvang van de actie en de mate waarin de actie leidt tot bijvoorbeeld hinder, schade of wanordelijkheden. In het merendeel van de zaken oordelen rechters echter dat een strafbare gedraging ook in de context van een demonstratie strafbaar is, zonder dit nader te motiveren en zonder aan de hand van een of meer van de hierboven genoemde factoren na te gaan of de demonstratievrijheid de strafbaarheid van de gedraging in casu misschien wel ontneemt. Door het ontbreken van een nadere motivering in deze zaken wordt niet inzichtelijk waarom de demonstratievrijheid in dat concrete geval niet aan de strafbaarheid van de gedraging in de weg staat. Dit roept vragen op, in het bijzonder als het gaat om een betrekkelijk licht vergrijp en de rechter in een min of meer vergelijkbare zaak bovendien tot een geheel andere conclusie komt.”
15. Artikel 11 EVRM beschermt vergaderingen die vreedzaam zijn, ‘the right to freedom of peaceful assembly’. Om te bepalen of een vergadering of betoging vreedzaam is, toetst het EHRM met name of de organisatoren en deelnemers al dan niet gewelddadige bedoelingen hadden. De actie op 31 januari 2020 was een vreedzame demonstratie. Ook blokkades, sit-ins en bezettingen vallen onder de bescherming van het recht op demonstratie. Art. 10 EVRM beschermt volgens het EHRM niet alleen de inhoud van de uiting, maar ook de vorm waarin dat wordt gedaan. (zie randnummer 2 pleitnota eerste aanleg "symbolic conduct").
16. Voor het aannemen van wanordelijkheden wordt blijkens de rechtspraak van het EHRM een bepaalde mate van ernst vereist. De vraag is wanneer van dergelijk gedrag sprake is. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt volgens Roorda, Brouwer en Schilder, dat gedrag van demonstranten ‘reprehensible’ (laakbaar) is, wanneer zij het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid (zie ook Kudrevius tegen Litouwen EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 par. 173).
Roorda c.s. constateren in hun recente onderzoek dat bij schade of wanorde nog geen sprake in van 'reprehensible', laakbaar gedrag. Voorts is van belang dat het EHRM aanvaardt dat demonstraties veelal een ‘disruption to ordinary life’ meebrengen.
17. Vreedzame demonstratie, zorgvuldige voorbereiding, geen schade, geringe inbreuk en beperkte duur
De verdediging meent dat de handelingen van cliënte op 31 januari 2020 van een licht kaliber waren en dat de demonstratieve actie als vreedzaam was aan te merken. De actie was zorgvuldig voorbereid waarbij de substantie die [verdachte] [de Hoge Raad begrijpt: de verdachte van wie de achternaam is gewijzigd] op een deel van de trap had uitgestrooid makkelijk en helemaal te verwijderen was en een schoonmaakploeg met schoonmaakmiddelen en -materialen klaarstond om de trap schoon te maken, waarbij ook de veiligheid van de actievoerders en omstanders c.s. in acht was genomen. Er is geen schade aan de trap toegebracht. Dat volgt niet uit het dossier. Shell heeft geen verzoek tot schadevergoeding ingediend en heeft als volgt op de actie van cliënte c.s. gereageerd:
“Shell respecteert het recht en de vrijheid om te demonstreren, als dit maar op een veilige manier gebeurt”, reageert het olie- en gasconcern op de demonstratie. “Shell heeft een strategie die het Klimaatakkoord van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord steunt. In die zin hebben we dus hetzelfde doel als de activisten. We verschillen alleen van mening over de weg ernaartoe. Shell ziet klimaatactivisme als een positieve ontwikkeling als het leidt tot een constructieve dialoog en tot samenwerking. Een enkele partij kan klimaatverandering niet oplossen, we moeten allemaal samenwerken.”
De plaats waar gedemonstreerd werd was symbolisch. Het (voormalig) hoofdkantoor van Shell in Nederland. De demonstratie was ook van beperkte duur en vormde een geringe inbreuk op het eigendomsrecht van Shell.
18. OVAR ook vanwege reeds voldoende bestraffing
Cliënte is al voldoende aangepakt, zij zat relatief lang in voorarrest in een politiecel. De arrestatie, het optreden van de politie en de lange duur van haar voorarrest, hebben grote impact op cliënte gehad. Het handelen van cliënte was gewetensvol. Zij heeft met haar mede demonstranten aandacht gevraagd voor een maatschappelijke misstand waarvan de betekenis in de afgelopen tijd maatschappelijk alleen maar aan kracht heeft gewonnen. In de hiervoor geschetste omstandigheden van deze zaak verzoek ik Uw Hof art. 350 lid 1 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artt. 10 en 11 EVRM. Ik verzoek u aldus cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
19. Conclusie.
Verzocht wordt het vonnis van de politierechter van 24 maart 2020 te vernietigen, (...)subsidiair cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging aangezien zij gebruik maakte van haar demonstratierecht dat o.m. beschermd wordt door artikel 10 en 11 van het EVRM. Door [verdachte] voor deze daad te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op niet toegestane wijze inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.
20. Uitdrukkelijk meer subsidiair
Toepassing van art. 9a Sr gezien de context/achtergrond vd verweten handelingen en de gevolgen die dit al voor [verdachte] heeft gehad. Voorts betreft het een feit van inmiddels langer dan twee jaar geleden.”
2.2.5
Het requisitoir van de advocaat-generaal houdt over de inverzekeringstelling van de verdachte het volgende in:
“In deze zaak is verdachte op vrijdag 31/1 om 13.45u aangehouden (als N.N.) en op zondag 2/2 om 19.54u heengezonden (VH 3 dgn). De reden voor het langere oponthoud was gelegen in het feit dat verdachte geen legitimatiebewijs bij zich en weigerde haar naam te geven en wilde geen verklaring afleggen.”
2.2.6
Het hof heeft over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde het volgende overwogen:
“Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij gebruik maakte van haar demonstratierecht ex artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Door de verdachte voor haar handelen op 31 januari 2020 te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op een ongeoorloofde manier inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat de door het EVRM gewaarborgde vrijheden niet absoluut zijn. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van - onder meer - de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een geoorloofde beperking van de grondrechten van de verdachte. Zij heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf en niet, zoals door de raadsvrouw van de verdachte is betoogd, aan een gering feit. Het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van goederen is bij wet strafbaar gesteld en de handhaving ervan is noodzakelijk in een democratische samenleving. Het demonstratierecht biedt geen vrijbrief voor het maken van een inbreuk op het eigendomsrecht van anderen. Hieruit volgt dat de artikelen 10 en 11 lid 2 EVRM niet zijn geschonden door de verdachte aan te houden en te vervolgen op grond van artikel 350 Sr. Het verweer wordt derhalve verworpen.”
2.2.7
Het hof heeft de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350 opgelegd en over de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:
“De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van (een deel van) de trap die toebehoort aan Shell. Door zo te handelen heeft zij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Shell en een gevaarlijke situatie gecreëerd voor mensen die van die trap gebruik maakten. Dat deze actie onderdeel was van een demonstratie en dat zij de intentie had de substantie van de trap te laten verwijderen doet daaraan niet af. (...)
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.”
Juridisch kader
2.3.1
In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 350 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
- Artikel 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
- Artikel 11 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
2.3.2
Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving en gelden als “the foundations of such a society”. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen), alsmede het recht omvat om – binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen (vgl. EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen), overweging 91 en EHRM 7 februari 2017, nr. 57818/09 e.a. (Lashmankin en anderen tegen Rusland), overweging 405).
2.3.3
Artikel 11 EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM. In zijn uitspraak van 21 november 2023, nr. 56896/17 e.a. (Laurijsen en anderen tegen Nederland) heeft het EHRM de rechtspraak over dit toepassingsbereik van artikel 11 EVRM als volgt samengevat:
“48. Article 11 of the Convention only protects the right to “peaceful assembly”, a notion which does not cover a demonstration where the organisers and participants have violent intentions. The guarantees of Article 11 therefore apply to all gatherings except those where the organisers and participants have such intentions, incite violence or otherwise reject the foundations of a democratic society (see Kudrevičius and Others, cited above, § 92).
49. In order to establish whether an applicant may claim the protection of Article 11, the Court takes into account (i) whether the assembly was intended to be peaceful or whether the organisers had violent intentions; (ii) whether the applicant demonstrated violent intentions when joining the assembly; and (iii) whether the applicant inflicted bodily harm on anyone (see Shmorgunov and Others v. Ukraine, nos. 15367/14 and 13 others, § 491, 21 January 2021). It notes that where both sides – demonstrators and police – were involved in violent acts, it is sometimes necessary to examine who started the violence (see Primov and Others v. Russia, no. 17391/06, § 157, 12 June 2014).
50. It should be noted that an individual does not cease to enjoy the right to freedom of peaceful assembly as a result of sporadic violence or other punishable acts committed by others in the course of the demonstration if the individual in question remains peaceful in his or her own intentions or behaviour. The possibility that persons with violent intentions who are not members of the organising association might join the demonstration cannot as such take away that right. Even if there is a real risk that a public demonstration might result in disorder as a result of developments outside the control of those organising it, such a demonstration does not as such fall outside the scope of paragraph 1 of Article 11, and any restriction placed thereon must be in conformity with the terms of paragraph 2 of that provision (see Kudrevičius and Others, cited above, § 94).
51. The burden of proving the violent intentions of the organisers of a demonstration lies with the authorities (see Christian Democratic People’s Party v. Moldova (no. 2), no. 25196/04, § 23, 2 February 2010).
52. In the Court’s view, although not an uncommon occurrence in the context of the exercise of freedom of assembly in modern societies, physical conduct purposely obstructing traffic and the ordinary course of life in order to seriously disrupt the activities carried out by others is not at the core of that freedom as protected by Article 11 of the Convention. This state of affairs might have implications for any assessment of “necessity” to be carried out under the second paragraph of Article 11 (see Kudrevičius and Others, cited above, § 97).”
2.3.4
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het EHRM in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) het volgende overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
2.3.5
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak het volgende overwogen:
“142. The right to freedom of assembly, one of the foundations of a democratic society, is subject to a number of exceptions which must be narrowly interpreted and the necessity for any restrictions must be convincingly established. When examining whether restrictions on the rights and freedoms guaranteed by the Convention can be considered “necessary in a democratic society” the Contracting States enjoy a certain but not unlimited margin of appreciation (see Barraco, cited above, § 42). It is, in any event, for the Court to give a final ruling on the restriction’s compatibility with the Convention and this is to be done by assessing the circumstances of a particular case (see Osmani and Others v. the former Yugoslav Republic of Macedonia (dec.), no. 50841/99, ECHR 2001-X, and Galstyan, cited above, § 114).
143. When the Court carries out its scrutiny, its task is not to substitute its own view for that of the relevant national authorities but rather to review under Article 11 the decisions they took. This does not mean that it has to confine itself to ascertaining whether the State exercised its discretion reasonably, carefully and in good faith; it must look at the interference complained of in the light of the case as a whole and determine, having established that it pursued a “legitimate aim”, whether it answered a “pressing social need” and, in particular, whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were “relevant and sufficient” (see Coster v. the United Kingdom [GC], no. 24876/94, § 104, 18 January 2001; Ashughyan v. Armenia, no. 33268/03, § 89, 17 July 2008; S. and Marper v. the United Kingdom [GC], nos. 30562/04 and 30566/04, § 101, ECHR 2008; Barraco, cited above, § 42; and Kasparov and Others, cited above, § 86). In so doing, the Court has to satisfy itself that the national authorities applied standards which were in conformity with the principles embodied in Article 11 and, moreover, that they based their decisions on an acceptable assessment of the relevant facts (see Rai and Evans, cited above, and Gün and Others, cited above, § 75; see also United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, 30 January 1998, § 47, Reports 1998-I, and Gerger v. Turkey [GC], no. 24919/94, § 46, 8 July 1999).
144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
145. Freedom of assembly as enshrined in Article 11 of the Convention protects a demonstration that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote (see Stankov and the United Macedonian Organisation Ilinden, cited above, § 86). Any measures interfering with freedom of assembly and expression other than in cases of incitement to violence or rejection of democratic principles – however shocking and unacceptable certain views or words used may appear to the authorities – do a disservice to democracy and often even endanger it (see Güneri and Others v. Turkey, nos. 42853/98 and 2 others, § 76, 12 July 2005; Sergey Kuznetsov, cited above, § 45; Alekseyev, cited above, § 80; Fáber, cited above, § 37; Gün and Others, cited above, § 70; and Taranenko, cited above, § 67).
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
2.3.6
Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich kan brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt – ongeacht de aard van en de vorm waarin dat optreden plaatsvindt en ongeacht de vraag of dit optreden tot een sanctie leidt – tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt immers dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een “reprehensible act” pleegt tijdens de demonstratie. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.7
De vraag of en wanneer sprake is van zo’n “reprehensible act” (laakbare gedraging), laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Wel heeft het EHRM in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) het volgende overwogen:
“173. (...) the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law (...). Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.”
2.3.8
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. ook HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.9
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” (privé-eigendom) in het geding is, bijvoorbeeld als in het verband van een demonstratie een strafbaar feit plaatsvindt dat het ongestoorde genot van “private property” (privé-eigendom) aantast. (Vgl., in een enigszins andere context, EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby/Verenigd Koninkrijk).)
Het oordeel van de Hoge Raad
2.4.1
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte deel uitmaakte van een groep van ongeveer 25 tot 30 actievoerders die bij een kantoorgebouw van Shell demonstreerden en dat de verdachte – als een “symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten” – een zwarte, op olie gelijkende vloeistof over de trap voor dat gebouw heeft gegoten. Het hof heeft verder vastgesteld dat een medewerker van Shell de trap heeft afgezet omdat het erg glad en gevaarlijk was en men wilde voorkomen dat bezoekers van het gebouw zouden uitglijden en ernstig gewond zouden raken. Het hof heeft op basis van deze vaststellingen geoordeeld dat de tenlastegelegde gedraging van de verdachte kan worden aangemerkt als het in artikel 350 lid 1 Sr bedoelde misdrijf van ‘onbruikbaar maken van een goed’ en dat die gedraging een inbreuk opleverde op het eigendomsrecht van Shell.
2.4.2
Het hof heeft het verweer van de raadsvrouw verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artikelen 10 en 11 EVRM. Daarbij heeft het hof kennelijk betrokken dat de verdachte, ook zonder door het gieten van de vloeistof privé-eigendom (tijdelijk) onbruikbaar te maken en zo een gevaarlijke situatie voor derden te creëren, de gelegenheid had om zich uit te spreken tegen de activiteiten van Shell. Verder ligt in de overwegingen van het hof besloten dat de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen en de vervolging van de verdachte dan ook niet was gelegen in het deelnemen aan het protest tegen Shell, maar in het tijdens die protestactie plegen van een strafbaar feit (vgl. voor het belang van deze omstandigheid EHRM 21 november 2023, nr. 56896/17 e.a. (Laurijsen en anderen tegen Nederland), overweging 58). In deze overwegingen ligt voorts besloten dat het hof van oordeel is dat de verdachte een “reprehensible act” pleegde (laakbaar gedrag vertoonde), waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was. Tot slot heeft het hof “alles afwegende” – waarbij het hof kennelijk ook heeft betrokken dat de oorzaak van de duur van het voorarrest van de verdachte mede was gelegen in de weigering van de verdachte om haar persoonsgegevens op te geven – geoordeeld dat volstaan moet worden met een geheel voorwaardelijke geldboete van € 350, waarmee het hof heeft gewaarborgd dat de bestraffing proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van hun recht op vrijheid van vergadering.
2.4.3
Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat de vervolging, de berechting en de bestraffing van de verdachte onder deze omstandigheden geen strijd opleveren met de artikelen 10 en 11 EVRM, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. De cassatiemiddelen falen in zoverre.
2.5
De Hoge Raad heeft ook de verder in de cassatiemiddelen aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M. Kuijer, C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.
Conclusie 19‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie PG. Onbruikbaar maken van een trap door tijdens een demonstratie bij het hoofdkantoor van Shell een vloeistof over de trap naar de ingang van het gebouw te gieten. Het middel komt op tegen de verwerping van het hof van het beroep op art. 10 en 11 EVRM. De PG gaat nader in op de verhouding van strafrechtelijk optreden tot het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadervrijheid zoals gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 EVRM. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/00882
Zitting 19 september 2023
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte]1.,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 3 maart 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort onbruikbaar maken" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
3. Op 31 januari 2020 vond er voor het (voormalig) hoofdkantoor van Shell in Den Haag een demonstratie plaats. Aan de demonstratie namen ongeveer 25 tot 30 actievoerders deel, onder wie de verdachte. Zij heeft tijdens die demonstratie een zwarte, op olie gelijkende vloeistof (naar eigen verklaring bestaande uit zonnebloemolie, houtskoolpoeder en maïzena) over de trap naar de ingang van het gebouw gegoten. De politie heeft de actievoerders daarna opgeroepen om de demonstratie te beëindigen. Nadat de demonstranten hieraan geen gehoor gaven, zijn zij aangehouden. Door de vloeistof was een groot deel van de trap glad en gevaarlijk om overheen te lopen. De trap is toen tijdelijk afgezet om te worden schoongemaakt.
4. De verdachte is aangehouden2.en later vervolgd en zowel door de rechtbank als het hof veroordeeld wegens het onbruikbaar maken van de trap (art. 350 Sr) tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,00 met een proeftijd van twee jaren.
5. In feitelijke aanleg heeft de verdediging een beroep gedaan op de artikelen 10 en 11 EVRM. Het hof heeft dit verweer verworpen. De middelen in cassatie richten zich tegen de verwerping van dit verweer. Voordat ik daartoe overga, geef ik (de relevante delen van) het gevoerde verweer en de verwerping daarvan in het arrest weer.
Het beroep op de artikelen 10 en 11 EVRM
6. Namens de verdachte is ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. Deze houden – voor zover van belang – het volgende in:
“Ontslag van alle rechtsvervolging: strafrechtelijke veroordeling vormt een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en artikel 11 EVRM.
Fundamenteel karakter van het recht op betoging
8. Het strafrecht moet met terughoudendheid worden toegepast wanneer het betogingsrecht in het geding is. De gedragingen van cliënte worden, in beginsel beschermd door de demonstratievrijheid (artt. 10 en 11 EVRM en artt. 19 en 21 IVBPR en art. 9 Grondwet). Ingrijpen door de politie waardoor inbreuk wordt gemaakt op het recht van cliënten tot betoging, dient volgens de rechtspraak van het Europese Hof proportioneel te zijn in verhouding tot de belangen van openbare orde en noodzakelijk zijn in een democratisch land. In deze zaak waren de aanhoudingen van de actievoerders onder wie ook cliënte onnodig en niet proportioneel.
9. EHRM
Op 30 november 2021 deed het EHRM uitspraak in de zaak van twee actievoerders in Bulgarije, een populair blogger en een politiek activist: Genov & Sabrinska v. Bulgarije. Zij werden veroordeeld voor "hooliganism" en beboet omdat zij op de herdenkingsdag van de Bolsjewiekse Revolutie in 1917 met een spuitbus met verf een tekst hadden aangebracht op een monument. Zij deden dit in het kader van vele landelijke protesten tegen de Bulgaarse regering. Aan het EHRM was voorgelegd vraag of hun veroordeling verenigbaar was met art. 10 EVRM. Kern van de uitspraak van het EHRM is dat, aangezien niet was gebleken van enig serieuze of onomkeerbare schade aan het monument, terwijl het een vreedzame, geweldloze actie betrof, strafrechtelijke vervolging en bestraffing niet noodzakelijk is. Het Europese Hof verwees ook naar de uitspraak van het EHRM van 6 april 2021 in de zaak Handzhiyski v. Bulgaria, no. 10783/14 (ECLI:CE:ECHR:2021:0406JUD001078314) en concludeert dat de inbreuk op het recht van de actievoerders op hun right to freedom of expression door hen strafrechtelijk te veroordelen en hen een boete op te leggen, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, niet noodzakelijk was in een democratische samenleving als bedoeld in art. 10 van het EVRM. Daarmee was het recht op vrije meningsuiting volgens het EHRM geschonden.
10. Op de rechten die in onze Grondwet in art. 9, in de artikelen 10 en 11 in het EVRM en in artt. 19 en 21 IVBPR beschermd worden, mag alleen inbreuk worden gemaakt indien die inbreuk bij de wet is voorzien ter bescherming van een aantal met name genoemde belangen en noodzakelijk -necessary - is in een democratische samenleving. Het noodzaakcriterium wordt verder uitgewerkt in de zin dat de maatregel moet voortspruiten uiteen pressing social need (zie ook MvT hoofdstuk 6), en zowel proportioneel moet zijn als in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
11."Noodzakelijk", necessary, heeft een strikte betekenis. Deze eis mag volgens het Europese Hof niet worden ingevuld met nuttig', 'redelijk’ of 'wenselijk', zie bijv. in Handzhiyski v. Bulgaria, (ECLI:CE:ECHR:2021:0406JUD001078314): "Indeed, the adjective ‘necessary' in Article 10 (2) implies the existence of a pressing social need, and does not have the flexibility of such expressions as "useful, "reasonable" or "disireable"(…)”.
12. Maatregelen die na afloop van een vreedzame vergadering of betoging door de autoriteiten worden genomen kunnen bijdragen aan of zelfs op zichzelf genomen leiden tot de vaststelling dat inmenging plaatsvindt ogv art. 10 of 11 EVRM en dat daardoor deze bepalingen worden geschonden. Zie o.m. t.a.v. art. 11 EVRM de zaak Others tegen Litouwen: "‘The Court reiterates that an interference with the exercise of freedom of peaceful assembly does not need to amount to an outright ban, whether legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term “restrictions’’ in Article 11 §2 must be interpreted as including both measures taken before or during an act of assembly and those, such as punitive measures, taken afterwards (..).’ EHRM (Grand Chamber) 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevicius and Others tegen Litouwen).
13. De door het EHRM in ogenschouw te nemen maatregelen achteraf kunnen zijn de arrestatie van de demonstranten, hun daarop aansluitende detentie op het politiebureau, hun strafrechtelijke vervolging of hun strafrechtelijke veroordeling. Het gaat hier dus om maatregelen die op zichzelf staand beperkingen vormen van de vrijheden als bedoeld in de artt. 10 en 11 EVRM nadat bijvoorbeeld een demonstrant is verwijderd van een bepaalde privélocatie wegens de bescherming op die locatie van zwaarder wegende rechten van anderen.
(…)
15. Artikel 11 EVRM beschermt vergaderingen die vreedzaam zijn, 'the right to freedom of peaceful assembly. Om te bepalen of een vergadering of betoging vreedzaam is, toetst het EHRM met name of de organisatoren en deelnemers al dan niet gewelddadige bedoelingen hadden. De actie op 31 januari 2020 was een vreedzame demonstratie. Ook blokkades, sit-ins en bezettingen vallen onder de bescherming van het recht op demonstratie. Art. 10 EVRM beschermt volgens het EHRM niet alleen de inhoud van de uiting, maar ook de vorm waarin dat wordt gedaan, (zie randnummer 2 pleitnota eerste aanleg "symbolic conduct").
16. Voor het aannemen van wanordelijkheden wordt blijkens de rechtspraak van het EHRM een bepaalde mate van ernst vereist. De vraag is wanneer van dergelijk gedrag sprake is. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt volgens Roorda, Brouwer en Schilder, dat gedrag van demonstranten ‘reprehensible’ (laakbaar) is, wanneer zij het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid (zie ook Kudrevius tegen Litouwen EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 par. 173).
Roorda c.s. constateren in hun recente onderzoek dat bij schade of wanorde nog geen sprake in van 'reprehensible', (laakbaar) gedrag. Voorts is van belang dat het EHRM aanvaardt dat demonstraties veelal een "disruption to ordinary life' meebrengen.
17. Vreedzame demonstratie, zorgvuldige voorbereiding, geen schade, geringe inbreuk en beperkte duur
De verdediging meent dat de handelingen van cliënte op 31 januari 2020 van een licht kaliber waren en dat de demonstratieve actie als vreedzaam was aan te merken. De actie was zorgvuldig voorbereid waarbij de substantie die [verdachte] op een deel van de trap had uitgestrooid makkelijk en helemaal te verwijderen was en een schoonmaakploeg met schoonmaakmiddelen en -materialen klaarstond om de trap schoon te maken, waarbij ook de veiligheid van de actievoerders en omstanders c.s. in acht was genomen. Er is geen schade aan de trap toegebracht. Dat volgt niet uit het dossier. Shell heeft geen verzoek tot schadevergoeding ingediend en heeft als volgt op de actie van cliënte c.s. gereageerd:
„Shell respecteert het recht en de vrijheid om te demonstreren, als dit maar op een veilige manier gebeurt ", reageert het olie- en gasconcern op de demonstratie. „Shell heeft een strategie die het Klimaatakkoord van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord steunt. In die zin hebben we dus hetzelfde doel als de activisten. We verschillen alleen van mening over de weg ernaartoe. Shell ziet klimaatactivisme als een positieve ontwikkeling als het leidt tot een constructieve dialoog en tot samenwerking. Een enkele partij kan klimaatverandering niet oplossen, we moeten allemaal samenwerken" .
De plaats waar gedemonstreerd werd was symbolisch. Het (voormalig) hoofdkantoor van Shell in Nederland. De demonstratie was ook van beperkte duur en vormde een geringe inbreuk op het eigendomsrecht van Shell.
18. OVAR ook vanwege reeds voldoende bestraffing
Cliënte is al voldoende aangepakt, zij zat relatief lang in voorarrest in een politiecel. De arrestatie, het optreden van de politie en de lange duur van haar voorarrest, hebben grote impact op cliënte gehad. Het handelen van cliënte was gewetensvol. Zij heeft met haar mede demonstranten aandacht gevraagd voor een maatschappelijke misstand waarvan de betekenis in de afgelopen tijd maatschappelijk alleen maar aan kracht heeft gewonnen. In de hiervoor geschetste omstandigheden van deze zaak verzoek ik Uw Hof art. 350 lid 1 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artt. 10 en 11 EVRM. Ik verzoek u aldus cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
19. Conclusie.
Verzocht wordt het vonnis van de politierechter van 24 maart 2020 te vernietigen, cliënte alsnog vrij te spreken van het aan haar ten laste gelegde feit, subsidiair cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging aangezien zij gebruik maakte van haar demonstratierecht dat o.m. beschermd wordt door artikel 10 en 11 van het EVRM. Door [verdachte] voor deze daad te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op niet toegestane wijze inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.
20. Uitdrukkelijk meer subsidiair
Toepassing van art. 9a Sr gezien de context/achtergrond vd verweten handelingen en de gevolgen die dit al voor [verdachte] heeft gehad. Voorts betreft het een feit van inmiddels langer dan twee jaar geleden.
21. Persoonlijke omstandigheden
Naamswijziging
UJD nog geen onherroepelijke veroordelingen, op een lichte overtreding na.
Vaste baan bij Greenpeace.”
Het bestreden arrest
7. De nadere bewijsoverweging, overwegingen over de strafbaarheid van de verdachte en de strafmotivering in het bestreden arrest houden, voor zover relevant, het volgende in:
“Nadere bewijsoverweging
Op 31 januari 2020 omstreeks 13.20 uur vond er voor het kantoorgebouw van Shell aan de Carel van Bylandtlaan 16 in Den Haag een demonstratie plaats van ongeveer 25 tot 30 actievoerders,. De verdachte maakte deel uit van de groep betogers. Zij heeft een zwarte, op olie gelijkende, vloeistof over de trappen voor het kantoorgebouw van Shell gegoten. De politie heeft de actievoerders opgeroepen om de demonstratie te beëindigen. Geen van de personen voldeed aan die oproep. Hierna zijn alle actievoerende personen, waaronder de verdachte, aangehouden.
Verbalisant [verbalisant] heeft, nadat alle personen in een politievoertuig waren geplaatst, gezien dat de trap naar de ingang van het gebouw was besmeurd met een donkere en vettige substantie. Dit zou door de beveiliging van Shell worden schoongemaakt, omdat het erg glad en gevaarlijk was. Men wilde voorkomen dat bezoekers van het gebouw zouden uitglijden en ernstig gewond zouden raken.
[aangever] heeft namens Shell aangifte gedaan van vernieling. Hij zag dat de trap was besmeurd met een zwarte substantie. Hij heeft de trap afgezet omdat het niet veilig was om over de treden van de trap te lopen. Hij voelde dat de treden glad waren en dat de trap zwart afgaf wanneer je er doorheen liep.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij heeft meegedaan aan een demonstratie van Extinction Rebellion en dat zij daarbij een substantie over de trap van het hoofdgebouw van Shell heeft gegoten. De substantie bestond uit zonnebloemolie, houtskoolpoeder en maïzena en kon makkelijk worden verwijderd. Zij heeft dit gedaan als symbolische actie en om de demonstratie kracht bij te zetten, omdat Shell een van de grootste vervuilers is ter wereld.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden staat vast dat de verdachte een zwarte olieachtige vloeistof over de trap voor het hoofdgebouw van Shell heeft gegoten. De vraag die beantwoord moet worden is of deze handeling een overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) oplevert.
Artikel 350 lid 1 Sr beschermt het ongestoorde gebruik en genot van een goed door degene aan wie dat goed toebehoort. Ook het onbruikbaar maken van een goed is strafbaar gesteld. Dit is opgenomen met het oog op de mogelijkheid een goed, zonder het te beschadigen, onbruikbaar te maken voor zijn bestemming. Voor het 'voor zijn bestemming onbruikbaar maken' is niet vereist dat de materie van het goed zelf is aangetast. Evenmin is vereist dat blijvende schade is toegebracht. Verder geldt dat is vereist dat de verdachte (voorwaardelijk) opzettelijk heeft gehandeld. Hij of zij moet hebben geweten, of bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard, dat hij of zij het goed in kwestie onbruikbaar maakte en dat het goed aan een ander toebehoorde. Het opzet hoeft niet gericht te zijn op de wederrechtelijkheid.
In onderhavig geval heeft de verdachte een olieachtige vloeistof over de trap van Shell gegoten waardoor deze trap tijdelijk onbruikbaar was. Uit de verklaringen van aangever en verbalisant [verbalisant] blijkt dat de trap tijdelijk niet voor zijn bestemming gebruikt kon worden; de trap was afgezet, omdat hij glad was en het gevaarlijk was om daaroverheen te lopen. Dat de trap slechts voor een deel was overgoten maakt dit oordeel niet anders. Dat geldt ook voor het feit dat er een schoonmaakploeg van Extinction Rebellion klaar stond om de trap schoon te maken. Dit laat namelijk onverlet dat (een groot deel van) de trap direct na het gieten van de vloeistof voor zijn bestemming onbruikbaar was.
Aan de inhoud van de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] met betrekking tot het klaar staan van een schoonmaakploeg om de substantie op de trap aanstonds te verwijderen wordt niet getwijfeld, maar het kan niet afdoen aan het oordeel dat de trap tijdelijk onbruikbaar was. Het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , die gelijkluidend zou kunnen verklaren als [betrokkene 1] , als getuige te horen over de hierboven bedoelde verklaring van [betrokkene 1] zal dan ook worden afgewezen.
De verdachte heeft tot slot verklaard dat het niet haar bedoeling was om de trap te vernielen, met andere woorden dat zij geen opzet heeft gehad op vernieling van de trap. Door de olieachtige vloeistof over de trap te gieten heeft zij echter naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij de trap glad en dus (tijdelijk) onbruikbaar maakte. Dat zij hiertoe gerechtigd was, blijkt nergens uit, hetgeen betekent dat zij ook wederrechtelijk heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 31 januari 2020 een trap van Shell onbruikbaar heeft gemaakt.
(…)
Strafbaarheid van de verdachte
Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij gebruik maakte van haar demonstratierecht ex artikelen 10 en 11 van het Europees, Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Door de verdachte voor haar handelen op 31 januari 2020 te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op een ongeoorloofde manier inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat de door het EVRM gewaarborgde vrijheden niet absoluut zijn. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van - onder meer - de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een geoorloofde beperking van de grondrechten van de verdachte. Zij heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf en niet, zoals door de raadsvrouw van de verdachte is betoogd, aan een gering feit. Het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van goederen is bij wet strafbaar gesteld en de handhaving ervan is noodzakelijk in een democratische samenleving. Het demonstratierecht biedt geen vrijbrief voor het maken van een inbreuk op het eigendomsrecht van anderen. Hieruit volgt dat de artikelen 10 en 11 lid 2 EVRM niet zijn geschonden door de verdachte aan te houden en te vervolgen op grond van artikel 350 Sr. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
(…)
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van (een deel van) de trap die toebehoort aan Shell. Door zo te handelen heeft zij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Shell en een gevaarlijke situatie gecreëerd voor mensen die van die trap gebruik maakten. Dat deze actie onderdeel was van een demonstratie en dat zij de intentie had de substantie van de trap te laten verwijderen doet daaraan niet af.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2022.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.”
De middelen
8. Het eerste middel houdt in dat het hof op onjuiste dan wel onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden en/of zonder zich te baseren op daartoe ‘relevant and sufficient reasons’ in de zin van artikelen 10 en 11 EVRM het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging heeft verworpen.
9. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof op onjuiste dan wel onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden voorbij is gegaan aan het verweer dat inn het licht van de artikelen 10 en 11 EVRM diende te worden volstaan met toepassing van artikel 9a Sr en dat het onbegrijpelijk is dat het hof het noodzakelijk heeft geacht een strafrechtelijke sanctie op te leggen, mede door te overwegen dat de verdachte een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd voor mensen die van de trap gebruik maakten.
10. Omdat beide middelen in de kern opkomen tegen het oordeel van het hof dat erop neerkomt dat met de vervolging, berechting en sanctionering van de verdachte voor haar gedragingen geen ontoelaatbare inbreuk wordt gemaakt op haar recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en betoging (artikel 11 EVRM), zal ik deze gezamenlijk bespreken. Voordat ik daartoe overga, zal ik stilstaan bij het toepasselijk juridisch kader, zoals dat in het bijzonder volgt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: Hof of EHRM).
Het juridisch kader
11. Artikel 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
12. Artikel 11 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
13. Artikel 10 EVRM strekt ter bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting en “constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for the development of every man.”3.Het EHRM benadrukt dat “all means of expression are included in the ambit of Article 10”.4.Om te beoordelen of een gedraging onder de bescherming van artikel 10 EVRM valt, legt het EHRM, in de woorden van AG Hofstee5., zowel een objectieve als een subjectieve toets aan. Het Hof formuleert deze beoordeling als volgt: “An assessment must be made of the nature of the act or conduct in question, in particular of its expressive character seen from an objective point of view, as well as of the purpose or the intention of the person performing the act or carrying out the conduct in question”.6.Voorbeelden van gedragingen die in dit verband onder artikel 10 EVRM vielen, zijn het uitdelen van folders en omhoog houden van spandoeken7., het met verf besmeuren8.of aankleden9.van een standbeeld en het bakken van een ei op een ‘eternal flame’ van een herdenkingsmonument10.. Ook gedragingen “that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote” en “those that offend, shock or disturb” vallen onder het bereik van deze bepaling.11.
14. Artikel 11 EVRM waarborgt het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging (betoging). Ook de vergadervrijheid moet worden beschouwd als een van de fundamenten van een democratische samenleving en daarom mag dit recht volgens het Hof niet restrictief worden geïnterpreteerd.12.Onder de reikwijdte van deze bepaling vallen allerhande samenkomsten: privaat en publiek, statisch en dynamisch, politiek en niet-politiek.13.Een duidelijk voorbeeld is een georganiseerde vreedzame demonstratie of protestmars, al is de bescherming van artikel 11 EVRM daartoe niet beperkt.14.Blokkadeacties vormen volgens het EHRM niet de kern van de vergadervrijheid, maar kunnen daar wel onder vallen.15.Van belang is dat het niet slechts gaat om de uiting van een persoonlijke opvatting, maar om het doelbewust gezamenlijk uitbrengen daarvan (‘to do so together with others’).16.Solo demonstraties vallen om die reden niet onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM, maar wel onder die van artikel 10 EVRM.17.De vergadervrijheid omvat ook het recht op vrije keuze van de tijd, plaats en wijze van de samenkomst, binnen de grenzen van het tweede lid van artikel 11 EVRM.18.Een belangrijke begrenzing is dat artikel 11 EVRM alleen het recht op vreedzame vergaderingen (‘peaceful assembly’) beschermt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat de notie van ‘peaceful assembly’ niet demonstraties die worden gehouden met ‘violent intentions’. Een samenkomst “where the organisers and participants have such intentions, incite violence or otherwise reject the foundations of a democratic society”, wordt niet beschermd door artikel 11 EVRM.19.De enkele omstandigheid dat er een risico bestaat op ongeregeldheden tijdens een betoging betekent echter niet dat aan die betoging de bescherming van artikel 11 EVRM komt te ontvallen.20.Dat is evenmin het geval als enkele deelnemers aan de demonstratie gewelddadige intenties hebben of als er ‘marginal or sporadic’ gewelddadig of ander strafbaar gedrag wordt vertoond.21.Ook voor artikel 11 EVRM geldt dat demonstraties “that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote” en “those that offend, shock or disturb” bescherming genieten.22.
15. Vaak wordt gelijktijdig een beroep gedaan op de artikelen 10 en 11 EVRM, omdat de rechten sterk met elkaar zijn verweven. Welke bepaling centraal staat, hangt af van de omstandigheden van het geval.23.De ene bepaling wordt veelal in het licht van de andere bepaling bezien. Het Hof ziet het recht op vrijheid van vergadering in het licht van de vrijheid van meningsuiting, “where the aim of the exercise of freedom of assembly is the expression of personal opinions”.24.Artikel 11 EVRM wordt vaak gezien als een lex specialis ten opzichte van artikel 10 EVRM.25.
16. Het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging zijn geen van beide absoluut en zijn dus onderworpen aan mogelijke beperkingen.26.Een beperking (“restriction” of “interference”) kan bestaan uit maatregelen die niet alleen voor of tijdens een samenkomst zijn genomen, maar kan ook maatregelen behelzen die dateren van na de beëindiging van de samenkomst.27.Een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vergadervrijheid kan bijvoorbeeld zijn: een verbod tot deelname aan een protest, een reisverbod, iemand doen verwijderen uit een ruimte, de beëindiging van een demonstratie, een aanhouding, voorarrest, een sanctie (administratief, disciplinair en/of strafrechtelijk) en/of detentie wegens het uiten van persoonlijke opvattingen en/of deelnemen aan een demonstratie.28.
17. Het Hof legt bij de beoordeling of een beperking van de rechten als gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 EVRM toelaatbaar was de toets aan of (i) de beperking was voorzien bij de wet, (ii) een gerechtvaardigd doel diende en (ii) noodzakelijk was in een democratische samenleving.29.In aansluiting daarop houdt de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dat de in artikel 10 en artikel 11 EVRM gegarandeerde rechten op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering en betoging aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg staan als de veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van die vrijheden vormt.30.
18. Voor de eerste stap is vereist dat er een wettelijke basis is van voldoende kwaliteit ten aanzien van toegankelijkheid en voorzienbaarheid van de gevolgen.31.Bij de tweede stap kan als gerechtvaardigd doel bijvoorbeeld worden gedacht aan het voorkomen van wanorde of het beschermen van de rechten van anderen.32.
19. Bij de derde stap van een noodzakelijke33.beperking in een democratische samenleving stelt het Hof voorop dat de staten een ‘certain’ maar ‘not unlimited’ margin of appreciation genieten en dat het aan het Hof is om een eindoordeel te geven over de verenigbaarheid van de beperking met de bepalingen van het EVRM. Het Hof beziet de beperking ‘in the light of the case as a whole’.34.Bij deze stap beoordeelt het Hof of de beperking aan een “pressing social need” beantwoordde en “whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were relevant and sufficient”.35.Proportionaliteit impliceert een evenwicht tussen het beschermde recht enerzijds en andere belangen, waaronder de bescherming van andermans rechten, anderzijds. Zo weegt bij de beoordeling van een beperking van een protest in een privaat gebouw ook het eigendomsrecht van de andere partij mee.36.Iedere demonstratie in een publieke ruimte kan een zekere mate van ‘disruption to ordinary life, including disruption to traffic’ met zich brengen. Dat enkele feit geeft nog geen rechtvaardiging voor beperking, omdat de overheid voor vreedzame betogingen ‘a certain degree of tolerance’ in acht dient te nemen.37.De vraag in welke mate de overheid die tolerantie moet opbrengen, is volgens het Hof niet in algemene zin te beantwoorden. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de verstoring van het ‘dagelijkse leven’. Ook als een op zichzelf vreedzame demonstratie uitmondt in schade of andere wanordelijkheden kan een demonstrant niet worden onderworpen aan enige sanctionering, zolang diegene zelf geen gewelddadig of anderszins ‘reprehensible’ gedrag heeft laten zien.38.Als iemand zich wel laakbaar gedraagt, verzet het recht op vrijheid van meningsuiting en van betoging zich er niet tegen dat diegene, ondanks de deelname aan een vreedzame demonstratie, wordt onderworpen aan de dreiging en de oplegging van een straf of maatregel.39.Staten genieten in dit verband een ‘wider margin of appreciation’.40.
20. De vraag wanneer sprake is van ‘reprehensible’ gedrag heeft het Hof niet in algemene zin beantwoord. In Kudrevičius e.a. t. Litouwen41., waarin demonstranten op niet-toegewezen plekken drie snelwegen blokkeerden, gaat het Hof wel uitgebreider in op situaties waarin demonstranten hebben geprobeerd een activiteit van een ander te voorkomen of aan te passen. Daarbij overweegt het Hof dat indien demonstranten het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek, van ‘reprehensible’ gedrag sprake kan zijn (onderstreping PG):
“149. Since States have the right to require authorisation, they must be able to impose sanctions on those who participate in demonstrations that do not comply with such a requirement (see Ziliberberg; Rai and Evans; Berladir and Others, § 41; and Primov and Others, § 118, all cited above). At the same time, the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, § 53; Galstyan, § 115; and Barraco, § 44, all cited above). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).
(…)
171. The Court has already been called upon to examine situations where demonstrators had tried to prevent or alter the exercise of an activity carried out by others. In Steel and Others (cited above) the first and second applicants had obstructed a hunt and had impeded engineering work for the construction of a motorway, respectively. In Drieman and Others (cited above), Greenpeace activists had manoeuvred dinghies in such a way as to physically obstruct whaling, forcing the whalers to abandon their lawful exploitation of the living resources in Norway’s exclusive economic zone. In these two cases, the Court considered that the inflicting of sanctions (in Steel and Others, forty-four hours’ detention pending trial and sentencing to twenty-eight days’ imprisonment for the obstruction of the hunt and seventeen hours’ detention pending trial and sentencing to seven days’ imprisonment for the protest against the construction of the motorway; in Drieman and Others, two days’ detention on remand, fines convertible into imprisonment in case of default on payment and confiscation of a dinghy) was a reaction proportionate to, inter alia, the legitimate aim of protecting the rights and freedoms of others. The Court considers that the same conclusion should a fortiori be reached in the present case, where the actions of the demonstrators had not been directly aimed at an activity of which they disapproved, but at the physical blocking of another activity (the use of highways by goods vehicles and private cars) which had no direct connection with the object of their protest, namely the government’s alleged lack of action vis-à-vis the decrease in the prices of some agricultural products.
172. In this respect, the present case has more similarities with the cases of Lucas (cited above), where the applicant blocked a public road in order to protest against the retention of a nuclear submarine, and Barraco (cited above), concerning the applicant’s participation in a form of protest resulting in a severe slowing-down of the flow of traffic. As in Steel and Others and Drieman and Others (both cited above), the Court found that the sanctions imposed on the applicants (four hours’ detention in a police van and a fine of 150 pounds sterling in Lucas, and a three-month suspended prison sentence and a fine of 1,500 euros in Barraco) were “necessary in a democratic society” within the meaning of Article 11 § 2 of the Convention. The Court further notes that in Barraco the disruption to traffic lasted only five hours (as opposed to more than forty-eight hours in the present case) and that only one highway (as opposed to three) had been affected.
173. As can be seen from the above case-law, the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law (see paragraph 149 above). Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.
174. The Court considers that, even though the applicants had neither carried out acts of violence nor incited others to engage in such acts (contrast Osmani and Others; Protopapa; and Primov and Others, all cited above), the almost complete obstruction of three major highways in blatant disregard of police orders and of the needs and rights of the road users constituted conduct which, even though less serious than recourse to physical violence, can be described as “reprehensible”.”42.
21. Bij de proportionaliteitsafweging spelen naast de aard van de gedraging43.en de ‘fairness of the proceedings en the procedural guarantees afforded’44.de aard en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol.45.Zo achtte het Hof in een aantal zaken van belang dat een zeer lage boete was opgelegd die de betrokkene kennelijk ook kon betalen46., dat een voorwaardelijke straf was opgelegd die bovendien niet ten uitvoer was gelegd47., dat de sanctie niet in de Justitiële Documentatie was opgenomen48.en dat de geleden schade al was vergoed.49.Daarnaast is van belang dat optreden tegen personen die gebruik (willen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van betoging geen “chilling effect” mag hebben op diegenen of op anderen.50.De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met strafrechtelijke sanctionering. Voor strafrechtelijke sanctionering van demonstranten is daarom ook bijzondere rechtvaardiging vereist. Gevallen waarin gevangenisstraffen zijn opgelegd wegens geweldloze gedragingen, worden door het Hof met bijzondere nauwgezetheid beoordeeld.51.
22. Het Hof legt bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en betoging een ‘overall’ toets aan. Ingeval verschillende maatregelen zijn genomen, beschouwt het Hof deze gezamenlijk als de ‘interference’. Als bijvoorbeeld een betoging is beëindigd, iemand is aangehouden, in voorarrest heeft gezeten, is vervolgd en veroordeeld (al dan niet tot een gevangenisstraf), vormen al die maatregelen tezamen de beperking waarover het Hof zich buigt.52.In Taranenko/Rusland53.was sprake van een protestactie tegen de president van het land waarbij de receptie van een overheidsgebouw werd geblokkeerd en de demonstranten zichzelf opsloten in een kantoorruimte, alwaar ook vernielingen plaatsvonden. Dit leidde tot een overheidsoptreden waarbij de betrokkene, die zelf als standpunt innam dat zij niet deelnam aan de protestactie maar slechts de gebeurtenissen observeerde, was aangehouden en in voorarrest was geplaatst. Zij werd aanvankelijk beschuldigd van een poging tot ondermijning van de staat en veroordeeld wegens deelname aan massale wanordelijkheden tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar. Het Hof oordeelde dat zowel het verwijderen van de betrokkene uit het overheidsgebouw als de aanhouding gerechtvaardigd was (§ 79). De duur van het voorarrest en de opgelegde sanctie waren naar het oordeel van het Hof echter niet proportioneel (§ 95). In het licht van het voorgaande, kwam het Hof tot de conclusie dat de beperking als geheel niet noodzakelijk was in een democratische samenleving.54.
23. Een geslaagd beroep op de artikelen 10 en 11 EVRM brengt mee dat het bewezen verklaarde feit niet strafbaar is en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.55.
De klachten in cassatie
24. Ik keer terug naar de zaak.
25. De klachten komen er in de kern op neer dat het hof de verwerping van het beroep op de artikelen 10 en 11 EVRM ontoereikend heeft gemotiveerd. Niet wordt bestreden dat de beperking van deze beide rechten bij wet is voorzien en een gerechtvaardigd doel diende, maar wel dat deze noodzakelijk was in een democratische samenleving. Het eerste middel spitst zich daarbij toe op de beperking in de vorm van strafvervolging en het tweede middel op de beperking in de vorm van oplegging van een straf in plaats van de subsidiair bepleite toepassing van artikel 9a Sr. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
26. Als eerste cassatieklacht wordt naar voren gebracht dat het oordeel van het hof dat het begaan van een misdrijf niet als een gering feit kan worden aangemerkt onbegrijpelijk is. De steller van de middelen wijst er daarbij op dat uit de OM Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden blijkt dat het openbaar ministerie misdrijven kan seponeren op grond van ‘gering feit’.56.Dit oordeel van het hof miskent volgens de steller van de middelen ook het opportuniteitsbeginsel: niet elke, strafbare inbreuk op de rechtsorde vereist strafrechtelijk ingrijpen.
27. De klacht treft geen doel. Het hof heeft met de bestreden overwegingen gerespondeerd op het verweer namens de verdachte, voor zover dat inhoudt dat “de handelingen van cliënte op 31 januari 2020 van een licht kaliber waren”. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat het deze kwalificatie niet deelt en dat het gaat om een misdrijf waarmee, zo is nader toegelicht in de bewijsoverweging en de strafmotivering, inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht van Shell en een gevaarlijke situatie is gecreëerd en ten aanzien waarvan de oplegging van een geldboete een passende en geboden reactie vormt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
28. De tweede klacht hangt hiermee samen en houdt in dat het oordeel van het hof dat als een demonstrant zich in het kader van een vreedzame demonstratie schuldig maakt aan een misdrijf, een beperking van diens rechten door middel van strafrechtelijke vervolging en sanctionering noodzakelijk is, niet begrijpelijk is. Ook wordt aangevoerd dat het hof door te overwegen dat het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van goederen bij wet strafbaar is gesteld en de handhaving ervan noodzakelijk is in een democratische samenleving, zich ten onrechte heeft beperkt tot de eerste twee vragen, te weten of de inperking bij wet is voorzien en een gerechtvaardigd doel diende, zonder te beoordelen of de concrete inmenging noodzakelijk was in een democratische samenleving.
29. Ook hier begrijp ik de overwegingen in het bestreden arrest – in hun onderlinge samenhang bezien – aldus, dat het hof, zij het in wat algemene termen, tot uitdrukking heeft gebracht dat de beperkingen door de strafrechtelijke handhaving “in het onderhavige geval” als noodzakelijk in een democratische samenleving dienen te worden beschouwd. Aldus gelezen, komt aan de klacht de grondslag te ontvallen.
30. De steller van de middelen voert vervolgens aan dat het handelen van de verdachte volgens de rechtspraak van het EHRM niet als ‘laakbaar’ gedrag kan worden aangemerkt dat niet onder een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid is te scharen. Het oordeel dat strafrechtelijke vervolging noodzakelijk was, is daarom volgens hem niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij wordt van belang geacht dat sprake was van een symbolische vervuiling, dat het hof niet heeft weersproken de stelling van de verdediging dat de op olie gelijkende vloeistof biologisch afbreekbaar en eenvoudig afwasbaar was en na een regenbui zou wegspoelen en dat er onder de betogers een schoonmaakploeg aanwezig was die klaarstond om de substantie van de trap te verwijderen. Ook wordt nog aangevoerd dat Shell geen schadeclaim tegen de verdachte heeft ingediend.
31. Voor zover de klacht berust op het uitgangspunt dat in cassatie moet worden uitgegaan van de juistheid van stellingen van de verdediging die door het hof niet zijn “weersproken”, gaat het uit van een onjuiste opvatting van het strafprocesrecht. Verder zie ik niet in waarop het al dan niet indienen van een “schadeclaim” door Shell kan afdoen aan het oordeel van het hof. Ik concentreer me op de andere klachten.
32. Ten aanzien van de vraag of het gedrag van de verdachte als ‘reprehensible’ kan worden aangemerkt, geldt het volgende. De vraag of een gedraging moet worden aangemerkt als laakbaar (‘reprehensible’), is niet in algemene zin te beantwoorden. Duidelijk is dat gewelddadig gedrag als zodanig heeft te gelden. Het gooien van stenen naar de politie valt daaronder57.; het gooien van gedroogde bonen niet58.. Van ‘reprehensible gedrag’ kan sprake zijn als demonstranten het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. Het blokkeren van drie grote snelwegen tegen de instructies van de politie in, werd als zodanig aangemerkt, evenals het langere tijd blokkeren van de toegang van het parlementsgebouw en de weg daar naartoe en het blokkeren van een metro-ingang.
33. Namens de verdachte is in dit verband een beroep gedaan op de zaak Genov en Sarbinska t. Bulgarije.59.De betrokkenen in deze zaken hadden als politiek protest een bepaald standbeeld met verf bespoten. Het standbeeld was nadien schoongemaakt, maar onbekend was gebleven door wie. De betrokkenen waren veroordeeld wegens ‘hooliganism’ tot een administratieve boete van ongeveer € 767,00. Het Hof overweegt dat de schuldigverklaring en de oplegging van een boete niet waren aan te merken als noodzakelijk in een democratische samenleving en neemt een schending van artikel 10 EVRM aan. Daarbij neemt het Hof onder meer in aanmerking dat niet was bewezen dat de actie van de demonstranten had geleid tot “serious or irreversible damage to the monument, or that the removing of the spray-paint required significant resources. Nor can that act be qualified as vulgar or gratuitously offensive.”
34. Ook is namens de verdachte gewezen op het arrest van het EHRM inzake Handzhiyski t. Bulgarije60.. In deze zaak was in het kader van een politiek protest tijdens eerste kerstdag een standbeeld van een politicus met verf bespoten, in de kleuren rood en wit van de kerstman. Onbekend was gebleven wie deze verf had aangebracht. De betrokkene heeft hierna een kerstmuts en een zak met daarop “resignation” op het standbeeld geplaatst. Hij werd hiervoor vervolgd en aan hem werd een administratieve boete van € 51,- opgelegd. Het Hof was van oordeel dat de vervolging en bestraffing niet noodzakelijk waren in een democratische samenleving. Daarbij nam het Hof onder meer in aanmerking dat de betrokkene ‘did not engage in any form of violence and did not physically impair Mr Blagoev’s monument in any way”.
35. Deze zaken komen in zoverre overeen met de voorliggende zaak dat sprake is van een symbolische bewerking van een object, waarbij niet is vastgesteld dat onherstelbare schade is opgetreden. Verschillen zijn er echter ook. Het bewerken van een standbeeld brengt geen fysieke beperkingen voor anderen met zich, terwijl het gieten van een op olie gelijkende vloeistof op een trap voor de hoofdingang van een privaat gebouw gevaar kan veroorzaken voor anderen en, ook na afzetting van de trap, een beperking van de bewegingsvrijheid van anderen meebrengt. Daarbij komt dat, anders dan in de door de steller van de middelen aangehaalde zaken, hier private eigendomsrechten in het geding zijn. Zo had het EHRM in het arrest in de zaak Genov en Sarbinska tegen Bulgarije overwogen dat er geen aanknopingspunt was dat de inmenging in de rechten van de demonstranten strekten tot bescherming van de (eigendoms)rechten van de eigenaar van het monument of van de ‘public safety’ (par. 69-70). Ook daarin wijkt de voorliggende zaak af van de namens de verdachte gegeven voorbeelden uit de Europese rechtspraak.
36. Het hof heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het handelen van de verdachte daadwerkelijk een gevaarlijke situatie voor anderen heeft gecreëerd. Voor een verdere toetsing van dit feitelijk oordeel is in cassatie geen plaats. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet geenszins af dat de trap werd afgezet, zoals de steller van de middelen wil doen voorkomen. Afzetting was juist nodig door de gevaarlijke situatie die door toedoen van de verdachte was ontstaan. Bovendien was in dit geval sprake van het begieten van een trap van een particulier bedrijf, te weten Shell, dat ook aangifte heeft gedaan van vernieling. Hiermee komen de (eigendoms)rechten van anderen dan de verdachte in het geding.61.Met het besmeuren van een trap van de hoofdingang van een groot particulier bedrijf en daarmee het onbruikbaar maken daarvan, worden het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoord, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. Dat het hof het handelen van de verdachte (kennelijk) heeft aangemerkt als laakbaar, is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre falen de middelen.
37. De steller van de middelen klaagt verder dat het hof geen concrete “relevant and sufficient reasons” heeft gegeven voor de noodzakelijkheid van de veroordeling en sanctionering van de verdachte. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat wanneer een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting de vorm van een sanctie aanneemt, dit een gedetailleerde beoordeling van het specifieke gedrag vereist: “it cannot normally be justified solely because the expression at issue was caught by a legal rule formulated in general terms”.62.Waar het om gaat is of de beperking noodzakelijk is gezien de concrete omstandigheden van het geval.63.
38. Ik meen dat ook deze klacht geen doel treft. Het hof heeft geoordeeld dat het verweer van de raadsman dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 EVRM moet worden verworpen. Het heeft daarbij vooropgesteld dat de uitoefening van de uit de artikelen 10 en 11 EVRM voortvloeiende rechten kunnen worden onderworpen aan (o.a.) bepaalde beperkingen die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van – onder meer – de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de bescherming van de rechten van anderen. Daarmee heeft het hof het uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeiende toetsingskader tot uitgangspunt genomen.
39. In dezen doet zich niet de situatie voor waarin een demonstrant slechts vanwege de deelname aan een vreedzame demonstratie wordt onderworpen aan dreiging en oplegging van een straf of maatregel.64.Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gedrag tijdens een demonstratie dat inbreuk maakt op rechten van anderen en dat een overtreding van de strafwet oplevert.65.Door het besmeuren van de trap ontstond een situatie waarbij “het erg glad en gevaarlijk was“ en waarbij schoonmaken noodzakelijk was om “te voorkomen dat bezoekers van het gebouw zouden uitglijden en ernstig gewond zouden raken” (bewijsmiddel 2). Onder die omstandigheden heeft het hof kunnen oordelen dat de artikelen 10 en 11 EVRM niet in de weg staan aan een strafrechtelijke vervolging en veroordeling wegens het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort onbruikbaar maken. Daarbij neem ik in aanmerking dat de beperking bij wet is voorzien (o.a. art. 350 Sr) en strekte ter bescherming van de (eigendoms)rechten van anderen en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, terwijl gelet op de gevaarzetting ook kan worden gedacht aan de bescherming van de gezondheid van anderen. In de overwegingen van het hof ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte en de strafmotivering, in onderlinge samenhang bezien, ligt als zijn oordeel besloten dat het vervolgen en bestraffen van de verdachte noodzakelijk is in een democratische samenleving met het oog op de bescherming van de genoemde belangen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat de vervolging was toegesneden op art. 350 Sr en het hof heeft volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke geldboete van € 350. De strafrechtelijke vervolging en veroordeling tot een relatief lichte sanctie vonden aldus niet hun oorzaak in de deelname aan een vreedzame demonstratie, maar in het onbruikbaar maken van een trap die eigendom was van een onderneming en waarbij niet alleen de rechten van deze onderneming zijn geschonden maar ook een gevaarlijke situatie voor anderen is gecreëerd. Onder deze omstandigheden is de strafrechtelijke vervolging en bestraffing in verband met het onbruikbaar maken van de trap niet van een zo ingrijpend karakter dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. Het hof heeft dat in zijn motivering afdoende tot uitdrukking gebracht.
40. In het licht van het voorgaande falen de klachten en kunnen de middelen die zijn gericht tegen het oordeel van het hof, dat de vervolging en veroordeling van de verdachte geen schending van de artikelen 10 en 11 EVRM meebrengen, niet slagen.
Slotsom
41. De middelen falen.
42. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
43. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 19‑09‑2023
Ook is de verdachte drie dagen in verzekering gesteld. Het requisitoir van de advocaat-generaal houdt in dat de duur van de inverzekeringstelling ermee verband hield dat de verdachte weigerde haar naam op te geven en een identiteitsbewijs te overhandigen. Zie het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2022, p. 4.
EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72 (Handyside t. VK) § 49.
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 52.
ECLI:NL:PHR:2019:495, voorafgaand aan HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633.
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 54. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 21.
EHRM 23 september 1998, nr. 67/1997/851/1058 (Steel e.a. t. VK).
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije).
EHRM 30 november 2021, nr. 52358/15 (Genov & Sarbinska t. Bulgarije en EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije).
EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne).
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 61.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 91 en EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 65. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Evaluatie Wet openbare manifestaties, 2015, p. 18 met verwijzing naar EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan t. Armenia) § 114.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 91. Een voorbeeld van een samenkomst in private sfeer geeft EHRM 7 mei 2015, nr. 59135/09 (Emin Huseynov t. Azerbeidzjan). Het recht op betoging geeft nog geen recht op toegang tot private ruimten, EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 78. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 6.
Bijvoorbeeld EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk), EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02, 32126/02, 32129/02, 32132/02, 32133/02, 3137/02 en 32138/02(Nurettin Aldemir e.a. t. Turkije) en EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije).
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 97-99. Zie bijvoorbeeld ook EHRM 5 maart 2009, n. 31684/05 (Barraco t. Frankrijk) en EHRM 18 maart 2003, nr. 39013/02 (Lucas t. VK). Vgl. ook Roorda, Brouwer en Schilder 2015, a.w., p. 18 en N. Swart & B. Roorda, ‘De reikwijdte van het bijkans heilige demonstratierecht’, NTM/NJCM-bull. 2023/3, p. 8.
EHRM 12 juni 2014, nr. 17391/06 (Primov e.a. t. Rusland) § 91. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 8 en Guide on Article 11 of the European Convention on Human Rights (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022), p. 7. Vgl. verder de Guidelines on Freedom of Peaceful Assembly van OSCE/ODIHR en de Venice Commission van de Raad van Europa, derde editie 2020, p. 8: “the term ‘assembly’ means the intentional gathering of a number of individuals in a publicly accessible place for a common expressive purpose.”.
In EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) betrof het een protest van vier personen en in EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07, 57569/11, 80153/12, 5790/13 en 35015/13 (Novikova e.a. t. Rusland) ging het om verschillende solo-protesten.
EHRM 27 november 2012, nr. 58050/08 (Sáska t. Hongarije) § 21-22. Zie ook EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 157.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 92 en EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 98. Vgl. ook P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018, a.w., p. 817-818 en B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder 2015, a.w., p. 19: de intenties van de organisatoren en deelnemers van de vergadering staan centraal bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ‘peaceful assembly’. In EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië) § 89-94 geeft het Hof nadere uitleg over die laatste categorie.
Zie onder meer EHRM 17 mei 2011, nrs. 28495/06 en 28516/06 (Akgöl en Göl t. Turkije) § 43, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 94 en EHRM 10 juli 2012, nr. 34202/06 (Berladir e.a t. Rusland), § 38: demonstraties kunnen ‘some disruption to ordinary life, including disruption of traffic’ veroorzaken.
EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe en M.G. t. Duitsland), § 103 en EHRM 12 juni 2014, nr. 17391/06 (Primov e.a. t. Rusland), § 155. Zie ook EHRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Racism and Fascism t. VK), § 148. In EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) nam een minderjarige deel aan een protestmars die uitmondde in geweld; het Hof achtte artikel 11 EVRM wel van toepassing, mede omdat de betrokkene geen ‘violent intentions’ had toen hij aan de protestmars deelnam en ‘the charges against the applicant did not concern infliction of any bodily harm on anyone’, § 97.
EHRM 2 oktober 2010, nrs. 29221/95 en 29225/95 (Stankov en The United Macedonian Organisation Ilinden t. Bulgarije), § 86.
P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018, a.w., p. 782. In EHRM 23 september 1998, nr. 67/1997/851/1058 (Steel e.a. t. VK) demonstreerden drie personen tijdens een wapenconferentie tegen de verkoop van gevechtshelikopters; ze deelden folders uit en hielden een spandoek omhoog met daarop de tekst “Work for Peace and not War”. Het Hof beoordeelde de klacht onder artikel 10 EVRM en achtte het onnodig dezelfde klacht ook nog onder artikel 11 EVRM te behandelen, § 113. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) betrof het een protest bij een parlementsgebouw, waarbij de demonstranten een kamer hadden bezet en beschadigd; volgens het Hof was het gepaster de klacht onder artikel 10 en in het licht van artikel 11 EVRM te behandelen, omdat ‘she was convicted for protesting, together with other participants in the direct action, against the President’s policies’, § 69. In EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Ącik t. Turkije) beoordeelde het Hof een klacht over optreden tegen een gezamenlijk studentenprotest alleen onder artikel 10 EVRM. Zie hierover ook P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018, a.w., p. 815-816.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 86 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 46.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 85, onder verwijzing naar onder meer EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe en M.G. t. Duitsland) § 101 en EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 35. In Zie ook J.L.W. Broeksteeg en F. Dorssemont in SDU commentaar EVRM 2020, deel I, p. 1280-1283.
Zie hiervoor ook de door de Hoge Raad geciteerde onderdelen van EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) in HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.
EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 39, nadien herhaald in onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100.
Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 103-143.
HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, rov. 2.3.2.
Bijvoorbeeld EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 108.
Bijvoorbeeld EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 140.
Waarbij het Hof heeft benadrukt dat de notie “noodzakelijk” niet kan worden verwisseld met termen als “useful”, “reasonable” of “desirable”, EHRM 17 februari 2004, nr. 44158/98 (Gorzelik e.a. t. Polen) § 95 en EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 14.
Onder meer EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) § 90, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 143 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 49.
Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 143, EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 128,
EHRM 6 juni 2003, nr. 44306/98 (Appleby t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2010/207, m.nt. Dommering, § 43. Zie ook EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 78.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 150 en 155.
EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 53, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 149 en EHRM 6 september 2022, nr. 67200/12 (Bodalev t. Rusland) § 75. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 88 en 93 merkt het Hof op dat, hoewel de demonstratie ‘some damage’ tot gevolg had, het niet leidde tot geweld; het opzij duwen van bewakers van een overheidsgebouw werd niet als gewelddadig aangemerkt. In EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116 merkt het Hof het gooien van stenen naar de politie wel aan als een ‘act of violence’.
HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, rov. 2.5.2. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, RUG 2021, p. 177-178.
EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116. Vgl. ook EHRM 21 januari 2021, nrs. 15367/14, 16280/14 en 13 andere (Shmorgunov e.a. t. Oekraïne) § 492.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen).
Zie ook EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië), § 87 en 98-99, waarin het Hof het gedurende anderhalve dag blokkeren van de toegang tot het parlementsgebouw en de weg daarnaartoe – ook na pogingen van de politie tot beëindiging daarvan – om een politieke kwestie af te dwingen aanmerkt als ‘reprehensible’. In EHRM 6 september 2022, nr. 67200/12 (Bodalev t. Rusland) § 84 overweegt het Hof: “Nothing suggests that the applicant uttered any threats, engaged in any reprehensible conduct or caused any harm or significant inconvenience to others, for instance, by way of obstructing an entrance to the metro station”.
EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) § 80.
EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne) § 106.
Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 146.
EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49. Vgl. ook EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 53, waarin het Hof over een berisping overweegt: “the penalty imposed on Mr Ezelin was at the lower end of the scale of disciplinary penalties (…) it had mainly moral force, since it did not entail any ban, even a temporary one, on practising the profession or on sitting as a member of the Bar Council”. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, RUG 2021, p. 175-177.
EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne) § 111.
EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49.
EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 92.
Bijvoorbeeld EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 95, EHRM 26 april 2016, nr. 25501/07 (Novikova e.a. t. Rusland) § 211, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 54.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 144-146. In bijvoorbeeld EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) achtte het Hof een gevangenisstraf van dertien jaar wegens het gooien van verf over een standbeeld van Atatürk ‘extreme severe’ en ‘grossly disproportionate’.
Zie bijvoorbeeld EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 113 (“the dispersal of the gathering and the applicant’s arrest, transfer to a police station, detention and the administrative sanctions constituted an interference”) en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 54 (“the interference at issue resulted from the applicant’s arrest at a demonstration and his subsequent conviction of administrative offences leading to a sanction of eight days’ detention”). Vgl. Verder nog EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 102, EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 56 en EHRM 26 april 2016, nr. 25501/07 (Novikova e.a. t. Rusland) § 107.
EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland).
Vgl. ook EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07, 57569/11, 80153/12, 5790/13 en 35015/13 (Novikova e.a. t. Rusland) en EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Ącik t. Turkije).
HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633, rov 2.6.
Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden (2022A004), Stcrt. 2022, 16129.
EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116.
EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 59. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 88 en 93 merkt het Hof op dat, hoewel de demonstratie ‘some damage’ tot gevolg had, het niet leidde tot geweld; het opzij duwen van bewakers van een overheidsgebouw werd niet als gewelddadig aangemerkt.
EHRM 30 november 2021, nr. 52358/15 (Genov & Sarbinska t. Bulgarije).
EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije).
Zie voor de relevantie van dit onderscheid ook EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2010/207, m.nt. Dommering.
EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 52.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08 (Perinҫek t. Zwitserland) § 275.
Vgl. HRM 17 mei 2011, nrs. 28495/06 en 28516/06 (Akgöl en Göl t. Turkije) § 43. Daarbij sluit aan dat in het requisitoir van de advocaat-generaal bij het hof wordt opgemerkt dat de verdachte de enige demonstrant was die is aangehouden wegens vernieling. “De overige verdachten in deze zaak zijn aangehouden voor 11 WOM. Bijna alle 11 WOM-verdachten hebben een sepotbeslissing ontvangen (code 40)(…)”.
Vgl. voor dit onderscheid met uit de Straatsburgse rechtspraak ook HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, NJ 2022/222, m.nt. Dommering, rov. 2.5.3.
Beroepschrift 05‑12‑2022
SCHRIFTUUR, HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoeker | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1989 |
adres | [adres] |
postcode en woonplaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Den Haag |
datum uitspraak | 3 maart 2022 |
parketnummer | 22-001115-20 |
Middel
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden en/of zonder zich te baseren op daartoe ‘relevant and sufficient reasons’ in de zin van artikel 10 en 11 EVRM
- —
heeft verworpen het verweer, strekkende tot ontslag van rechtsvervolging, en/of
- —
heeft geoordeeld dat een begaan van een misdrijf niet kan worden aangemerkt als een gering feit, en/of
- —
zodat het arrest niet in stand kan blijven.
Toelichting
1.
Het hof heeft ten laste van verzoekster1. bewezen verklaard dat zij
‘op 31 januari 2020 te 's‑Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk een trap voor het pand aan de Carel van Bylandtlaan 16, die aan Shell Global BV toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt.’
2.
Uit het arrest blijkt als context van dit feit het volgende (zie arrest, p. 3):
‘Op 31 januari 2020 omstreeks 13.20 uur vond er voor het kantoorgebouw van Shell aan de Carel van Bylandtlaan 16 in Den Haag een demonstratie plaats van ongeveer 25 tot 30 actievoerders. De verdachte maakte deel uit van de groep betogers. Zij heeft een zwarte, op olie gelijkende, vloeistof over de trappen voor het kantoorgebouw van Shell gegoten. De politie heeft de actievoerders opgeroepen om de demonstratie te beëindigen. Geen van de personen voldeed aan die oproep. Hierna zijn alle actievoerende personen, waaronder verdachte, aangehouden.’
3.
Het hof heeft in verband hiermee vastgesteld (arrest, p. 4):
‘Aan de inhoud van de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] met betrekking tot het klaar staan van een schoonmaakploeg om de substantie op de trap aanstonds te verwijderen wordt niet getwijfeld (…).’
4.
Verzoeksters raadsvrouw mr. C.J.M. van den Brûle heeft blijkens haar in hoger beroep overgelegde pleitnota betoogd dat de op olie gelijkende vloeistof biologisch afbreekbaar was en eenvoudig afwasbaar (‘vergelijkbaar met het gebruik van stoepkrijt of modder (…) (o)ok dat spoelt na een regenbui weer weg’). Voorts heeft zij betoogd dat verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat artikel 350 Sr buiten toepassing behoort te blijven, nu jegens verzoekster voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing reeds strafrechtelijke maatregelen waren genomen (arrestatie en een ‘relatief langdurig’2. voorarrest in het politiebureau) die maken dat een nadere strafrechtelijke maatregel, te weten een strafrechtelijke vervolging, in dit specifieke geval niet ‘necessary’ kan worden geoordeeld in de zin van de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM en derhalve ontoelaatbare inbreuk maakt op de vrijheid van expressie en vreedzame vergadering als bedoeld in de eerste leden van voornoemde verdragsbepalingen. Het verweer van de raadvrouw luidt integraal als volgt:
‘Ontslag van alle rechtsvervolging: strafrechtelijke veroordeling vormt een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en artikel 11 EVRM.
Fundamenteel karakter van het recht op betoging
- 8.
Het strafrecht moet met terughoudendheid worden toegepast wanneer het betogingsrecht in het geding is. De gedragingen van cliënte worden in beginsel beschermd door de demonstratievrijheid, (artt. 10 en 11 EVRM en artt. 19 en 21 IVBPR en art. 9 Grondwet). Ingrijpen door de politie waardoor inbreuk wordt gemaakt op het recht van cliënten tot betoging, dient volgens de rechtspraak van het Europese Hof proportioneel te zijn in verhouding tot de belangen van openbare orde en noodzakelijk zijn in een democratisch land. In deze zaak waren de aanhoudingen van de actievoerders onder wie ook cliënte onnodig en niet proportioneel.
- 9.EHRM
Op 30 november 2021 deed het EHRM uitspraak in de zaak van twee actievoerders in Bulgarije, een populair blogger en een politiek activist: Genov & Sabrinska v. Bulgarije. Zij werden veroordeeld voor ‘hooliganism’ en beboet omdat zij op de herdenkingsdag van de Bolsjewiekse Revolutie in 1917 met een spuitbus met verf een tekst hadden aangebracht op een monument. Zij deden dit in het kader van vele landelijke protesten tegen de Bulgaarse regering. Aan het EHRM was voorgelegd vraag of hun veroordeling verenigbaar was met art. 10 EVRM. Kern van de uitspraak van het EHRM is dat, aangezien niet was gebleken van enig serieuze of onomkeerbare schade aan het monument, terwijl het een vreedzame, geweldloze actie betrof, strafrechtelijke vervolging en bestraffing niet noodzakelijk is. Het Europese Hof verwees ook naar de uitspraak van het EHRM van 6 april 2021 in de zaak Handzhiyski v. Bulgaria, no. 10783/14 (ECLI:ECHR:2021:0406JUD001078314) en concludeert dat de inbreuk op het recht van de actievoerders op hun right to freedom of expression door hen strafrechtelijk te veroordelen en hen een boete op te leggen, onder de door het Hof vastgestelde omstandigheden, niet noodzakelijk was in een democratische samenleving als bedoeld in art. 10 van het EVRM. Daarmee was het recht op vrije meningsuiting volgens het EHRM geschonden.
- 10.
Op de rechten die in onze Grondwet in art. 9, in de artikelen 10 en 11 in het EVRM en in artt. 19 en 21 IVBPR beschermd worden, mag alleen inbreuk worden gemaakt indien die inbreuk bij de wet is voorzien ter bescherming van een aantal met name genoemde belangen en noodzakelijk —necessary— is in een democratische samenleving. Het noodzaakcriterium wordt verder uitgewerkt in de zin, dat de maatregel moet voortspruiten uit een pressing social need (zie ook MvT hoofdstuk 6), en zowel proportioneel moet zijn als in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
- 11.
‘Noodzakelijk’, necessary, heeft een strikte betekenis. Deze eis mag volgens het Europese Hof niet worden ingevuld met ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’, zie bijv. in Handzhiyski v. Bulgaria (ECLI:CE:ECHR:2021:0406JUD001078314):
‘Indeed, the adjective ‘necessary’ in Article 10 (2) implies the existence of a pressing social need, and does not have not have the flexibility of such expressions as ‘useful, ‘reasonable’ or ‘disireable’.’
- 12.
Maatregelen die na afloop van een vreedzame vergadering of betoging door de autoriteiten worden genomen kunnen bijdragen aan of zelfs op zichzelf genomen leiden tot de vaststelling dat inmenging plaatsvindt ogv art. 10 of 11 EVRM en dat daardoor deze bepalingen worden geschonden. Zie o.m. t.a.v. art. 11 EVRM de zaak Others tegen Litouwen:
‘‘The Court reiterates that an interference with the exercise of freedom of peaceful assembly does not need to amount to an outright ban, whether legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during an act of assembly and those, such as punitive measures, taken afterwards (…)’
EHRM (Grand Chamber) 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevicius and Others tegen Litouwen).
- 13.
De door het EHRM in ogenshcouw te nemen maatregelen achteraf kunnen zijn de arrestatie van de demonstranten, hun daarop aansluitende detentie op het politiebureau, hun strafechtelijke vervolging of hun strafrechtelijke veroordeling. Het gaat hier dus om maatregelen die op zich zelfstaand beperkingen vormen van de vrijheden als bedoeld in de artt. 10 en 11 EVRM nadat bijvoorbeeld een demonstrant is verwijderd van een bepaalde privélocatie wegens de bescherming op die locatie van zwaarder wegende rechten van anderen.
- 14.
Mr. dr. B. Roorda, verbonden aan de Universiteit van Groningen, heeft onlangs met een team van onderzoeker, onder wie de Groningse staatsrechtgeleerden Brouwer en Schilder, in opdracht van het ministerie van BZK onderzoek gedaan naar recente demonstratie- en vergadering rechtelijke vraagstukken. Dit onderzoek is onlangs, op 1 november 2021, afgerond, en door de minister van BZK aangeboden aan de Tweede Kamer. Het onderzoek is online te raadplegen op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/12/14/antwoorden-op-recente-demonstratie-en-vergaderingsrechtelijkevraagstukken.
In het bijzonder hoofdstuk 5 van dit onderzoek ‘Strafbaarheid van gedragingen van demonstranten is in deze zaak interessant: Zij concluderen aan de hand van analyse van Europese rechtspraak:
‘Strafrechtelijk optreden tegen demonstranten dient te voldoen aan de eisen die artikel 11 lid 2 EVRM stelt aan een beperking van de demonstratievrijheid. Bij de beoordeling of aan deze eisen is voldaan, zijn blijkens de rechtspraak van het EHRM de aard en de ernst van de (strafbare) gedraging en de aard en de ernst van de beperkende maatregel relevante factoren. Voorzover demonstranten zich vreedzaam gedragen, staat aanhouding en in het bijzonder strafrechtelijke vervolging en veroordeling op gespannen voet met artikel 11 EVRM. Als demonstranten zich niet of minder vreedzaam gedragen, dan is strafrechtelijk optreden eerder gerechtvaardigd en kan zelfs een gevangenisstraf noodzakelijk worden geacht. Dit is in het bijzonder het geval als demonstranten zich schuldig maken aan gewelddadigheden of hiertoe aanzetten. Dergelijk strafrechtelijk optreden kan ook gerechtvaardigd zijn als demonstranten zich schuldig maken aan ‘reprehensible’ gedrag, dat wil zeggen gedrag dat het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoort, in een grotere mate dan in het geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een demonstratieve blokkade van een snelweg. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van strafrechtelijk optreden moet ook het ‘chilling effect’ dat dit optreden op demonstranten kan hebben worden meegewogen, aldus het EHRM.
(…) Tegen vreedzame demonstranten dient in beginsel niet strafrechtelijk te worden opgetreden. Als demonstranten zich schuldig maken aan gewelddadigheden of hiertoe aanzetten of als zij het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, verdergaand dan dat je mag verwachten bij een ‘normale’ demonstratie, dan is strafrechteiijk optreden — tot aan een gevangenisstraf aan toe — eerder gerechtvaardigd. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van strafrechtelijk optreden moet ook het ‘chilling effect’ ervan worden meegewogen, aldus het EHRM. Uit onze analyse van de Nederlandse rechtspraak volgt dat bij uitingsdelicten de context van de demonstratie en de mate waarin de uiting dienstig is aan of een bijdrage levert aan het maatschappelijk debat relevante factoren zijn bij de beoordeling of de uiting een strafbaar feit oplevert. Bij andere dan uitingsdelicten wegen rechters soms meerdere niet-inhoudelijke factoren mee bij de beoordeling van de strafbaarheid van een gedraging van een demonstrant, zoals de duur en de omvang van de actie en de mate waarin de actie leidt tot bijvoorbeeld hinder, schade of wanordelijkheden. In het merendeel van de zaken oordelen rechters echter dat een strafbare gedraging ook in de context van een demonstratie strafbaar is, zonder dit nader te motiveren en zonder aan de hand van een of meer van de hierboven genoemde factoren na te gaan of de demonstratievrijheid de strafbaarheid van de gedraging in casu misschien wel ontneemt. Door het ontbreken van een nadere motivering in deze zaken wordt niet inzichtelijk waarom de demonstratievrijheid in dat concrete geval niet aan de strafbaarheid van de gedraging in de weg staat. Dit roept vragen op, in het bijzonder als het gaat om een betrekkelijk licht vergrijp en de rechter in een min of meer vergelijkbare zaak bovendien tot een geheel andere conclusie komt.
- 15.
Artikel 11 EVRM beschermt vergaderingen die vreedzaam zijn, ‘the right to freedom of peaceful assembly’. Om te bepalen of een vergadering of betoging vreedzaam is, toetst het EHRM met name of de organisatoren en deelnemers al dan niet gewelddadige bedoelingen hadden. De actie op 31 januari 2020 was een vreedzame demonstratie. Ook blokkades, sit-ins en bezettingen vallen onder de bescherming van het recht op demonstratie. Art. 10 EVRM beschermt volgens het EHRM niet alleen de inhoud van de uiting, maar ook de vorm waarin dat wordt gedaan (zie randnummer 2 pleitnota eerste aanleg ‘symbolic conduct’).
- 16.
Voor het aannemen van wanordelijkheden wordt blijkens de rechtspraak van het EHRM een bepaalde male van ernst vereist. De vraag is wanneer van dergelijk gedrag sprake is. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt volgens Roorda, Brouwer en Schilder, dat gedrag van demonstranten ‘reprehensible’ (laakbaar) is, wanneer zij het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere male dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid (zie ook Kudrevius tegen Litouwen EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 par. 173).
Roorda c.s. constateren in hun recente onderzoek dat bij schade of wanorde nog geen sprake in van ‘reprehensible’, laakbaar gedrag. Voorts is van belang dat het EHRM aanvaardt dat demonstraties veelal een ‘disruption to ordinary life’ meebrengen.
- 17.Vreedzame demonstratie, zorgvuldige voorbereiding, geen schade, geringe inbreuk en beperkte duur
De verdediging meent dat de handelingen van cliënte op 31 januari 2020 van een licht kaliber waren en dat de demonstratieve actie als vreedzaam was aan te merken. De actie was zorgvuldig voorbereid waarbij de substantie die [verdachte] [verzoekster, [verdachte]] op een deel van de trap had uitgestrooid makkelijk en helemaal te verwijderen was en een schoonmaakploeg met schoonmaakmiddelen en -materialen klaarstond om de trap schoon te maken, waarbij ook de veiligheid van de actievoerders en omstanders c.s. in acht was genomen. Er is geen schade aan de trap toegebracht. Dat volgt niet uit het dossier. Shell heeft geen verzoek tot schadevergoeding ingediend en heeft als volgt op de actie van cliënte c.s. gereageerd:
‘‘Shell respecteert het recht en de vrijheid om te demonstreren, als dit maar op een veilige manier gebeurt’, reageert het olie- en gasconcern op de demonstratie. ‘Shell heeft een strategie die het Klimaatakkoord van Parijs en het Nederlandse klimaatakkoord steunt. In die zin hebben we dus hetzelfde doel als de activisten. We verschillen alleen van mening over de weg ernaartoe. Shell ziet klimaatactivisme als een positieve ontwikkeling als het leidt tot een constructieve dialoog en tot samenwerking. Een enkele partij kan klimaatverandering niet oplossen, we moeten allemaal samenwerken’.’
De plaats waar gedemonstreerd werd was symbolisch. Het (voormalig) hoofdkantoor van Shell in Nederland. De demonstratie was ook van beperkte duur en vormde een geringe inbreuk op het eigendomsrecht van Shell.
- 18.OVAR ook vanwege reeds voldoende bestraffing
Cliënte is al voldoende aangepakt, zij zat relatief lang in voorarrest in een politiecel. De arrestatie, het optreden van de politie en de lange duur van haar voorarrest, hebben grote impact op cliënte gehad. Het handelen van cliënte was gewetensvol. Zij heeft met haar mededemonstranten aandacht gevraagd voor een maatschappelijke misstand waarvan de betekenis in de afgelopen tijd maatschappelijk alleen maar aan kracht heeft gewonnen. In de hiervoor geschetste omstandigheden van deze zaak verzoek ik Uw Hof art. 350 lid 1 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artt. 10 en 11 EVRM. Ik verzoek u aldus cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
- 19.Conclusie.
Verzocht wordt (…) cliënte te ontslaan van alle rechtsvervolging aangezien zij gebruik maakte van haar demonstratierecht dat o.m. beschermd wordt door artikel 10 en 11 van het EVRM. Door [verdachte] voor deze daad te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op niet toegestane wijze inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.
- 20.
Uitdrukkelijk meer subsidiair:
- —
toepassing van art. 9a Sr gezien de context/achtergrond vd verweten handelingen en de gevolgen die dit al voor [verdachte] heeft gehad.
Voorts betreft het een feit van inmiddels langer dan twee jaar geleden.
- 21.
Persoonlijke omstandigheden.
Naamswijziging
UJD nog geen onherroepelijke veroordelingen, -op een lichte overtreding na. Vaste baan bij Greenpeace’
5.
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen (zie arrest, p. 5 en 6):
‘Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij gebruik maakte van haar demonstratierecht ex artikelen 10 en 11 van het Europees, Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Door de verdachte voor haar handelen op 31 januari 2020 te vervolgen, te berechten en te bestraffen wordt op een ongeoorloofde manier inbreuk gemaakt op dit demonstratierecht.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat de door het EVRM gewaarborgde vrijheden niet absoluut zijn. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk (proportioneel en subsidiair) zijn in het belang van — onder meer — de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten van anderen.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een geoorloofde beperking van de grondrechten van de verdachte. Zij heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf en niet, zoals door de raadsvrouw van de verdachte is betoogd, aan een gering feit. Het opzettelijk en wederrechtelijk onbruikbaar maken van goederen is bij wet strafbaar gesteld en de handhaving ervan is noodzakelijk in een democratische samenleving. Het demonstratierecht biedt geen vrijbrief voor het maken van een inbreuk op het eigendomsrecht van anderen. Hieruit volgt dat de artikelen 10 en 11 lid 2 EVRM niet zijn geschonden door de verdachte aan te houden en te vervolgen op grond van artikel 350 Sr. Het verweer wordt derhalve verworpen.’
6.
Voor de beoordeling van de cassatieklachten is het volgende juridisch kader van belang.3.
7.
In het algemeen wordt de vrijheid van manifestatie beschermd door de artikelen 10 en 11 EVRM, die dan door het EHRM in samenhang worden beschouwd.4. Het EHRM hanteert als uitgangspunt dat de vergadervrijheid moet worden beschouwd als één van de fundamenten van een democratische samenleving en om die reden niet restrictief mag worden geïnterpreteerd. Als gevolg van dit belang worden allerhande samenkomsten onder dit artikel gebracht, waaronder demonstraties, statische protesten, sit-ins, bezettingen en blokkades.5.
8.
De stelling, dat een manifestatie ook op andere wijze of plaats had kunnen en moeten plaatsvinden, gaat in beginsel niet op. Daarvoor is ten eerste van belang dat volgens het EHRM ook de vorm van een meningsuiting door artikel 10 EVRM wordt beschermd.6. Uw Raad is die opvatting eveneens toegedaan. Voor de vraag of een handeling kan worden aangemerkt als een meningsuiting in de zin van de grondwet hanteert Uw Raad de voorwaarde dat kenbaar moet zijn dat de gedraging moet worden begrepen als een deelname aan enig maatschappelijk debat over het onderwerp waarop de uiting.7. Ten tweede is van belang dat volgens de Venetië-commissie de locatie, die volgens de organisator van een demonstratie het meest geschikt is voor haar doel, één van de kernelementen is van de vergadervrijheid.8.
9.
Het adjectief ‘peaceful’ in artikel 11 EVRM is essentieel: de toepasselijkheid van het aldaar beschermde recht wordt bepaald door het vreedzaamheidsvereiste. Deze eis ziet volgens het EHRM met name op de intenties van de organisatoren en deelnemers van de vergadering, niet zozeer op hoe ordelijk een vergadering verloopt.9. Dit blijkt ook uit de Guidelines van de OSCE/ODIHR en de Venetië-commissie:
‘The term ‘peaceful’ includes conduct that may annoy or give offence to individuals or groups to the ideas or claims that the assembly is seeking to promote. It also includes conduct that temporarily hinders, impedes or obstructs the activities of third parties (…)’.10.
10.
Het door bekladding aantasten van een object in de openbare ruimte wordt door het EHRM onder bepaalde omstandigheden expliciet aangemerkt als ‘peaceful’. Daarbij blijkt het erop aan te komen of met die handeling een vorm van expressie werd beoogd. Zo werd het toebrengen van schade aan een standbeeld door daar verf overheen te gieten, expliciet als ‘peaceful’ beschouwd.11.
11.
De rechten, gegarandeerd in de artikelen 10 en 11 EVRM, zijn niet absoluut. Zij kunnen worden ingeperkt, mits de beperkende maatregelen aan de strikte eisen als bedoeld in de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM voldoen. Een inperking moet bij wet zijn voorzien en een legitiem doel dienen als vervat deze bepalingen. Deze doelen zijn restrictief opgesomd en luiden onder meer: het belang van openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Het enkele bestaan van een doel is echter onvoldoende om een inbreuk te legitimeren.12. Een genomen maatregel dient daarnaast noodzakelijk zijn, ‘necessary in a democratic society’. Dit vereiste houdt in dat de maatregel beantwoordt aan een ‘pressing social need’, proportioneel is in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd is op ‘relevant and sufficient reasons’.13.
12.
Ook maatregelen, die door de autoriteiten worden genomen na een ‘act of assembly’ kunnen leiden tot de vaststelling dat het EVRM is geschonden.14. Dergelijke maatregelen achteraf zijn bijvoorbeeld de arrestatie van een demonstrant, zijn daaropvolgende detentie in het politiebureau, zijn strafrechtelijke vervolging en het opleggen van een strafrechtelijke sanctie.15. Deze maatregelen kunnen, op zichzelf of in samenhang beschouwd, de balans doen omslaan in het oordeel, dat artikel 10 en/of 11 EVRM is geschonden.
13.
Roorda, Brouwer en Schilder stellen in hun in 2021 gepubliceerde onderzoek naar de demonstratievrijheid de vraag aan de orde wanneer, naast arrestatie, (verdere) strafrechtelijke maatregelen, zoals vervolging en sanctionering tegen demonstranten mogen worden genomen. Zij constateren (met weglating van de voetnoten):
‘Strafrechtelijke vervolging, laat staat strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten is (…) in beginsel niet toegestaan. (…) In Kudrevičius (…) oordeelt de Grote Kamer van het EHRM zelfs uitdrukkelijk dat een demonstrant niet kan worden gestraft voor deelname aan een niet-kennisgegeven manifestatie — zelfs niet als de sanctie een lage boete betreft — zolang die persoon geen laakbaar (‘reprehensible’) gedrag vertoont tijdens de manifestatie. Dit geldt ook indien de demonstratie leidt tot schade of andere wanorde.’16.
14.
Op 8 februari 2022 stelde Uw Raad het criterium ‘reprehensible’ gedrag centraal bij de beoordeling van de vraag of een arrestatie, ophouden voor verhoor en strafrechtelijke vervolging van vreedzame demonstranten een ontoelaatbare inbreuk kan maken op de artikelen 10 en/of 11 EVRM.17.
15.
Wat als ‘reprehensible’ gedrag kan worden aangemerkt, wordt blijkens de rechtspraak van het EHRM bepaald door ‘the extent of the ‘disruption of ordinary life’’ die de demonstratie veroorzaakt.18. De mate van de ontwrichting van het dagelijks leven is dus bepalend, wil de vereiste ‘necessity’ worden bereikt.19. Volgens Roorda c.s. kan dat het geval zijn wanneer het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig worden verstoord, in een grotere mate dus dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid. Strafrechtelijk optreden is volgens hen bijvoorbeeld in beginsel gerechtvaardigd ‘als demonstranten zich niet of minder vreedzaam gedragen, bijvoorbeeld als zij gewelddadigheden begaan of hiertoe aanzetten.’20. Niet voldoende voor het vaststellen van ‘reprehensible’ gedrag is echter dat de demonstratie schade of wanorde heeft veroorzaakt, of ergernis opwekt, of tijdelijk de activiteiten van derden (ver)hindert.
16.
In de voetnootsgewijs al genoemde zaak Genov and Sarbinska oordeelde het EHRM de schuldigverklaring en strafrechtelijke sanctionering (‘the finding that they were guilty (…) and the resultant fines’) van het in vereniging op een monument aanbrengen van graffiti een schending van artikel 10 EVRM. Het is evident dat dergelijk gedrag naar Nederlandse rechtspraak vernieling in vereniging kan opleveren. Jegens Genov en Sarbinska werd dit vervolgd als ‘hooliganism’. Uit het arrest blijkt het strafmaximum dat daar in Bulgarije op staat:
‘Article 325 § 1 of the 1968 Criminal Code makes it an offence (hooliganism) to carry out indecent actions which grossly infringe public order and show overt disrespect toward society. The penalty on conviction is up to two years' imprisonment or probation, coupled with a public reprimand.’
Een kernoverweging in het arrest luidt:
‘The Court recently held that measures, including proportionate sanctions, designed to dissuade acts which could destroy or damage a public monument could be seen as ‘necessary in a democratic society’, however legitimate the motives which may have inspired those acts.’
Hier benadrukt het EHRM de termen ‘destroy’ en ‘damage’: het stelt dat het toelaatbaar is om gedragingen, die een monument kunnen vernielen of beschadigen, op proportionele wijze te sanctioneren. Maar de crux is dat onder dergelijk vernielen of beschadigen niet valt een bekladding indien het monument nadien door reiniging in de oude staat kan worden teruggebracht. Ook niet als dat ongemak en kosten met zich meebrengt:
‘It remains the case, however, that the visual impairment which spray-painting produces, although requiring some inconvenience and expense to eliminate, is (…) usually fully reversible. It does not therefore harm a monument in a way or to an extent which prevents it, after being cleaned, from continuing to form part of a country's cultural heritage.’
17.
Het EHRM oordeelde aldus het criminaliseren van Genov en Sarbinska ontoelaatbaar. Dat wordt onderstreept door het feit dat het EHRM laat doorschemeren dat het er geen problemen mee zou hebben indien Genov en Sarbinska aansprakelijk zouden zijn gesteld tot het vergoeden van de schoonmaakkosten:
‘The salient issue in this case is whether the interference, which took solely the form of a ‘penalt[y]’ rather than of an order requiring the applicants to repair any damage which their act had caused to the monument, was ‘necessary in a democratic society’.’21.
18.
Een strafvervolging die niet noodzakelijk in de zin van artikel 10 en/of 11 EVRM kan worden geoordeeld, heeft volgens Uw Raad nochtans niet snel gevolgen voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie in die vervolging. Uw Raad leunt blijkens Uw arrest van 29 oktober 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1633) meer op het verwerken van die ontbrekende noodzaak in de vraag of het bewezenverklaarde feit strafbaar is:
‘In een geval als het onderhavige [het ging om twee vreedzame demonstranten die werden vervolgd wegens lokaalvredebreuk, [verdachte]] die kan de omstandigheid dat sprake is van een inbreuk op het door het EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, nog wel van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit strafbaar is (…).’
De cassatieklachten
19.
Het hof heeft het verweer, strekkende tot ontslag van rechtsvervolging op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden verworpen. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof verzoeksters strafrechtelijke vervolging noodzakelijk in de zin van de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM geoordeeld op uitsluitend de grond dat zij een misdrijf heeft begaan. Daarnaast heeft het geoordeeld dat in geval van een misdrijf nimmer sprake is van een gering feit.
Eerste deelklacht
20.
Om met het laatste te beginnen: het oordeel, dat een begaan van een misdrijf niet kan worden aangemerkt als een gering feit, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk of niet toereikend gemotiveerd. Zo blijkt uit de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden dat het openbaar ministerie misdrijven kan seponeren op de grond ‘gering feit’:
‘Het feit is een zo geringe inbreuk op de rechtsorde of heeft zo weinig schade veroorzaakt, dat een strafvervolging ter zake van het strafbare feit waaronder het is te brengen onevenredig zwaar zou zijn in verhouding tot wat heeft plaatsgevonden.’22.
21.
Reijntjes stelt in zijn noot onder HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633, een zaak waarin twee demonstranten werden vervolgd wegens misdrijf (lokaalvredebreuk):
‘Het hof had gelijk dat het uiteindelijk ging om een bagatel, waarbij de verdachten door hun verblijf op het politiebureau hun straf al hadden gehad.’23.
22.
Echter ook los van deze noties is 's hofs oordeel onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De bewezenverklaring betreft het onbruikbaar maken van de trap. Uit 's hofs arrest blijkt niet dat de trap niet meer in bruikbare staat teruggebracht kon worden. Integendeel: het hof heeft niet weersproken de stellingen van de raadsvrouw dat de op olie gelijkende vloeistof biologisch afbreekbaar en eenvoudig afwasbaar was en na een regenbui zou wegspoelen en er voorts niet aan getwijfeld dat zich onder de demonstranten een schoonmaakploeg bevond die klaarstond om de substantie op de trap aanstonds te verwijderen. (Dit laatste werd verhinderd enkel doordat de leden van die schoonmaakploeg eveneens, samen met verzoekster, werden aangehouden.)
23.
Tot slot is hier van belang de — eveneens door het hof onweersproken — stelling van de raadsvrouw dat Shell geen schadeclaim tegen verzoekster en/of haar mededemonstranten heeft ingediend.
24.
Gelet op al deze omstandigheden kan het arrest niet in stand blijven.
Tweede deelklacht
25.
's Hofs oordeel, dat in het geval een vreedzame demonstrant zich schuldig maakt aan een misdrijf handhaving van de wet noodzakelijk is in de zin van artikel 10 en 11 EVRM (ofwel: dat het tijdens een vreedzame demonstratie begaan van een misdrijf strafrechtelijke vervolging en sanctionering noodzakelijk maakt), is onjuist, althans niet begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
26.
Het hof heeft aldus de hierboven genoemde overweging uit HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633 miskend. In wezen heeft het zijn oordeel beperkt tot het beantwoorden van de vraag of een inperking van artikel 10 en/of 11 EVRM jegens verzoekster bij wet is voorzien en een legitiem doel dient, zoals telkens vervat in het tweede lid van die bepalingen. Dat aan die voorwaarden was voldaan, is door de raadsvrouw niet bestreden. Voor de beoordeling in cassatie kan dan ook als uitgangspunt worden genomen dat het belang van openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten het door het EVRM vereiste legitieme doel zullen vormen. Maar zoals het EHRM meermaals heeft benadrukt toont een dergelijke ‘sole existence of a legitimate aim’ voor een inbreuk het bestaan van een ‘pressing social need’ daarvoor op zichzelf niet aan. Het hof had zich daarom naar aanleiding van het verweer van de raadsvrouw, gegeven het feit dat sprake was van een verdenking van een misdrijf waarvoor verzoekster reeds was aangehouden en gedurende relatief lange tijd in voorarrest had verbleven, moeten afvragen of het nemen van een verdere strafrechtelijke maatregel jegens verzoekster, te weten een strafrechtelijke vervolging, (nog) noodzakelijk was. Daarvan heeft het ten onrechte geen blijk gegeven.
27.
Uit het arrest heeft het hof niet kunnen afleiden dat het verzoekster blijken verweten feit ‘reprehensible’ is en(/of) een opzettelijke ernstige verstoring van het dagelijkse leven en de activiteiten van Shell heeft veroorzaakt, waardoor dit niet onder een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid is te scharen. Daarbij is van belang dat uit het arrest niet anders kan worden afgeleid dan dat verzoeksters handelen ‘symbolic conduct’ betrof in de context van een demonstratie tegen milieuvervuiling, veroorzaakt door de fossiele industrie.24. Ofwel: de demonstranten uitten hun gezamenlijke mening mede c.q. zetten hun mening kracht bij door het symbolisch ‘vervuilen’ van de trap met ‘aardolie’.
28.
In het licht van de rechtspraak van het EHRM en de vaststellingen van Roorda c.s., erop neerkomend dat voor het vaststellen van ‘reprehensible’ gedrag niet voldoende is dat een demonstratie tijdelijk de activiteiten van derden (ver)hindert of schade of wanorde veroorzaakt, zijn de reeds hierboven genoemde factoren van belang: Shell heeft geen schadeclaim ingediend en de substantie was biologisch afbreekbaar, eenvoudig te verwijderen en zou door de demonstranten worden verwijderd of met de eerste regenbui zijn weggespoeld.
29.
Maar de toetsing van de vraag of een strafrechtelijke vervolging ‘necessary’ is, kan niet worden beperkt tot de een beoordeling van het laakbare c.q. verwerpelijke van het verweten gedrag. In Genov and Sarbinska heeft het EHRM dat criterium immers niet gehanteerd, terwijl het toch tot een schending van artikel 10 EVRM kwam. Uit de vaststellingen van het hof in verzoeksters zaak en de onweersproken stellingen van de raadsvrouw kan slechts worden afgeleid dat de trap van het Shellkantoor door eenvoudige reiniging — of na enkel een regenbui — in de oude staat zou zijn teruggebracht. Ofwel, in het licht van Genov and Sarbinska: de visuele aantasting die de substantie veroorzaakte was ‘fully reversible’. Voorts heeft het hof niet vastgesteld dat Shell enige schade heeft geleden. In dit licht is zijn oordeel, erop neerkomend dat een strafrechtelijke vervolging (die ertoe leidt dat verzoekster wordt gecriminaliseerd) noodzakelijk is, niet zonder meer begrijpelijk. Dat demonstreren geen vrijbrief geeft voor inbreuken op het eigendomsrecht, zoals het hof heeft overwogen, is, gelet op het voorgaande, niet een oordeel dat de hier van het hof verlangde afweging toedekt.
30.
Gelet op al deze omstandigheden kan het arrest niet in stand blijven.
Derde deelklacht
31.
's Hofs oordeel, dat in een geval van misdrijf wetshandhaving noodzakelijk is, is eveneens onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd. Dit miskent het aan het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie ten grondslag liggende opportuniteitsbeginsel. ‘Niet bij voorbaat is voor alle gevallen uit te maken dat strafvervolging wegens een inbreuk op de rechtsorde zinvol is met het oog op een behoorlijk functionerende rechtsorde. Niet elke inbreuk op die rechtsorde, ook al is zij strafbaar, vereist strafrechtelijk ingrijpen’, zo leggen Corstens, Borgers en Kooijmans de verdedigbaarheid van dit beginsel uit.25.
32.
Ook om deze reden kan het arrest niet in stand blijven.
Vierde deelklacht
33.
In de hierboven genoemde drie deelklachten ligt reeds besloten dat het hof zich niet heeft gekweten van zijn verplichting om de door hem vastgestelde noodzaak van een inbreuk op verzoeksters door de artikelen 10 en 11 EVRM gegarandeerde rechten te baseren op ‘relevant and sufficient reasons’. Het hof heeft er ten onrechte onvoldoende blijk van gegeven waarom in het licht van de reeds jegens verzoekster genomen strafrechtelijke maatregelen (arrestatie en ‘relatief langdurig’ voorarrest) het noodzakelijk was dat verzoekster strafrechtelijk werd vervolgd.
34.
Het arrest kan ook daarom niet in stand blijven.
Middel 2
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden
- —
voorbij is gegaan aan het verweer, dat in dit geval dient te worden volstaan met toepassing van artikel 9a Sr, en/of
- —
- —
in zijn strafmotivering heeft overwogen dat verzoekster met het aanbrengen van de substantie op de trap een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd voor mensen die van die trap gebruik maakten,
als gevolg waarvan zijn arrest niet in stand kan blijven.
Toelichting
1.
Verzoeksters raadsvrouw heeft als ‘uitdrukkelijk meer subsidiair’ verweer aangevoerd dat gezien de context en achtergrond van de verweten handelingen en de gevolgen die dit al voor verzoekster heeft gehad toepassing dient te worden gegeven aan artikel 9a Sr.
2.
Het hof heeft verzoekster een geldboete van € 350 opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door zeven dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daartoe heeft het overwogen (zie arrest, p. 6):
‘Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van (een deel van) de trap die toebehoort aan Shell. Door zo te handelen heeft zij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van Shell en een gevaarlijke situatie gecreëerd voor mensen die van die trap gebruik maakten. Dat deze actie onderdeel was van een demonstratie en dat zij de intentie had de substantie van de trap te laten verwijderen doet daaraan niet af.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 februari 2022.
Het hof is — alles afwegende — van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete (…) een passende en geboden reactie vormt.’
3.
Uit het tweede en derde door het hof gebruikte bewijsmiddel blijkt dat Shell na het besmeuren van de trap deze heeft afgezet omdat zichtbaar was dat het niet veilig was om over de treden van de trap te lopen en dat na de aanhoudingen van verzoekster en de overige demonstranten de beveiliging van Shell de trap zou schoonmaken.
Eerste deelklacht
4.
's Hofs (impliciete) oordeel dat het ‘necessary’ in de zin van artikel 10 lid 2 en/of 11 lid 2 EVRM is dat een strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd, en/of zijn oordeel dat aan het opleggen van een voorwaardelijke geldboete niet afdoet dat het aanbrengen van de substantie onderdeel was van een demonstratie en dat zij de intentie had de substantie van de trap te laten verwijderen, is ontoereikend gemotiveerd.
5.
Het juridisch kader, uiteengezet in middel 1, is ook van belang voor de beoordeling van dit middel. Daarnaar wordt hier verwezen.
6.
Naast de daarin behandelde vraag, of een gedraging als ‘reprehensible’ valt aan te merken is ook nog van belang dat de ruimte, die de nationale rechter volgens het EHRM heeft om met een demonstratie verweven ‘illegal conduct’ te bestraffen, niet onbeperkt is:
‘An analysis of the Court's case-law […] reveals that the Contracting States' discretion in punishing illegal conduct intertwined with expression or association, although wide, is not unlimited.’26.
7.
Verzoeksters raadsvrouw heeft aan haar uitvoerige betoog, dat verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, als meer subsidiaire consequentie bepleit dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Het hof heeft daarop in zijn arrest niet toereikend gerespondeerd. Niet heeft het uitgelegd waarom — naast de reeds jegens verzoekster toegepaste strafrechtelijke maatregelen van arrestatie, detentie in het politiebureau en strafrechtelijke vervolging — het haar opleggen van een strafrechtelijke sanctie ‘necessary in a democratic society’ moet worden geoordeeld. De argumenten, aangevoerd in de vier deelklachten in middel 1, dienen mutatis mutandis als hier herhaald te worden beschouwd. In aanvulling daarop geldt dat verzoeksters handelen evident verweven was met een demonstratie (dit betrof immers ‘symbolic conduct’, zie reeds hierboven in middel 1, randnummer 27) en dat het EHRM in Genov and Sarbinska de opgelegde geldboetes (‘the resultant fines’) laakte — los van de schuldigverklaring waarvan die het gevolg waren.
8.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Tweede deelklacht
9.
's Hofs oordeel, dat verzoekster met het aanbrengen van de substantie op de trap een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd voor mensen die van die trap gebruik maakten, is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
10.
Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de trap na het aanbrengen van de substantie door Shell was afgezet om te voorkomen dat mensen zouden uitglijden en dat na de aanhoudingen van de demonstranten de trap zou worden schoongemaakt. Uit middel 1, randnummer 3, blijkt dat het hof er volgens zijn vaststellingen niet aan twijfelt dat een schoonmaakploeg klaarstond om de substantie op de trap aanstonds te verwijderen.
11.
Uit deze omstandigheden heeft het hof niet kunnen afleiden dat verzoekster een gevaarlijke situatie heeft gecreëerd voor mensen die van die trap gebruik maakten. Althans is het niet begrijpelijk dat ‘gevaar’ een rol heeft gespeeld bij de strafoplegging. Immers was het voor Shell vanaf het aanbrengen van de substantie duidelijk dat gebruikers van de trap konden uitglijden en zijn daartegen maatregelen genomen. Als het aan verzoeksters c.q. haar mededemonstranten had gelegen, zouden zij de substantie zelf direct na hun demonstratie hebben verwijderd. Er was blijkens 's hofs vaststellingen kortom sprake van een gecontroleerde en voor omstanders kenbare situatie, vergelijkbaar met bijvoorbeeld het bordje ‘gladde vloer’ dat schoonmakers in de openbare ruimte bij hun werkzaamheden plaatsen om voorbijgaand publiek te waarschuwen.
12.
Ook in dit licht kan het arrest niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster in cassatie.
Amsterdam, 5 december 2022,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑12‑2022
Toen nog [verdachte] geheten.
Drie dagen, volgens de pleitnota in eerste aanleg (randnummer 15) en de mededelingen van de voorzitter van het hof aan verzoekster (zie proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 17 februari 2022, p. 4).
In 's hofs overweging, dat in het onderhavige geval sprake is van een geoorloofde beperking van de grondrechten van verzoekster, ligt besloten dat op verzoeksters gedraging de artikelen 10 en 11 EVRM van toepassing zijn. Die toepasselijkheid wordt in cassatie (uiteraard) niet bestreden.
Zie bijv. EHRM [GC] 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a. (Navalnyy t. Rusland): ‘According to its settled case-law, a complaint about one's arrest in the context of a demonstration falls to be examined under Article 11 of the Convention on the basis that Article 10 is to be regarded as a lex generalis in relation to Article 11, which is a lex specialis (…)’, EHRM 10 juli 2012, nr. 34202/06 (Berladir t. Rusland): ‘The Court considers that it is appropriate to examine this case under Article 11 of the Convention, in the light of Article 10’ en EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others t. Georgië): ‘The Court notes at the outset that in relation to the same facts the applicants relied on two separate Convention provisions: Article 10 and Article 11 of the Convention. It further notes that it has already considered a number of cases where protests took place on either private or State property under Article 10 of the Convention, read in the light of Article 11 (…).’
EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen); EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan t. Armenië); ECRM 10 oktober 1979, nr. 8191/78 (Rassemblement Jurassien Unité Jurassienne t. Zwitersland); EHRM 18 juni 2013, nr. 8029/07 (Gün and Others t. Turkije); EHRM 27 juni 2006, nr. 75569/01 (Cetinkaya t. Turkije); EHRM 5 december 2006, nr. 74552/01 (Oya Ataman t. Turkije); EHRM 21 oktober 2010, nr. 4916/07, 25924/08 en 14599/09 (Alekseyev t. Rusland); ECRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Fascism and Racism t. Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland); ECRM 6 maart 1989, nr. 13079/87 (G. t. Duitsland); EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik t. Turkije); EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse t. Frankrijk).
Bijv. EHRM 28 oktober 2014, nr. 49327/11 (Gough t. Verenigd Koninkrijk).
Vgl. HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7256. De verzoekster verweten handeling betrof klaarblijkelijk ‘symbolic conduct’ in de context van een klimaatdemonstratie. Nieuwenhuis wijst erop dat een gezamenlijke meningsuiting niet alleen kan blijken uit een meegedragen tekst, maar ook uit symbolen, zoals het dragen van een rode ster, het gieten van een pot verf over een standbeeld van een verguisde gezagsdrager, het zich vastketenen aan een bulldozer bij een protest tegen de aanleg van een snelweg, het dragen van stoelen om uitdrukking te geven aan de gewenste benoeming van een hoogleraar op een bepaalde ‘leerstoel.’ Vgl. A.J. Nieuwenhuis, Tussen woord en daad, Een onderzoek naar de reikwijdte van het recht op vrijheid van meningsuiting en betoging, NJCM-bulletin jrg. 42,2017, nr. 2. Zie ook EHRM 21 oktober 2014 nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije): ‘In light of its case-law the Court considers that, in deciding whether a certain act or conduct falls within the ambit of Article 10 of the Convention, an assessment must be made of the nature of the act or conduct in question, in particular of its expressive character seen from an objective point of view, as well as of the purpose or the intention of the person performing the act or carrying out the conduct in question. The Court notes that the applicant was convicted for having poured paint on statues of Atatürk, which, from an objective point of view, may be seen as an expressive act.’ Aan het hier bedoelde ‘objectieve criterium’ wordt reeds voldaan indien kan worden vastgesteld dat het gedrag als een ‘expressive act’ kan worden gezien.
‘The privilege of the organiser to decide which location fits best for the purpose of the assembly is part of the very essence of freedom of assembly. (…) (T)he purpose of an assembly is often closely linked to a certain location and freedom of assembly includes the right of the assembly to take place within ‘sight and sound’ of its target object.’ Zie European Commission for Democracy through Law (Venetië-commissie), Compilation of Venice Commission Opinions Concerning Freedom of Assembly, 1 juli 2014 (CDL-PI(2014)0003). Zie ook: EHRM 7 februari 2017, nrs. 57818/09 e.a. (Lashmankin and Others t. Rusland).
Vgl. EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse t. Frankrijk), EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
OSCE/ODIHR & Venetiëcommissie 2019, p. 8–9; zie ook EHRM 21 juni 1988, nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärzte für das Leben’ t. Oostenrijk).
Zie de overwegingen in EHRM 27 februari 2018, 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne): ‘As the Court stated in Murat Vural, ‘peaceful and non-violent forms of expression should not be made subject to the threat of imposition of a custodial sentence’. In that case, even the infliction of criminal damage, specifically the pouring of paint onto a statue, were not viewed as being ‘of a gravity justifying a custodial sentence’’. Dit oordeel zag op artikel 10 EVRM. Dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden geen problemen heeft met bekladding van objecten in de openbare ruimte blijkt ook uit de onder artikel 10 EVRM beoordeelde zaak Genov and Sarbinska tegen Bulgarije, die verderop in deze schriftuur nog aan de orde komt. Het ging daarin om een strafrechtelijke schuldigverklaring en sanctionering wegens ‘hooliganism’ voor het met graffiti aanbrengen van een mening op een publiek, als nationaal erfgoed fungerend monument. Het aanbrengen van de graffiti werd niet als ‘any sort of irreversible harm to the monument’ aangemerkt. Vgl. EHRM 30 november 2021, nr. 52358/15 (Genov and Sarbinska t. Bulgarije).
‘The sole existence of a legitimate aim for an interference with the freedom of expression is not sufficient to indicate the presence of a pressing social need for such interference’.’ Vgl. o.m.: EHRM 28 maart 2013, nr. 14087/08 (Novaya Gazeta and Borodyanskiy t. Rusland), EHRM 29 juni 2004, nr. 64915/01 (Chauvy and Others t. Frankrijk) en EHRM 22 april 2010, nr. 40984/07 (Fatullayev t. Azerbeidzjan).
Bijv. EHRM 18 januari 2001, nr. 24876/94, EHRM 4 december 2008, nrs. 30562/04 en 30566/04 (S. and Marper t. Verenigd Koninkrijk), EHRM 19 november 2019, nr. 58954/09 (Obote t. Rusland). Zie ook de rechtspraak in de vorige voetnoot.
‘The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during an act of assembly and those, such as punitive measures, taken afterwards (…).’ Bijv. EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije), EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
Dat blijkt onder meer uit de arresten EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Açik and Others t. Turkije) en EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taranenko t. Rusland).
B. Roorda, J.G. Brouwer, A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021.
‘In dat verband is mede van belang dat uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt dat het recht van vrijheid op vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een ‘reprehensible act’ pleegt tijdens de demonstratie.’ Zie HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.
EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07 e.a. (Novikova and Others t. Rusland) en EHRM 3 mei 2022, 18079/15 (Bumbes t. Roemenië).
Dat kan ook worden afgeleid uit bijvoorbeeld de volgende overweging uit de zaak Bumbes t. Roemenië: ‘(T)he Court notes that when dismissing the applicant's challenge against the police report and the fine imposed on him, the national courts did not assess the level of disturbance his actions had caused, if any.’Zie EHRM 3 mei 2022, 18079/15 (Bumbes t. Roemenië).
Idem, p. 115 en 116.
Vgl. EHRM 30 november 2021, nr. 52358/15 (Genov and Sarbinska t. Bulgarije). Vgl. ook EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije). Elders in Genov and Sarbinska overweegt het EHRM: ‘Nor is there any indication that the fines imposed on the applicants were intended to contribute, or did in fact contribute, towards those expenses. Indeed, that was not the purpose of the hooliganism proceedings against them (…).’ Of daaruit kan worden afgeleid dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregelachtige maatregel in deze omstandigheden toelaatbaar zou zijn, is onduidelijk. Naar Nederlandse maatstaven is daarvoor immers een schuldigverklaring vereist.
Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden (2022A004), Stcrt 2022, 16129. Deze aanwijzing is als behoorlijk bekendgemaakt beleid recht in de zin van artikel 79 RO (vgl. bijv. HR 28 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4258).
J.M. Reijntjes, noot onder HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633, NJ 2020/35.
Zie ook voetnoot 7.
Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans), 2021, p. 49 e.v.
Vgl. EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taranenko t. Rusland).