Wet van 13 januari 1965 (Vreemdelingenwet), Stb. 1965, 40.
HR, 19-12-2023, nr. 21/03373
ECLI:NL:HR:2023:1743
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2023
- Zaaknummer
21/03373
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Staatsrecht (V)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1743, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:768
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:4340
ECLI:NL:PHR:2023:768, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑09‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1743
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑04‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0228
NJ 2024/234 met annotatie van E.J. Dommering
Uitspraak 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Niet voldoen aan aanwijzing ambtenaar Koninklijke marechaussee om te gaan zitten op stoel i.h.k.v. protest in vliegtuig tegen gedwongen uitzetting vreemdeling (overtreding voorschrift vastgesteld krachtens art. 46.2.b Vw 2000). 1. Was KMar bevoegd om verdachte aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel? 2. Was inbreuk op art. 10/11 EVRM noodzakelijk in democratische samenleving? Ad 1. O.g.v. art. 46.2.b Vw 2000 kunnen bij AMVB regels worden gesteld over verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met oog op controle in belang van grensbewaking. Tot die regels behoort voorschrift van art. 4.6 Vb 2000. O.g.v. die bepaling kunnen ambtenaren belast met grensbewaking i.h.k.v. hun taak aanwijzingen geven. Mede gelet op ontstaansgeschiedenis omvat bevoegdheid van art. 4.6 Vb 2000 niet alleen geven van aanwijzingen aan grenspassanten, maar ook aan personen die zich op een voor uitoefening van grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij grensdoorlaatpost ophouden. Hof heeft geoordeeld dat KMar, belast met grensbewaking op Schiphol, bevoegd was om verdachte aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel. Hiermee samenhangende oordeel dat erop neerkomt dat art. 46.2.b Vw 2000 mede betrekking heeft op regels voor beheersbaar maken en houden van situatie t.b.v. grensbewaking, en dat op die bepaling gebaseerde art. 4.6 Vb 2000 bevoegdheid omvat om zo’n aanwijzing te geven vanwege het zich op voor uitoefening van grensbewaking hinderlijke wijze ophouden op of nabij grensdoorlaatpost, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR wijdt algemene beschouwingen aan reikwijdte van het in art. 10 en 11 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en aan beantwoording van vraag onder welke omstandigheden beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is. Hof heeft verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM verworpen. Oordeel hof komt erop neer dat (i) aanleiding voor strafrechtelijke optreden tegen verdachte uitsluitend was gelegen in tijdens protestactie niet opvolgen van aanwijzingen KMar, terwijl opvolgen aanwijzingen verdachte niet had belemmerd in uiten van mening en voortzetten protest, (ii) negeren van aanwijzingen moet worden gezien als “reprehensible act” (laakbaar gedrag) waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat daaruit voortvloeiende beperking in uitoefening van rechten neergelegd in art. 10/11 EVRM gerechtvaardigd en noodzakelijk was en (iii) bestraffing daarvan met geheel voorwaardelijke geldboete proportioneel is en niet zo ingrijpend dat daarvan “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan protestactie gebruik willen maken van recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 21/03374.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03373
Datum 19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2021, nummer 23-003655-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben W.H. Jebbink en J.R. Kramer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman W.H. Jebbink heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van het tenlastegelegde en klaagt in de kern over het oordeel van het hof dat de Koninklijke marechaussee bevoegd was om de verdachte de aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij, op 5 januari 2019, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl zij zich bevond op of nabij een plaats waar een grensdoorlaatpost was gevestigd, zich niet heeft gehouden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen, immers is aan verdachte meerdere malen gevorderd dat zij op een stoel plaats moest nemen en heeft zij, verdachte, hieraan geen gehoor gegeven.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal met nummer (...) van 5 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
Op zaterdag 05 januari 2019 bevonden wij ons, gekleed in het herkenbare uniform van de Koninklijke Marechaussee, belast met de grensbewaking, op de luchthaven Schiphol gelegen in de gemeente Haarlemmermeer. Wij waren belast met het aan boord brengen van een vreemdeling onder begeleiding van vier escorts. Tijdens het informeren van de overige passagiers bleek er een drietal vrouwelijke passagiers aanwezig te zijn in het toestel, die het niet eens waren met de uitzetting van de vreemdeling. Het drietal bleef staan in het gangpad en weigerde plaats te nemen. Vervolgens is de escortcommandant in kennis gesteld van deze bevindingen en is deze naar het drietal toegestapt en heeft hij, na zich te hebben gelegitimeerd, gevraagd of ze wilden plaatsnemen op hun stoel. Na meerdere malen dit gevraagd te hebben weigerden de vrouwen nog steeds om te gaan zitten. Hierna heeft de escortcommandant driemaal gevorderd dat de vrouwen moesten plaatsnemen op hun stoelen, anders zou worden overgegaan tot aanhouding. Het drietal gaf geen gehoor aan de vordering waarna zij door ons, verbalisanten, zijn aangehouden. (...)
3. Een proces-verbaal met nummer (...) van 10 januari 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op zaterdag 05 januari 2019 bevond ik mij, verbalisant belast met de uitvoering van de grensbewaking, op de luchthaven Schiphol gelegen in de gemeente Haarlemmermeer. Ik was belast met de uitvoering van een begeleide c.q. gedwongen uitzetting van een vreemdeling. In het vliegtuig zag ik een aantal voor mij onbekende vrouwen staan. Ik hoorde dat zij tegen andere passagiers riepen dat het onacceptabel was om de vreemdeling uit te zetten naar Soedan. Ik hoorde dat zij tegen andere passagiers riepen om op te staan en zich te verzetten tegen de uitzetting van de vreemdeling. Ik hoorde dat zij riepen dat de Nederlandse Staat zich schuldig maakte aan het uitzetten van de vreemdeling naar oorlogsgebied.
Na telefonisch overleg met de gezagvoerder hoorde ik dat de gezagvoerder over de intercom van het vliegtuig zei dat er politie aan boord was belast met de uitzetting en dat iedereen moest gaan zitten. Ook zag ik dat de verlichting “fasten seatbelt” aanging. Ik ben naar de vrouwen gelopen en heb mij gelegitimeerd als medewerker van de Koninklijke Marechaussee. Ik vorderde de vrouwen dat ze moesten gaan zitten. Na overleg met de crew heb ik de drie voor mij onbekende vrouwen nog driemaal gevorderd te gaan zitten. Ik zag dat ze hieraan geen gehoor gaven en bleven staan. Nadat ik de voor mij onbekende vrouwen had gevorderd te gaan zitten en ze niet aan deze vordering voldeden, zijn de drie vrouwen aangehouden door collega’s in een herkenbaar uniform van de Koninklijke Marechaussee ter zake van het niet voldoen aan aanwijzingen gegeven door een ambtenaar belast met de uitvoering van de grensbewaking.”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“De verdediging stelt dat de vorderingen van de KMar aan de verdachte, inhoudende dat zij moest gaan zitten, niet waren gericht op controle in het belang van de grensbewaking, maar op het onbelemmerd uitvoeren van een uitzetting.
Naar het oordeel van het hof gaat de verdediging daarmee uit van een onjuiste interpretatie van de zinsnede ‘controle in het belang van de grensbewaking’. Voorop staat dat de KMar belast is met de opsporing van strafbare feiten op Schiphol, zijnde een grensdoorlaatpost als genoemd in artikel 4.6 Vb. Verder geldt op basis van het hiervoor vermelde artikel 4.1, lid 2, Vb dat sprake was van uitreizen nu de verdachte zich aan boord bevond van een luchtvaartuig dat zou vertrekken naar Kenia. De KMar, belast met grensbewaking op Schiphol, was daarom bevoegd de verdachte aanwijzingen te geven in het kader van de uitoefening van haar taak.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat de KMar zich in de onderhavige zaak niet bezighield met ‘controle’, wordt overwogen dat ook dit betoog niet kan slagen. Artikel 46, lid 2 Vw geeft de bevoegdheid om regels te stellen over verplichtingen waaraan personen moeten voldoen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheden van de KMar op Schiphol beperkt zijn tot ‘controle’. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat hiermee wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking. De aanwijzingen van de KMar in de onderhavige zaak vallen daarom binnen de hiervoor beschreven reikwijdte van artikel 46, lid 2, Vw en het daarop gebaseerde artikel 4.6 Vb, zodat het verweer van de verdediging wordt verworpen.”
2.3.1
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.
“1. Met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de Schengengrenscode en de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking zijn belast:
a. de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee;
(...)
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
(...)
b. de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking.”
- Artikel 4.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 luidt:
“1. Grensbewaking als bedoeld in artikel 46 van de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
2. Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.”
- Artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 luidt:
“Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.”
“1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft (...) overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens de artikelen (...) 46, tweede lid, aanhef, en onder b, (...).
3. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.”
2.3.2
De relevante ontstaansgeschiedenis van de hiervoor genoemde bepalingen is weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal onder 21-25. Hieruit blijkt dat het bepaalde in artikelen 4.1 en 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 mede is gebaseerd op de voorgangers van deze bepalingen, te weten artikelen 19 en 24 van het Vreemdelingenbesluit 1966 (Stb. 1966, 387), en dat een inhoudelijke wijziging daarvan met de invoering van het nieuwe besluit niet is beoogd. De nota van toelichting bij het Vreemdelingenbesluit 1966 houdt met betrekking tot artikel 24 Vreemdelingenbesluit 1966 het volgende in:
“Artikel 24. Dit artikel is niet alleen van toepassing op grenspassanten, doch aan de hand hiervan kan ook worden opgetreden jegens personen die zich, zonder Nederland in of uit te reizen, op voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost zouden ophouden.”
(Stb. 1966, 387, p. 918.)
2.4
Op grond van artikel 46 lid 2, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking. Tot die regels behoort het voorschrift van artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000, op grond waarvan, kort gezegd, ambtenaren die zijn belast met grensbewaking, in het kader van hun taak aanwijzingen kunnen geven. Mede gelet op de hiervoor weergegeven ontstaansgeschiedenis omvat de bevoegdheid van artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000, waarvan de uitoefening plaatsvindt met het oog op de controle in het belang van grensbewaking, niet alleen het geven van aanwijzingen aan grenspassanten, maar ook het geven van aanwijzingen aan personen die zich op een voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een grensdoorlaatpost ophouden. Voor zover het cassatiemiddel uitgaat van een beperktere uitleg van artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000, is het tevergeefs voorgesteld.
2.5.1
Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte zich bevond op Schiphol – een grensdoorlaatpost als bedoeld in artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 – in een vliegtuig dat zou vertrekken naar Kenia. In dat vliegtuig waren ambtenaren van de Koninklijke marechaussee aanwezig in verband met de gedwongen uitzetting van een vreemdeling. De verdachte gaf tot driemaal toe geen gehoor aan de aanwijzing van een ambtenaar van de Koninklijke marechaussee om plaats te nemen op haar stoel, maar is toen blijven staan en heeft ook anderen opgeroepen om te gaan staan.
2.5.2
Mede op basis van deze vaststellingen heeft het hof geoordeeld dat de Koninklijke marechaussee, belast met de grensbewaking op Schiphol, bevoegd was om de verdachte de aanwijzing te geven om plaats te nemen op haar stoel. Het hiermee samenhangende oordeel van het hof dat erop neerkomt dat artikel 46 lid 2, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 mede betrekking heeft op regels voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking, en dat het op die bepaling gebaseerde artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 de bevoegdheid omvat om zo’n aanwijzing te geven vanwege het zich op een voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze ophouden op of nabij een grensdoorlaatpost, getuigt – gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op betoging van de verdachte, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), noodzakelijk was in een democratische samenleving.
3.2.1
Het hof heeft een door de verdediging gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep beargumenteerd dat de verdachte door te worden verwijderd uit het vliegtuig, te worden opgehouden voor onderzoek en vervolgens te worden beboet, op ontoelaatbare wijze is beknot in haar recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en vereniging zoals omschreven in de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Aan die constatering wordt door de verdediging het gevolg verbonden dat artikel 4.6. Vb in het onderhavige geval via de band van artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing dient te worden gelaten, wat ertoe leidt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van het feit.
Oordeel van het hof
(...)
Uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een beroep op een in het EVRM vervat recht volgens een bepaalde methodiek dient te worden beoordeeld. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat sprake is van een inbreuk op een recht, i.c. het recht uit artikel 10 dan wel 11 van het EVRM. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inbreuk bij wet is voorzien, een legitiem doel (zoals opgesomd in de tweede leden van de genoemde artikelen) dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Ter beantwoording van die laatste vraag dient te worden gewogen of de inbreuk voldeed aan een dringende maatschappelijke behoefte en of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Beoordeling van het verweer
Inbreuk op het recht van vrije meningsuiting/vergadering
Beoordeeld wordt of in het onderhavige geval sprake is van een inbreuk op het aan de verdachte toekomende recht van vrijheid van meningsuiting dan wel vergadering. Het hof is van oordeel dat geen inbreuk is gemaakt op dit recht door de aanwijzingen van de KMar aan de verdachte dat zij op haar stoel moest plaatsnemen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich wenste uit te spreken tegen de uitzetting van een vreemdeling naar Soedan, omdat zij meende dat dit land onveilig was en de uitzetting van de vreemdeling naar die regio gepaard zou gaan met een groot risico voor de veiligheid van de vreemdeling. Dit had zij kunnen doen óók indien zij gevolg had gegeven aan de aanwijzingen van de KMar. Na het plaatsnemen op een stoel kon de verdachte zich nog steeds uitspreken en haar mening geven. Voor zover het verweer luidt dat met het geven van de aanwijzingen reeds inbreuk werd gemaakt op de vrijheid van meningsuiting/vergadering, wordt het verweer verworpen.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat de genoemde rechten werden beperkt toen de verdachte fysiek uit het vliegtuig werd verwijderd en werd opgehouden voor verhoor. Het hof constateert dat die inbreuk is voorzien bij wet, te weten bij artikel 108 Vw, waarin op de overtreding van voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 46, tweede lid, Vw (waaronder artikel 4.6. Vb) straf is gesteld. Verder diende de inbreuk een legitiem doel, te weten het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Hierbij is van belang dat de verdachte zich ophield in een vliegtuig dat werd gereed gemaakt voor vertrek vanuit een internationale luchthaven met aan boord een vreemdeling die onder begeleiding van een viertal escorts van de KMar zou worden uitgezet. De verdachte volgde aanwijzingen van de KMar niet op en voorkomen moest worden dat zich tijdens de vlucht ongeregeldheden zouden voordoen. De vraag die zich vervolgens aandient is of de inbreuk noodzakelijk was in een democratische samenleving. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Noodzakelijk in een democratische samenleving
Als algemeen uitgangspunt hanteert het hof dat (vreedzame) betogingen en demonstraties die tot doel hebben een discussie aan te zwengelen over bepaalde maatschappelijke of politieke vraagstukken een grote mate van bescherming verdienen (vgl. EHRM 2 januari 2002, Stankov and the United Macedonian Organisation Ilinden v. Bulgaria). Verder maakt het feit dat bepaalde betogingen of demonstraties veiligheidsrisico’s met zich meebrengen niet dat elke inperking op die rechten is geoorloofd. Tot slot is van belang de vraag of een inbreuk ook proportioneel is. Bij beantwoording van de vraag of de gewraakte inbreuk proportioneel was, is onder meer van belang of de betogers/demonstranten de gelegenheid hebben gehad op vreedzame wijze te demonstreren of anderszins hun mening te uiten (vgl. EHRM 18 juni 2019, Chernega and others v. Ukraine).
Op grond van de voornoemde uitgangspunten, toegepast op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat de inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting/vergadering van de verdachte in het onderhavige geval noodzakelijk was in een democratische samenleving en bovendien de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreed. Daartoe wordt overwogen dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken tegen de uitzetting van de vreemdeling. Immers verhinderde de vordering plaats te nemen op een passagiersstoel in het vliegtuig niet dat zij haar mening kon geven. Het handelen van de verdachte ging echter verder dan het geven van ruchtbaarheid aan een standpunt, nu zij, door niet te gaan zitten, het gereed maken voor vertrek van het vliegtuig belette, zodat de uitzetting (nog) niet kon worden bewerkstelligd. Dat anderen ook (nog) stonden en het vliegtuig dus sowieso niet kon vertrekken op het moment dat zij uit het vliegtuig werd verwijderd, doet daar niet aan af. Immers gaat het om de bedoeling van dat staan waarbij van belang is dat uit het proces-verbaal 5 januari 2019 van [verbalisant 4] volgt dat de vrouwen, waaronder de verdachte, medepassagiers opriepen ook te gaan staan. Het hof gaat ervan uit dat dit kennelijk als doel had de uitzetting te vertragen, bemoeilijken en/of voorkomen. Dat de verdachte vervolgens door de KMar is aangehouden en meegenomen, waarna zij is verhoord, is niet disproportioneel, gelet op de context waarin het voorgevallene zich afspeelde. Ook de hoogte van de aan de verdachte opgelegde strafbeschikking maakt niet dat het optreden van de KMar niet proportioneel was.
Sinds de aanslagen op 11 september 2001 in New York en Washington zijn de beveiligingsmaatregelen die gelden op internationale luchthavens aangescherpt. Onrust op een luchthaven kan leiden tot paniek wat vervolgens gevaar voor personen en goederen kan veroorzaken, zeker als die onrust of paniek ontstaat aan boord van een vliegtuig. Daarmee strookt dat de opsporingsambtenaren van de KMar ten behoeve van de veiligheid van personen in staat zijn reeds in een vroeg stadium in te grijpen ter voorkoming van wanordelijkheden. In het onderhavige geval was een aantal ambtenaren van de KMar belast met het effectueren van een gedwongen uitzetting, waartegen de vreemdeling zich verzette. Het is van belang dat burgers in een dergelijke situatie luisteren naar en gehoor geven aan de aanwijzingen die de KMar geeft ter beheersing van de situatie zodat escalatie kan worden voorkomen en ieders veiligheid kan worden gewaarborgd. Gelet daarop is ook niet onredelijk dat de verdachte, toen zij weigerde te gaan zitten, is verwijderd uit het vliegtuig en gedurende ongeveer vier uur is vastgehouden voor verhoor. In het kader van een zorgvuldige taakuitoefening diende de KMar immers te beoordelen in hoeverre de acties van verdachte onderdeel uitmaakten van een georganiseerde actie, zodat een inschatting kon worden gemaakt van de eventuele veiligheidsrisico’s tijdens de vlucht. Dat dit laatste een doel van het uitgevoerde onderzoek was, volgt ook uit de vragen die blijkens het proces-verbaal van verhoor van 5 januari 2019 aan de verdachte zijn gesteld.
Conclusie
Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat de onderhavige inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering van de verdachte noodzakelijk was in een democratische samenleving en bovendien in verhouding stond tot het gediende doel. Het verweer wordt verworpen. Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van liet bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”
3.2.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300 met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft daartoe in zijn strafmotivering onder meer het volgende overwogen:
“De verdachte heeft aan boord van een vliegtuig waarin zich een vreemdeling bevond die gedwongen werd uitgezet, geweigerd te voldoen aan aanwijzingen van de KMar. Daardoor heeft zij onrust veroorzaakt bij personen die zich aan boord van het vliegtuig bevonden. De verdachte stopte niet met haar handelen waardoor gedwongen verwijdering uit het vliegtuig noodzakelijk was om een veilige vlucht te kunnen waarborgen. Dit neemt het hof de verdachte kwalijk.
(...)
Gelet op alle omstandigheden van het geval, en het feit dat de verdachte met haar handelen bedoelde bij te dragen aan een maatschappelijk debat, acht het hof een onvoorwaardelijke strafoplegging niet passend. Wel zal het hof overgaan tot de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden in het vervolg opnieuw dergelijke feiten te plegen.”
Juridisch kader
3.3.1
In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
- Artikel 11 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
3.3.2
Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving en gelden als “the foundations of such a society”. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen), alsmede het recht omvat om – binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen (vgl. EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen), overweging 91 en EHRM 7 februari 2017, nr. 57818/09 e.a. (Lashmankin en anderen tegen Rusland), overweging 405).
3.3.3
Artikel 11 EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM. In zijn uitspraak van 21 november 2023, nr. 56896/17 e.a. (Laurijsen en anderen tegen Nederland) heeft het EHRM de rechtspraak over dit toepassingsbereik van artikel 11 EVRM als volgt samengevat:
“48. Article 11 of the Convention only protects the right to “peaceful assembly”, a notion which does not cover a demonstration where the organisers and participants have violent intentions. The guarantees of Article 11 therefore apply to all gatherings except those where the organisers and participants have such intentions, incite violence or otherwise reject the foundations of a democratic society (see Kudrevičius and Others, cited above, § 92).
49. In order to establish whether an applicant may claim the protection of Article 11, the Court takes into account (i) whether the assembly was intended to be peaceful or whether the organisers had violent intentions; (ii) whether the applicant demonstrated violent intentions when joining the assembly; and (iii) whether the applicant inflicted bodily harm on anyone (see Shmorgunov and Others v. Ukraine, nos. 15367/14 and 13 others, § 491, 21 January 2021). It notes that where both sides – demonstrators and police – were involved in violent acts, it is sometimes necessary to examine who started the violence (see Primov and Others v. Russia, no. 17391/06, § 157, 12 June 2014).
50. It should be noted that an individual does not cease to enjoy the right to freedom of peaceful assembly as a result of sporadic violence or other punishable acts committed by others in the course of the demonstration if the individual in question remains peaceful in his or her own intentions or behaviour. The possibility that persons with violent intentions who are not members of the organising association might join the demonstration cannot as such take away that right. Even if there is a real risk that a public demonstration might result in disorder as a result of developments outside the control of those organising it, such a demonstration does not as such fall outside the scope of paragraph 1 of Article 11, and any restriction placed thereon must be in conformity with the terms of paragraph 2 of that provision (see Kudrevičius and Others, cited above, § 94).
51. The burden of proving the violent intentions of the organisers of a demonstration lies with the authorities (see Christian Democratic People’s Party v. Moldova (no. 2), no. 25196/04, § 23, 2 February 2010).
52. In the Court’s view, although not an uncommon occurrence in the context of the exercise of freedom of assembly in modern societies, physical conduct purposely obstructing traffic and the ordinary course of life in order to seriously disrupt the activities carried out by others is not at the core of that freedom as protected by Article 11 of the Convention. This state of affairs might have implications for any assessment of “necessity” to be carried out under the second paragraph of Article 11 (see Kudrevičius and Others, cited above, § 97).”
3.3.4
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het EHRM in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) het volgende overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
3.3.5
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak het volgende overwogen:
“142. The right to freedom of assembly, one of the foundations of a democratic society, is subject to a number of exceptions which must be narrowly interpreted and the necessity for any restrictions must be convincingly established. When examining whether restrictions on the rights and freedoms guaranteed by the Convention can be considered “necessary in a democratic society” the Contracting States enjoy a certain but not unlimited margin of appreciation (see Barraco, cited above, § 42). It is, in any event, for the Court to give a final ruling on the restriction’s compatibility with the Convention and this is to be done by assessing the circumstances of a particular case (see Osmani and Others v. the former Yugoslav Republic of Macedonia (dec.), no. 50841/99, ECHR 2001-X, and Galstyan, cited above, § 114).
143. When the Court carries out its scrutiny, its task is not to substitute its own view for that of the relevant national authorities but rather to review under Article 11 the decisions they took. This does not mean that it has to confine itself to ascertaining whether the State exercised its discretion reasonably, carefully and in good faith; it must look at the interference complained of in the light of the case as a whole and determine, having established that it pursued a “legitimate aim”, whether it answered a “pressing social need” and, in particular, whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were “relevant and sufficient” (see Coster v. the United Kingdom [GC], no. 24876/94, § 104, 18 January 2001; Ashughyan v. Armenia, no. 33268/03, § 89, 17 July 2008; S. and Marper v. the United Kingdom [GC], nos. 30562/04 and 30566/04, § 101, ECHR 2008; Barraco, cited above, § 42; and Kasparov and Others, cited above, § 86). In so doing, the Court has to satisfy itself that the national authorities applied standards which were in conformity with the principles embodied in Article 11 and, moreover, that they based their decisions on an acceptable assessment of the relevant facts (see Rai and Evans, cited above, and Gün and Others, cited above, § 75; see also United Communist Party of Turkey and Others v. Turkey, 30 January 1998, § 47, Reports 1998-I, and Gerger v. Turkey [GC], no. 24919/94, § 46, 8 July 1999).
144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
145. Freedom of assembly as enshrined in Article 11 of the Convention protects a demonstration that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote (see Stankov and the United Macedonian Organisation Ilinden, cited above, § 86). Any measures interfering with freedom of assembly and expression other than in cases of incitement to violence or rejection of democratic principles – however shocking and unacceptable certain views or words used may appear to the authorities – do a disservice to democracy and often even endanger it (see Güneri and Others v. Turkey, nos. 42853/98 and 2 others, § 76, 12 July 2005; Sergey Kuznetsov, cited above, § 45; Alekseyev, cited above, § 80; Fáber, cited above, § 37; Gün and Others, cited above, § 70; and Taranenko, cited above, § 67).
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
3.3.6
Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich kan brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt – ongeacht de aard van en de vorm waarin dat optreden plaatsvindt en ongeacht de vraag of dit optreden tot een sanctie leidt – tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt immers dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een “reprehensible act” pleegt tijdens de demonstratie. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
3.3.7
De vraag of en wanneer sprake is van zo’n “reprehensible act” (laakbare gedraging), laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Wel heeft het EHRM in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) het volgende overwogen:
“173. (...) the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law (...). Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.”
3.3.8
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. ook HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
Het oordeel van de Hoge Raad
3.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich bevond aan boord van een vliegtuig dat werd gereedgemaakt voor vertrek, waarin zich een vreemdeling bevond die onder begeleiding van ambtenaren van de Koninklijke marechaussee gedwongen werd uitgezet. De verdachte protesteerde tegen de uitzetting van deze vreemdeling, door in het gangpad van het vliegtuig te blijven staan en anderen op te roepen om ook te gaan staan en zich te verzetten tegen de uitzetting. De verdachte gaf tot driemaal toe geen gehoor aan de aanwijzing van een ambtenaar van de Koninklijke marechaussee om plaats te nemen op haar stoel, welke aanwijzingen waren gedaan nadat de “fasten seatbelt”-verlichting was aangegaan. Hierop werd de verdachte aangehouden en verwijderd uit het vliegtuig, waarna zij gedurende ongeveer vier uren werd opgehouden voor verhoor.
3.5.1
Het hof heeft geoordeeld dat het geven van aanwijzingen door de Koninklijke marechaussee aan de verdachte om op haar stoel plaats te nemen, geen inbreuk vormt op het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering, omdat de verdachte als gevolg van het geven van die aanwijzingen niet is beperkt in de uitoefening van die rechten. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de fysieke verwijdering van de verdachte uit het vliegtuig en het ophouden voor verhoor wel zijn te kwalificeren als een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en van het recht op vrijheid van vergadering, maar dat deze beperkingen noodzakelijk waren in een democratische samenleving in het belang van de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Het hof heeft daarom het verweer van de raadsman dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikelen 10 en 11 EVRM verworpen.
3.5.2
Bij dat oordeel heeft het hof onder meer betrokken dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om zich uit te spreken tegen de uitzetting van de vreemdeling en dat de aan haar gegeven aanwijzingen niet tot gevolg hadden dat zij niet langer haar mening kon uiten en kon protesteren tegen de uitzetting. Dat deze aanwijzingen zijn gegeven en dat de verdachte – nadat zij geen gehoor had gegeven aan die aanwijzingen – is aangehouden en voor vier uren is opgehouden voor verhoor, vond zijn oorzaak in het voorkomen van ongeregeldheden tijdens de vlucht en het effectueren van de uitzetting. Hierbij heeft het hof overwogen dat het handelen van de verdachte verder ging dan het geven van ruchtbaarheid aan haar standpunt, omdat zij – nadat driemaal een aanwijzing was gegeven door de Koninklijke marechaussee en de “fasten seatbelt”-verlichting was aangegaan – weigerde plaats te nemen op haar stoel en daarmee “het gereed maken voor vertrek van het vliegtuig belette, zodat de uitzetting (nog) niet kon worden bewerkstelligd”. Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat met het geven van de aanwijzingen door de Koninklijke marechaussee werd beoogd escalatie te voorkomen en ieders veiligheid aan boord van het vliegtuig te waarborgen. In deze overwegingen ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de verdachte een “reprehensible act” pleegde (laakbaar gedrag vertoonde) omdat zij met haar handelen de normale gang van zaken in een vliegtuig dat zich klaarmaakt voor vertrek en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd, te weten het effectueren van de uitzetting waarmee de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee rechtmatig zijn belast, opzettelijk ernstig verstoorde. Tot slot heeft het hof bij zijn oordeel dat een veroordeling van de verdachte niet in strijd komt met de artikelen 10 en 11 EVRM betrokken dat met de oplegging van een geldboete kan worden volstaan en dat daarbij een onvoorwaardelijke strafoplegging niet passend is, zodat aan de verdachte uitsluitend een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300 is opgelegd. Bij deze strafoplegging heeft het hof betrokken dat de verdachte met haar handelen bedoelde bij te dragen aan een maatschappelijk debat en heeft het hof kennelijk acht geslagen op het karakter van de demonstratie, die op zichzelf vreedzaam en beperkt van opzet was.
3.5.3
Het oordeel van het hof komt er dus op neer dat (i) de aanleiding voor het strafrechtelijke optreden tegen de verdachte uitsluitend was gelegen in het tijdens de protestactie niet opvolgen van de aanwijzingen van de Koninklijke marechaussee, terwijl het opvolgen van die aanwijzingen de verdachte niet had belemmerd in het uiten van haar mening en het voortzetten van het protest, (ii) het negeren van de aanwijzingen moet worden gezien als een “reprehensible act” (laakbaar gedrag) waartegen strafrechtelijk optreden geboden was, zodat de daaruit voortvloeiende beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering gerechtvaardigd en noodzakelijk was, en (iii) de bestraffing daarvan met een geheel voorwaardelijke geldboete proportioneel is en niet zo ingrijpend is dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die door deelname aan een protestactie gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering. Dit oordeel geeft gelet op wat onder 3.3 is vooropgesteld niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.6
Het cassatiemiddel faalt.
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 300 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M. Kuijer, C. Caminada en H.G. Sevenster, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.
Conclusie 05‑09‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie PG. Niet houden aan door Koninklijke Marechaussee gegeven vorderingen om plaats te nemen op de stoel, art. 46 lid 2 sub b jo 108 Vw 2000 jo art. 4.6 Vb 2000. Verdachte protesteerde in een vertrekkend vliegtuig tegen uitzetting vreemdeling en riep andere passagiers op hetzelfde te doen. Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete. Middel 1 bevat de klacht dat geen sprake was van een bevoegde aanwijzing van de KMar. Middel 2 richt zich tegen de verwerping van het beroep op art. 10 en 11 EVRM. De PG gaat nader in op de vraag hoe een beperking van demonstratierecht door strafrechtelijk optreden zich verhoudt tot het recht op vrijheid van meningsuiting en op de vergadervrijheid zoals gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 EVRM. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 21/03374.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03373
Zitting 5 september 2023
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 22 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "overtreding van een voorschrift, vastgesteld krachtens artikel 46, tweede lid, aanhef, en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair zes dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.
De zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte, met zaaknummer 21/03374. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. W.H. Jebbink en J.R. Kramer, beiden advocaat te Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
4. De door het hof vastgestelde (en in cassatie niet bestreden) feiten laten zich als volgt samenvatten.
5. De verdachte bevond zich op 5 januari 2019 in een zich voor vertrek klaarmakend vliegtuig op Schiphol, waarin op dat moment een vreemdeling gedwongen werd uitgezet naar Soedan. Een drietal personen, onder wie de verdachte, was het niet eens met deze uitzetting en bleef staan in het gangpad van het vliegtuig. Zij riepen dat het onacceptabel was de vreemdeling uit te zetten en dat de Nederlandse Staat zich schuldig maakte aan het uitzetten van een vreemdeling naar oorlogsgebied. Ook riepen zij andere passagiers op om te gaan staan en zich te verzetten tegen de uitzetting van de vreemdeling. Een ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee heeft deze personen, onder wie de verdachte, vervolgens meermalen gevorderd te gaan zitten op hun passagiersstoel. Zij gaven hieraan geen gehoor. Hierop zijn de verdachten aangehouden en opgehouden voor verhoor.
6. Ten laste van de verdachte is vervolgens wegens het zich ‘niet houden aan een door het grensbewaking belaste ambtenaar in het kader van de uitoefening van zijn taak gegeven aanwijzing, door geen gehoor te geven aan (meerdere) vorderingen op de stoel plaats te nemen’ een strafbeschikking van € 380,00 uitgevaardigd. De verdachte is hiertegen in verzet gegaan bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft de strafbeschikking vernietigd en de verdachte vrijgesproken, kort gezegd omdat naar diens oordeel geen sprake was van een aanwijzing van het lid van de Koninklijke Marechaussee als bedoeld in de wet, omdat deze niet viel binnen de hem op grond van de Vreemdelingenwet 2000 toegekende aanwijzingsbevoegdheid met het oog op de ‘controle met betrekking tot de grensbewaking’. Het Openbaar Ministerie is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Het hof heeft de verdachte wel veroordeeld, tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van twee jaren.
7. In feitelijke aanleg is betoogd (i) dat geen sprake was van een ‘aanwijzing’ als bedoeld in de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit en (ii) dat de aanhouding, ophouding voor verhoor en veroordeling en sanctionering een ontoelaatbare inbreuk vormden op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en betoging (artikel 11 EVRM). Beide verweren zijn door het hof verworpen. In cassatie wordt daartegen opgekomen.
Het eerste middel
8. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring en houdt in dat het oordeel van het hof dat de Koninklijke Marechaussee bevoegd was om de verdachte de aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
9. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 5 januari 2019, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl zij zich bevond op of nabij een plaats waar een grensdoorlaatpost was gevestigd, zich niet heeft gehouden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen, immers is aan verdachte meerdere malen gevorderd dat zij op een stoel plaats moest nemen en heeft zij, verdachte, hieraan geen gehoor gegeven.”
10. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. Deze houden – voor zover van belang – in dat het volgende verweer is gevoerd (met weglating van voetnoten):
“Vrijspraak: aanwijzingen Kmar vallen buiten reikwijdte art. 4.6 Vreemdelingenbesluit jo. 46 Vreemdelingenwet
7. In eerste aanleg heb ik aan de hand van de wetsgeschiedenis toegelicht waarom het niet opvolgen door cliënten van de door de Kmar gegeven aanwijzing buiten de reikwijdte valt van art. 4.6 Vb.
8. Deze bepaling luidt als volgt: “Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.” (onderstreping, KZ)
9. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 46 lid 2 van de Vreemdelingenwet. Die luidt, voor zover relevant, als volgt: “(2) Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent: (...) b. de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking." (onderstreping, KZ)
10. Deze bepaling delegeert de bevoegdheid om (bij AMvB) verplichtingen te scheppen “waaraan personen zijn onderworpen”, maar beperkt deze bevoegdheid tegelijkertijd tot verplichtingen die nodig zijn “met het oog op controle in het belang van de grensbewaking” (onderstreping, KZ).
11. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de invoering van de voorgangers van artikel 46 Vw en 4.6 Vb, slechts beperkte mogelijkheden werden voorzien voor het opleggen van verplichtingen aan Nederlandse staatsburgers in het kader van de grensbewaking.
12. In de Nota van Toelichting bij het Vb 1966 is daarover het volgende opgenomen:
“Uitgaande van de gedachte dat Nederlanders in beginsel slechts aan speciale verplichtingen met oog op de grensbewaking dienen te zijn onderworpen, voor zover zulks voor de controle op vreemdelingen onontbeerlijk is, is de thans voor Nederlanders bestaande verplichting om via doorlaatposten in en uit te reizen en om bij uitreis steeds een geldig grensoverschrijdingsdocument bij zich te dragen (artikelen 2 en 6 van het Bewakingsvoorschrift 1946, Sterf. 63) niet in het ontwerp overgenomen. Wel is in artikel 25 voorzien in een verplichting voor Nederlanders om bij het binnenkomen of verlaten van Nederland desgevraagd aan een met de grensbewaking belaste ambtenaar de in hun bezit zijnde reis- en identiteitspapieren te vertonen en, indien hun Nederlanderschap daaruit niet voldoende blijkt, op andere wijze aannemelijk te maken dat zij Nederlander zijn. Andere verplichtingen, welke in het belang van de controle op vreemdelingen mede voor Nederlanders dienen te gelden, zijn opgenomen in de ontworpen artikelen 24 en 26—30.”
13. Ik wijs in het bijzonder op de eerste zin van dit citaat, waarin wordt benadrukt dat Nederlanders in beginsel slechts aan speciale verplichtingen worden onderworpen met het oog op de grensbewaking, “voor zover zulks voor de controle op vreemdelingen onontbeerlijk is”.
14. De bevoegdheid tot het scheppen van verplichtingen voor Nederlanders bij AMvB is, vermoedelijk om die reden, in artikel 3.1 Vw 1966 al beperkt tot verplichtingen “met het oog op controle in het belang van de grensbewaking”. Deze beperking uit art. 3.1 Vw 1966 is in artikel 46 van de huidige Vreemdelingenwet onverkort gehandhaafd.
15. In de aanvullende appelschriftuur wijst de officier van justitie op artikel 65 van de Vw (huidig), kennelijk als grondslag voor de aanwijzingen die de leden van de Kmar gaven aan cliënten. Volgens deze bepaling kan de uitzetting van een vreemdeling per vliegtuig worden uitgevoerd (lid 1) en zijn gezagvoerders van een vliegtuig waarmee zo’n uitzetting wordt uitgevoerd, verplicht daaraan alle medewerking te verlenen “die de ambtenaar belast met de grensbewaking redelijkerwijs kan vorderen” (lid 3). Artikel 65 Vw richt zich echter tot gezagvoerders van een vliegtuig en creëert nadrukkelijk geen verplichtingen voor anderen ten aanzien van medewerking aan een uitzetting. Er bestaat geen verband tussen artikel 65 Vw en artikel 4.6 Vb, terwijl aan cliënten overtreding van deze laatste bepaling is tenlastegelegd. Artikel 4.6 Vb verplicht burgers inderdaad om aanwijzingen op te volgen van ambtenaren belast met grensbewaking, maar slechts voor zover die aanwijzingen gegeven worden in het kader van de uitoefening van hun taak. Het doel van deze taakuitoefening is daarin leidend en beperkend, wat betreft het soort aanwijzingen dat gegeven kan worden. En de delegatiebepaling, art. 46 Vw, waarop deze aanwijzingsbevoegdheid is gebaseerd formuleert het doel van deze taakuitoefening als volgt: controle in het belang van de grensbewaking.
16. Het feit dat de officier van justitie niet artikel 46, maar artikel 65 Vw aanhaalt, biedt daarom juist steun aan de stelling van de verdediging dat de aanwijzing die de Kmar gaf aan cliënten, buiten de reikwijdte valt van artikel 46 Vw en artikel 4.6 Vb. De officier van justitie concludeert in haar appelschriftuur dat uit artikel 65 Vw volgt dat een uitzetting niet moet kunnen worden belemmerd door passagiers van een vliegtuig. Artikel 65 rept echter niet over het voorkomen van belemmering van uitzettingen. Maar zelfs uitgaande van de juistheid van de stelling dat burgers uitzettingen niet zouden mogen belemmeren, betekent dat nog niet dat een poging een uitzetting te belemmeren (voor zover daar al sprake van was in deze zaak) kwalificeert als een strafbare overtreding van artikel 4.6 Vb.
17. De vraag naar de bevoegdheid van de Kmar om de Vreemdelingenwet te handhaven, dient te worden onderscheiden van de vraag naar de strafbaarheid van het handelen van cliënten. Voor de beantwoording van deze laatste vraag dient enkel te worden gekeken naar het tenlastegelegde artikel 4.6 Vb, en naar artikel 46 Vw, dat de grondslag biedt voor de in artikel 4.6 geformuleerde aanwijzingsbevoegdheid. Nu artikel 46 Vw het doel waarvoor verplichtingen kunnen worden opgelegd aan burgers expliciet beperkt, is het niet-opvolgen van aanwijzingen die buiten dit doel vallen, niet strafbaar o.g.v. artikel 4.6 Vb.
18. Ambtenaren belast met grensbewaking hebben geen onbeperkte bevoegdheid om een ieder – inclusief staatsburgers – aanwijzingen te geven voor zover zij dat nodig achten. De aanwijzingsbevoegdheid uit artikel 4.6 Vb mag enkel worden uitgeoefend met het oog op controle in het belang van de grensbewaking. Alleen als de aanwijzingen van de Kmar binnen deze reikwijdte vallen, mogen zij die geven en kan het niet opvolgen van een dergelijke aanwijzing strafbaar zijn op grond van artikel 4.6 Vb.
19. De aanwijzing van de Kmar aan cliënten om op hun stoel plaats te nemen, was niet gericht op controle in het belang van de grensbewaking, maar op het uitvoeren van een uitzetting. Deze aanwijzing valt daarom buiten de reikwijdte van de artikel 46 Vw en 4.6 Vb. Cliënten dienen daarom te worden vrijgesproken.
20. Ten overvloede merk ik op dat deze opvatting nader steun vindt in de wetsgeschiedenis. Uit de nota van toelichting op Artikel 24 Vb 1966 (huidig artikel 4.6 Vb), blijkt namelijk dat het doel van deze bepaling was om de kring van personen aan wie aanwijzingen gegeven kunnen worden, uit te breiden van grenspasssanten, naar een ieder die zich ophoudt nabij een doorlaatpost. Ik citeer de Nota van Toelichting:
“Artikel 24. Dit artikel is niet alleen van toepassing op grenspassanten, doch aan de hand hiervan kan ook worden opgetreden jegens personen die zich, zonder Nederland in of uit te reizen, op voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost zouden ophouden.”
Waar de rest van de in de titel opgenomen verplichtingen zich enkel richt tot grenspassanten, schept deze bepaling een bredere bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan anderen. Maar niet blijkt dat het doel waarvoor aanwijzingen mogen worden gegeven, wordt uitgebreid. Het beperkte doel waarvoor uit hoofde van deze bepaling verplichtingen mogen worden opgelegd aan personen, blijft beperkt door de delegatiebepaling - artikel 3.1 Vw 1966 en 46 Vw - namelijk alleen voor verplichtingen ter controle in het kader van de grensbewaking.”
11. Het bestreden arrest houdt – voor zover van belang – als reactie op het gevoerde verweer het volgende in:
“Bewijsmotivering
Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. (…) Subsidiair vielen de aanwijzingen van de escortcommandant van de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) niet binnen de hem toegekende aanwijzingsbevoegdheid met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking.
Oordeel van het hof
(…)
Ten aanzien van het subsidiaire verweer strekkende tot vrijspraak zijn de volgende bepalingen van belang:
Artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), bepaalt: ‘Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking..’
Op basis van artikel 46, tweede lid is, voor zover van belang, in het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) opgenomen:
Artikel 4.1:
‘1. Grensbewaking als bedoeld in artikel 46 van de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
2. Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.’
Artikel 4.6: ‘Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.’
De verdediging stelt dat de vorderingen van de KMar aan de verdachte, inhoudende dat zij moest gaan zitten, niet waren gericht op controle in het belang van de grensbewaking, maar op het onbelemmerd uitvoeren van een uitzetting. Naar het oordeel van het hof gaat de verdediging daarmee uit van een onjuiste interpretatie van de zinsnede 'controle in het belang van de grensbewaking’. Voorop staat dat de Kmar belast is met de opsporing van strafbare feiten op Schiphol, zijnde een grensdoorlaatpost als genoemd in artikel 4.6 Vb. Verder geldt op basis van het hiervoor vermelde artikel 4.1, lid 2, Vb dat sprake was van uitreizen nu de verdachte zich aan boord bevond van een luchtvaartuig dat zou vertrekken naar Kenia. De Kmar, belast met grensbewaking op Schiphol, was daarom bevoegd de verdachte aanwijzingen te geven in het kader van de uitoefening van haar taak.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat de KMar zich in de onderhavige zaak niet bezighield met ‘controle’, wordt overwogen dat ook dit betoog niet kan slagen. Artikel 46, lid 2 Vw geeft de bevoegdheid om regels te stellen over verplichtingen waaraan personen moeten voldoen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheden van de Kmar op Schiphol beperkt zijn tot ‘controle’. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat hiermee wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking. De aanwijzingen van de KMar in de onderhavige zaak vallen daarom binnen de hiervoor beschreven reikwijdte van artikel 46, lid 2 Vw en het daarop gebaseerde artikel 4.6 Vb, zodat het verweer van de verdediging wordt verworpen.”
12. Het middel valt in drie deelklachten uiteen.
13. De eerste klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de Koninklijke Marechaussee bevoegd was de aanwijzing te geven onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de nota van toelichting op artikel 24 Vb 1966 (de voorloper van art. 4.6 Vb 2000) volgt dat de Koninklijke Marechaussee alleen aanwijzingen kan geven in het kader van de controle op vreemdelingen. De vordering van de Koninklijke Marechaussee om te gaan zitten op een stoel in een vliegtuig in verband met de uitzetting van een vreemdeling, is volgens de stellers van het middel niet als zodanig aan te merken.
14. De tweede klacht houdt in dat het oordeel van het hof dat uit artikel 46, tweede lid, Vw 2000 niet kan worden afgeleid dat de bevoegdheden van de Koninklijke Marechaussee zijn beperkt tot controle onjuist dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Daaraan wordt ten grondslag gelegd dat uit de tekst van deze bepaling niet anders kan worden afgeleid dan dat bij AMVB regels worden gesteld met slechts het oog op ‘de controle’. Daarnaast wordt aangevoerd dat de nota van toelichting bij artikel 24 Vb 1966 inhoudt dat de verplichtingen waaraan Nederlanders op grond van deze bepalingen kunnen worden onderworpen, slechts gelden in het kader van ‘de controle’ op vreemdelingen.
15. De derde klacht komt erop neer dat het oordeel van het hof dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat met de verplichtingen waaraan personen kunnen worden onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Hierbij wordt betoogd dat er geen valide aanknopingspunten zijn voor een dergelijke ruime interpretatie van de wet.
16. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
17. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft overtreding van bij ministeriële regeling aan te wijzen voorschriften vastgesteld bij of krachtens de Schengengrenscode, overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij of krachtens de artikelen (…) 46, tweede lid, aanhef, en onder b, (…).
3. De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.
Artikel 46 Vw 2000:
1. Met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de Schengengrenscode en de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking zijn belast:
a. de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee;(…)
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:(…)
b. de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking.
Artikel 4.1 Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000:
Grensbewaking als bedoeld in artikel 46 van de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.
Artikel 4.6 Vb 2000:
Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.
18. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat zij, terwijl zij zich bevond op of nabij een plaats waar een grensdoorlaatpost was gevestigd, zich niet heeft gehouden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen door geen gehoor te geven aan de vorderingen dat zij op een stoel plaats moest nemen. Het middel stelt de vraag aan de orde of de betrokken ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee in het kader van zijn taakuitoefening bevoegd was tot het geven van een dergelijke aanwijzing. Als dat antwoord ontkennend luidt, zou de verdachte moeten worden vrijgesproken.
19. Artikel 108, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat strafbaar is overtreding van een voorschrift krachtens artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, Vw 2000. De laatstgenoemde bepaling houdt in dat bij AMVB regels worden gesteld omtrent de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen ‘met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking’. De artikelen 4.1 en 4.6 Vb 2000 komen erop neer dat een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, zich houdt aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen en dat grensbewaking wordt uitgeoefend met het oog op het in- en uitreizen van Nederland.
20. Voor een goed begrip van de achtergrond van de relevante bepalingen, is het van belang de wetsgeschiedenis kort toe te lichten.
21. De voorloper van artikel 108 Vw 2000 is te vinden in artikel 44 Vw 1966; de voorloper van artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, Vw 2000 in artikel 3, eerste lid, onder b, Vw 1966.1.De wet van 1966 strekte mede ter vervanging van de Wet van 10 januari 1920, Stb. 11 houdende nadere voorzieningen betreffende de grensbewaking. In deze wet staat in artikel 2: “Onze Minister van Justitie is bevoegd, in het belang van de grensbewaking, den toegang tot, het verkeer binnen en het verlaten van de bewakingsgebieden te regelen” en in artikel 3: “Overtreding van eene regeling, door Onzen Minister van Justitie krachtens artikel 2 vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste honderd gulden.” Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in het Bewakingsvoorschrift van 11 februari 1920.2.Artikel 10 van dit Bewakingsvoorschrift van 1920 hield het volgende in:
“Artikel 10. Nederlanders, die trachten van uit het bewakingsgebied over de grenzen te gaan, moeten hun paspoorten en andere bescheiden, die zij bij zich dragen, die omtrent hunne identiteit licht kunnen verschaffen, aan de met de grensbewaking belaste personen vertoonen, indien zulks door dezen mocht worden gevorderd.”
22. Het Bewakingsvoorschrift is vervangen door de Bewakingsvoorschriften van 19393.en 1946.4.In 1939 hield artikel 15 van het Bewakingsvoorschrift in:
“Nederlanders, die zich van uit het bewakingsgebied buitenslands begeven, zijn gehouden op eerste vordering van een met de politiaire grensbewaking belast ambtenaar hun identiteitspapieren te vertoonen.”
23. In 1946 is deze bepaling verplaatst naar artikel 19 en inhoudelijk niet gewijzigd.
24. Het Bewakingsvoorschrift is nadien opgenomen in de regelgeving ter uitvoering van de Vreemdelingenwet 1966. De memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Vw 19665.houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Het ontwerp strekt mede tot vervanging van de reeds genoemde wet van 1920, betreffende de grensbewaking. Hoewel de bevoegdheden tot controle aan de grens en de daarmede samenhangende verplichtingen (aanmelden bij een doorlaatpost, vertonen van reispapieren e.d.) ook op Nederlanders betrekking hebben, leek het toch, gezien het nauwe verband met de toelating van vreemdelingen, het eenvoudigst en meest overzichtelijk de enkele bepalingen die hiervoor nodig zijn in dit ontwerp op te nemen. (Vgl. de artikelen 3, 6, 7 en 44).
(…)
Artikel 3. (…) De verplichtingen bij grenscontrole (melden bij een doorIaatpost, vertonen van identiteitspapieren, verstrekken van inlichtingen e.d.) moeten uiteraard mede voor Nederlanders gelden; vandaar dat hier algemeen van „personen" wordt gesproken.”
25. De voorloper van artikel 4.1 Vw 2000 is artikel 19 Vb 1966; die van 4.6 Vw 2000 is artikel 24 Vb 1966.6.De nota van toelichting7.houdt over deze bepalingen, voor zover van belang, het volgende in:
“De bepalingen van dit hoofdstuk strekken tot uitvoering van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Artikel 19 van het ontwerpbesluit geeft onder meer aan op welk doel de uitoefening van de grensbewaking is gericht. (…) Voorts hebben de ontworpen artikelen 22—32 betrekking op verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen; door deze bepalingen wordt uitvoering gegeven aan artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet. (…)
Aangezien, zoals hierboven betoogd, de inhoud van de ontworpen artikelen voor een belangrijk deel bepaald wordt door uit overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen, welke ook thans reeds voor Nederland gelden, wijken de in het ontwerp opgenomen bepalingen op het stuk van de grensbewaking — behoudens twee hieronder te vermelden uitzonderingen — slechts op enkele detailpunten van technische aard af van de momenteel geldende voorschriften, vastgesteld krachtens de wet van 10 januari 1920 (Stb. 11) houdende nadere voorzieningen betreffende de grensbewaking, welke bij artikel 47 van de Vreemdelingenwet wordt ingetrokken. (…)
In artikel 19, eerste lid, van het ontwerp is dan ook volstaan met het geven van een functionele omschrijving van de grensbewaking, waarbij het essentiële element is, dat er voor de uitoefening van de grensbewakingstaak steeds een relatie moet zijn met het Nederland in- of uitreizen van personen.
Uitgaande van de gedachte dat Nederlanders in beginsel slechts aan speciale verplichtingen met het oog op de grensbewaking dienen te zijn onderworpen, voor zover zulks voor de controle op vreemdelingen onontbeerlijk is, is de thans voor Nederlanders bestaande verplichting om via doorlaatposten in en uit te reizen en om bij uitreis steeds een geldig grensoverschrijdingsdocument bij zich te dragen (artikelen 2 en 6 van het Bewakingsvoorschrift 1946, Stcrt. 63) niet in het ontwerp overgenomen. Wel is in artikel 25 voorzien in een verplichting voor Nederlanders om bij het binnenkomen of verlaten van Nederland desgevraagd aan een met de grensbewaking belaste ambtenaar de in hun bezit zijnde reis- en identiteitspapieren te vertonen en, indien hun Nederlanderschap daaruit niet voldoende blijkt, op andere wijze aannemelijk te maken dat zij Nederlander zijn. Andere verplichtingen, welke in het belang van de controle op vreemdelingen mede voor Nederlanders dienen te gelden, zijn opgenomen in de ontworpen artikelen 24 en 26—30.
In het algemeen is er bij het opstellen van de ontworpen artikelen naar gestreefd om, rekening houdende met de eisen welke — mede ter voldoening aan internationale verplichtingen — aan een doelmatige grenscontrole moeten worden gesteld, de verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen tot een noodzakelijk minimum te beperken en — waar mogelijk — faciliteiten te verlenen ter bevordering van een soepele en vlotte gang van zaken bij de uitoefening der controle.
Toelichting op de artikelen
Na hetgeen in het algemeen gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk is opgemerkt, meent de ondergetekende met een summiere toelichting op de onderscheidene artikelen, die overwegend van technische aard zijn, te kunnen volstaan.
Artikel 19. De gegeven omschrijving bevat drie elementen. In de eerste plaats moet grensbewaking, wat de materiële inhoud betreft, strekken ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet. In de tweede plaats laat de gegeven omschrijving de mogelijkheid open om grensbewakingscontrole uit te oefenen niet alleen ten aanzien van vreemdelingen maar ook op Nederlanders. Tenslotte moet de uitoefening van de controle rechtstreeks verband houden met het in- en uitreizen van personen. Volgens het ontwerp-artikel wordt de grensbewaking uitgeoefend „met het oog op” het Nederland in- en uitreizen van personen. Deze omschrijving heeft de strekking om buiten twijfel te stellen dat grensbewakingscontrole ook ka worden uitgeoefend ten aanzien van personen van wie niet vaststaat of zij Nederland in- of uitreizen doch ten aanzien van wie hiervan wel het vermoeden bestaat; dit vermoeden kan bijvoorbeeld gegrond zijn op de wijze waarop of de omstandigheden waaronder deze personen zich in het grensgebied ophouden. Het tweede lid geeft een voor een richtige uitoefening van de grensbewakingstaak noodzakelijke uitbreiding aan het begrip uitreizen.
(…)
Artikel 24. Dit artikel is niet alleen van toepassing op grenspassanten, doch aan de hand hiervan kan ook worden opgetreden jegens personen die zich, zonder Nederland in of uit te reizen, op voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost zouden ophouden.”
26. Niet bestreden is dat de ambtenaar van de Koninklijke Marechaussee als zodanig met grensbewaking was belast. De uitzetting moet in dat kader worden bezien. Evenmin is bestreden dat Schiphol als grensdoorlaatpost moet worden aangemerkt.8.Op grond van art. 4.6 Vb 2000 dient een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd zich te houden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen. De aanwijzing aan verdachte om te gaan zitten moet worden bezien met het oog op het belang in het kader van de grensbewaking de uitzetting te kunnen effectueren. Daarmee valt de gegeven aanwijzing binnen het bereik van art. 4.6 Vb 2000.
27. Het middel berust op een restrictieve uitleg van art. 4.6 Vb 2000, waarbij de reikwijdte van de bepaling is beperkt tot aanwijzingen in het kader van de reguliere grenscontrole bij doorlaatposten. Ik deel deze uitleg niet.
28. Voor een wetshistorische uitleg moet worden aangesloten bij de parlementaire behandeling van de Vw en het Vb van 1966. Tijdens de invoering van de Vw 1966 is primair aandacht besteed aan ‘reguliere’ verplichtingen bij een doorlaatpost, zoals het melden bij een doorIaatpost, het vertonen van identiteitspapieren en het verstrekken van inlichtingen. Daar staat tegenover dat in de toelichting bij artikel 24 Vb 1966 (thans art. 4.6 Vb 2000) in algemene termen is opgemerkt dat dit artikel niet alleen van toepassing is op grenspassanten, maar dat aan de hand hiervan ook kan worden opgetreden jegens personen “die zich, zonder Nederland in of uit te reizen, op voor de uitoefening van de grensbewaking hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost zouden ophouden”. Uit de geciteerde passage wordt duidelijk dat aanwijzingen ook betrekking kunnen hebben op personen die zich op voor de uitoefening van bevoegdheden door ambtenaren belast met de grensbewaking, waartoe de uitoefening van de bevoegdheid tot uitzetting behoort, hinderlijke wijze op of nabij een doorlaatpost ophouden. Een redelijke uitleg van de wet brengt mee dat dergelijke aanwijzingen ook kunnen strekken ter voorkoming dat personen verhinderen dat de ambtenaren met grensbewaking belast de uitzetting van een vreemdeling effectueren, waardoor ook de controle op het daadwerkelijk verlaten van Nederland wordt belemmerd.
29. Het hof heeft geoordeeld dat de Koninklijke Marechaussee bevoegd was de aanwijzing om te gaan zitten in het vliegtuig te geven, omdat sprake was van grensbewaking in de zin van uitreizen op een grensdoorlaatpost. Daarbij heeft het hof overwogen dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat met de verplichtingen waaraan personen kunnen worden onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking. Het hof oordeelt dat de aanwijzingen van de Koninklijke Marechaussee in de omstandigheden van het geval vallen binnen de reikwijdte van artikel 46 lid 2 Vw 2000. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
30. Het middel faalt.
Het tweede middel
31. Het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en op betoging (artikel 11 EVRM) noodzakelijk was in een democratische samenleving en in verhouding stond tot het gediende doel onbegrijpelijk en ontoereikend is gemotiveerd.
32. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde pleitnotities. Deze houden – voor zover van belang – in dat is bepleit dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat een veroordeling van de verdachte strijdig zou zijn met het recht op vrijheid van meningsuiting en de vergadervrijheid, zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM. Volgens de verdediging zijn een vervolging en veroordeling niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Daartoe werd opgemerkt dat het ging om een vreedzaam, geweldloos protest van zeer korte duur dat geen schade of wanorde heeft aangericht of inbreuk heeft gemaakt op rechten van de vliegmaatschappij, het cabinepersoneel of andere passagiers. Ook was er (nog) geen dringende noodzaak de verdachten te verwijderen, omdat het vliegtuig op dat moment nog niet op het punt van vertrekken stond. De gevolgen van het optreden van de Koninklijke Marechaussee waren voor de verdachte verstrekkend, aldus de verdediging: zij is op gewelddadige wijze uit het vliegtuig verwijderd, heeft haar vlucht gemist en heeft bijna vier uur in een politiecel verbleven. Strafrechtelijke veroordeling en bestraffing zouden volgens de verdediging disproportioneel zijn.
33. Het hof heeft in het bestreden arrest als volgt gerespondeerd op het hiervoor samengevatte verweer:
“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep beargumenteerd dat de verdachte door te worden verwijderd uit het vliegtuig, te worden opgehouden voor onderzoek en vervolgens te worden beboet, op ontoelaatbare wijze is beknot in haar recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en vereniging zoals omschreven in de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Aan die constatering wordt door de verdediging het gevolg verbonden dat artikel 4.6. Vb in het onderhavige geval via de band van artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing dient te worden gelaten, wat ertoe leidt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van het feit.
Oordeel van het hof
Juridisch kader
(…)
Uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat een beroep op een in het EVRM vervat recht volgens een bepaalde methodiek dient te worden beoordeeld. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat sprake is van een inbreuk op een recht, i.c, het recht uit artikel 10 dan wel 11 van het EVRM. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inbreuk bij wet is voorzien, een legitiem doel (zoals opgesomd in de tweede leden van de genoemde artikelen) dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Ter beantwoording van die laatste vraag dient te worden gewogen of de inbreuk voldeed aan een dringende maatschappelijke behoefte en of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Beoordeling van het verweer
Inbreuk op het recht van vrije meningsuiting/vergadering
Beoordeeld wordt of in het onderhavige geval sprake is van een inbreuk op het aan de verdachte toekomende recht van vrijheid van meningsuiting dan wel vergadering. Het hof is van oordeel dat geen inbreuk is gemaakt op dit recht door de aanwijzingen van de KMar aan de verdachte dat zij op haar stoel moest plaatsnemen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij zich wenste uit te spreken tegen de uitzetting van een vreemdeling naar Soedan, omdat zij meende dat dit land onveilig was en de uitzetting van de vreemdeling naar die regio gepaard zou gaan met een groot risico voor de veiligheid van de vreemdeling. Dit had zij kunnen doen óók indien zij gevolg had gegeven aan de aanwijzingen van de KMar. Na het plaatsnemen op een stoel kon de verdachte zich nog steeds uitspreken en haar mening geven. Voor zover het verweer luidt dat met het geven van de aanwijzingen reeds inbreuk werd gemaakt op de vrijheid van meningsuiting/vergadering, wordt het verweer verworpen.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat de genoemde rechten werden beperkt toen de verdachte fysiek uit het vliegtuig werd verwijderd en werd opgehouden voor verhoor. Het hof constateert dat die inbreuk is voorzien bij wet, te weten bij artikel 108 Vw, waarin op de overtreding van voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 46, tweede lid, Vw (waaronder artikel 4.6. Vb) straf is gesteld. Verder diende de inbreuk een legitiem doel, te weten het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Hierbij is van belang dat de verdachte zich ophield in een vliegtuig dat werd gereed gemaakt voor vertrek vanuit een internationale luchthaven met aan boord een vreemdeling die onder begeleiding van een viertal escorts van de KMar zou worden uitgezet. De verdachte volgde aanwijzingen van de Kmar niet op en voorkomen moest worden dat zich tijdens de vlucht ongeregeldheden zouden voordoen. De vraag die zich vervolgens aandient is of de inbreuk noodzakelijk was in een democratische samenleving. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Noodzakelijk in een democratische samenleving
Als algemeen uitgangspunt hanteert het hof dat (vreedzame) betogingen en demonstraties die tot doel hebben een discussie aan te zwengelen over bepaalde maatschappelijke of politieke vraagstukken een grote mate van bescherming verdienen (vgl. EHRM 2 januari 2002, Stankov and the United Macedonian Organisation Hinden v. Bulgaria). Verder maakt het feit dat bepaalde betogingen of demonstraties veiligheidsrisico’s met zich meebrengen niet dat elke inperking op die rechten is geoorloofd. Tot slot is van belang de vraag of een inbreuk ook proportioneel is. Bij beantwoording van de vraag of de gewraakte inbreuk proportioneel was, is onder meer van belang of de betogers/demonstranten de gelegenheid hebben gehad op vreedzame wijze te demonstreren of anderszins hun mening te uiten (vgl. EHRM 18 juni 2019, Chernega and others v. Ukraine).
Op grond van de voornoemde uitgangspunten, toegepast op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat de inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting/vergadering van de verdachte in het onderhavige geval noodzakelijk was in een democratische samenleving en bovendien de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreed. Daartoe wordt overwogen dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken tegen de uitzetting van de vreemdeling. Immers verhinderde de vordering plaats te nemen op een passagiersstoel in het vliegtuig niet dat zij haar mening kon geven. Het handelen van de verdachte ging echter verder dan het geven van ruchtbaarheid aan een standpunt, nu zij, door niet te gaan zitten, het gereed maken voor vertrek van het vliegtuig belette, zodat de uitzetting (nog) niet kon worden bewerkstelligd. Dat anderen ook (nog) stonden en het vliegtuig dus sowieso niet kon vertrekken op het moment dat zij uit het vliegtuig werd verwijderd, doet daar niet aan af. Immers gaat het om de bedoeling van dat staan waarbij van belang is dat uit het proces-verbaal 5 januari 2019 van [verbalisant] volgt dat de vrouwen, waaronder de verdachte, medepassagiers opriepen ook te gaan staan. Het hof gaat ervan uit dat dit kennelijk als doel had de uitzetting te vertragen, bemoeilijken en/of voorkomen. Dat de verdachte vervolgens door de KMar is aangehouden en meegenomen, waarna zij is verhoord, is niet disproportioneel, gelet op de context waarin het voorgevallene zich afspeelde. Ook de hoogte van de aan de verdachte opgelegde strafbeschikking maakt niet dat het optreden van de Kmar niet proportioneel was.
Sinds de aanslagen op 11 september 2001 in New York en Washington zijn de beveiligingsmaatregelen die gelden op internationale luchthavens aangescherpt. Onrust op een luchthaven kan leiden tot paniek wat vervolgens gevaar voor personen en goederen kan veroorzaken, zeker als die onrust of paniek ontstaat aan boord van een vliegtuig. Daarmee strookt dat de opsporingsambtenaren van de KMar ten behoeve van de veiligheid van personen in staat zijn reeds in een vroeg stadium in te grijpen ter voorkoming van wanordelijkheden. In het onderhavige geval was een aantal ambtenaren van de KMar belast met het effectueren van een gedwongen uitzetting, waartegen de vreemdeling zich verzette. Het is van belang dat burgers in een dergelijke situatie luisteren naar en gehoor geven aan de aanwijzingen die de KMar geeft ter beheersing van de situatie zodat escalatie kan worden voorkomen en ieders veiligheid kan worden gewaarborgd. Gelet daarop is ook niet onredelijk dat de verdachte, toen zij weigerde te gaan zitten, is verwijderd uit het vliegtuig en gedurende ongeveer vier uur is vastgehouden voor verhoor. In het kader van een zorgvuldige taakuitoefening diende de KMar immers te beoordelen in hoeverre de acties van verdachte onderdeel uitmaakten van een georganiseerde actie, zodat een inschatting kon worden gemaakt van de eventuele veiligheidsrisico’s tijdens de vlucht. Dat dit laatste een doel van het uitgevoerde onderzoek was, volgt ook uit de vragen die blijkens het proces-verbaal van verhoor van 5 januari 2019 aan de verdachte zijn gesteld.
Conclusie
Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat de onderhavige inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering van de verdachte noodzakelijk was in een democratische samenleving en bovendien in verhouding stond tot het gediende doel. Het verweer wordt verworpen. Ook voor het overige is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van liet bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
(…)
Oplegging van straf
De kantonrechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300 subsidiair 6 dagen hechtenis.
De verdediging heeft het hof verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte een betrokken burger is die haar mening over de uitzetting van vreemdelingen naar Soedan wenste te uiten en dat geen sprake was van baldadigheid. Verder zou het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden, nu het openbaar ministerie geen strafvervolging heeft ingesteld tegen een medeverdachte wiens situatie identiek was aan die van de verdachte.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft aan boord van een vliegtuig waarin zich een vreemdeling bevond die gedwongen werd uitgezet, geweigerd te voldoen aan aanwijzingen van de KMar. Daardoor heeft zij onrust veroorzaakt bij personen die zich aan boord van het vliegtuig bevonden. De verdachte stopte niet met haar handelen waardoor gedwongen verwijdering uit het vliegtuig noodzakelijk was om een veilige vlucht te kunnen waarborgen. Dit neemt het hof de verdachte kwalijk.
Van een schending van het gelijkheidsbeginsel is in het onderhavige geval geen sprake, nu het openbaar ministerie de redenen voor de seponering van de op de zaak van de verdachte gelijkende zaak reeds ter terechtzitting in eerste aanleg heeft toegelicht en daaruit volgde dat het dossier in die zaak niet compleet was. Voor zover de verdediging heeft bepleit dat deze omstandigheid in strafmatigende zin moet meewegen, wordt dat verweer verworpen.
Gelet op alle omstandigheden van het geval, en het feit dat de verdachte met haar handelen bedoelde bij te dragen aan een maatschappelijk debat, acht het hof een onvoorwaardelijke strafoplegging, niet passend. Wel zal het hof overgaan tot de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden in het vervolg opnieuw dergelijke feiten te plegen.
Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.”
Het juridisch kader
34. Artikel 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
35. Artikel 11 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
36. Artikel 10 EVRM strekt ter bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting en “constitutes one of the essential foundations of a democratic society and one of the basic conditions for its progress and for the development of every man.”9.Het EHRM benadrukt dat “all means of expression are included in the ambit of Article 10”.10.Om te beoordelen of een gedraging onder de bescherming van artikel 10 EVRM valt, legt het EHRM, in de woorden van AG Hofstee11., zowel een objectieve als een subjectieve toets aan: “An assessment must be made of the nature of the act or conduct in question, in particular of its expressive character seen from an objective point of view, as well as of the purpose or the intention of the person performing the act or carrying out the conduct in question”.12.Voorbeelden van gedragingen die in dit verband onder artikel 10 EVRM vielen zijn het uitdelen van folders en omhoog houden van spandoeken13., het met verf besmeuren14.of aankleden15.van een standbeeld en het bakken van een ei op een ‘eternal flame’ van een herdenkingsmonument16.. Ook gedragingen “that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote” en “those that offend, shock or disturb” vallen onder het bereik van deze bepaling.17.
37. Artikel 11 EVRM waarborgt het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging (betoging). Ook de vergadervrijheid moet worden beschouwd als een van de fundamenten van een democratische samenleving en daarom mag dit recht volgens het Hof niet restrictief worden geïnterpreteerd.18.Onder de reikwijdte van deze bepaling vallen allerhande samenkomsten: privaat en publiek, statisch en dynamisch, politiek en niet-politiek.19.Een duidelijk voorbeeld is een georganiseerde vreedzame demonstratie of protestmars, al is de bescherming van artikel 11 EVRM daartoe niet beperkt.20.Blokkadeacties vormen volgens het EHRM niet de kern van de vergadervrijheid, maar kunnen daar wel onder vallen.21.Van belang is dat het niet slechts gaat om de uiting van een persoonlijke opvatting, maar om het doelbewust gezamenlijk uitbrengen daarvan (‘to do so together with others’).22.Solo demonstraties vallen om die reden niet onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM, maar wel onder die van artikel 10 EVRM.23.De vergadervrijheid omvat ook het recht op vrije keuze van de tijd, plaats en wijze van de samenkomst, binnen de grenzen van het tweede lid van artikel 11 EVRM.24.Een belangrijke begrenzing is dat artikel 11 EVRM alleen het recht op vreedzame vergaderingen (‘peaceful assembly’) beschermt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat de notie van ‘peaceful assembly’ niet demonstraties die worden gehouden met ‘violent intentions’. Een samenkomst “where the organisers and participants have such intentions, incite violence or otherwise reject the foundations of a democratic society”, wordt niet beschermd door artikel 11 EVRM.25.De enkele omstandigheid dat er een risico bestaat op ongeregeldheden tijdens een betoging betekent echter niet dat aan die betoging de bescherming van artikel 11 EVRM komt te ontvallen.26.Dat is evenmin het geval als enkele deelnemers aan de demonstratie gewelddadige intenties hebben of als er ‘marginal or sporadic’ gewelddadig of ander strafbaar gedrag wordt vertoond.27.Ook voor artikel 11 EVRM geldt dat demonstraties “that may annoy or cause offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote” en “those that offend, shock or disturb” bescherming genieten.28.
38. Vaak wordt gelijktijdig een beroep gedaan op de artikelen 10 en 11 EVRM, omdat de rechten sterk met elkaar zijn verweven. Welke bepaling centraal staat, hangt af van de omstandigheden van het geval.29.De ene bepaling wordt veelal in het licht van de andere bepaling bezien. Het Hof ziet het recht op vrijheid van vergadering in het licht van de vrijheid van meningsuiting, “where the aim of the exercise of freedom of assembly is the expression of personal opinions”.30.Artikel 11 EVRM wordt vaak gezien als een lex specialis ten opzichte van artikel 10 EVRM.31.
39. Het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging zijn geen van beide absoluut en zijn dus onderworpen aan mogelijke beperkingen.32.Een beperking (“restriction” of “interference”) kan bestaan uit maatregelen die niet alleen voor of tijdens een samenkomst zijn genomen, maar kan ook maatregelen behelzen die dateren van na de beëindiging van de samenkomst .33.Een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vergadervrijheid kan bijvoorbeeld zijn: een verbod tot deelname aan een protest, een reisverbod, iemand doen verwijderen uit een ruimte, de beëindiging van een demonstratie, een arrestatie, voorarrest, een sanctie (administratief, disciplinair en/of strafrechtelijk) en/of detentie wegens het uiten van persoonlijke opvattingen en/of deelnemen aan een demonstratie.34.
40. Het Hof legt bij de beoordeling of een beperking van de rechten als gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 EVRM toelaatbaar was de toets aan of (i) de beperking was voorzien bij de wet, (ii) een gerechtvaardigd doel diende en (ii) noodzakelijk was in een democratische samenleving.35.In aansluiting daarop houdt de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in dat de in artikel 10 en artikel 11 EVRM gegarandeerde rechten op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering en betoging aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg staan als de veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van die vrijheden vormt.36.
41. Voor de eerste stap is vereist dat er een wettelijke basis is van voldoende kwaliteit ten aanzien van toegankelijkheid en voorzienbaarheid van de gevolgen.37.Bij de tweede stap kan als gerechtvaardigd doel bijvoorbeeld worden gedacht aan het voorkomen van wanorde of het beschermen van de rechten van anderen.38.
42. Bij de derde stap van een noodzakelijke39.beperking in een democratische samenleving stelt het Hof voorop dat de staten een ‘certain’ maar ‘not unlimited’ margin of appreciation genieten en dat het aan het Hof is om een eindoordeel te geven over de verenigbaarheid van de beperking met de bepalingen van het EVRM. Het Hof beziet de bestreden beperking ‘in the light of the case as a whole’.40.Bij deze stap vereist het Hof dat de beperking aan een “pressing social need” beantwoordde en toetst het Hof in het bijzonder “whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were relevant and sufficient”.41.Bij deze proportionaliteitseis moet een evenwicht worden gevonden tussen het beschermde recht enerzijds en andere belangen, waaronder de bescherming van andermans rechten, anderzijds. Zo weegt bij de beoordeling van een beperking van een protest in een privaat gebouw ook het eigendomsrecht van de andere partij mee.42.Iedere demonstratie in een publieke ruimte kan een zekere mate van ‘disruption to ordinary life, including disruption to traffic’ met zich brengen. Dat enkele feit geeft nog geen rechtvaardiging voor beperking van het demonstratierecht, omdat de overheid voor vreedzame betogingen ‘a certain degree of tolerance’ in acht dient te nemen.43.De vraag in welke mate de overheid die tolerantie moet bieden, is volgens het Hof niet in algemene zin te beantwoorden. Dat hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de omvang van de verstoring van het ‘dagelijkse leven’. Ook als een vreedzame demonstratie uitmondt in schade of andere wanordelijkheden kan een demonstrant niet worden onderworpen aan enige sanctionering, zolang diegene zelf geen gewelddadig of anderszins ‘reprehensible’ gedrag heeft laten zien.44.Als iemand zich wel laakbaar gedraagt, verzet het recht op vrijheid van meningsuiting en van betoging zich er niet tegen dat diegene, ondanks de deelname aan een vreedzame demonstratie, wordt onderworpen aan de dreiging en de oplegging van een straf of maatregel.45.Staten genieten in dit verband een ‘wider margin of appreciation’.46.
43. De vraag wanneer sprake is van ‘reprehensible’ gedrag heeft het Hof niet in algemene zin beantwoord. In Kudrevičius e.a. t. Litouwen47., waarin demonstranten op niet-toegewezen plekken drie snelwegen blokkeerden, gaat het Hof wel uitgebreider in op situaties waarin demonstranten hebben geprobeerd een activiteit van een ander te voorkomen of aan te passen. Daarbij overweegt het Hof dat indien demonstranten het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek, van ‘reprehensible’ gedrag sprake kan zijn (onderstreping PG):
“149. Since States have the right to require authorisation, they must be able to impose sanctions on those who participate in demonstrations that do not comply with such a requirement (see Ziliberberg; Rai and Evans; Berladir and Others, § 41; and Primov and Others, § 118, all cited above). At the same time, the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, § 53; Galstyan, § 115; and Barraco, § 44, all cited above). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).
(…)
171. The Court has already been called upon to examine situations where demonstrators had tried to prevent or alter the exercise of an activity carried out by others. In Steel and Others (cited above) the first and second applicants had obstructed a hunt and had impeded engineering work for the construction of a motorway, respectively. In Drieman and Others (cited above), Greenpeace activists had manoeuvred dinghies in such a way as to physically obstruct whaling, forcing the whalers to abandon their lawful exploitation of the living resources in Norway’s exclusive economic zone. In these two cases, the Court considered that the inflicting of sanctions (in Steel and Others, forty-four hours’ detention pending trial and sentencing to twenty-eight days’ imprisonment for the obstruction of the hunt and seventeen hours’ detention pending trial and sentencing to seven days’ imprisonment for the protest against the construction of the motorway; in Drieman and Others, two days’ detention on remand, fines convertible into imprisonment in case of default on payment and confiscation of a dinghy) was a reaction proportionate to, inter alia, the legitimate aim of protecting the rights and freedoms of others. The Court considers that the same conclusion should a fortiori be reached in the present case, where the actions of the demonstrators had not been directly aimed at an activity of which they disapproved, but at the physical blocking of another activity (the use of highways by goods vehicles and private cars) which had no direct connection with the object of their protest, namely the government’s alleged lack of action vis-à-vis the decrease in the prices of some agricultural products.
172. In this respect, the present case has more similarities with the cases of Lucas (cited above), where the applicant blocked a public road in order to protest against the retention of a nuclear submarine, and Barraco (cited above), concerning the applicant’s participation in a form of protest resulting in a severe slowing-down of the flow of traffic. As in Steel and Others and Drieman and Others (both cited above), the Court found that the sanctions imposed on the applicants (four hours’ detention in a police van and a fine of 150 pounds sterling in Lucas, and a three-month suspended prison sentence and a fine of 1,500 euros in Barraco) were “necessary in a democratic society” within the meaning of Article 11 § 2 of the Convention. The Court further notes that in Barraco the disruption to traffic lasted only five hours (as opposed to more than forty-eight hours in the present case) and that only one highway (as opposed to three) had been affected.
173. As can be seen from the above case-law, the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law (see paragraph 149 above). Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.
174. The Court considers that, even though the applicants had neither carried out acts of violence nor incited others to engage in such acts (contrast Osmani and Others; Protopapa; and Primov and Others, all cited above), the almost complete obstruction of three major highways in blatant disregard of police orders and of the needs and rights of the road users constituted conduct which, even though less serious than recourse to physical violence, can be described as “reprehensible”.”48.
44. Bij de proportionaliteitsafweging spelen naast de aard van de gedraging49.en de ‘fairness of the proceedings en the procedural guarantees afforded’50.de aard en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol.51.Zo achtte het Hof in een aantal zaken van belang dat een zeer lage boete was opgelegd die de betrokkene kennelijk ook kon betalen52., dat een voorwaardelijke straf was opgelegd die bovendien niet ten uitvoer was gelegd53., dat de sanctie niet in de Justitiële Documentatie was opgenomen54.en dat de geleden schade al was vergoed.55.Daarnaast is van belang dat optreden tegen personen die gebruik (willen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en van betoging geen “chilling effect” mag hebben op diegenen of op anderen.56.De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met strafrechtelijke sanctionering. Voor strafrechtelijke sanctionering van demonstranten is daarom ook bijzondere rechtvaardiging vereist. Gevallen waarin gevangenisstraffen zijn opgelegd wegens geweldloze gedragingen, worden door het Hof met bijzondere nauwgezetheid beoordeeld.57.
45. Het Hof legt bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en betoging een ‘overall’ toets aan. Ingeval verschillende maatregelen zijn genomen, beschouwt het Hof deze gezamenlijk als de ‘interference’. Als bijvoorbeeld een betoging is beëindigd, iemand is aangehouden, in voorarrest heeft gezeten, is vervolgd en veroordeeld (al dan niet tot een gevangenisstraf), vormen al die maatregelen tezamen de beperking waarover het Hof zich buigt.58.Ik geef een voorbeeld. In Taranenko/Rusland59.was sprake van een protestactie tegen de president van het land waarbij de receptie van een overheidsgebouw werd geblokkeerd en de demonstranten zichzelf opsloten in een kantoorruimte, alwaar ook vernielingen plaatsvonden. Dit leidde tot een overheidsoptreden waarbij de betrokkene, die zelf als standpunt innam dat zij niet deelnam aan de protestactie maar slechts de gebeurtenissen observeerde, was aangehouden en in voorarrest was geplaatst. Zij werd aanvankelijk beschuldigd van een poging tot ondermijning van de staat en veroordeeld wegens deelname aan massale wanordelijkheden tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar. Het Hof oordeelde dat zowel het verwijderen van de betrokkene uit het overheidsgebouw als de aanhouding gerechtvaardigd was (§ 79). De duur van het voorarrest en de opgelegde sanctie waren naar het oordeel van het Hof echter niet proportioneel (§ 95). In het licht van het voorgaande, kwam het Hof tot de conclusie dat de beperking niet noodzakelijk was in een democratische samenleving.60.
46. Een geslaagd beroep op de artikelen 10 en 11 EVRM brengt mee dat het bewezen verklaarde feit niet strafbaar is en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.61.
De klachten in cassatie
47. Tot zover de bespreking van het juridisch kader. Ik keer terug naar het middel. Het middel valt in meerdere klachten uiteen.
48. De eerste klacht is dat het oordeel van het hof dat de aanhouding van de verdachte niet disproportioneel was op ontoereikende gronden berust, omdat het hof heeft vastgesteld dat andere passagiers ook (nog) stonden en het vliegtuig daarom sowieso niet kon vertrekken op het moment dat de verdachte uit het vliegtuig werd verwijderd.
49. De overwegingen van het hof dat de aanhouding, verwijdering uit het vliegtuig en ophouding voor verhoor niet disproportioneel of onredelijk waren, zeggen volgens de stellers van het middel bovendien nog niets over de noodzaak om de verdachte ook nog strafrechtelijk te vervolgen en te sanctioneren. Dat geldt volgens hen ook voor de overwegingen van het hof die er kort gezegd op neer komen dat onrust op een luchthaven tot paniek kan leiden en dat de Koninklijke Marechaussee ten behoeve van de veiligheid en ter voorkoming van escalatie en wanordelijkheden in een vroeg stadium in staat moet zijn in te grijpen, terwijl het hof zich hierbij voorts bedient van algemeenheden en veronderstellingen.
50. Daarnaast wordt aangevoerd dat de demonstratie ‘vrijwel onmiddellijk werd opgerold’, dat het hof miskent dat ten minste enige tolerantie van de autoriteiten was vereist jegens de vreedzame demonstratie en dat hieraan niet reeds is voldaan indien de demonstranten kort de gelegenheid hebben gehad op vreedzame wijze te demonstreren of anderszins hun mening te uiten.
51. De stellers van het middel betogen voorts dat uit de vaststellingen van het hof niet kan worden afgeleid dat sprake was van ‘reprehensible’ gedrag van de verdachte.
52. Tot slot wordt geklaagd dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op een aantal door de raadsman aangevoerde factoren, te weten: dat de uitzetting van de uitgeprocedeerde asielzoeker doorgang heeft gevonden, dat geen inbreuken zijn gemaakt op de rechten van de vliegmaatschappij en het cabinepersoneel of van andere passagiers, er geen materiële schade is aangericht aan het vliegtuig en dat een van de demonstranten voor hetzelfde gedrag niet strafrechtelijk is vervolgd.
53. Niet wordt bestreden het oordeel van het hof dat het uiten van de mening van de verdachte over de voorgenomen uitzetting van een vreemdeling in de omstandigheden van het geval valt onder het bereik van de artikelen 10 en 11 EVRM.62.Het middel is toegesneden op het oordeel van het hof dat de in het geding zijnde beperking van de rechten noodzakelijk was in een democratische samenleving.63.
54. Iedere demonstratie kan een zekere mate van ‘disruption to ordinary life, including disruption to traffic’ met zich brengen, waarvoor enige tolerantie moet worden getoond. Bij een vreedzame betoging is pas ruimte voor sanctioneren als een demonstrant zelf laakbaar gedrag vertoont. De vraag of een gedraging moet worden aangemerkt als laakbaar, is niet in algemene zin te beantwoorden. Duidelijk is dat gewelddadig gedrag als zodanig heeft te gelden. Het gooien van stenen naar de politie valt daaronder64.; het gooien van gedroogde bonen niet65.. Van ‘reprehensible gedrag’ kan verder sprake zijn als demonstranten het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. Het blokkeren van drie grote snelwegen tegen de instructies van de politie in, werd als zodanig aangemerkt, evenals het langere tijd blokkeren van de toegang van het parlementsgebouw en de weg daarnaartoe en het blokkeren van een metro-ingang.
55. In dit verband doen de stellers van het middel onder meer een beroep op de arresten Sergey Kuznetsov t. Rusland66.en Oya Ataman t. Turkije67.en Balҫik t. Turkije68.. In de eerste zaak ging het om een zeer korte vermeende obstructie door enkele personen die vroeg in de ochtend voor de ingang van een gerechtsgebouw waren gaan staan. Na een verzoek daartoe door de gerechtsbode en een politieagent, hadden zij zich meteen verplaatst naar een plek op de stoep onder aan de trap. Er was niet vastgesteld dat zij de toegang tot de ingang hadden beperkt. Het Hof achtte de oplegging van een administratieve boete, hoe laag ook, niet noodzakelijk in een democratische samenleving. In de andere twee zaken was een protestmars georganiseerd tegen plannen voor bepaalde justitiële inrichtingen, zonder voorafgaande kennisgeving aan de autoriteiten. Ook was het plan om een statement te maken voor de pers. De mars begon om 12.00 uur ’s middags, maar werd na een half uur beëindigd door de politie met behulp van pepperspray, nadat aan het verzoek de mars te beëindigen geen gehoor was gegeven. De betrokkenen werden aangehouden en een aantal uren opgehouden op het politiebureau. De betrokkenen dienden een klacht in over het optreden van de overheid, maar die werd niet in behandeling genomen. Het Hof overweegt hierover als volgt (onderstreping PG):
“40. It appears from the evidence before the Court that the group of demonstrators was informed a number of times that their march was unlawful and would disrupt public order at a busy time of day, and had been ordered to disperse. The applicant and other demonstrators did not comply with the security forces’ orders and attempted to force their way through.
41. However, there is no evidence to suggest that the group in question represented a danger to public order, apart from possibly disrupting traffic. There were at most fifty people, who wished to draw attention to a topical issue. The Court observes that the rally began at about 12 noon and ended with the group’s arrest within half an hour. It is particularly struck by the authorities’ impatience in seeking to end the demonstration, which was organised under the authority of the Human Rights Association.
42. In the Court’s view, where demonstrators do not engage in acts of violence it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance.
43. Accordingly, the Court considers that in the instant case the police’s forceful intervention was disproportionate and was not necessary for the prevention of disorder within the meaning of the second paragraph of Article 11 of the Convention.
44. There has accordingly been a violation of that provision.”
56. Volgens de stellers van het middel volgt uit deze arresten dat gedrag dat een tijdelijke ‘disruption’ van het verkeer oplevert niet ‘reprehensible’ kan worden genoemd. Het verschil tussen een tijdelijke en een intentioneel (min of meer) permanente belemmering of blokkade van derden is volgens hen bepalend voor de beoordeling of strafrechtelijke vervolging en sanctionering als noodzakelijk in een democratische samenleving zijn aan te merken. De omstandigheid dat demonstranten geen gehoor geven aan een opdracht van de autoriteiten om de demonstratie te staken, legt daarbij volgens hen geen (doorslaggevend) gewicht in de schaal.
57. Anders dan de stellers van het middel betogen, is uit deze rechtspraak niet af te leiden dat een tijdelijke verstoring van het dagelijkse leven per definitie niet als laakbaar kan worden aangemerkt. Relevant is of het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig worden verstoord, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek. De voornoemde zaken onderscheiden zich bovendien van de onderhavige zaak doordat in Sergey Kuznetsov t. Rusland niet is vastgesteld dat de rechten van anderen zijn belemmerd, terwijl de betogers zich meteen op verzoek hebben verplaatst naar een andere locatie waar zij nog steeds hun rechten konden uitoefenen. In de andere twee zaken ging het om ‘forceful’ ingrijpen door de politie in een vreedzame protestmars.
58. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich, in een zich voor vertrek klaarmakend vliegtuig, uit te spreken tegen de uitzetting van een vreemdeling, omdat de vordering plaats te nemen op een stoel niet verhinderde dat zij haar mening kon geven. Het handelen van de verdachte ging naar oordeel van het hof immers verder, doordat zij (tot driemaal toe) niet ging zitten en zij daarmee het vertrek van het vliegtuig en de uitzetting van de vreemdeling belemmerde. Ook riep zij anderen op ook te gaan staan, kennelijk met als doel de uitzetting te vertragen of te voorkomen. De vordering om te gaan zitten op de stoel was er dan ook niet op gericht aan de verdachte de mogelijkheid te ontnemen om haar mening te uiten over de voorgenomen uitzetting, maar vond zijn aard in het belemmeren van het vertrek van het vliegtuig en het voorkomen van wanorde met het oog op de effectuering van de uitzetting.
59. Het kennelijke oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte, te weten het niet voldoen aan meerdere vorderingen om op haar stoel te gaan zitten, in de gegeven omstandigheden als laakbaar is aan te merken, is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het bewezen verklaarde niet plaatsvond in de openbare ruimte maar in een vertrekkend vliegtuig, met de beperkte ruimte en smalle gangpaden en een groot aantal personen op een klein oppervlakte. Ik neem voorts in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de vorderingen plaatsvonden nadat de verlichting “fasten seatbelt” was aangegaan (bewijsmiddel 3). Door het handelen van de verdachte en de medeverdachten zijn de normale gang van zaken bij een vertrekkend vliegtuig en de uit te oefenen bevoegdheid van uitzetting opzettelijk ernstig verstoord, in een grotere mate dan ingeval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek, terwijl de vordering te gaan zitten onverlet liet dat de verdachte samen met haar medeverdachten haar mening over de voorgenomen uitzetting zou kunnen uiten. Kennelijk was het de bedoeling van de verdachte een uitzetting van een vreemdeling die zich ook in dat vliegtuig bevond te belemmeren en daarmee de rechtmatige uitoefening van een aan de ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee toekomende bevoegdheid te verhinderen. In dit verband kan worden verwezen naar EHRM 1 september 2022 (Makarashvili e.a. t. Georgië), waarin het Hof bij zijn oordeel dat geen sprake is van een schending van art. 11 EVRM in aanmerking neemt dat de betrokkenen hadden gekozen voor ‘obstructive forms of protest, apparently to obstruct the efforts of the police to reopen access to the Parliament building’, dat de veroordeling en sanctionering niet zagen op de deelname aan een demonstratie, maar op de weigering de weg vrij te maken en dat niets eraan in de weg had gestaan voor de betrokkenen om wel op vordering van de politie de weg vrij te maken en hun protest voort te zetten.69.
60. Het middel behelst voorts de klacht dat het oordeel van het hof dat de aanhouding van de verdachte niet disproportioneel was op ontoereikende gronden berust, omdat het hof heeft vastgesteld dat andere passagiers ook (nog) stonden en het vliegtuig daarom sowieso niet kon vertrekken op het moment dat de verdachte uit het vliegtuig werd verwijderd. Deze klacht faalt reeds omdat het hof heeft vastgesteld dat de vrouwen, onder wie de verdachte, medepassagiers opriepen ook te gaan staan. Ook heeft het hof vastgesteld dat reeds voordat de vrouwen was gevorderd te gaan zitten de verlichting “fasten seatbelt” was aangegaan.
61. De klacht dat het hof niet toereikend heeft gemotiveerd dat ook de strafrechtelijke vervolging en sanctionering van de verdachte noodzakelijk waren in een democratische samenleving, kan ook niet slagen omdat deze in zoverre feitelijke grondslag mist. Het hof heeft overwogen dat ook de hoogte van de aan de verdachte opgelegde strafbeschikking niet maakte dat het optreden van de Koninklijke Marechaussee niet proportioneel was. Daarin ligt besloten dat strafrechtelijke vervolging en sanctionering noodzakelijk waren in een democratische samenleving. Titel IVa van boek 2 van het Wetboek van Strafvordering luidt: ‘Vervolging door een strafbeschikking’. Daaruit volgt reeds dat ook het uitvaardigen van een strafbeschikking een daad van vervolging inhoudt. Daarbij komt dat het hof in de strafmotivering heeft overwogen dat het de verdachte kwalijk neemt dat zij onrust heeft veroorzaakt bij personen die zich aan boord van het vliegtuig bevonden en niet stopte met haar handelen waardoor gedwongen verwijdering uit het vliegtuig noodzakelijk was om een veilige vlucht te kunnen waarborgen. Het hof achtte het passend en geboden een (voorwaardelijke) geldboete tot een bedrag van € 300,- aan de verdachte op te leggen. Anders dan de eerder uitgevaardigde strafbeschikking, leidde de door het hof opgelegde straf dus niet tot een onvoorwaardelijke betalingsverplichting. In al het voorgaande ligt voldoende besloten dat het hof kennelijk van oordeel was dat ook de strafrechtelijke vervolging en sanctionering noodzakelijk waren in een democratische samenleving.
62. De resterende klachten dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op een aantal door de raadsman aangevoerde factoren, falen eveneens. Het hof is niet gehouden op ieder detail van een verweer in te gaan.70.Daarbij wijs ik erop dat het hof wel – in de strafmotivering - heeft gereageerd op de stelling dat een van de demonstranten voor hetzelfde gedrag niet strafrechtelijk is vervolgd.
63. Ik kom tot de volgende slotsom. Het oordeel van het hof komt er in de kern op neer dat de maatregelen die de beperking vormden op het recht van de verdachte op vrijheid van meningsuiting en van vergadervrijheid afzonderlijk en in hun onderlinge samenhang bezien proportioneel waren en daarmee noodzakelijk in een democratische samenleving. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
64. Het middel faalt.
Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatiefase
65. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 5 augustus 2021 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aard (en de hoogte) van de opgelegde voorwaardelijke geldboete, kan worden volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.71.
Slotsom
66. De middelen falen.
67. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
68. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑09‑2023
Ministeriële beschikking van 21 februari 1920, afdeling 2A, nr. 858, gepubliceerd in de Staatscourant van 26 april 1920, nr. 80.
Ministeriële beschikking van 21 augustus 1939, afdeling 5, nr. 1125; gepubliceerd in de Staatscourant van 21 augustus 1939, nr. 162.
Ministeriële beschikking van 25 maart 1946, no. 119; gepubliceerd in de Staatscourant van 29 maart 1946, nr. 63.
Kamerstukken II 1962/1963, 7163, nr. 3, p. 12 en 13.
Stb. 1966, 387. Dat met de invoering van het Vb 2000 geen inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd, volgt ook uit Stb. 2000, 497.
Nota van toelichting op het Vreemdelingenbesluit 1966, Stb. 1966, 387, p. 916-918.
Stb. 2016, 33783 en Stb. 2020, 7023.
EHRM 7 december 1976, nr. 5493/72 (Handyside t. VK) § 49.
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 52.
ECLI:NL:PHR:2019:495, voorafgaand aan HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633.
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 54. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 21.
EHRM 23 september 1998, nr. 67/1997/851/1058 (Steel e.a. t. VK).
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije).
EHRM 30 november 2021, nr. 52358/15 (Genov & Sarbinska t. Bulgarije en EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije).
EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne).
EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 61.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 91 en EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 65. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Evaluatie Wet openbare manifestaties, 2015, p. 18 met verwijzing naar EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan t. Armenia) § 114.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 91. Een voorbeeld van een samenkomst in private sfeer geeft EHRM 7 mei 2015, nr. 59135/09 (Emin Huseynov t. Azerbeidzjan). Het recht op betoging geeft nog geen recht op toegang tot private ruimten, EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 78. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 6.
Bijvoorbeeld EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk), EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02, 32126/02, 32129/02, 32132/02, 32133/02, 3137/02 en 32138/02(Nurettin Aldemir e.a. t. Turkije) en EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije).
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 97-99. Zie bijvoorbeeld ook EHRM 5 maart 2009, n. 31684/05 (Barraco t. Frankrijk) en EHRM 18 maart 2003, nr. 39013/02 (Lucas t. VK). Vgl. ook Roorda, Brouwer en Schilder 2015, a.w., p. 18 en N. Swart & B. Roorda, ‘De reikwijdte van het bijkans heilige demonstratierecht’, NTM/NJCM-bull. 2023/3, p. 8.
EHRM 12 juni 2014, nr. 17391/06 (Primov e.a. t. Rusland) § 91. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 8 en Guide on Article 11 of the European Convention on Human Rights (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022), p. 7. Vgl. verder de Guidelines on Freedom of Peaceful Assembly van OSCE/ODIHR en de Venice Commission van de Raad van Europa, derde editie 2020, p. 8: “the term ‘assembly’ means the intentional gathering of a number of individuals in a publicly accessible place for a common expressive purpose.”.
In EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) betrof het een protest van vier personen en in EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07, 57569/11, 80153/12, 5790/13 en 35015/13 (Novikova e.a. t. Rusland) ging het om verschillende solo-protesten.
EHRM 27 november 2012, nr. 58050/08 (Sáska t. Hongarije) § 21-22. Zie ook EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 157.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 92 en EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 98. Vgl. ook P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018, a.w., p. 817-818 en B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder 2015, a.w., p. 19: de intenties van de organisatoren en deelnemers van de vergadering staan centraal bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ‘peaceful assembly’. In EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië) § 89-94 geeft het Hof nadere uitleg over die laatste categorie.
Zie onder meer EHRM 17 mei 2011, nrs. 28495/06 en 28516/06 (Akgöl en Göl t. Turkey) § 43, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 94 en EHRM 10 juli 2012, nr. 34202/06 (Berladir e.a t. Rusland), § 38: demonstraties kunnen ‘some disruption to ordinary life, including disruption of traffic’ veroorzaken.
EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe en M.G. t. Duitsland), § 103 en EHRM 12 juni 2014, nr. 17391/06 (Primov e.a. t. Rusland), § 155. Zie ook EHRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Racism and Fascism t. VK), § 148. In EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) nam een minderjarige deel aan een protestmars die uitmondde in geweld; het Hof achtte artikel 11 EVRM wel van toepassing, mede omdat de betrokkene geen ‘violent intentions’ had toen hij aan de protestmars deelnam en ‘the charges against the applicant did not concern infliction of any bodily harm on anyone’, § 97.
EHRM 2 oktober 2010, nrs. 29221/95 en 29225/95 (Stankov en The United Macedonian Organisation Ilinden t. Bulgarije), § 86.
P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018, a.w., p. 782. In EHRM 23 september 1998, nr. 67/1997/851/1058 (Steel e.a. t. VK) demonstreerden drie personen tijdens een wapenconferentie tegen de verkoop van gevechtshelikopters; ze deelden folders uit en hielden een spandoek omhoog met daarop de tekst “Work for Peace and not War”. Het Hof beoordeelde de klacht onder artikel 10 EVRM en achtte het onnodig dezelfde klacht ook nog onder artikel 11 EVRM te behandelen, § 113. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) betrof het een protest bij een parlementsgebouw, waarbij de demonstranten een kamer hadden bezet en beschadigd; volgens het Hof was het gepaster de klacht onder artikel 10 en in het licht van artikel 11 EVRM te behandelen, omdat ‘she was convicted for protesting, together with other participants in the direct action, against the President’s policies’, § 69. In EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Ącik t. Turkije) beoordeelde het Hof een klacht over optreden tegen een gezamenlijk studentenprotest alleen onder artikel 10 EVRM. Zie hierover ook P. van Dijk, F. van Hoof, A. van Rijn en L. Zwaak 2018, a.w., p. 815-816.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 86 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 46.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 85, onder verwijzing naar onder meer EHRM 1 december 2011, nrs. 8080/08 en 8577/08 (Schwabe en M.G. t. Duitsland) § 101 en EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 35. In Zie ook J.L.W. Broeksteeg en F. Dorssemont in SDU commentaar EVRM 2020, deel I, p. 1280-1283.
Zie hiervoor ook de door de Hoge Raad geciteerde onderdelen van EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) in HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.
EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 39, nadien herhaald in onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100.
Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 103-143.
HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, rov. 2.3.2.
Bijvoorbeeld EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 108.
Bijvoorbeeld EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 140.
Waarbij het Hof heeft benadrukt dat de notie “noodzakelijk” niet kan worden verwisseld met termen als “useful”, “reasonable” of “desirable”, EHRM 17 februari 2004, nr. 44158/98 (Gorzelik e.a. t. Polen) § 95 en EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49. Zie ook de Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights, ‘Mass protests’ (laatstelijk bijgewerkt op 31 augustus 2022) van het EHRM, p. 14.
Onder meer EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) § 90, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 143 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 49.
Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 143, EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 128,
EHRM 6 juni 2003, nr. 44306/98 (Applebye e.a. t. VK) § 43. Zie ook EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 78.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 150 en 155.
EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 53, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 149 en EHRM 6 september 2022, nr. 67200/12 (Bodalev t. Rusland) § 75. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 88 en 93 merkt het Hof op dat, hoewel de demonstratie ‘some damage’ tot gevolg had, het niet leidde tot geweld; het opzij duwen van bewakers van een overheidsgebouw werd niet als gewelddadig aangemerkt. In EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116 merkt het Hof het gooien van stenen naar de politie wel aan als een ‘act of violence’.
HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, rov. 2.5.2. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, RUG 2021, p. 177-178.
EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116. Vgl. ook EHRM 21 januari 2021, nrs. 15367/14, 16280/14 en 13 andere (Shmorgunov e.a. t. Oekraïne) § 492.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen).
Zie ook EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië), § 87 en 98-99, waarin het Hof het gedurende anderhalve dag blokkeren van de toegang tot het parlementsgebouw en de weg daarnaartoe – ook na pogingen van de politie tot beëindiging daarvan – om een politieke kwestie af te dwingen aanmerkt als ‘reprehensible’. In EHRM 6 september 2022, nr. 67200/12 (Bodalev t. Rusland) § 84 overweegt het Hof: “Nothing suggests that the applicant uttered any threats, engaged in any reprehensible conduct or caused any harm or significant inconvenience to others, for instance, by way of obstructing an entrance to the metro station”.
EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië) § 80.
EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne) § 106.
Onder meer EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 146.
EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49. Vgl. ook EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85 (Ezelin t. Frankrijk) § 53, waarin het Hof over een berisping overweegt: “the penalty imposed on Mr Ezelin was at the lower end of the scale of disciplinary penalties (…) it had mainly moral force, since it did not entail any ban, even a temporary one, on practising the profession or on sitting as a member of the Bar Council”. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, RUG 2021, p. 175-177.
EHRM 27 februari 2018, nr. 39496/11 (Sinkova t. Oekraïne) § 111.
EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije) § 49.
EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 92.
Bijvoorbeeld EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 95, EHRM 26 april 2016, nr. 25501/07 (Novikova e.a. t. Rusland) § 211, EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 100 en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 54.
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a. t. Litouwen) § 144-146. In bijvoorbeeld EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) achtte het Hof een gevangenisstraf van dertien jaar wegens het gooien van verf over een standbeeld van Atatürk ‘extreme severe’ en ‘grossly disproportionate’.
Zie bijvoorbeeld EHRM 15 november 2018, nr. 29580/12 (Navalnyy t. Rusland) § 113 (“the dispersal of the gathering and the applicant’s arrest, transfer to a police station, detention and the administrative sanctions constituted an interference”) en EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 54 (“the interference at issue resulted from the applicant’s arrest at a demonstration and his subsequent conviction of administrative offences leading to a sanction of eight days’ detention”). Vgl. Verder nog EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 102, EHRM 21 oktober 2014, nr. 9540/07 (Murat Vural t. Turkije) § 56 en EHRM 26 april 2016, nr. 25501/07 (Novikova e.a. t. Rusland) § 107.
EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland).
Vgl. ook EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07, 57569/11, 80153/12, 5790/13 en 35015/13 (Novikova e.a. t. Rusland) en EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Ącik t. Turkije).
HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633, rov 2.6.
Zie nader: N. Swart en B. Roorda, ‘De reikwijdte van het bijkans heilige demonstratierecht’, NTM/NJCM-bull. 2023/3. Zie bijvoorbeeld ook EHRM 23 september 1998, nr. 67/1997/851/1058 (Steel e.a. t. VK) en EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië).
Hoewel het hof heeft getoetst aan zowel artikel 10 als 11 EVRM, komt de vraag op of de gedragingen van de verdachte – het samen met twee anderen protesteren tegen een uitzetting en anderen oproepen daaraan mee te doen – onder het recht van betoging als bedoeld in artikel 11 EVRM vallen. In feitelijke aanleg is onderwerp van feitelijke discussie geweest of sprake was van een spontante of geplande actie. Het hof heeft zich daar niet nader over uit gelaten. In EHRM 3 mei 2022, nr. 18079/15 (Bumbes t. Roemenië ) betrof het een spontaan protest van vier personenDe omstandigheid dat het een ‘spontaneous short’ protestactie betrof, gaf het EHRM aanleiding de klacht onder artikel 10, in het licht van artikel 11 EVRM, te beoordelen.
EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü t. Turkije) § 116.
EHRM 11 mei 2023, nr. 31349/20 (Chkhartishvili t. Georgië) § 59. In EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taratenko t. Rusland) § 88 en 93 overweegt het Hof dat, hoewel de demonstratie ‘some damage’ tot gevolg had, het niet leidde tot geweld; het opzij duwen van bewakers van een overheidsgebouw werd niet als gewelddadig aangemerkt.
EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland).
EHRM 5 december 2006, nr. 74552/01 (Oya Ataman t. Turkije).
EHRM 29 november 2007, nr. 25/02 (Balҫik e.a. t. Turkije).
EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20, 31365/20 en 32525/20 (Makarashvili e.a. t. Georgië), § 98-99 en 101-102.
Zie, in het kader van de motiveringsplicht van artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis (in het bijzonder rov. 3.6.2 onder C).
Beroepschrift 20‑04‑2022
SCHRIFTUUR, HOUDENDE TWEE MIDDELEN VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoekster | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1980 |
adres | [adres] |
postcode en woonplaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Amsterdam |
datum uitspraak | 22 juli 2021 |
parketnummer | 23-003655-19 |
Eerste middel
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onbegrijpelijke, onjuiste of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat de Koninklijke marechaussee bevoegd was verzoekster de aanwijzing te geven plaats te nemen op haar vliegtuigstoel en/of dat uit artikel 46 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden afgeleid dat de bevoegdheden van de Koninklijke marechaussee beperkt zijn tot controle en/of dat op grond van redelijke wetsuitleg van artikel 46 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking, althans het tenlastegelegde feit bewezen heeft verklaard.
Toelichting
1.
Het hof heeft ten laste van verzoekster bewezenverklaard dat zij
‘op 5 januari 2019, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl zij zich bevond op of nabij een plaats waar een grensdoorlaatpost was gevestigd, zich niet heeft gehouden aan de aldaar door de ambtenaren, belast met grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen, immers is aan verdachte meerdere malen gevorderd dat zij op een stoel plaats moest nemen en heeft zij, verdachte, hieraan geen gehoor gegeven.’
2.
Verzoeksters raadsman mr. K.J. Zeegers heeft in hoger beroep uitgebreid beargumenteerd aangevoerd dat verzoekster dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde, omdat de haar door de Koninklijke marechaussee gegeven aanwijzingen buiten de reikwijdte vallen van artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 (zie pleitnota in hoger beroep, randnummers 9 tot en met 21).
3.
Het hof heeft het verweer van de raadsman als volgt verworpen (zie arrest, p. 1 en 2):
‘De verdediging stelt dat de vorderingen van de KMar [Koninklijke marechaussee, WHJ/JRK] aan de verdachte, inhoudende dat zij moest gaan zitten, niet waren gericht op controle in het belang van de grensbewaking, maar op het onbelemmerd uitvoeren van een uitzetting.
Naar het oordeel van het hof gaat de verdediging daarmee uit van een onjuiste interpretatie van de zinsnede ‘controle in het belang van de grensbewaking’. Voorop staat dat de Kmar belast is met de opsporing van strafbare feiten op Schiphol, zijnde een grensdoorlaatpost als genoemd in artikel 4.6 Vb [Vreemdelingenbesluit, WHJ/JK]. Verder geldt op basis van het hiervoor vermelde artikel 4.1, lid 2, Vb dat sprake was van uitreizen nu de verdachte zich aan boord bevond van een luchtvaartuig dat zou vertrekken naar Kenia. De Kmar, belast met grensbewaking op Schiphol, was daarom bevoegd de verdachte aanwijzingen te geven in het kader van de uitoefening van haar taak.
Voor zover de verdediging heeft bedoeld dat de KMar zich in de onderhavige zaak niet bezighield met ‘controle’, wordt overwogen dat ook dit betoog niet kan slagen. Artikel 46, lid 2 Vw [Vreemdelingenwet, WHJ/JK] geeft de bevoegdheid om regels te stellen over verplichtingen waaraan personen moeten voldoen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheden van de Kmar op Schiphol beperkt zijn tot ‘controle’. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat hiermee wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking. De aanwijzingen van de KMar in de onderhavige zaak vallen daarom binnen de hiervoor beschreven reikwijdte van artikel 46, lid 2 Vw en het daarop gebaseerde artikel 4.6 Vb, zodat het verweer van de verdediging wordt verworpen.’
Eerste deelklacht
4.
's Hofs oordeel, voor zover dat inhoudt of impliceert dat de Koninklijke marechaussee bevoegd was verzoekster de aanwijzing te geven plaats te nemen op haar stoel omdat de Koninklijke marechaussee belast is met de opsporing van strafbare feiten op Schiphol en er sprake was van uitreizen door verzoekster, is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd.
5.
Het gaat er in deze zaak om dat verzoekster door de Koninklijke marechaussee in een voor vertrek klaarstaand vliegtuig is gevorderd op haar stoel plaats te nemen. Verzoekster voldeed daar niet aan als daad van protest tegen de uitzetting van een vreemdeling die zich — begeleid door de Koninklijke marechaussee — in hetzelfde vliegtuig bevond. Verzoekster demonstreerde op deze wijze samen met twee andere personen, die zich eveneens in het vliegtuig bevonden.
6.
Bij de beoordeling van dit middel zijn de volgende bepalingen van belang:
‘Artikel 46 lid 2 aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000:
‘Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking.’
Artikel 4.1 Vreemdelingenbesluit 2000:
- ‘1.
Grensbewaking als bedoeld in artikel 46 van de Wet [de Vreemdelingenwet 2000, WHJ/JRK] wordt uitgeoefend met het oog op het Nederland in- en uitreizen van personen via een buitengrens.
- 2.
Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit Nederland bestemd is.’
Artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000:
‘Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd,. houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.’
7.
Het bepaalde in artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 was voorheen opgenomen in artikel 24 Vreemdelingenbesluit 1966. Het bepaalde in artikel 46 lid 2 aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 was voorheen opgenomen in artikel 3 lid 1 aanhef en onder b Vreemdelingenwet 1966. De nota van toelichting bij het Vreemdelingenbesluit 1966 bepaalde dat met onder meer artikel 24 uitvoering wordt gegeven aan artikel 3, eerste lid, onder b, van de Vreedemlingenwet.1. Hieruit blijkt dat artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 uitvoering geeft aan artikel 46 lid 2 aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 en dus nadere regels stelt omtrent de verplichtingen waaraan personen zijn onderworpen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking.
8.
De nota van toelichting bij het Vreemdelingenbesluit 1966 vermeldde voorts dat de verplichtingen, waaraan Nederlanders op grond van artikel 24 kunnen worden onderworpen, dienen te gelden in het kader van de controle op vreemdelingen:
‘Andere verplichtingen, welke in het belang van de controle op vreemdelingen mede voor Nederlanders dienen te gelden, zijn opgenomen in de ontworpen artikelen 24 en 26–30.’2.
9.
Nu verzoekster zich aan boord bevond van een luchtvaartuig dat voor de uitreis uit Nederland bestemd was, staat niet ter discussie dat zij kon worden onderworpen aan verplichtingen met het oog op de controle van de grensbewaking. Het hof heeft de vordering van de Koninklijke marechaussee aan haar om plaats te nemen op een stoel echter niet kunnen aanmerken als een verplichting met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking. Zo heeft het nergens vastgesteld dat die vordering werd gedaan in het kader van de controle op een vreemdeling. Dat laatste kan uit het arrest ook niet worden afgeleid.
10.
Uit 's hofs vaststellingen kan ten hoogste worden afgeleid dat de vordering aan verzoekster zag op de orde en veiligheid in het vliegtuig. Dat laatste is echter niet een doel waarvoor de bevoegdheid krachtens artikel 46 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 jo. artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 is gegeven. Het geven van aanwijzingen en bevelen tijdens de vlucht (dat wil zeggen: nadat de deuren zijn gesloten3.) is een exclusieve bevoegdheid van de gezagvoerder van een luchtvaartuig,4. waarvan het niet-opvolgen zelfstandig strafbaar is gesteld (vgl. artikel 62 lid 3 Luchtvaartwet i.v.m. artikel 96 lid 4 Regeling toezicht luchtvaart). Op grond van artikel 65 Vreemdelingenwet 2000 kan de Koninklijke marechaussee in het kader van de uitzetting van een vreemdeling weliswaar aanwijzingen geven, maar die dienen te zijn gericht aan de gezagvoerder (die, mits redelijk, verplicht is daaraan medewerking te verlenen). Aldus kon in verzoeksters zaak de Koninklijke marechaussee slechts de gezagvoerder als aanwijzing geven verzoekster op haar stoel plaats te laten nemen.
11.
Het hof heeft dit alles miskend. Aldus is zijn arrest onjuist en/of niet-toereikend gemotiveerd en kan het niet in stand blijven.
Tweede deelklacht
12.
's Hofs oordeel, dat uit artikel 46 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 niet kan worden afgeleid dat de bevoegdheden van de Koninklijke marechaussee beperkt zijn tot controle, is onjuist en/of onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
13.
Op de eerste plaats blijkt dit uit grammaticale interpretatie van artikel 46 lid 2 aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000. Uit de tekst van deze bepaling kan niet anders worden afgeleid dan dat bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met slechts het oog op de controle.
14.
Op de tweede plaats vermeldde de nota van toelichting bij artikel 24 Vreemdelingenbesluit 1966 zoals al opgemerkt dat de verplichtingen waaraan Nederlanders op grond van deze bepaling kunnen worden onderworpen dienen te gelden in het kader van de controle op vreemdelingen.
15.
Ook om deze redenen kan het arrest niet in stand blijven.
Derde deelklacht
16.
's Hofs oordeel, dat op grond van een redelijke wetsuitleg met artikel 46 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 wordt bedoeld dat regels mogen worden gesteld voor het beheersbaar maken en houden van de situatie ten behoeve van de grensbewaking, is onjuist en/of niet toereikend gemotiveerd.
17.
Borgers wijst erop dat volgens de rechtspraak van Uw Raad een beroep op redelijke wetsuitleg ‘vaak, maar niet altijd, naar voren komt in combinatie met een beroep op wetshistorische of wetssystematische argumenten.’ Waar de strafrechter met een redelijke wetsuitleg kiest voor een interpretatie met een uitbreidend effect, is het, aldus Borgers, in het licht van het materieelrechtelijke legaliteitsbeginsel de vraag of in dergelijke gevallen de grens van de interpretatievrijheid van de strafrechter niet wordt bereikt. Als in dit verband een verwijzing naar de wetsgeschiedenis en de strekking van de wet feitelijk nietszeggend is of niet richtinggevend is voor de slotsom ligt, aldus hem, de conclusie voor de hand dat in strijd wordt gehandeld met het uitgangspunt dat strafbaarstellingen restrictief worden uitgelegd.5.
18.
Extensieve interpretatie is op zichzelf toelaatbaar, mits daarvoor voldoende valide aanknopingspunten voorhanden zijn. Maar als de wetsgeschiedenis, het systeem van de wet en het doel en de strekking van de wet niet of nauwelijks richting geven, dan kan, aldus Borgers, ‘bezwaarlijk worden volgehouden dat de grondslag voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid in de wet (…) wordt gevonden.’6.
19.
Het hof heeft in verzoeksters zaak met een beroep op een redelijke wetsuitleg aan de delegatiebepaling van artikel 46 lid 2 Vreemdelingenwet 2000 een interpretatie gegeven, waarmee het de strafrechtelijke aansprakelijkheid van artikel 4.6 Vreemdelingenbesluit 2000 heeft verruimd. Het heeft dit oordeel echter op geen enkele wijze gemotiveerd, terwijl wetshistorische of wetssystematische argumenten tegen een verruimde uitleg pleiten. Aldus is 's hofs oordeel onjuist en (letterlijk) nietszeggend in vorenbedoelde zin.
20.
Ook daarom kan het arrest niet in stand blijven.
Tweede middel
Het recht (waaronder de artikelen 10 en 11 EVRM) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onbegrijpelijke, onjuiste en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat de inbreuk op verzoeksters recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering noodzakelijk was in een democratische samenleving en in verhouding stond tot het gediende doel en/of (aldus) heeft verworpen het verweer om in dit geval de Vreemdelingenwet en/of het Vreemdelingenbesluit buiten toepassing te laten en verzoekster te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Toelichting
21.
Verzoeksters raadsman heeft in hoger beroep betoogd dat verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat in dit specifieke geval de Vreemdelingenwet en/of het Vreemdelingenbesluit buiten toepassing dient te blijven, omdat (voor zover hier van belang) een strafrechtelijke vervolging en sanctionering een niet-noodzakelijke en disproportionele inbreuk maakt op de rechten zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM. De raadsman heeft dit standpunt als volgt toegelicht (met weglating van voetnoten):
‘35.
Het is evident dat het handelen van cliënten kwalificeert als een meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM.
36.
Zij demonstreerden tegen de uitzetting van de Soedanese persoon aan boord van het vliegtuig. Zo schrijft verbalisant [verbalisant 4]:
‘Ik hoorde dat deze vrouwen met luide stem diverse teksten riepen in onze richting en in de richting van de overige passagiers die in hun stoel zaten.’
Ook uit de verklaringen van getuigen [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] blijkt duidelijk dat er sprake was van een protest en een demonstratie.
37.
Doordat het om een gezamenlijk en vreedzaam protest ging, was ook sprake van een vergadering als bedoeld in artikel 11 EVRM.
Juridisch kader
38.
Het EHRM beschouwt de vergadervrijheid als één van de fundamenten van een democratische samenleving. Om die reden mag deze niet restrictief worden geïnterpreteerd. Allerhande samenkomsten worden daarom onder dit artikel gebracht, waaronder demonstraties en statische protesten, maar ook sit-ins, blokkadeacties en bezettingen.
39.
Ook protesten die plaatsvinden op een niet-openbare plaats worden volgens het EHRM beschermd door de artikelen 10 en 11 EVRM.
40.
Ook maatregelen, genomen door autoriteiten na een act of assembly, zoals een strafvervolging, kunnen leiden tot de vaststelling dat artikel 10 of artikel 11 EVRM wordt geschonden. De bevoegdheid van lidstaten tot het bestraffen van met expressie of vergadering gepaard gaand strafbaar gedrag (illegal conduct) is volgens het EHRM niet ongelimiteerd:
‘An analysis of the Court's case-law cited above reveals that the Contracting States' discretion in punishing illegal conduct intertwined with expression or association, although wide, is not unlimited.’
Ik bespreek een aantal voorbeelden waaruit dit blijkt.
41.
De klagers in de zaak Steel and Others bezetten een conferentiecentrum, deelden flyers uit en hielden spandoeken omhoog. Het EHRM oordeelde de arrestatie en detentie van de demonstranten niet ‘necessary in a democratic society’. Het fysiek belemmeren van activiteiten is volgens het EHRM een vorm van meningsuiting. Het doel van het voorkomen van wanordelijkheden of de bescherming van rechten van anderen woog daar in dit geval niet tegenop. In dit geval bestond de schending van de rechten van de klagers uit het worden verwijderd van de plaats van protest en het worden vasthouden. Anders dan cliënten, waren deze klagers niet ook nog strafrechtelijk vervolgd.
42.
In Açik and Others tegen Turkije werd schending van artikel 10 EVRM aangenomen. Het ging om een protestactie door studenten in een universiteitsgebouw, terwijl de decaan een openingstoespraak hield. De studenten negeerden een waarschuwing van de aanwezige politie en vervolgden hun protest.
43.
Açik en diens mededemonstranten veroorzaakten wanordelijkheden. Ook belemmerden hun gedragingen ‘the proper course of the opening ceremony’. Volgens het EHRM was echter geen sprake van dreiging van ernstige wanordelijkheden.
44.
De politie had desondanks 19 studenten gearresteerd. Na een paar uur detentie werden zij vrijgelaten. Het EHRM oordeelde het verwijderen van de demonstranten proportioneel in het licht van de bescherming van rechten van anderen. Hoewel de studenten niet strafrechtelijk werden vervolgd, oordeelde het EHRM dat het protest met minder draconische maatregelen dan met arrestatie en daaropvolgende detentie had kunnen worden bestreden. Bijvoorbeeld door de demonstranten de verdere. toegang tot de openingsceremonie te weigeren. Ook al duurde die detentie maar een paar uur, toch werd schending van artikel 10 EVRM aangenomen.
45.
Ook in Taranenko tegen Rusland ging het om een protestactie op een niet-openbare plaats: een bezetting door 40 demonstranten van het President's Administration Building. Bij het binnendringen werden bewakers opzij geduwd. De demonstranten sloten zichzelf op in een van de kantoren, waarna zij met plakkaten uit het raam zwaaiden en flyers uit het raam gooiden.
46.
Het EHRM kwam tot de conclusie dat artikel 11 EVRM (geïnterpreteerd in het licht van artikel 10 EVRM) was geschonden, ondanks de volgende vaststellingen:
‘Such behaviour, intensified by the number of protesters, could have frightened the employees (…).’ (…)
[The protesters] were not armed and did not resort to any violence or force, except for pushing aside the guard who attempted to stop them.
(…)
(…) Further, it is true that the protesters were found guilty of damaging the President's Administration's property.’
47.
In Tuskia and Others tegen Georgië werd géén schending van artikel 10 en 11 EVRM aangenomen. In deze zaak waren ten minste 20 protesterende hoogleraren binnengedrongen in het kantoor van de rector van hun universiteit, slogans scanderend. Dit handelen verstoorde, aldus het EHRM, het functioneren van de universiteit. De demonstranten weigerden te verstrekken en het kostte de politie meer dan een uur onderhandelen voordat zij het gebouw verlieten. De demonstranten werden echter niet gearresteerd of gedetineerd en niet strafrechtelijk vervolgd. Het EHRM woog de algehele context van het protest mee: de demonstranten was al maandenlang de gelegenheid geboden te protesteren, onder meer door het houden van bijeenkomsten op de universiteit. De beperkte inbreuk op het demonstratierecht van de klagers (namelijk: het door middel van onderhandelingen beëindigen van hun protest), was volgens het EHRM daarom geoorloofd.
48.
Als strafbaar gedrag tegelijkertijd een vorm van meningsuiting is, of vorm van vreedzame vergadering, dient te worden bepaald of zo'n veroordeling wel necessary in a democratie society is. Het EHRM heeft in diverse uitspraken geoordeeld:
‘The sole existence of a legitimate aim for an interference with the freedom of expression is not sufficient to indicate the presence of a pressing social need for such interference. The values and principles underlying Article 10 of the Convention command that the national authorities shall always be guided by ‘relevant and sufficient reasons’.’
49.
De hiervoor geciteerde uitspraken onderstrepen de strikte noodzakelijkheidstoets die geldt voor het uitoefenen van verstrekkende overheidsbevoegdheden als het vasthouden en vervolgen (of veroordelen) van burgers die hun mensenrechten uitoefenen. Dat een wettelijke grondslag beschikbaar is voor het beperken van burgers in hun vrijheid, of voor een strafvervolging, maakt nog niet dat de toepassing van die bevoegdheden is toegestaan. Steeds moet worden beoordeeld of de beperking in kwestie wel noodzakelijk is in een democratische samenleving. De verschillen tussen de hierboven geciteerde uitspraken laten zien dat deze toets steeds opnieuw dient te worden toegepast op iedere ‘nieuwe’ beperking. Het kan zo zijn dat het verwijderen van demonstranten is geoorloofd, maar dat het toepassen van detentie of het onderwerpen aan een strafvervolging, wel een schending oplevert van artikel 10 en 11 EVRM.
Toepassing criteria op zaak cliënten
50.
Zelfs als uw hof meent dat de gedraging van cliënten strafbaar was, betekent dat dus niet dat hun geen bescherming toekomt van het EVRM. Op basis van de volgende omstandigheden bepleit ik dat in het geval van cliënten een vervolging en veroordeling niet noodzakelijk is in een democratische samenleving.
51.
Het protest van cliënten was vreedzaam, zij gebruikten geen geweld.
52.
De actie van cliënten heeft geen ‘schade’ aangericht: de uitzetting van de uitgeprocedeerde asielzoeker naar Soedan, is doorgegaan.
53.
De actie was van (zeer) korte duur
54.
Cliënten hebben geen inbreuken gemaakt op de rechten van de vliegmaatschappij en het cabinepersoneel of van andere passagiers
55.
Hun actie, heeft geen wanorde veroorzaakt in het vliegtuig, laat staan ernstige wanordelijkheden. Cliënten hebben ook geen materiële schade aangericht aan het vliegtuig. Zij zijn wel hardhandig verwijderd uit het vliegtuig, hebben hun (betaalde) vluchten naar Nairobi gemist, zijn gearresteerd en hebben bijna vier uren doorgebracht in een politiecel.
56.
Medeverdachte [medeverdachte], wiens handelen identiek was aan dat van cliënten, is niet vervolgd. Kennelijk werd een strafvervolging in haar zaak, die op geen enkele wijze verschilt van de zaak tegen [naam 1 en 2], niet noodzakelijk geacht.
57.
Hen ook nog veroordelen en bestraffen zou disproportioneel zijn en daarmee niet noodzakelijk in een democratische samenleving.
58.
Dit leidt tot de conclusie dat, in dit specifieke geval, het wettelijk voorschrift (artikel 4.6 Vb) buiten toepassing moet worden gelaten, omdat deze toepassing strijd oplevert met de verdragsverplichtingen van Nederland onder het EVRM. (…).
59.
Uit de hiervoor geciteerde EHRM-arresten Açik and others tegen Turkije en Tuskia and Others tegen Georgië, volgt dat een legitieme verwijdering van demonstranten van een niet-publieke plaats niet zonder meer betekent dat de in verband daarmee of in vervolg daarop door de autoriteiten te nemen strafrechtelijke maatregelen, ‘necessary in a democratic society’ kunnen worden geoordeeld ter beperking van de vergader- of uitingsvrijheid. Ik benadruk dat in Açik de demonstranten ook weigerden zelf te vertrekken.
60.
Dat niet wordt voldaan aan de eis ‘necessary in a democratic society’ geldt temeer voor een strafrechtelijke vervolging en een strafrechtelijke sanctionering. Zelfs een schuldigverklaring zonder oplegging van straf vormt in dit geval een disproportionele reactie. Daaraan kleeft immers een aantekening in de justitiële documentatie, die gevolgen kan hebben voor toekomstige aanvragen van een Verklaring omtrent het gedrag.
61.
Een dringende noodzaak tot beperking van de vrijheid om te demonstreren kan dus in het licht van de rechtspraak van het EHRM hooguit worden gevonden voor het verwijderen van cliënten, maar niet voor de overheidsmaatregelen die vervolgens zijn genomen ten aanzien van cliënten. De arrestatie en het aansluitende ophouden voor onderzoek zijn in ieder geval in dit geval — om met het EHRM te spreken — extreme maatregelen jegens vreedzame demonstranten. Deze maatregelen vormen in dit geval reeds een schending van de uitingsvrijheid en het demonstratierecht. Dat laatste geldt zeker voor het uitspreken van een schuldigverklaring of een sanctionering die daar nog bovenop zou komen. Ook dit zijn maatregelen, genomen na een ‘act of assembly’ die een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of beperking van artikel 10 en 11 EVRM, geoorloofd was en of de eis van ‘necessary in a democratie society’ dienen te worden beoordeeld.
62.
Artikel 4.6 Vb dient daarom in de specifieke omstandigheden van dit geval buiten toepassing te worden gelaten wegens strijd met artikel 10 en 11 EVRM zodat cliënten dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.’
22.
Het hof heeft als volgt geoordeeld dat de inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering van de verdachte noodzakelijk was in een democratische samenleving en in verhouding stond tot het gediende doel en aldus dit verweer verworpen:
‘Noodzakelijk in een democratische samenleving
Als algemeen uitgangspunt hanteert het hof dat (vreedzame) betogingen en demonstraties die tot doel hebben een discussie aan te zwengelen over bepaalde maatschappelijke of politieke vraagstukken een grote mate van bescherming verdienen (vgl. EHRM 2 januari 2002, Stankov and the United Macedonian Organisation Hinden v. Bulgaria). Verder maakt het feit dat bepaalde betogingen of demonstraties veiligheidsrisico's met zich meebrengen niet dat elke inperking op die rechten is geoorloofd. Tot slot is van belang de vraag of een inbreuk ook proportioneel is. Bij beantwoording van de vraag of de gewraakte inbreuk proportioneel was, is onder meer van belang of de betogers/demonstranten de gelegenheid hebben gehad op vreedzame wijze te demonstreren of anderszins hun mening te uiten (vgl. EHRM 18 juni 2019, Chernega and others v. Ukraine). Op grond van de voornoemde uitgangspunten, toegepast op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, komt het hof tot het oordeel dat de inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting/vergadering van de verdachte in het onderhavige geval noodzakelijk was in een democratische samenleving en bovendien de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreed. Daartoe wordt overwogen dat de verdachte gelegenheid heeft gehad zich uit te spreken tegen de uitzetting van de vreemdeling. Immers verhinderde de vordering plaats te nemen op een passagiersstoel in het vliegtuig niet dat zij haar mening kon geven. Het handelen van de verdachte ging echter verder dan het geven van ruchtbaarheid aan een standpunt, nu zij, door niet te gaan zitten, het gereed maken voor vertrek van het vliegtuig belette, zodat de uitzetting (nog) niet kon worden bewerkstelligd. Dat anderen ook (nog) stonden en het vliegtuig dus sowieso niet kon vertrekken op het moment dat zij uit het vliegtuig werd verwijderd, doet daar niet aan af. Immers gaat het om de bedoeling van dat staan waarbij van belang is dat uit het proces-verbaal 5 januari 2019 van [verbalisant 1] volgt dat de vrouwen, waaronder de verdachte, medepassagiers opriepen ook te gaan staan. Het hof gaat ervan uit dat dit kennelijk als doel had de uitzetting te vertragen, bemoeilijken en/of voorkomen. Dat de verdachte vervolgens door de KMar is aangehouden en meegenomen, waarna zij is verhoord, is niet disproportioneel, gelet op de context waarin het voorgevallene zich afspeelde. Ook de hoogte van de aan de verdachte opgelegde strafbeschikking maakt niet dat het optreden van de Kmar niet proportioneel was.
Sinds de aanslagen op 11 september 2001 in New York en Washington zijn de beveiligingsmaatregelen die gelden op internationale luchthavens aangescherpt. Onrust op een luchthaven kan leiden tot paniek wat vervolgens gevaar voor personen en goederen kan veroorzaken, zeker als die onrust of paniek ontstaat aan boord van een vliegtuig. Daarmee strookt dat de opsporingsambtenaren van de KMar ten behoeve van de veiligheid van personen in staat zijn reeds in een vroeg stadium in te grijpen ter voorkoming van wanordelijkheden. In het onderhavige geval was een aantal ambtenaren van de KMar belast met het effectueren van een gedwongen uitzetting, waartegen de vreemdeling zich verzette. Het is van belang dat burgers in een dergelijke situatie luisteren naar en gehoor geven aan de aanwijzingen die de KMar geeft ter beheersing van de situatie zodat escalatie kan worden voorkomen en ieders veiligheid kan worden gewaarborgd. Gelet daarop is ook niet onredelijk dat de verdachte, toen zij weigerde te gaan zitten, is verwijderd uit het vliegtuig en gedurende ongeveer vier uur is vastgehouden voor verhoor. In het kader van een zorgvuldige taakuitoefening diende de KMar immers te beoordelen in hoeverre de acties van verdachte onderdeel uitmaakten van een georganiseerde actie, zodat een inschatting kon worden gemaakt van de eventuele veiligheidsrisico's tijdens de vlucht. Dat dit laatste een doel van het uitgevoerde onderzoek was, volgt ook uit de vragen die blijkens het proces-verbaal van verhoor van 5 januari 2019 aan de verdachte zijn gesteld.’
23.
24.
Het EVRM kent niet een bepaling die de vrijheid van manifestatie als zodanig beschermt, maar volgens het EHRM wordt deze vrijheid beschermd door zowel de vrijheid van vreedzame vergadering als de vrijheid van meningsuiting (artikelen 10 en 11 EVRM). Het EHRM beschouwt deze vrijheden als een van de pijlers onder een democratische samenleving, waardoor deze niet restrictief mogen worden geïnterpreteerd. Allerhande samenkomsten worden dientengevolge onder dit artikel gebracht, waaronder demonstraties, statische protesten, sit-ins, blokkadeacties en bezettingen.7.
25.
Artikel 11 EVRM beschermt vreedzame vergaderingen, zodat de vraag opkomt wat in deze context onder ‘vreedzaam’ dient te worden verstaan. Dit omvat, volgens de Straatsburgse rechtspraak, ‘conduct that may annoy or give offence, and even conduct that temporarily hinders, impedes or obstruct the activities of third parties.’8. Volgens het EHRM kan bij iedere vorm van betoging maatschappelijke onrust plaatsvinden — ‘disruption to ordinary life’. In dergelijke gevallen wordt van autoriteiten tolerantie jegens de demonstranten verlangd.9. Pas in geval van gewelddadig gedrag of gewelddadige intenties kan een demonstrant zijn of haar aanspraak op de bescherming van artikel 11 EVRM verliezen.10.
26.
Ondertussen is de demonstratievrijheid niet absoluut. Een overheidsmaatregel welke een demonstratie beperkt, moet echter voldoen aan de strikte eisen die de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM stellen. Zo'n maatregel moet bij wet zijn voorzien en een van de doelen in voornoemde artikelleden dienen. Ook moet de maatregel noodzakelijk zijn, ‘necessary in a democratic society’. Dat wil zeggen: beantwoorden aan een ‘pressing social need’ en proportioneel zijn in relatie tot het doel. Tot slot dient de noodzaak tot ingrijpen te blijken uit door de autoriteiten aan te dragen ‘relevant and sufficient reasons’.11. Wat deze laatste eis betreft kan een rol spelen een verschil in strafrechtelijke sanctionering tussen demonstranten, zoals blijkt uit Chernega and Others t. Oekraïne:
‘The courts (…) also failed to explain the severity of the sentence imposed on the first and second applicants, especially in comparison with the sentences imposed on the other protesters and any particularity in their conduct which would justify such treatment. (…) In such circumstances, the Court finds that the domestic courts did not provide sufficient reasons for their decision to impose custodial sentences (…) and, therefore, it was not demonstrated by the Government that the sanction imposed on those applicants was proportionate to the legitimate aim pursued.’ 12.
27.
De noodzaak tot het treffen van beperkende maatregelen moet worden aangetoond ‘beyond reasonable doubt’, aan de hand van onweerlegbare feiten en gevolgtrekkingen.13. Aan dit toetsingskader houdt het EHRM nauwgezet de hand.14.‘Necessary’ heeft een strikte betekenis en mag niet worden ingevuld met ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.15.
28.
Ook maatregelen, door de autoriteiten genomen na een vreedzame vergadering kunnen bijdragen aan of op zichzelf leiden tot de vaststelling dat artikel 10 of artikel 11 EVRM worden geschonden.16. Dergelijke maatregelen achteraf kunnen zijn de arrestatie van de demonstranten17., hun daarop aansluitende detentie op het politiebureau18., hun strafrechtelijke vervolging19.of hun strafrechtelijke veroordeling20.. Het gaat hier om maatregelen die op zichzelf staand beperkingen vormen van de vrijheden als bedoeld in de artikelen 10 en 11 EVRM nadat bijvoorbeeld een demonstrant is verwijderd van een (niet-publieke) locatie wegens de bescherming op die locatie van zwaarder wegende rechten van anderen.
29.
Roorda, Brouwer en Schilder hebben afgelopen november in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken een onderzoek gepubliceerd naar de demonstratievrijheid in Nederland. Daarin komt onder meer de vraag aan de orde wanneer strafrechtelijke maatregelen tegen demonstranten mogen worden genomen. Zij stellen (met weglating van de voetnoten):
‘Aanhouding van vreedzame demonstranten is volgens het EHRM uitsluitend gerechtvaardigd op grond van specifieke en goed onderbouwde wezenlijke grondslagen (‘specific and averred substantive grounds’), zoals ernstige risico's waarin de wet voorziet. Strafrechtelijke vervolging, laat staat strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten is bovendien in beginsel niet toegestaan. Zo overweegt het Hof in de zaak Akgöl en Göl/Turkije:
‘The Court is concerned by the fact that the applicants were prosecuted — and convicted at first instance — on account of the mere fact of their participation in an unauthorised but peaceful demonstration. It consïders that a peaceful demonstration should not, in principle, be made subject to the threat of a penal sanction.’
In Kudrevičius e.a./Rusland oordeelt de Grote Kamer van het EHRM zelfs uitdrukkelijk dat een demonstrant niet kan worden gestraft voor deelname aan een niet-kennisgegeven manifestatie — zelfs niet als de sanctie een lage boete betreft — zolang die persoon geen laakbaar (‘reprehensible’) gedrag vertoont tijdens de manifestatie. Dit geldt ook indien de demonstratie leidt tot schade of andere wanorde.’21.
30.
Op 8 maart 2022 heeft het EHRM herhaald ‘that a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (…)’.22.
31.
Roorda, Brouwer en Schilder stellen voorts:
‘Als demonstranten zich niet of minder vreedzaam gedragen, bijvoorbeeld als zij gewelddadigheden begaan of hiertoe aanzetten, dan is (strafrechtelijk) optreden tegen demonstranten in beginsel gerechtvaardigd in het licht van bijvoorbeeld de volgende legitieme doelen van artikel 11 lid 2 EVRM: het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en het beschermen van de rechten en vrijheden van anderen.’23.
32.
De ondergrens is dat ook buiten de gevallen dat demonstranten zich schuldig maken aan gewelddadigheden of hiertoe aanzetten strafrechtelijk tegen hen kan worden opgetreden. Daartoe is volgens het EHRM vereist dat zij zich schuldig maken aan verwerpelijk of laakbaar (‘reprehensible’) gedrag.
33.
De vraag is wanneer van dergelijk gedrag sprake is. Het is verleidelijk om enige verstoring van de normale gang van zaken, of de openbare orde, of het feit dat aan een demonstratie de politie te pas is gekomen, als ‘reprehensible’ aan te merken. Dit lijkt de gedachtegang te zijn geweest van Uw Raad in HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt echter volgens Roorda, Brouwer en Schilder dat gedrag van demonstranten eerst ‘reprehensible’ is te noemen wanneer zij het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren. Dus, aldus deze auteurs: in grotere mate dan bij een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid.24. ‘Reprehensible’ kan derhalve volgens de verdediging niet worden genoemd de onrust die bij elke demonstratie — als een ‘disruption to ordinary life’ — pleegt plaats te vinden, of ‘conduct that temporarily hinders, impedes or obstruct the activities of third parties.’25. Zo was volgens het EHRM bijvoorbeeld niet ‘reprehensible’ de obstructie, veroorzaakt door een aantal demonstranten, van een doorgang naar een gerechtsgebouw.26.
34.
Een voorbeeld van een door Roorda, Brouwer en Schilder bedoelde ernstige verstoring van het dagelijks leven is te vinden in de zaak Kudrevičius and Others t. Litouwen, waarin de Grote Kamer van het EHRM het gedrag van demonstrerende Litouwse boeren ‘reprehensible’ aanmerkte. De boeren blokkeerden in strijd met politiebevelen op vijf aansluitende dagen opzettelijk en doelbewust bijna volledig drie belangrijke verkeersaders. Eén blokkade duurde ruim 28 uur en was een volledige blokkade.27.
35.
In bijvoorbeeld de zaken Oya Ataman en Balçik and Others, beide tegen Turkije, komt echter tot uitdrukking dat van de autoriteiten ten aanzien van (potentiële) verkeersblokkades enige tolerantie wordt verlangd in ten minste die zin, dat een demonstratie niet al binnen een half uur mag worden ‘opgerold’. In beide zaken ging het om een demonstratie op een druk tijdstip van de dag, waarbij potentieel het verkeer werd ontwricht of een tramlijn werd geblokkeerd. Telkens kwam het niet zover en kregen de demonstranten na een half uur van de autoriteiten de opdracht uit een te gaan. In beide gevallen gaven de demonstranten daar geen gehoor aan. Het EHRM oordeelde in beide zaken dat artikel 11 EVRM was geschonden. De overwegingen in Oya Ataman luiden onder meer:
‘(T)here is no evidence to suggest that the group in question represented a danger to public order, apart from possibly disrupting traffic. (…) The Court observes that the rally began at about 12 noon and ended with the group's arrest within half an hour. It is particularly struck by the authorities'impatience in seeking to end the demonstration (…).’
36.
Hieruit volgt dat gedrag, dat een tijdelijke ‘disruption’ van het verkeer oplevert, niet ‘reprehensible’ kan worden genoemd en een zekere tolerantie van de autoriteiten jegens de voortgang van de demonstratie vereist. Het verschil tussen een tijdelijke en een intentioneel (min of meer) permanente belemmering of blokkade van derden is — zo leidt de verdediging uit de benadering van het EHRM af — bepalend voor de vraag of strafrechtelijke vervolging en sanctionering als noodzakelijke en/of proportionele inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering kan worden geoordeeld. Wanneer een demonstratie een ernstige en ogenschijnlijk onbegrensde inbreuk maakt op andermans functioneren omdat deze, naar hetgeen kan worden afgeleid uit het gedrag van haar deelnemers, eindeloos in stand dreigt te worden gehouden, zal het gedrag van de demonstranten eerder ‘reprehensible’ kunnen worden genoemd. Dat demonstranten geen gehoor geven aan een opdracht van de autoriteiten om de demonstratie te staken, legt daarbij geen (doorslaggevend) gewicht in de schaal.28.
37.
In het licht van dit juridisch kader heeft het hof verzoeksters strafrechtelijke vervolging en/of sanctionering ten onrechte ‘necessary’ in de zin van de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM geoordeeld en/of dit oordeel niet geschraagd op ‘relevant and sufficient reasons’ in de zin van de rechtspraak van het EHRM.
38.
Dat verzoeksters handelen ‘verder ging’ dan het geven van ruchtbaarheid aan haar standpunt, zoals het hof heeft geoordeeld, betekent niet dat verzoeksters strafrechtelijke vervolging en sanctionering ‘necessary’ en proportioneel waren te achten. Voor de vraag of een handeling kan worden aangemerkt als een meningsuiting in de zin van artikel 7 Grondwet, hanteert Uw Raad als voorwaarde dat kenbaar moet zijn dat de gedraging moet worden begrepen als een deelname aan enig maatschappelijk debat over het onderwerp waarop de uiting.29. Vergelijkbaar oordeelt het EHRM dat ook de vorm, in dit geval: de wijze waarop een protest wordt uitgevoerd, door artikel 10 EVRM wordt beschermd.30. In verband hiermee is van belang dat de demonstratie waaraan verzoekster deelnam ‘within sight and sound’ van het ‘target object’ plaatsvond. De Venetië-commissie van de Raad van Europa heeft benadrukt dat de locatie, die volgens de organisator van een bijeenkomst het meest geschikt is voor haar doel, een kernelement is van de vergadervrijheid.31.
39.
's Hofs overwegingen, luidend dat de aanhouding en verwijdering uit het vliegtuig van verzoekster en haar mededemonstranten niet disproportioneel was, zeggen niets over de noodzaak haar vervolgens strafrechtelijk te vervolgen en te sanctioneren. Daarbij moet worden aangetekend dat blijkens de overige in verband hiermee door het hof vastgestelde omstandigheden zelfs de noodzaak en proportionaliteit van verzoekster aanhouding — in het licht van haar recht op bescherming van vrijheid van meningsuiting en vreedzame demonstratie — op ontoereikende gronden berust. Immers heeft het hof vastgesteld dat andere passagiers ook (nog) stonden en het vliegtuig daarom sowieso niet kon vertrekken op het moment dat verzoekster uit het vliegtuig werd verwijderd. De demonstratie waaraan verzoekster deelnam werd, kortom, door de autoriteiten vrijwel onmiddellijk ‘opgerold.’
40.
Het hof heeft blijkens zijn overwegingen ten onrechte miskend dat ten minste enige tolerantie van de autoriteiten wordt verlangd jegens een vreedzame demonstratie, ook indien daardoor de legitieme activiteiten van derden tijdelijk worden gehinderd of geblokkeerd. Aan dit vereiste wordt niet reeds voldaan indien de demonstranten de gelegenheid hebben gehad op vreedzame wijze te demonstreren of anderszins hun mening te uiten, zoals het hof overweegt. 's Hofs oordeel dienaangaande komt er immers op neer dat de vereiste tolerantie reeds is betracht zodra demonstranten enigszins hun gemeenschappelijke mening hebben uitgedragen. Dat komt er in het algemeen op neer dat degenen die ergens een protestbordje omhoogsteken vervolgens acuut zouden mogen worden verwijderd. Tolerantie duidt echter niet op slechts de gelegenheid nemen (door de demonstranten), doch de gelegenheid geboden krijgen (door de autoriteiten). In Tatár en Fáber tegen Hongarije benoemt het EHRM als een van de factoren die volgens Gerards behulpzaam zijn bij het bepalen van de contouren van een vergadering in de zin van artikel 11 EVRM dat de vergadering niet is beperkt tot ‘a very short time’.32. 's Hofs opvatting kan dan ook niet uit bijvoorbeeld Oya Ataman t. Turkije worden afgeleid, maar — meer dan dat — ook niet uit EHRM 18 juni 2019, nr. 74768/10 (Chernega and Others t. Oekraïne), waaraan het hof deze opvatting stelt te hebben ontleend. In die zaak oordeelde het EHRM het bij de beoordeling van de proportionaliteit van de inbreuk op artikel 11 EVRM een factor van betekenis dat tegen het onderwerp waartegen de verzoekers in Straatsburg hadden geprotesteerd, al op eerdere data ‘opponents were able to protest’, dat ‘substantial public attention had already been attracted to the problem’ en dat ‘opponents also actively used their right to petition in order to oppose the project.’ Die ‘opponents’ betroffen niet Chernega en de anderen. Hier komt bij dat in weerwil van deze factor het EHRM in vier van de negen gevallen in deze zaak een schending van artikel 11 EVRM vaststelde. In verzoeksters zaak heeft het hof niet vastgesteld dat bijvoorbeeld al vele andere malen eerder tegen de uitzetting, waartegen zij betoogde, was geprotesteerd.
41.
Ook met het oordeel dat het — kort gezegd — niet onredelijk is dat verzoekster is verwijderd uit het vliegtuig en is vastgehouden voor verhoor, heeft het hof niets gezegd over de noodzaak en proportionaliteit van verzoeksters daaropvolgende strafrechtelijke vervolging en sanctionering. Dat geldt ook voor de overwegingen die er kort gezegd op neerkomen dat onrust op een luchthaven tot paniek kan leiden en dat de Koninklijke marechaussee ten behoeve van de veiligheid en ter voorkoming van escalatie en wanordelijkheden in een vroeg stadium in staat moeten zijn in te grijpen. Wat dat laatste betreft geldt bovendien dat het hof zich hier bedient van algemeenheden en veronderstellingen. Niet heeft het vastgesteld dat in concreto sprake was van (dreigende) wanorde, laat staan (dreigende) ernstige wanorde. Zulks kan uit zijn vaststellingen ook niet worden afgeleid. Ook kan daaruit niet worden afgeleid dat sprake was van ‘reprehensible’ gedrag van verzoeksters. Waar het hof heeft overwogen dat verzoekster en haar medeverdachten anderen hebben opgeroepen ook te gaan staan met als kennelijk doel het vertragen, bemoeilijken of voorkomen van de uitzetting, geldt dat een dergelijk doel als ‘conduct that temporarily hinders, impedes or obstruct the activities of third parties’ in beginsel de bescherming van artikel 11 EVRM geniet en derhalve enige tolerantie van de autoriteiten vereist. Aldus wordt met die overweging niets uitgedrukt dat naar maatstaven van het EHRM als (potentieel) laakbaar kan worden beschouwd.
42.
In verband met zijn beoordeling van het verweer is het hof ten onrechte niet ingegaan op de volgende door de raadsman aangevoerde factoren: de uitzetting van de uitgeprocedeerde asielzoeker heeft doorgang gevonden, niet zijn inbreuken gemaakt op de rechten van de vliegmaatschappij en het cabinepersoneel of van andere passagiers, en niet is materiële schade aangericht aan het vliegtuig. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat een van de drie demonstranten — van wie het handelen identiek was aan dat van verzoekster en de andere medeverdachte — niet strafrechtelijk is vervolgd. Dat laatste komt neer op een verschil in strafrechtelijke sanctionering tussen deelnemers aan een en dezelfde demonstratie, een factor die het EHRM van betekenis oordeelt in het kader van het geven van ‘sufficient reasons’ voor de noodzaak van een inbreuk op artikel 11 EVRM indien geen sprake is van ‘any particularity in their conduct which would justify such treatment’.
43.
Gezien al deze omstandigheden kan het arrest niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. W.H. Jebbink en J.R. Kramer, advocaten, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster in cassatie.
Amsterdam, 20 april 2022,
W.H. Jebbink
J.R. Kramer
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑04‑2022
Stb. 387, 1966 (NvT bij Vb 1966), p. 916, rechterkolom en p. 917, linkerkolom.
Idem, p. 917, rechterkolom.
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verlichting fasten seatbelt aanstond.
M.J. Borgers, annotatie bij HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, Ars Aequi, maart 2008, p. 229 e.v.
Idem.
EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan t. Armenië); ECRM 10 oktober 1979, nr. 8191/78 (Rassemblement Jurassien Unité Jurassienne t. Zwitersland); EHRM 18 juni 2013, nr. 8029/07 (Gün and Others t. Turkije); EHRM 27 juni 2006, nr. 75569/01 (Cetinkaya t. Turkije); EHRM 5 december 2006, nr. 74552/01 (Oya Ataman t. Turkije); EHRM 21 oktober 2010, nr. 4916/07, 25924/08 en 14599/09 (Alekseyev t. Rusland); ECRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Fascism and Racism t. Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov t. Rusland); ECRM 6 maart 1989, nr. 13079/87 (G. t. Duitsland); EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik and Others t. Turkije); EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse t. Frankrijk), De Speciale VN-Rapporteur inzake de fundamentele vergadervrijheid en verenigingsvrijheid als bedoeld in de artikelen 21 en 22 IVBPR, definieert een vergadering in de zin van artikel 21 IVBPR als volgt: ‘An ‘assembly’ is a intentional and temporary gathering in a private or public space for a specific purpose. It therefore includes demonstrations, inside meetings, strikes, processions, rallies or even sits-in.’Zie Report of the Special Rapporteur on the rights to freedom of peaceful assembly and of association from the United Nations, A/HRC/20/27, 21 mei 2012, p. 7.
Guidelines van de OSCE/Venetiëcommissie, OSCE/ODIHR & Venetiëcommissie 2010, p. 15, zie ook EHRM 21 juni 1988, nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärtze für das Leben’ t. Oostenrijk), alsook B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss. 2016, p. 22.
‘As a general principle, the Court nevertheless reiterates that any demonstration in a public place inevitably causes a certain level of disruption to ordinary life, including disruption of traffic, and that it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance.’ Bijv. EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 (Kudrevius t. Litouwen).
Bijv.: EHRM 25 juli 2017, nr. 31475/10 (Annenkov t. Rusland); EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taranenko t. Rusland).
‘The sole existence of a legitimate aim for an interference with the freedom of expression is not sufficient to indicate the presence of a pressing social need for such interference. The values and principles underlying Article 10 of the Convention command that the national authorities shall always be guided by ‘relevant and sufficient reasons’. Bijv. EHRM 28 maart 2013, nr. 14087/08 (Novaya Gazeta and Borodyanskiy t. Rusland), EHRM 29 juni 2004, nr. 64915/01 (Chauvy and Others t. Frankrijk) en EHRM 22 april 2010, nr. 40984/07 (Fatullayev t. Azerbeidzjan).
EHRM 18 juni 2019, nr. 74768/10 (Chernega and Others t. Oekraïne).
Vgl. EHRM 10 april 2012, nr. 34320/04 (Hakobyan and Others t. Armenië) en EHRM 2 oktober 2012, nr. 1484/07 (Kakabadze and Others t. Georgië).
EHRM 25 juli 2017, nr. 31475/10 (Annenkov and Others t. Rusland): ‘(b) When the Court carries out its own assessment, its task is not to substitute its own view for that of the relevant national authorities, but rather to review under Article 11 the decisions taken by them. This does not mean that it has to confine itself to ascertaining whether the State exercised its discretion reasonably, carefully and in good faith; it must look at the interference complained of in the light of the case as a whole and determine, after having established that it pursued a ‘legitimate aim’, the interference complained of in the light of the case as a whole and determine, after having established that it pursued a ‘legitimate aim’, whether it answered a ‘pressing social need’ and, in particular, whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were ‘relevant and sufficient’’.
‘Indeed, the adjective ‘necessary’ in Article 10 (2) implies the existence of a pressing social need, and does not have the flexibility of such expressions as ‘useful’, ‘reasonable’ or ‘desirable’ (…).’ Bijv. EHRM 6 april 2021, nr. 10783/14 (Handzhiyski t. Bulgarije).
EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
Bijv. EHRM 13 januari 2009, no. 31451/03 (Açik and Others t. Turkije).
Idem.
Bijv. EHRM 18 december 2007, nos. 32124/02 e.a. (Nurettin Aldemir and Others t. Turkije).
Bijv. EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others t. Litouwen).
B. Roorda, J.G. Brouwer, A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 115. Abusievelijk is vermeld dat de zaak Kudrevičius and Others tegen Rusland werd gevoerd.
EHRM 8 maart 2022, nr. 10613/10 (Ekrem Can and Others t. Turkije).
B. Roorda, J.G. Brouwer, A.E. Schilder, a.w., p. 115.
B. Roorda, J.G. Brouwer, A.E. Schilder, a.w., p. 116, ook: EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 (Kudrevius and Others t. Litouwen).
Guidelines van de OSCE/Venetiëcommissie, OSCE/ODIHR & Venetiëcommissie 2010, p. 15, zie ook EHRM 21 juni 1988, nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärtze für das Leben’ t. Oostenrijk), alsook B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss. 2016, p. 22.
EHRM 7 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov't. Rusland).
Uit de feitenvaststelling van dit arrest: ‘19. The demonstrations started on 19 May 2003. The farmers gathered in the designated areas. 20. On 21 May 2003 the farmers blocked and continued to demonstrate on the roads next to Divupiai village, on the Vilnius-Klaipėda highway, at the sixty-third kilometre of the Panevėžys-Pasvalys-Riga highway, and at the ninety-fourth kilometre of the Kaunas-Marijampolė-Suvalkai highway. 21. The Government pointed out that the police had not received any prior official notification of the demonstrators' intention to block the three major roads of the country. They described as follows the behaviour of the farmers and of the applicants during the demonstrations. (a) On 21 May 2003 at around 12 noon, a group of approximately 500 people walked onto the Vilnius-Klaipėda highway and remained standing there, thus stopping the traffic. (b) On 21 May 2003 at 12 noon, a group of approximately 250 people walked onto the Panevėžys-Pasvalys-Riga highway and remained standing there, thus stopping the traffic. The blockade remained in place until 12 noon on 23 May 2003. The first applicant encouraged the demonstrators to move from the car park onto the highway. (c) On 21 May 2003 at 11.50 a.m. a group of 1,500 people walked onto the Kaunas-Marijampolė-Suvalkai highway and remained standing there, thus stopping the traffic. In addition, on the same day between 3 and 4.30 p.m. the third, fourth and fifth applicants drove tractors onto the highway and left them there. The blockade remained in place until 4 p.m. on 22 May 2003.’
Zie ook bijv. EHRM 13 januari 2009, no. 31451/03 (Açik and Others t. Turkije), waarin een schending van artikel 11 EVRM werd aangenomen en de demonstranten geen gehoor hadden gegeven aan een oproep van de bevoegde autoriteiten om hun demonstratie te staken en te vertrekken.
HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7256.
Bijv. EHRM 28 oktober 2014, nr. 49327/11 (Gough t. het Verenigd Koninkrijk).
‘The privilege of the organiser to decide which location fits best for the purpose of the assembly is part of the very essence of freedom of assembly. (…) (T)he purpose of an assembly is often closely linked to a certain location and freedom of assembly includes the right of the assembly to take place within ‘sight and sound’ of its target object.’ Zie Compilation of Venice Commission Opinions Concerning Freedom of Assembly, issued by the European Commission for Democracy through Law (the Venice Commission), 1 juli 2014 (CDL-PI(2014)0003), geciteerd in EHRM 7 februari 2017, nrs. 57818/09 e.a. (Lashmankin and Others t. Rusland). Ook bijv. EHRM 8 maart 2022, nr. 10613/10 (Ekrem Can and Others t. Turkije) en EHRM 27 november 2012, nr. 58050/08 (Sáska t. Hongarije): ‘The right to freedom of assembly includes the right to choose the time, place and manner of conduct of the assembly in question, within the limits established in paragraph 2 of Article 11 (…).’
J.H. Gerards, annotatie bij EHRM 12 juni 2012, nrs. 26005/08 en 26160/08 (Tatár and Fáber t. Hongarije), EHRC 2012, 174. Zie ook B. Roorda, J.G. Brouwer, A.E. Schilder, a.w., p. 9.