HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, NJ 2022/222, m.nt. E.J. Dommering (RAI); HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742 (Shell); HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1743 (vliegtuig); HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, NJ 2025/39 m.nt. N. Rozemond (ABP).
HR, 30-09-2025, nr. 24/01580
ECLI:NL:HR:2025:1313
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2025
- Zaaknummer
24/01580
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Staatsrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1313, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:518
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:555
ECLI:NL:PHR:2025:518, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1313
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑10‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑10‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0309
NJ 2025/325 met annotatie van N. Rozemond
Uitspraak 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Medeplegen lokaalvredebreuk in hal van ministerie van Economische Zaken tijdens demonstratie (art. 139.1 Sr). Verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:126 m.b.t. optreden van autoriteiten i.v.m. strafbaar feit dat tijdens demonstratie is begaan. Bij beantwoording van vraag of beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is, kan o.m. locatie van demonstratie, in verband waarvan strafbaar feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan omstandigheid dat “private property” in geding is (vgl. EHRM nr. 44306/98 (Appleby tegen Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot wezenlijke aantasting van genot van “private property” geldt niet zonder meer “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als vreedzame, tegen overheidsbeleid gerichte, demonstratie in publieke plaats (zoals gebouw dat bij overheid in gebruik is of gebouw dat anderszins publieke functie heeft) tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM nr. 37553/05 (Kudrevicius e.a. t. Litouwen)). Als, in geval als dit, waarin verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van art. 139 Sr, rechter tot oordeel komt dat in concrete omstandigheden van geval strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee ontoelaatbare beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet rechter art. 139 Sr buiten toepassing laten en verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR:2024:1623). Hof heeft verweer verworpen en geoordeeld dat bewezenverklaard feit kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit maar dat voor deze lokaalvredebreuk geen straf of maatregel wordt opgelegd. Overwegingen van hof kunnen niet ’s hofs oordeel dragen dat (verder) politieoptreden tegen verdachte en vervolging van verdachte door OM, toelaatbare beperking van recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt. V.zv. hof zijn oordeel heeft gebaseerd op overweging dat politieoptreden tegen verdachte en vervolging van verdachte door OM “niet afdoen aan wederrechtelijkheid van gedrag van verdachte” en daarom niet tot ontslag van alle rechtsvervolging “kunnen” leiden, heeft hof miskend wat hiervoor is vooropgesteld. V.zv. hof dit niet heeft miskend, heeft hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. Nu uit ‘s hofs overwegingen geen bijkomende omstandigheden blijken die met zich brengen dat verdergaand strafrechtelijk optreden was geboden, is verweer dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM, ontoereikend gemotiveerd verworpen. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01578, 24/01579, 24/01581, 24/01582, 24/01583, 24/01584 en 24/01632. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01580
Datum 30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 april 2024, nummer 22-002996-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W.H. Jebbink bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Het cassatiemiddel is schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 20 oktober 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten de hal van het Ministerie van Economische Zaken wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“47. De aanhoudingen, vervolgingen en berechtingen kunnen niet ‘necessary in a democratic society’ worden geoordeeld. In het licht van de Straatsburgse rechtspraak was dit niet legitiem.
48. De strafrechtelijke vervolging van cliënten is niet ‘necessary in a democratic society’ te oordelen. Dat geldt tot slot ook voor een strafrechtelijke sanctionering.
49. De actie op 20 oktober 2020 was volstrekt vreedzaam en van relatief korte duur. De demonstranten hebben geen geweld gebruikt, geen schade veroorzaakt en ook de aanhoudingen verliepen zonder problemen. Er is geen of slechts een geringe inbreuk gemaakt op de rechten van het ministerie van EZK en de aldaar werkzame personen. Cliënten hadden beslist niet de intentie tot ernstige verstoring van de openbare orde. Een ‘kwade’ intentie ontbrak evenzeer en volgt ook niet uit het dossier. Niemand werd door cliënten gehinderd. Van een blokkade was geen sprake en evenmin zijn medewerkers van het ministerie lastiggevallen. Integendeel: ‘De groep was niet onvriendelijk en ze waren niet vervelend’ verklaart aangever namens het ministerie van EZK. Hiermee benadrukt aangever de geweldloosheid van de actie van cliënten die ochtend in de lobby van het ministerie.
50. De actie was zorgvuldig voorbereid. Cliënten hadden een woordvoerder in hun midden ( [medeverdachte 1] , destijds [medeverdachte 2] ) en ook daarmee beoogden zij de actie in goede banen te leiden. Daarnaast is van belang dat de demonstratie op 20 oktober 2020 niet het eerste en enige middel was waarmee cliënten het ministerie (in het bijzonder toenmalig minister Wiebes) ertoe hebben proberen te bewegen om actie te ondernemen tegen de klimaatcrisis.
51. Cliënten zijn vervolgens van hun vrijheid beroofd. De aanhouding, althans de daaropvolgende detentie voor de duur van enkele uren, acht de verdediging in strijd met de zonet genoemde artikelen van het EVRM en IVBPR. Voor zover het nodig zou zijn, hadden andere middelen ten dienste gestaan dan aanhouding en strafrechtelijke vervolging. Een maatregel tot het verwijderen van cliënten zou hier toereikend zijn geweest.
52. Aan cliënten is bovendien geen alternatief geboden om het protest elders voort te zetten.
53. Voor zover de actie ergernis opwekte of tijdelijk activiteiten van het ministerie heeft gehinderd of gefrustreerd, moet deze nog steeds vreedzaam worden geoordeeld, gezien de rechtspraak van het EHRM. Ook als wel schade zou zijn veroorzaakt, legt dat (zoals we op grond van de analyse van Roorda c.s. hebben gezien) geen doorslaggevend gewicht in de schaal.
54. In het licht van de rechtspraak van het EHRM kan niets anders worden vastgesteld dan dat het niet ‘necessary in a democratic society’ kan worden geoordeeld dat cliënten worden gecriminaliseerd door een schuldigverklaring (en een strafrechtelijke sanctionering).
55. Verder geldt nog dat het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft dat meetelt voor de vraag of men in aanmerking komt voor een VOG. Een veroordeling voor dit feit veroorzaakt in beginsel hierdoor al een ‘chilling effect’. Dat geldt ook als geen straf wordt opgelegd.
56. Gezien deze omstandigheden maakt de strafrechtelijke vervolging van cliënten, althans hun criminalisering, althans een aan hen opleggen van een strafrechtelijke sanctie, inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM, die niet ‘necessary in a democratic society’ kunnen worden geacht. Ook kan deze niet proportioneel worden geacht ter voorkoming van publieke wanorde of strafbare feiten of van het beschermen van de rechten van anderen.
57. Aldus verzoekt de verdediging in de specifieke omstandigheden van deze zaak artikel 139 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM. In het verlengde daarvan verzoekt de verdediging om cliënten te ontslaan van alle rechtsvervolging.”
2.2.3
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als het medeplegen van lokaalvredebreuk en het gevoerde verweer als volgt verworpen:
“Het recht om te demonstreren is, zeker in een democratische samenleving, een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat, als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, politie en justitie mogen ingrijpen. Hoe ze ingrijpen, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden. Als de politie uiteindelijk besluit dat het nodig is om een einde te maken aan het strafbare feit, mag de politie dat doen. Van het openbaar ministerie wordt verlangd dat vervolgens alle belangen zorgvuldig worden afgewogen, voordat een demonstrant ook daadwerkelijk wordt vervolgd voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd.
Het is dan aan de rechter om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel. Het kan niet zo zijn dat het enkele feit dat een demonstrant is aangehouden, opgepakt, verhoord en vervolgd, maakt dat de demonstrant moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het tenlastegelegde wetsartikel in dat geval buiten toepassing zou moeten blijven. Het enkele feit dat het strafbare feit is gepleegd, omdat iemand op die manier wilde demonstreren, maakt immers niet dat het feit opeens niet meer strafbaar zou zijn. Iets anders is of er, gelet op het demonstratierecht, naast de maatregelen van de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is om een straf of maatregel op te leggen.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 20 oktober 2020 heeft de verdachte rond 10:30 uur samen met ongeveer zes andere personen de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat aan de Bezuidenhoutseweg te Den Haag betreden. Men heeft daar gedemonstreerd onder andere door het voorlezen van een petitie waarin men aangaf het niet eens te zijn met het subsidiebeleid van het departement. De groep wilde door te demonstreren een gesprek met minister Wiebes afdwingen. Het departement had toestemming gegeven om tot 17:00 uur te demonstreren. Toen het 17:00 uur was, wilde de groep de hal niet verlaten. De inmiddels aanwezige politie heeft toen medegedeeld dat als men niet vrijwillig het pand zou verlaten, er dan door de veiligheidsadviseur van het ministerie gevorderd zou worden het pand onmiddellijk te verlaten en dat men zich schuldig zou maken aan lokaalvredebreuk als men aan deze vordering geen gehoor zou geven. Men zou dan worden aangehouden en worden overgebracht naar het politiebureau. Vervolgens heeft de veiligheidsadviseur van het ministerie de demonstranten twee maal gevorderd het pand te verlaten. De demonstranten bleven zitten. Hierop is de verdachte, samen met de andere demonstranten, om 17:10 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is hij om 21:12 uur verhoord. Om 21:45 uur is de verdachte heengezonden.
Het hof overweegt overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1742, rechtsoverwegingen 2.3.2, 2.3.3, 2.3.6 en 2.3.7) aangaande het juridisch kader als volgt.
(...)
Uit de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de demonstratie van de verdachte – gelet op de vreedzame wijze waarop deze werd gehouden – viel onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Aan de demonstranten is alle ruimte geboden om gedurende een periode van een aantal uren te demonstreren in het gebouw van het ministerie. Op enig moment – naar het hof aanneemt in verband met de sluitingstijd van het gebouw – werd de verdachte beperkt in de mogelijkheid om in het gebouw te demonstreren. Deze beperking, die zijn wettelijke grondslag vond in artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht, was van belang voor de bescherming van de rechten van anderen, te weten de ‘vrede’ in voor de openbare dienst bestemde lokalen. Naar het oordeel van het hof wordt die ‘vrede’ ernstig verstoord als de openingstijden van lokalen bestemd voor de openbare dienst zouden moeten worden aangepast aan de momenten en tijden waarop demonstranten hun rechten willen uitoefenen. Tegen deze achtergrond bezien is het hof van oordeel dat de inperking van het recht van de verdachte om na 17:00 uur door te demonstreren in het pand van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, geen ontoelaatbare inbreuk op zijn demonstratierecht vormde, nu er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond het recht op demonstratie van de verdachte te beperken. Het hof betrekt in dat oordeel dat de verdachte meermalen de gelegenheid was gegeven zelf het pand te verlaten. De verdachte had aldus de demonstratie buiten voort kunnen zetten. Daarvan werd door hem geen gebruik gemaakt. Het verblijf in het gebouw dat op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering volgde, was wederrechtelijk.
Het hof is het op zichzelf met de verdediging eens dat, omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, de politie – gelet op het demonstratierecht – er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan. Zo had de politie de verdachte na de aanhouding en uitzetting op een andere plek kunnen heenzenden, in plaats van de verdachte mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor verhoor, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte.
Dit politieoptreden noch de vervolging doen echter af aan de wederrechtelijkheid van het gedrag van de verdachte, zodat het politieoptreden en de vervolging door het openbaar ministerie, zoals hierboven reeds is overwogen, ook niet tot ontslag van rechtsvervolging kunnen leiden, zoals door de verdediging is bepleit.
Het hof zal – zoals verderop in dit arrest blijkt – bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf wel rekening houden met de door de politie toegepaste maatregelen.
Het hof verwerpt het verweer.”
2.2.4
Het hof heeft de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof heeft daartoe overwogen:
“Het hof bepaalt dat in verband met de geringe ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de demonstratie een vreedzaam karakter had. Tijdens de demonstratie is niemand gehinderd bij het in- of uitgaan van de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat. Evenmin is schade toegebracht of andere hinder veroorzaakt. Onder die omstandigheden dient een gerechtvaardigde inperking van het demonstratierecht tot een absoluut minimum beperkt te blijven. Het hof neemt hierbij – zoals eerder vermeld – tevens in aanmerking dat de politie en het openbaar ministerie, gelet op het vreedzaam en beperkte karakter van de demonstratie, hadden kunnen volstaan met minder verstrekkende maatregelen.”
2.3.1
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 139 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
- Artikel 10 EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
- Artikel 11 EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
2.3.2
Het onder meer in artikel 10 en 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en 11 lid 2 EVRM toegelaten – te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van die vrijheden vormt.
2.3.3
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) onder meer overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
2.3.4
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak onder meer overwogen:
“144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
(...)
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction – even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties – for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
2.3.5
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijk optreden als geheel – waaronder niet alleen de aanhouding en de (mogelijke) toepassing van andere vrijheidsbenemende dwangmiddelen, maar ook de (eventuele) vervolging en bestraffing – niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.6
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan onder meer de locatie van de demonstratie, in het verband waarvan het strafbare feit heeft plaatsgevonden, van belang zijn. Zo kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” in het geding is (vgl., in een enigszins andere context, EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby tegen het Verenigd Koninkrijk)). Als dat strafbare feit leidt tot een wezenlijke aantasting van het genot van “private property” geldt niet zonder meer de “degree of tolerance” die in beginsel wel in acht moet worden genomen als een vreedzame, tegen het overheidsbeleid gerichte, demonstratie in een publieke plaats – zoals een gebouw dat bij de overheid in gebruik is of een gebouw dat anderszins een publieke functie heeft – tot “a certain level of disruption to ordinary life” leidt (vgl. EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen), overweging 155).
2.3.7
Als, in een geval als dit, waarin de verdachte wordt vervolgd wegens overtreding van artikel 139 Sr, de rechter tot het oordeel komt dat in de concrete omstandigheden van het geval het strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel is en het daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betreft, moet de rechter artikel 139 Sr buiten toepassing laten en de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (vgl. HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, rechtsoverweging 2.4.3 met betrekking tot artikel 138 Sr).
2.4.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte heeft rond 10.30 uur met ongeveer zes andere personen de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat betreden en daar gedemonstreerd onder andere door het voorlezen van een petitie waarin men aangaf het niet eens te zijn met het subsidiebeleid van het departement. Met de demonstratie wilde de groep een gesprek met toenmalig minister Wiebes afdwingen. Het ministerie had toestemming gegeven om tot 17.00 uur te demonstreren. Om 17.00 uur wilde de groep niet vertrekken. Nadat de veiligheidsadviseur van het ministerie de demonstranten tweemaal tevergeefs had gevorderd het pand te verlaten, is de verdachte om 17.10 uur door de inmiddels aanwezige politie aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is hij om 21.12 uur verhoord en om 21.45 uur heengezonden.
2.4.2
Het hof heeft het verweer van de raadsvrouw verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 EVRM. Het hof heeft daaraan allereerst ten grondslag gelegd dat het beëindigen van de demonstratie op zichzelf geen ontoelaatbare inbreuk op het demonstratierecht vormde, nu aan de demonstranten alle ruimte is geboden om gedurende een aantal uren te demonstreren in het gebouw van het ministerie en deze demonstranten – nadat door de veiligheidsadviseur van het ministerie was gevorderd het gebouw te verlaten in verband met de sluitingstijd van het gebouw – geen gehoor hebben gegeven aan die vordering en er niet voor hebben gekozen om zelf het pand te verlaten om de demonstratie buiten voort te zetten. In zoverre is het oordeel van het hof toereikend gemotiveerd.
2.4.3
De overwegingen van het hof kunnen echter niet het oordeel van het hof dragen dat het (verdere) politieoptreden tegen de verdachte en de vervolging van de verdachte door het openbaar ministerie, een toelaatbare beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering vormt.
2.4.4
Voor zover het hof het onder 2.4.3 bedoelde oordeel heeft gebaseerd op de overweging dat het politieoptreden tegen de verdachte en de vervolging van de verdachte door het openbaar ministerie “niet afdoen aan de wederrechtelijkheid van het gedrag van de verdachte” en daarom niet tot ontslag van alle rechtsvervolging “kunnen” leiden, heeft het hof miskend wat onder 2.3.7 is vooropgesteld.
2.4.5
Voor zover het hof dit niet heeft miskend, heeft het hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. In dat verband overweegt de Hoge Raad het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat de demonstratie plaatsvond in de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat – een gebouw dat bij de overheid in gebruik is – om te demonstreren tegen het subsidiebeleid van de overheid en dat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, waarbij niemand is gehinderd bij het in- of uitgaan van de hal van het departement en geen schade is toegebracht of andere hinder is veroorzaakt. Het hof heeft verder geoordeeld dat een “inperking van het demonstratierecht tot een absoluut minimum” beperkt moet blijven en dat – gelet op het vreedzame en beperkte karakter van de demonstratie – de politie en het openbaar ministerie hadden kunnen volstaan met minder verstrekkende maatregelen dan de aanhouding van de verdachte, het overbrengen van de verdachte naar het politiebureau, het daar gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en het strafrechtelijk vervolgen van de verdachte. Het hof heeft zo kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het had volstaan om de verdachte – nadat deze had geweigerd om op vordering van de veiligheidsadviseur van het ministerie het gebouw te verlaten – aan te houden, eventueel gevolgd door een korte periode van vrijheidsontneming (en vrijlating op een andere locatie), en dat een verdergaand strafrechtelijk optreden, zoals dat in deze zaak plaatsvond, een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft opgeleverd die verder is gegaan dan noodzakelijk was. Nu uit de overwegingen van het hof ook geen bijkomende omstandigheden blijken die met zich brengen dat een verdergaand strafrechtelijk optreden toch was geboden, is het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met artikel 10 en 11 EVRM, ontoereikend gemotiveerd verworpen.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt in zoverre. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M. Kuijer, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.
Conclusie 13‑05‑2025
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01580
Zitting 13 mei 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 10 april 2024 (22-002996-22) door het gerechtshof Den Haag wegens “medeplegen van wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen” veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.
1.2
Deze zaak betreft één van de acht demonstratiezaken waarin ik vandaag concludeer. In al deze zaken heeft het gerechtshof Den Haag op dezelfde dag uitspraak gedaan. Het gaat in zes zaken om een demonstratie op 20 oktober 2020 in het toenmalige ministerie van Economische Zaken en Klimaat (24/01578, 24/01579, 24/01580, 24/01581, 24/01582 en 24/01583), waarvan in één zaak ook om een demonstratie op 11 juni 2019 in de Tweede Kamer (24/01578), en in twee zaken om demonstraties op 9 juli 2022 in gebouwen die in gebruik waren bij de ING Bank (24/01584 en 24/01632).
1.3
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, in de voorliggende zaak één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
1.5
Voordat ik het middel bespreek, sta ik ten behoeve van de rechtspraktijk stil bij het beslissingsmodel voor de strafrechter bij een beroep op het demonstratierecht (onder 2). Daarna bespreek ik het middel (onder 3).
2. Het beslissingsmodel voor de strafrechter bij een beroep op het demonstratierecht
2.1
In verschillende recente zaken heeft de Hoge Raad overwegingen gewijd aan het demonstratierecht in strafzaken.1.In die zaken is steeds door de verdediging met een beroep op het demonstratierecht betoogd dat de betreffende nationale strafbepaling buiten toepassing moet blijven om strijd met art. 10 en 11 EVRM te voorkomen. Op grond van art. 94 Grondwet moeten nationale wettelijke voorschriften immers buiten toepassing blijven als die toepassing onverenigbaar is met een ieder verbindende verdragsbepalingen.2.In strafzaken leidt dit dan tot ontslag van alle rechtsvervolging.
2.2
Art. 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
2.3
Art. 11 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
2.4
De Hoge Raad heeft in een arrest van 12 november 2024 overwogen:
“2.3.2 Het onder meer in artikel 10 en artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM toegelaten - te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van die vrijheden vormt.
2.3.3
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) het volgende overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
2.3.4
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak onder meer overwogen:
“144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
(...)
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction - even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties - for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
2.3.5
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden - waaronder ook de bestraffing - niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. ook HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.6
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” (privé-eigendom) in het geding is, bijvoorbeeld als in het verband van een demonstratie een strafbaar feit plaatsvindt dat het ongestoorde genot van “private property” (privé-eigendom) aantast. (Vgl. ook HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742.)”3.
2.5
Verder hebben de civiele kamer en de belastingkamer van de Hoge Raad eerder al geoordeeld dat art. 94 Grondwet de rechter slechts toestaat een nationaal wettelijk voorschrift buiten toepassing te laten als dat nodig is om strijd met een ‘een ieder verbindende’ bepaling te voorkomen. De rechter mag langs die weg niet op eigen initiatief – dus terwijl de rechtspraak van het EHRM daartoe niet verplicht – een EVRM-bepaling ruimer interpreteren dan nodig en vervolgens een nationaal wettelijk voorschrift dat daarmee in strijd komt (zoals een strafbepaling) buiten toepassing laten.4.Bij de beoordeling van een verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege strijd met het EVRM mag de rechter dus niet méér bescherming bieden dan volgens het EHRM nodig is (zoals de staat als geheel wel is toegestaan in art. 53 EVRM).5.Belangrijk is daarom dat de rechter bij de beoordeling van zo’n verweer uitgaat van de rechtspraak van het EHRM: zou volgens die rechtspraak de toepassing van het nationale wettelijke voorschrift daadwerkelijk strijd opleveren met het EVRM?
2.6
Bij die beoordeling speelt onder meer de vraag of het optreden van de staat waarmee de uitoefening van het mensenrecht wordt beperkt ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ is. Het gaat daarbij om het optreden van de staat als geheel: de rechter moet bij de beoordeling van een verweer dat strekt tot ontslag van rechtsvervolging wegens strijd met het EVRM toetsen of het optreden van de staat vanaf het eerste ingrijpen tot en met een eventuele veroordeling door de rechter in overeenstemming is met het EVRM.6.Bij de vraag of die beperking door de staat ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ is, is in het bijzonder de proportionaliteitstoets van belang: de beperking mag niet onevenredig zijn ten opzichte van het belang dat de staat daarmee wil beschermen.7.
2.7
In verschillende recente zaken – en, zoals hierna zal blijken, ook in de voorliggende zaak – heeft het hof in dat kader geoordeeld dat een lichtere maatregel mogelijk was geweest.8.Dat maakt onder de rechtspraak van het EHRM echter nog niet dat de inbreuk disproportioneel is. De vraag naar de proportionaliteit is of ook die lichtere maatregel had volstaan voor het verwezenlijken van het in de EVRM-bepaling genoemde doel dat de staat met de beperking nastreeft. Het gaat dus om de verhouding tussen middel en doel.9.Is de beperking disproportioneel, dan schrijft art. 94 Grondwet voor dat de rechter de strafbepaling buiten toepassing laat, en kan volgens het beslissingsmodel van art. 350 Sv het bewezenverklaarde niet meer onder een wettelijke strafbepaling worden gebracht. De rechter moet een verweer over het EVRM, dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging, dus in het beslissingsmodel behandelen als een kwalificatieverweer. Als zo’n verweer slaagt omdat een veroordeling in strijd is met het EVRM, kan het bewezenverklaarde niet worden gekwalificeerd omdat de strafbepaling buiten toepassing blijft (tweede vraag van art. 350 Sv). Dan is op grond van art. 352 lid 2 Sv de uitkomst in de strafzaak: ontslag van alle rechtsvervolging.10.
2.8
Voor die uitkomst is, zoals ik hiervoor al overwoog, wel vereist dat het op grond van de rechtspraak van het EHRM niet anders kan dan dat het ingrijpen van de staat (waaronder een veroordeling van de verdachte) in strijd zou zijn met het EVRM. Bij demonstratiezaken zijn in die rechtspraak de volgende lijnen te zien. Het EHRM heeft geoordeeld dat strafrechtelijke sancties tegen demonstranten in het bijzonder een rechtvaardiging behoeven en dat een vreedzame demonstratie in beginsel niet bedreigd moet worden met strafrechtelijke maatregelen.11.Dat brengt mee dat de beoordelingsruimte voor de staat in het bijzonder klein is wanneer een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd.12.Daar staat tegenover dat het EHRM veroordelingen van demonstranten in stand heeft gehouden waarbij de sanctionering lichter was. Ik wijs op een zaak waarin een geldboete van drie euro was opgelegd voor demonstreren zonder toestemming,13.een zaak waarin een geldboete van 39 euro was opgelegd voor een verboden demonstratie,14.en een zaak waarin een geldboete van 500 pond was opgelegd voor demonstreren zonder toestemming.15.Een veroordeling met een lichte sanctionering, zoals een lage geldboete, kan dus onder omstandigheden als een niet disproportionele beperking door de staat worden beschouwd. Belangrijk daarbij is wel dat de beperking niet is gericht op de – voor de overheid onwelgevallige – inhoud van de demonstratie. Is dat wel zo, dan toetst het EHRM juist streng. Daarom was een geldboete van 25 euro wel disproportioneel in een zaak waarin de beperking de kern van het demonstratierecht raakte, namelijk de mogelijkheid vreedzame uitingen in het publieke debat te doen.16.Wordt die kern niet geraakt, dan hoeft een lichte sanctionering van een bij de demonstratie begaan strafbaar feit geen “chilling effect” op het demonstratierecht te hebben.17.
2.9
De slotsom is dus dat de rechter – en de verdediging bij de motivering van een standpunt daartoe – goed moet nagaan of het op grond van de rechtspraak van het EHRM niet anders kan dan dat het ingrijpen van de staat (waaronder een eventuele veroordeling van de verdachte) in strijd is met het EVRM. Als dat niet zo is, dan moet de rechter het verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens strijd met het EVRM verwerpen en blijft de strafbepaling van toepassing. In dat geval resteert voor de rechter volgens het beslissingsmodel van art. 350 Sv nog wel de vraag naar de strafoplegging. De jurisprudentie van het EHRM staat niet zonder meer in de weg aan de oplegging van een lage geldboete.
2.10
Tot slot wijs ik erop dat twee annotaties in de Nederlandse Jurisprudentie de vraag oproepen waarom de Hoge Raad er in zijn jurisprudentie van uitgaat dat het demonstratierecht ook van toepassing is op demonstraties in of op privé-eigendom (“private property”).18.In deze annotaties wordt gewezen op de uitspraak van het EHRM in de zaak-Appleby.19.Die zaak ging over een particulier winkelcentrum dat tevens de functie van buurtcentrum vervulde. Buurtbewoners wilden in het winkelcentrum campagne voeren tegen lokale bouwplannen, maar dat werd door de eigenaar geweigerd. De buurtbewoners klaagden dat het Verenigd Koninkrijk hun vrijheid van meningsuiting en demonstratierecht had geschonden, omdat het geen actie had ondernomen tegenover de eigenaar om hun rechten te beschermen (een positieve verplichting). Daarin ging het EHRM niet mee. Ik meen dat uit die uitspraak niet volgt dat demonstraties in of op privé-eigendom geen bescherming genieten: het EHRM heeft juist onderzocht welke positieve verplichtingen uit art. 10 en 11 EVRM voortvloeien. Ik lees de uitspraak dus niet zo dat gedragingen op of in privé-eigendom buiten de reikwijdte van art. 10 en 11 EVRM vallen, maar dat beperkingen daar eerder zijn toegestaan en dat positieve verplichtingen minder snel worden aangenomen. Dat is in lijn met het hiervoor geschetste juridische kader van de Hoge Raad, waarin staat dat bij de beoordeling van beperkingen van het demonstratierecht – dus: binnen de reikwijdte ervan – “mede betekenis [kan] toekomen aan de omstandigheid dat “private property” (privé-eigendom) in het geding is”. Ik wijs in dat kader verder op zaken waarin het EHRM art. 10 en 11 EVRM toepaste op meningsuitingen en demonstraties in een kerk,20.een particuliere markt,21.en een universiteit,22.en op vaste rechtspraak dat de demonstratievrijheid ook de vrijheid inhoudt de tijd en plaats van een demonstratie te kiezen.23.Mij lijkt daarom juist dat de feitenrechter ook in dit soort zaken uitgaat van het demonstratierecht en inhoudelijk beoordeelt of een beperking van het demonstratierecht is toegestaan.
3. Het middel
3.1
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 20 oktober 2020 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten de hal van het Ministerie van Economische Zaken, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd”.
3.3
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘lokaalvredebreuk’. Het heeft over de strafbaarheid van het feit overwogen:
“De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanhouding, strafrechtelijke vervolging en berechting van de verdachte een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op de artikelen 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en 10 en 11 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Genoemde beperkende maatregelen zijn namelijk niet ‘necessary in a democratic society’. Bovendien voldoet een strafrechtelijke vervolging niet aan de eisen van proportionaliteit. Dit heeft tot gevolg dat artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met de artikelen 19 en 21 IVBPR en 10 en 11 EVRM. Verzocht wordt de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt als volgt.
Het recht om te demonstreren is, zeker in een democratische samenleving, een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat, als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, politie en justitie mogen ingrijpen. Hoe ze ingrijpen, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden. Als de politie uiteindelijk besluit dat het nodig is om een einde te maken aan het strafbare feit, mag de politie dat doen. Van het openbaar ministerie wordt verlangd dat vervolgens alle belangen zorgvuldig worden afgewogen, voordat een demonstrant ook daadwerkelijk wordt vervolgd voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd.
Het is dan aan de rechter om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel. Het kan niet zo zijn dat het enkele feit dat een demonstrant is aangehouden, opgepakt, verhoord en vervolgd, maakt dat de demonstrant moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het tenlastegelegde wetsartikel in dat geval buiten toepassing zou moeten blijven. Het enkele feit dat het strafbare feit is gepleegd, omdat iemand op die manier wilde demonstreren, maakt immers niet dat het feit opeens niet meer strafbaar zou zijn. Iets anders is of er, gelet op het demonstratierecht, naast de maatregelen van de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is om een straf of maatregel op te leggen.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 20 oktober 2020 heeft de verdachte rond 10:30 uur samen met ongeveer zes andere personen de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat aan de Bezuidenhoutseweg te Den Haag betreden. Men heeft daar gedemonstreerd onder andere door het voorlezen van een petitie waarin men aangaf het niet eens te zijn met het subsidiebeleid van het departement. De groep wilde door te demonstreren een gesprek met minister Wiebes afdwingen. Het departement had toestemming gegeven om tot 17:00 uur te demonstreren. Toen het 17:00 uur was, wilde de groep de hal niet verlaten. De inmiddels aanwezige politie heeft toen medegedeeld dat als men niet vrijwillig het pand zou verlaten, er dan door de veiligheidsadviseur van het ministerie gevorderd zou worden het pand onmiddellijk te verlaten en dat men zich schuldig zou maken aan lokaalvredebreuk als men aan deze vordering geen gehoor zou geven. Men zou dan worden aangehouden en worden overgebracht naar het politiebureau. Vervolgens heeft de veiligheidsadviseur van het ministerie de demonstranten twee maal gevorderd het pand te verlaten. De demonstranten bleven zitten. Hierop is de verdachte, samen met de andere demonstranten, om 17:10 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is hij om 21:12 uur verhoord. Om 21:45 uur is de verdachte heengezonden.
Het hof overweegt overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1742, rechtsoverwegingen 2.3.2, 2.3.3, 2.3.6 en 2.3.7) aangaande het juridisch kader als volgt.
“2.3.2
Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving en gelden als “the foundations of such a society”. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen), alsmede het recht omvat om – binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen. (…)
2.3.3
Artikel 11 EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM. (…)
2.3.6
Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van “disruption to ordinary life” met zich kan brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt – ongeacht de aard van en de vorm waarin dat optreden plaatsvindt en, ongeacht de vraag of dit optreden tot een sanctie leidt – tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt immers dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een “reprehensible act” pleegt tijdens de demonstratie. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.7
De vraag of en wanneer sprake is van zo’n “reprehensible act” (laakbare gedraging), laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.”
Uit de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de demonstratie van de verdachte – gelet op de vreedzame wijze waarop deze werd gehouden – viel onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Aan de demonstranten is alle ruimte geboden om gedurende een periode van een aantal uren te demonstreren in het gebouw van het ministerie. Op enig moment – naar het hof aanneemt in verband met de sluitingstijd van het gebouw – werd de verdachte beperkt in de mogelijkheid om in het gebouw te demonstreren. Deze beperking, die zijn wettelijke grondslag vond in artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht, was van belang voor de bescherming van de rechten van anderen, te weten de ‘vrede’ in voor de openbare dienst bestemde lokalen. Naar het oordeel van het hof wordt die ‘vrede’ ernstig verstoord als de openingstijden van lokalen bestemd voor de openbare dienst zouden moeten worden aangepast aan de momenten en tijden waarop demonstranten hun rechten willen uitoefenen. Tegen deze achtergrond bezien is het hof van oordeel dat de inperking van het recht van de verdachte om na 17:00 uur door te demonstreren in het pand van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, geen ontoelaatbare inbreuk op zijn demonstratierecht vormde, nu er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond het recht op demonstratie van de verdachte te beperken. Het hof betrekt in dat oordeel dat de verdachte meermalen de gelegenheid was gegeven zelf het pand te verlaten. De verdachte had aldus de demonstratie buiten voort kunnen zetten. Daarvan werd door hem geen gebruik gemaakt. Het verblijf in het gebouw dat op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering volgde, was wederrechtelijk.
Het hof is het op zichzelf met de verdediging eens dat, omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, de politie – gelet op het demonstratierecht – er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan. Zo had de politie de verdachte na de aanhouding en uitzetting op een andere plek kunnen heenzenden, in plaats van de verdachte mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor verhoor, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte.
Dit politieoptreden noch de vervolging doen echter af aan de wederrechtelijkheid van het gedrag van de verdachte, zodat het politieoptreden en de vervolging door het openbaar ministerie, zoals hierboven reeds is overwogen, ook niet tot ontslag van rechtsvervolging kunnen leiden, zoals door de verdediging is bepleit. Met hof zal – zoals verderop in dit arrest blijkt – bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf wel rekening houden met de door de politie toegepaste maatregelen.
Het hof verwerpt het verweer.”
3.4
Het hof heeft geen straf of maatregel opgelegd. Het heeft daartoe overwogen:
“Het hof bepaalt dat in verband met de geringe ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de demonstratie een vreedzaam karakter had. Tijdens de demonstratie is niemand gehinderd bij het in- of uitgaan van de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat. Evenmin is schade toegebracht of andere hinder veroorzaakt. Onder die omstandigheden dient een gerechtvaardigde inperking van het demonstratierecht tot een absoluut minimum beperkt te blijven. Het hof neemt hierbij – zoals eerder vermeld – tevens in aanmerking dat de politie en het openbaar ministerie, gelet op het vreedzaam en beperkte karakter van de demonstratie, hadden kunnen volstaan met minder verstrekkende maatregelen.”
3.5
De steller van het middel klaagt ten eerste over het oordeel van het hof dat de op art. 139 Sr gebaseerde beperking van het demonstratierecht een in art. 10 lid 2 EVRM en art. 11 lid 2 EVRM genoemd belang diende. Aangevoerd wordt dat:
(i) art. 139 Sr de openbare orde dient en niet ‘de rechten van anderen’ zoals het eigendomsrecht,
(ii) het door art. 139 Sr beschermde belang (‘openbare orde’) niet zonder meer wordt ingevuld door het in art. 11 lid 2 EVRM genoemde belang van ‘het voorkomen van wanordelijkheden’ omdat dit laatste een beperktere betekenis heeft en
(iii) het hof niet heeft vastgesteld en uit de bewijsvoering niet volgt dat de demonstratie heeft geleid tot wanordelijkheden.
3.6
Art. 139 lid 1 Sr is opgenomen in Titel V van Boek 2 (“Misdrijven tegen de openbare orde”) van het Wetboek van Strafrecht en luidt:
“Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
3.7
Het hof heeft in zijn overwegingen over de strafbaarheid van het feit geoordeeld dat de beperking van de mogelijkheid om in het gebouw van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat te demonstreren een wettelijke grondslag vindt in art. 139 Sr en van belang was “voor de bescherming van de rechten van anderen, te weten de ‘vrede’ in voor de openbare dienst bestemde lokalen”, omdat “die ‘vrede’ ernstig [wordt] verstoord als de openingstijden van lokalen bestemd voor de openbare dienst zouden moeten worden aangepast aan de momenten en tijden waarop demonstranten hun rechten willen uitoefenen”.
3.8
Het oordeel van het hof is deels onjuist omdat onder ‘de rechten van anderen’ niet het eigendomsrecht van de staat zelf valt (zoals het ongestoord genot van overheidsgebouwen), zodat de beperking niet dat doel kan dienen.25.Daar staat echter tegenover dat de beperking onmiskenbaar het doel dient van ‘het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten’, waaronder het beschermen van “de ‘vrede’ in voor de openbare dienst bestemde lokalen” kan vallen, zoals het hof heeft overwogen. De Hoge Raad kan de overweging van het hof op dit punt verbeterd lezen. De onder (i) en (ii) genoemde argumenten lijken te veronderstellen dat de beperkingsgronden van het EVRM geen autonome betekenis hebben en afhankelijk zijn van het doel en de rubricering van de strafbepaling naar nationaal recht. Dat is evenwel onjuist.26.Het onder (iii) genoemde argument gaat ook niet op, omdat het in art. 11 lid 2 EVRM genoemde doel luidt “het voorkomen van wanordelijkheden” en er dus geen wanordelijkheden hoeven te zijn geweest. De verwerping van het gevoerde verweer hoeft ook niet uit de bewijsvoering te volgen.
3.9
De steller van het middel klaagt ten tweede over het oordeel van het hof dat de ten aanzien van de verdachte toegepaste strafrechtelijke maatregelen (aanhouding, ophouding voor onderzoek, vervolging en veroordeling) ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ zijn zoals bedoeld in onder meer art. 11 lid 2 EVRM. Het hof heeft overwogen dat het hof het “op zichzelf met de verdediging eens [is] dat, omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, de politie […] er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen” en dat “de politie de verdachte na de aanhouding en uitzetting op een andere plek [had] kunnen heenzenden”. In die overwegingen zou besloten liggen dat het hof de aanhouding van de verdachte onnodig vond en dat had kunnen worden volstaan met minder ver gaande beperkingen. Daarom zou het oordeel van het hof dat het overheidsoptreden (waaronder de aanhouding, het ophouden voor onderzoek en de strafrechtelijke vervolging van de verdachte) ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ was, niet zonder meer begrijpelijk zijn.
3.10
Het hof heeft vooropgesteld dat het “niet zo [kan] zijn dat het enkele feit dat een demonstrant is aangehouden, opgepakt, verhoord en vervolgd, maakt dat de demonstrant moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het tenlastegelegde wetsartikel in dat geval buiten toepassing zou moeten blijven”. Het hof heeft verder vooropgesteld dat “[het] enkele feit dat het strafbare feit is gepleegd, omdat iemand op die manier wilde demonstreren, […] niet [maakt] dat het feit opeens niet meer strafbaar zou zijn”. Daarnaast heeft het hof overwogen dat het politieoptreden en de vervolging in de voorliggende zaak niet afdoen aan de wederrechtelijkheid van het gedrag van de verdachte.
3.11
Naar mijn oordeel heeft het hof hiermee tot uitdrukking willen brengen dat het strafrechtelijke optreden van de politie en het openbaar ministerie in deze zaak niet disproportioneel is geweest en dat daarmee ook een veroordeling niet disproportioneel hoeft te zijn. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat het optreden van de politie en het openbaar ministerie tegen de verdachte van korte duur is geweest, geen verband houdt met de inhoud van de demonstratie en uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat in dit soort zaken ook een veroordeling met een kleine sanctie niet disproportioneel hoeft te zijn. Daaraan doet niet af dat het hof heeft overwogen dat het “het op zichzelf met de verdediging eens [is] dat, omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, de politie – gelet op het demonstratierecht – er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen” en dat “de politie de verdachte na de aanhouding en uitzetting op een andere plek [had] kunnen heenzenden, in plaats van de verdachte mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor verhoor, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte”. Daaruit volgt immers niet dat er disproportionaliteit ten opzichte van het doel van de beperking is geweest.
3.12
De zaak verschilt op dit punt van de zaak van 12 november 2024 waarin de Hoge Raad de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging.27.In die zaak had het hof uitdrukkelijk vastgesteld dat de beperking van het demonstratierecht disproportioneel was, en stond in cassatie slechts ter discussie dat het hof daaraan niet (in het voordeel van de verdachte) het gevolg van ontslag van alle rechtsvervolging had verbonden. De Hoge Raad deed dat vervolgens zelf. In de voorliggende zaak is de feitelijke beoordeling door het hof anders. Het hof heeft het verweer van de verdediging wat mij betreft in lijn met de rechtspraak van het EHRM en op niet onbegrijpelijke wijze verworpen.
3.13
Tot slot wordt in de schriftuur voorgesteld prejudiciële vragen met betrekking tot het Verdrag van Aarhus te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Kort gezegd, is de redenering dat de staat door het treffen van strafrechtelijke maatregelen tegen de verdachte zou handelen binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie, zodat op grond van art. 51 lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan worden getoetst aan de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht van art. 11 en 12 van het Handvest. Ik merk echter op dat ter terechtzitting in hoger beroep geen beroep op het recht van de Europese Unie is gedaan en dat het hof er daarom bij de verwerping van hetgeen door de verdediging is aangevoerd ook niets over heeft overwogen. De voorgestelde prejudiciële vragen zijn daarom niet van belang voor de beoordeling van het middel dat klaagt over die verwerping, zodat de eis dat die vragen worden gesteld niet voor inwilliging in aanmerking komt.28.
4. Slotsom
4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑05‑2025
HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, NJ 2025/39 m.nt. N. Rozemond. Zie ook mijn daaraan voorafgaande conclusie van 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:769.
HR 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3598, NJ 2002/278 m.nt. J. de Boer, r.o. 3.9; HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1211, r.o. 3.3.1; HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2888, NJ 2017/132 m.nt. E.A. Alkema, r.o. 3.3.3.
Zie het citaat van de Hoge Raad hierboven, r.o. 2.3.3.
Het moet daarbij steeds gaan om een van de belangen die in de EVRM-bepaling zijn opgesomd.
Zie bijvoorbeeld ook HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, NJ 2025/39 m.nt. N. Rozemond, r.o. 2.2.3.
EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 37553/05, par. 144 (Kudrevičius en anderen/Litouwen).
Zie mijn conclusie van 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:769, onder 17. Daar verwees ik naar HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750, NJ 2009/379, m.nt. E.J. Dommering (Reisbureau Rita) en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:220, NJ 2017/259, m.nt. E.J. Dommering (Mein Kampf). Inmiddels kan ook worden verwezen naar HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, NJ 2025/39 m.nt. N. Rozemond.
EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 37553/05, par. 146 (Kudrevičius en anderen/Litouwen).
EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05, par. 87 (Taranenko/Rusland).
EHRM 4 mei 2004, nr. 61821/00 (Ziliberberg/Moldavië).
EHRM 2 april 2024, nr. 9987/14 (Boronenkov/Oekraïne).
EHRM 17 november 2009, nrs. 26/258/07 en 26255/07 (Rai en Evans/Verenigd Koninkrijk).
EHRM (GK) 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a., par. 133 (Navalnyy/Rusland).
Vgl. EHRM 2 april 2024, nr. 9987/14, par. 21 (Boronenkov/Oekraïne).
E.J. Dommering in NJ 2022/222, onder 6-7 en N. Rozemond in NJ 2025/39, onder 2-3.
EHRM 6 juni 2003, nr. 44306/98, NJ 2010/207 m.nt. E.J. Dommering (Appleby en anderen/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse/Frankrijk).
EHRM 25 juli 2017, nr. 31475/10 (Annenkov en anderen/Rusland).
EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia en anderen/Georgië).
EHRM 7 februari 2017, nr. 57818/09 e.a., par. 405 (Lashmankin en anderen/Rusland).
In de toelichting op het middel komt art. 10 EVRM niet terug. Dat maakt voor de beoordeling van het middel niet uit, omdat uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat het overheidsoptreden tegen demonstraties wordt getoetst aan art. 11 EVRM, dat in dat geval een lex specialis is van art. 10 EVRM. Zie EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 37553/05, par. 85-86 (Kudrevičius en anderen/Litouwen) en EHRM (GK) 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a., par. 101-102 (Navalnyy/Rusland).
Verdragsbepalingen hebben autonome betekenis los van het nationale recht. De regels voor interpretatie van verdragsbepalingen staan in art. 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Trb. 1985, 79).
HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1623, NJ 2025/39 m.nt. N. Rozemond.
Beroepschrift 18‑10‑2024
SCHRIFTUUR (AANVULLING)
In de zaak tegen
verzoeker | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1975 |
adres | [adres] |
postcode/plaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Den Haag |
datum uitspraak | 10 april 2024 |
parketnummer | 22-002996-22 |
Aanvullende toelichting op het middel in de cassatieschriftuur van 4 november 2024
1.
's Hofs oordeel, dat na een vervolgingsbeslissing ‘voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd’ van het openbaar ministerie het aan de rechter is om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel, getuigt van een onjuiste, want te beperkte, rechtsopvatting.
2.
Dit oordeel impliceert dat de rechter een vervolgingsbeslissing die een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 en/of 11 EVRM vormt dan wel overige genomen strafrechtelijke maatregelen die zo'n inbreuk vormen, slechts kan verwerken in de straftoemetingsbeslissing. Uw Raad heeft geoordeeld dat dergelijke omstandigheden ook kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM dan wel tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte (vgl. bijv. HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633 en HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1639), terwijl deze volgens de verdediging onder bepaalde omstandigheden ook tot vrijspraak kunnen leiden (vgl. HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5352).
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 18 november 2024,
W.H. Jebbink
Beroepschrift 04‑10‑2024
SCHRIFTUUR, HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoeker | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1975 |
adres | [adres] |
postcode/plaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof Den Haag |
datum uitspraak | 10 april 2024 |
parketnummer | 22-002996-22 |
Middel
Het recht (waaronder de artikel 19 en 21 IVBPR, artikel 10 en 11 EVRM en artikel 11 en 12 Handvest van de grondrechten van de EU) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het hof op onjuiste, althans onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde gronden heeft geoordeeld dat verzoekers verblijf in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was en/of dat artikel 139 Sr niet buiten toepassing blijft wegens strijd met de artikelen 19 en/of 21 IVBRP en/of 10 en/of 11 EVRM en/of 11 en/of 12 Handvest van de grondrechten van de EU en/of doordat het hof het tenlastegelegde feit heeft gekwalificeerd als het misdrijf van artikel 139 Sr en/of heeft verworpen het verweer dat verzoeker dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat een schuldigverklaring en/of een veroordeling niet ‘necessary in a democratic society’ zoals bedoeld in artikel 21 IVBPR en/of artikel 11 EVRM kan worden geoordeeld.
Toelichting
1.
Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat hij
‘op 20 oktober 2020 te 's‑Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten de hal van het Ministerie van Economische Zaken, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.’
2.
Verzoekers raadsvrouw mr. J. van Lunen heeft volgens haar in hoger beroep overgelegde pleitnota betoogd dat verzoeker dient te worden ontslagen van rechtsvervolging, omdat een strafrechtelijke veroordeling een ontoelaatbare inbreuk maakt op de artikelen 10 en 11 EVRM. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de tenlastegelegde gedraging onder de bescherming van deze verdragsbepalingen valt, nu deze is begaan door verzoeker als deelnemer aan een vreedzame klimaatdemonstratie in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. De raadsvrouw heeft daartoe een uitvoerig juridisch kader geschetst en vervolgens aangevoerd:
- ‘47.
De aanhoudingen, vervolgingen en berechtingen kunnen niet ‘necessary in a democratic society’ worden geoordeeld. In het licht van de Straatsburgse rechtspraak was dit niet legitiem.
- 48.
De strafrechtelijke vervolging van cliënten is niet ‘necessary in a democratic society’ te oordelen. Dat geldt tot slot ook voor een strafrechtelijke sanctionering.
- 49.
De actie op 20 oktober 2020 was volstrekt vreedzaam en van relatief korte duur: De demonstranten hebben geen geweld gebruikt, geen schade veroorzaakt en ook de aanhoudingen verliepen zonder problemen. Er is geen of slechts een geringe inbreuk gemaakt op de rechten van het ministerie van EZK en de aldaar werkzame personen. Cliënten hadden beslist niet de intentie tot ernstige verstoring van de openbare orde. Een ‘kwade’ intentie ontbrak evenzeer en volgt ook niet uit het dossier. Niemand werd door cliënten gehinderd. Van een blokkade was geen sprake en evenmin zijn medewerkers van het ministerie lastiggevallen. Integendeel:
‘De groep was niet onvriendelijk en ze waren niet vervelend’
[voetnoot 48: p. 7 van het procesdossier] verklaart aangever namens het ministerie van EZK. Hiermee benadrukt aangever de geweldloosheid van de actie van cliënten die ochtend in de lobby van het ministerie.
- 50.
De actie was zorgvuldig voorbereid. Cliënten hadden een woordvoerder in hun midden ([medeverdachte 1], destijds [medeverdachte 2]) en ook daarmee beoogden zij de actie in goede banen te leiden. Daarnaast is van belang dat de demonstratie op 20 oktober 2020 niet het eerste en enige middel was waarmee cliënten het ministerie (in het bijzonder toenmalig minister [minister EZK]) ertoe hebben proberen te bewegen om actie te ondernemen tegen de klimaatcrisis.
- 51.
Cliënten zijn vervolgens van hun vrijheid beroofd. De aanhouding, althans de daaropvolgende detentie voor de duur van enkele uren, acht de verdediging in strijd met de zonet genoemde artikelen van het EVRM en IVBPR. Voor zover het nodig zou zijn, hadden andere middelen ten dienste gestaan dan aanhouding en strafrechtelijke vervolging. Een maatregel tot het verwijderen van cliënten zou hier toereikend zijn geweest.
(…)
- 53.
Voor zover de actie ergernis opwekten of tijdelijk activiteiten van het ministerie heeft gehinderd of gefrustreerd, moet deze nog steeds vreedzaam worden geoordeeld, gezien de rechtspraak van het EHRM. Ook als wel schade zou zijn veroorzaakt, legt dat (zoals we op grond van de analyse van Roorda c.s. hebben gezien) geen doorslaggevend gewicht in de schaal.
- 54.
In het licht van de rechtspraak van het EHRM kan niets anders worden vastgesteld dan dat het niet ‘necessary in a democratic society’ kan worden geoordeeld dat cliënten worden gecriminaliseerd door een schuldigverklaring (en een strafrechtelijke sanctionering).
- 55.
Verder geldt nog dat het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft dat meetelt voor de vraag of men in aanmerking komt voor een VOG. Een veroordeling voor dit feit veroorzaakt in beginsel hierdoor al een ‘chilling effect’. Dat geldt ook als geen straf wordt opgelegd.
- 56.
Gezien deze omstandigheden maakt de strafrechtelijke vervolging van cliënten, althans hun criminalisering, althans een aan hen opleggen van een strafrechtelijke sanctie, inbreuk op de artikelen 10 en 11 EVRM, die niet ‘necessary in a democratic society’ kunnen worden geacht. Ook kan deze niet proportioneel worden geacht ter voorkoming van publieke wanorde of strafbare feiten of van het beschermen van de rechten van anderen.
- 57.
Aldus verzoekt de verdediging in de specifieke omstandigheden van deze zaak artikel 139 Sr buiten toepassing te laten wegens strijd met de artikelen 10 en 11 EVRM. In het verlengde daarvan verzoekt de verdediging om cliënten te ontslaan van alle rechtsvervolging.’
3.
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:
‘De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanhouding, strafrechtelijke vervolging en berechting van de verdachte een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op de artikelen 19 en 21 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en 10 en 11 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens on de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Genoemde beperkende maatregelen zijn namelijk niet ‘necessary in a democratic society’. Bovendien voldoet een strafrechtelijke vervolging niet aan de eisen van proportionaliteit. Dit heeft tot gevolg dat artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met de artikelen 19 en 21 IVBPR en 10 en 11 EVRM. Verzocht wordt de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt als volgt.
Het recht om te demonstreren is, zeker in een democratische samenleving, een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat, als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, politie en justitie mogen ingrijpen. Hoe ze ingrijpen, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden. Als de politie uiteindelijk besluit dat het nodig is om een einde te maken aan het strafbare feit, mag de politie dat doen. Van het openbaar ministerie wordt verlangd dat vervolgens alle belangen zorgvuldig worden afgewogen, voordat een demonstrant ook daadwerkelijk wordt vervolgd voor het strafbare feit dat tijdens het demonstreren is gepleegd.
Het is dan aan de rechter om bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken of er naast het ingrijpen door de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is voor het opleggen van een straf of maatregel. Het kan niet zo zijn dat het enkele feit dat een demonstrant is aangehouden, opgepakt, verhoord en vervolgd, maakt dat de demonstrant moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het tenlastegelegde wetsartikel in dat geval buiten toepassing zou moeten blijven. Het enkele feit dat het strafbare feit is gepleegd, omdat iemand op die manier wilde demonstreren, maakt immers niet dat het feit opeens niet meer strafbaar zou zijn. Iets anders is of er, gelet op het demonstratierecht, naast de maatregelen van de politie en het openbaar ministerie nog ruimte is om een straf of maatregel op te leggen.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 20 oktober 2020 heeft de verdachte rond 10:30 uur samen met ongeveer zes andere personen de hal van het departement van Economische Zaken en Klimaat aan de Bezuidenhoutseweg te Den Haag betreden. Men heeft daar gedemonstreerd onder andere door het voorlezen van een petitie waarin men aangaf het niet eens te zijn met het subsidiebeleid van het departement. De groep wilde door te demonstreren een gesprek met minister [minister EZK] afdwingen. Het departement had toestemming gegeven om tot 17:00 uur te demonstreren. Toen het 17:00 uur was, wilde de groep de hal niet verlaten. De inmiddels aanwezige politie heeft toen medegedeeld dat als men niet vrijwillig het pand zou verlaten, er dan door de veiligheidsadviseur van het ministerie gevorderd zou worden het pand onmiddellijk te verlaten en dat men zich schuldig zou maken aan lokaalvredebreuk als men aan deze vordering geen gehoor zou geven. Men zou dan worden aangehouden en worden overgebracht naar het politiebureau. Vervolgens heeft de veiligheidsadviseur van het ministerie de demonstranten twee maal gevorderd het pand te verlaten. De demonstranten bleven zitten. Hierop is de verdachte, samen met de andere demonstranten, om 17:10 uur aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Daar is hij om 21:12 uur verhoord. Om 21:45 uur is de verdachte heengezonden.
Het hof overweegt overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1742, rechtsoverwegingen 2.3.2, 2.3.3, 2.3.6 en 2.3.7) aangaande het juridisch kader als volgt.
‘2.3.2
Het onder meer in artikel 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en het onder meer in artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van vergadering zijn fundamentele rechten in een democratische samenleving en gelden als ‘the foundations of such a society’. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen. Uit de rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHPM) kan worden afgeleid dat artikel 11 EVRM betrekking heeft op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen), alsmede het recht omvat om — binnen de door lid 2 van die bepaling gestelde grenzen — tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen. (…)
2.3.3
Artikel 11 EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 EVRM. (…)
2.3.6
Uitgangspunt in de rechtspraak van het EHRM is dat elke demonstratie een zekere mate van ‘disruption to ordinary life’ met zich kan brengen. Zo'n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen van het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent echter niet dat elk strafrechtelijk optreden naar aanleiding van de verdenking van een strafbaar feit dat in relatie tot een demonstratie plaatsvindt — ongeacht de aard van en de vorm waarin dat optreden plaatsvindt en, ongeacht de vraag of dit optreden tot een sanctie leidt — tot een schending van artikel 10 en/of 11 EVRM leidt. Uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt immers dat het recht op vrijheid van vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een ‘reprehensible act’ pleegt tijdens de demonstratie. (Vgl. HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
De vraag of en wanneer sprake is van zo'n ‘reprehensible act’ (laakbare gedraging), laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.’
Uit de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de demonstratie van de verdachte — gelet op de vreedzame wijze waarop deze werd gehouden — viel onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM. Aan de demonstranten is alle ruimte geboden om gedurende een periode van een aantal uren te demonstreren in het gebouw van het ministerie. Op enig moment — naar het hof aanneemt in verband met de sluitingstijd van het gebouw — werd de verdachte beperkt in de mogelijkheid om in het gebouw te demonstreren. Deze beperking, die zijn wettelijke grondslag vond in artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht, was van belang voor de bescherming van de rechten van anderen, te weten de ‘vrede’ in voor de openbare dienst bestemde lokalen. Naar het oordeel van het hof wordt die ‘vrede’ ernstig verstoord als de openingstijden van lokalen bestemd voor de openbare dienst zouden moeten worden aangepast aan de momenten en tijden waarop demonstranten hun rechten willen uitoefenen. Tegen deze achtergrond bezien is het hof van oordeel dat de inperking van het recht van de verdachte om na 17:00 uur door te demonstreren in het pand van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, geen ontoelaatbare inbreuk op zijn demonstratierecht vormde, nu er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond het recht op demonstratie van de verdachte te beperken. Het hof betrekt in dat oordeel dat de verdachte meermalen de gelegenheid was gegeven zelf het pand te verlaten. De verdachte had aldus de demonstratie buiten voort kunnen zetten. Daarvan werd door hem geen gebruik gemaakt. Het verblijf in het gebouw dat op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering volgde, was wederrechtelijk.
Het hof is het op zichzelf met de verdediging eens dat, omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had, de politie — gelet op het demonstratierecht — er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan. Zo had de politie de verdachte na de aanhouding en uitzetting op een andere plek kunnen heenzenden, in plaats van de verdachte mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor verhoor, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte.
Dit politieoptreden noch de vervolging doen echter af aan de wederrechtelijkheid van het gedrag van de verdachte, zodat het politieoptreden en de vervolging door het openbaar ministerie, zoals hierboven reeds is overwogen, ook niet tot ontslag van rechtsvervolging kunnen leiden, zoals door de verdediging is bepleit.’
Juridisch kader
4.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM blijkt dat klachten over toepassing van (strafrechtelijke) overheidsmaatregelen in de context van een demonstratie worden getoetst aan de vrijheid van vreedzame vergadering (artikel 11 EVRM). De reikwijdte van dit recht wordt door het EHRM ruim uitgelegd. Daaronder vallen onder meer allerlei vormen van demonstraties. Uw Raad heeft in dit verband gewezen op onder meer blokkades, bezettingen en — zoals in de voorliggende zaak — sit-ins.1.
5.
Wanneer sprake is van een beperking van het vergaderingsrecht, moet volgens artikel 11 lid 2 EVRM worden getoetst of die beperking (i) een grondslag in het recht heeft, (ii) een van de in lid 2 genoemde doelen dient en (iii) noodzakelijk in een democratische samenleving is.
6.
De vraag, welke vormen van overheidsoptreden als ‘beperkingen’ van het vergaderingsrecht in de zin van artikel 11 lid 2 EVRM moeten worden gezien, wordt door het EHRM ruim beantwoord. Als beperking geldt niet alleen het feitelijk afbreken van een demonstratie, maar ook daaropvolgend strafrechtelijk optreden. Dergelijke maatregelen achteraf zijn bijvoorbeeld: arrestatie, detentie op een politiebureau en een strafrechtelijke vervolging.2.
7.
Het feit waarvoor verzoeker is veroordeeld, betreft een misdrijf tegen de openbare orde (vgl. Titel V wetboek van strafrecht). Het begrip ‘openbare orde’ heeft een ruimere betekenis dan het begrip ‘voorkomen van wanordelijkheden’ in artikel 11 lid 2 EVRM.3. Met ‘openbare orde’ wordt, aldus het EHRM, vaak gerefereerd aan ‘the body of political, economic and moral principles essential to the maintenance of the social structure, and in some jurisdictions even encompasses human dignity’, terwijl het voorkomen van wanordelijkheden ‘appears to convey a narrower significance, understood in essence in cases of this type as riots or other forms of public disturbance.’.4.
8.
De term ‘noodzakelijk’ in artikel 11 lid 2 EVRM heeft een strikte betekenis en mag niet worden gelijkgesteld aan ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.5. Om ‘necessary in a democratic society’ te zijn, dient in de eerste plaats een beperkende maatregel geschikt te zijn om het gestelde doel te bereiken. In de tweede plaats dient er geen minder vergaande maatregel te zijn die hetzelfde doel kan bereiken; wanneer duidelijk is dat de autoriteiten hadden kunnen volstaan met minder vergaande beperkingen, hadden deze alternatieven moeten worden gekozen. In de derde plaats dient het door de maatregel gediende belang op te wegen tegen de beperking: de beperking moet beantwoorden aan een ‘pressing social need’, proportioneel zijn in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd zijn op ‘relevant and sufficient reasons’.6. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van een strafrechtelijke maatregel moet tot slot het ontmoedigende effect daarvan in ogenschouw worden genomen.7.
9.
Wat betreft het vereiste dat een inbreuk op ‘relevant and sufficient reasons’ moet worden gegrond, oordeelt het EHRM het de ‘duty’ van de rechter ‘to establish convincing grounds’ tot rechtvaardiging van bijvoorbeeld de ontbinding van een demonstratie. Het zonder verdere uitleg gebruiken van algemene en abstracte termen zoals ‘wanordelijkheden’ schendt die plicht; een onjuiste vaststelling van feiten eveneens.8.
10.
Volgens het EHRM is terughoudendheid geboden voor het bestraffen van ‘illegal conduct’ dat verweven is met een demonstratie.9. Toepassing van maatregelen van strafrechtelijke aard vereist bijzondere rechtvaardiging.10. Roorda, Brouwer en Schilder constateren dat strafrechtelijke vervolging, laat staan strafrechtelijke veroordeling van vreedzame demonstranten ‘in beginsel niet [is] toegestaan.’11. Het ontbreken van ‘compelling reasons’ om demonstranten mee te nemen naar het politiebureau ‘to achieve any of the legitimate aims’ vormt een sterke aanwijzing van een disproportionele inbreuk op de vrijheid van meningsuiting.12. Uit EHRM Açik and others tegen Turkije blijkt dat legitieme verwijdering van demonstranten van een niet-publieke plaats niet zonder meer betekent dat daaropvolgende strafrechtelijke maatregelen, zoals arrestatie en detentie in een politiebureau, ‘necessary in a democratic society’ zijn.13. Benadrukt zij dat in deze zaak de demonstranten weigerden zelf te vertrekken.
11.
In verband met de vraag, of een overheidsmaatregel ‘necessary in a democratic society’ is, dient dus onderscheid te worden gemaakt tussen de perceptie van de politie, die ter plaatse op grond van strafvorderlijke bevoegdheden kan overgaan tot aanhouding op grond van een redelijk schuldvermoeden, en de beoordeling achteraf van de proportionaliteit van die aanhouding, in het licht van de artikelen 21 IVBPR en 11 EVRM, door de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting.14.
12.
Dat het toepassen van strafrechtelijke maatregelen tegen vreedzame demonstranten of personen die hun mening uiten zeer gevoelig ligt, wordt onderstreept door EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others/Georgië) en EHRM 30 november 2021, nr. 52358/15 (Genou and Sarbinska/Bulgarije). In de eerste zaak werden de demonstranten, hoogleraren die een sit-in hielden in een universiteit, op grond van administratiefrechtelijke maatregelen aangepakt doch niet gearresteerd, gedetineerd of strafrechtelijk vervolgd. Het EHRM oordeelde dat de artikelen 10 en 11 EVRM niet waren geschonden. In de tweede zaak ging het om een ‘guilty finding’ en de oplegging van administratiefrechtelijke boetes (door het EHRM ‘penalising’ genoemd) wegens ‘hooliganism’ voor het met spuitverf aanbrengen van een mening op een publiek monument, hetgeen een schending van artikel 10 EVRM opleverde. Het EHRM overwoog daartoe onder meer:
‘The salient issue in this case is whether the interference, which took solely the form of a ‘penalt[y]’ rather than of an order requiring the applicants to repair any damage which their act had caused to the monument, was ‘necessary in a democratic society’’.
Daaruit moet worden afgeleid dat een kostenverhaal op de daders voor het reinigen van het monument geen verdragsschending zou hebben opgeleverd.
13.
Door het toepassen van strafrechtelijke maatregelen jegens verzoeker en/of de bewezenverklaring en/of verzoekers schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf van artikel 139 Sr is het recht van de Unie ten uitvoer gebracht zoals bedoeld in artikel 51 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU. De Europese Unie is namelijk partij bij het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus).15.
14.
Artikel 1 Verdrag van Aarhus luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:
‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.’
15.
Artikel 3 lid 8 luidt:
‘Elke Partij waarborgt dat personen die hun rechten uitoefenen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag niet worden gestraft, vervolgd of op enige wijze gehinderd wegens hun betrokkenheid. Deze bepaling laat onverlet de bevoegdheden van de nationale rechter om in een rechtsgeding redelijke kosten toe te wijzen.’
16.
Onder ‘inspraak in de besluitvorming’ zoals bedoeld in artikel 1 Verdrag van Aarhus dient onder meer vreedzaam klimaatprotest te worden verstaan. Onder verwijzing naar de bevindingen en aanbevelingen van het Compliance Committee bij het verdrag16. benadrukt de UN Special Rapporteur on Environmental Defenders under the Aarhus Convention immers (voetnoten weggelaten):
‘(P)eaceful environmental protest is a legitimate exercise of the public's right to participate in decision-making as recognized in article 1 of the Convention. The Compliance Committee has also held that persecuting, penalizing or harassing members of the public seeking to exercise this right violates article 3(8) of the Convention.’17.
17.
De verdragspartijen hebben, aldus de Special Rapporteur,
‘a binding obligation under article 3(8) of the Convention to ensure that environmental defenders are not penalized, persecuted, or harassed for exercising their rights under the Convention.’18.
18.
Hij concludeert onder meer:
‘States should ensure that peaceful protest and civil disobedience have the same safeguards as other forms of assembly, and that any restrictions imposed are kept to the minimum (…). This includes preventing and repealing measures and practices that may have a chilling effect on environmental activism and protests, such as (…) the arrest, detention and prosecution of peaceful protesters (…).19.
19.
In artikel 139 lid 1 Sr is door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ buiten twijfel gesteld dat het aldaar bedoelde vertoeven, ook al geschiedt dit tegen de wil van de rechthebbende, niet strafbaar is indien dit uit anderen hoofde gerechtvaardigd is.20. Uw Raad oordeelde in HR 23 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5352 over een stakingsactie van Vakbond FNV bondgenoten, waarbij de verdachte als organizer was betrokken, er onder meer in bestaand dat het hoofdkantoor van schoonmaakbedrijf [A] werd binnengedrongen:
‘Het Hof heeft overwogen dat de onderhavige actie van korte duur is geweest, dat daarbij slechts een geringe inbreuk is gemaakt op de rechten van [A] en de in het kantoor werkzame werknemers, dat niet is gebleken dat door deze actie enige schade is ontstaan of dat de actie gepaard is gegaan met (andere) strafbare feiten of wanordelijkheden, en dat de verdachte en de stakers de actie uit zichzelf hebben beëindigd. Daarin ligt als 's Hofs oordeel besloten dat weliswaar inbreuk is gemaakt op het in art. 138 Sr beschermde recht van [A], maar dat die inbreuk slechts beperkt — en daarmee niet van het voor toepassing van art. G ESH vereiste gewicht — is geweest en dat mede gelet daarop de in de tenlastelegging omschreven gedragingen werden gerechtvaardigd door het in art. 6, aanhef en lid 4, ESH neergelegde recht op collectief optreden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.’
20.
Indien het overheidsoptreden na afloop van een demonstratie disproportioneel is ten opzichte van de in artikel 11 lid 2 EVRM genoemde doelen, is de beperking van het vergaderingsrecht niet ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ en levert dit strijd op met artikel 11 EVRM. Indien dan toch wordt vervolgd, zal de strafrechter naar Nederlands recht op grond van artikel 94 Grondwet de strafbepaling waarop de dagvaarding berust buiten toepassing dienen te laten. Een geslaagd beroep op artikel 11 EVRM brengt met zich mee dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is en dit leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging (artikel 350 Sv jo. artikel 352 lid 2 eerste volzin Sv).21.
Eerste deelklacht
21.
's Hofs oordeel, dat verzoekers verblijf in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was en/of het (impliciete) oordeel dat de jegens verzoeker toegepaste strafrechtelijke maatregelen (aanhouding en/of ophouden voor onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf zoals bedoeld in artikel 139 Sr) een van de in artikel 11 lid 2 EVRM neergelegde doelen diende en/of verenigbaar is met artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 12 Handvest van de grondrechten van de EU, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of niet gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’.
22.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de jegens verzoeker op artikel 139 Sr gebaseerde beperking van verzoekers vergadervrijheid van belang was voor ‘de bescherming van de rechten van anderen’, is dat oordeel onbegrijpelijk, nu deze bepaling beoogt de openbare orde te beschermen.
23.
Voor zover het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat die beperking mocht worden gebaseerd op het door artikel 139 Sr beschemde belang, is dat oordeel onbegrijpelijk, althans heeft het onvoldoende uitgelegd waarom de beperking in het licht van de in artikel 11 lid 2 EVRM vermelde belangen gerechtvaarigd was. In ieder geval is dit oordeel niet gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’. Immers het door artikel 139 Sr beschermde rechtsbelang (‘openbare orde’) wordt door het in artikel 11 lid 2 EVRM genoemde belang van het voorkomen van wanordelijkheden niet zonder meer ingevuld, nu dit laatste een beperktere betekenis heeft. Nu het door artikel 139 Sr beschermde belang louter de openbare orde is, geldt dat evenzeer voor het in artikel 11 lid 2 EVRM genoemde belang van het voorkomen van strafbare feiten.
24.
Dat ten aanzien van verzoeker en/of de demonstratie, waaraan hij deelnam, sprake was van wanordelijkheden, heeft het hof niet vastgesteld en kan uit zijn bewijsvoering ook niet worden afgeleid. Het heeft slechts vastgesteld dat het departement de groep demonstranten toestemming had gegeven om tot 17:00 uur in de hal van het ministerie te demonstreren en dat na 17:00 uur verzoeker niet voldeed aan een vordering om zich te verwijderen.
25.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Tweede deelklacht
26.
's Hofs oordeel, dat verzoekers verblijf in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was en/of diens oordeel (in reactie op het verweer van de raadsvrouw), dat de jegens verzoeker genoemde strafrechtelijke maatregelen (aanhouding en/of ophouden voor onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf zoals bedoeld in artikel 139 Sr), ieder op zich of in onderlinge samenhang beschouwd, ‘necessary in a democratic society’ zijn zoals bedoeld in artikel 21 lid 2 IVBPR en/of artikel 11 lid 2 EVRM en/of verenigbaar met artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 12 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU, is onjuist en/of onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Althans is dat oordeel niet gebaseerd op ‘relevant and sufficient reasons’.
27.
Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat als de politie uiteindelijk besluit dat het nodig is om een einde te maken aan het strafbare feit, de politie dat mag doen, alsook dat de inperking van verzoekers recht om na 17:00 uur door te demonstreren geen ontoelaatbare inbreuk op zijn demonstratierecht vormde nu er een dringende maatschappelijke noodzaak bestond om verzoekers recht op demonstratie te beperken en dat verzoekers daaropvolgende verblijf in het ministerie, volgend op de weigering tot opvolging van de vordering tot verwijdering, wederrechtelijk was.
28.
Aldus heeft het hof geoordeeld dat er een noodzaak bestond om het verzoekers door hem uitgeoefende recht als neergelegd in de artikelen 21 IVBPR en 11 EVRM na 17:00 uur te beperken door middel van een aanhouding. Dat oordeel is echter niet begrijpelijk in het licht van 's hofs oordeel dat het er ‘op zichzelf’ met de verdediging mee eens is dat (omdat de demonstratie een vreedzaam en beperkt karakter had en gelet op het demonstratierecht) de politie er ook voor had kunnen kiezen minder verstrekkende maatregelen te treffen dan is gedaan en dat de politie verzoeker na aanhouding en uitzetting op een andere plek kunnen heenzenden. In dat laatste oordeel ligt besloten dat het hof het onnodig vond dat verzoeker ten spoedigste werd overgebracht naar een plaats voor verhoor ter voorgeleiding aan de hulpofficier van justitie of de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 53 lid 2 Sv, zodat zijn oordeel, dat het achteraf bezien ‘necessary in a democratic society’ was verzoeker aan te houden, niet zonder meer begrijpelijk is en/of niet toereikend gemotiveerd. Volgens 's hofs oordeel kon immers worden volstaan met minder vergaande beperkingen.
29.
Ook is niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, 's hofs (impliciete) oordeel dat het jegens verzoeker toegepaste ophouden voor onderzoek en diens strafrechtelijke vervolging ‘necessary in a democratic society’ zijn. Het hof heeft immers geoordeeld dat wegens het vreedzame en beperkte karakter van de demonstratie de politie er ook voor had kunnen kiezen om minder verstrekkende maatregelen te treffen dan nu is gedaan door verzoeker na de aanhouding en uitzetting op een andere plek heen te zenden, in plaats van hem mee te nemen naar het bureau, daar voor te geleiden en vervolgens op te houden voor onderzoek, terwijl het openbaar ministerie had kunnen afzien van de vervolging van de verdachte. Ook in dit verband heeft het hof er blijk van gegeven dat kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.
30.
In het verlengde hiervan is onjuist en/of onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd de bewezenverklaring van ‘wederrechtelijk’ en/of verzoekers schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf van artikel 139 Sr.
31.
Het arrest kan niet in stand blijven.
Prejudiciële vragen aan het Hof van justitie van de EU
32.
Voor de oplossing van dit geschil c.q. het beantwoorden van rechtsvragen in verzoekers zaak is het van belang dat Uw Raad op de voet van artikel 267 VWEU de hierna te formuleren prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de EU. Die vragen zien op de reikwijdte van de bescherming die verzoeker in deze zaak ontleent aan artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus.
33.
Vooropgesteld zij dat het Hof van Justitie van de EU heeft overwogen dat internationale verdragen, die zijn gesloten door de Unie, voorwerp van een prejudiciële procedure kunnen vormen.22. Verwezen zij voorts naar het kader zoals hiervoor uiteengezet onder kantlijnnummers 13 tot en met 18.
34.
De prejudiciële vragen die in dit licht in verzoekers zaak aan het Hof van Justitie van de EU dienen te worden gesteld, zijn de volgende.
- —
Wordt door het toepassen van strafrechtelijke maatregelen en/of de bewezenverklaring, schuldigverklaring en/of de kwalificatie van het tenlastegelegde feit als het misdrijf van artikel 139 Sr jegens verzoeker het recht van de Unie ten uitvoer gebracht zoals bedoeld in artikel 51 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU?
- —
Dient onder het door personen uitoefenen van hun rechten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, een en ander zoals bedoeld in artikel 1 en 3 lid 8 Verdrag van Aarhus, mede te worden verstaan het door klimaatactivisten houden van een vreedzaam protest waaraan verzoeker deelnam in het ministerie van Economische Zaken en Klimaat?
- —
Verhinderen artikel 1 en/of artikel 3 lid 8 Verdrag van Aarhus en/of artikel 11 en 12 Handvest van de grondrechten van de EU in verzoekers geval, mede in het licht van de inhoud van deze cassatieschriftuur, het toepassen van strafrechtelijke maatregelen, in het bijzonder: een strafrechtelijke vervolging en/of schuldigverklaring wegens overtreding van artikel 139 Sr?
- —
Zijn de in artikel 191 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bedoelde doelstellingen relevant voor de beantwoording van deze vraag? Is daarbij tevens relevant of de uit artikel 191 VWEU voortvloeiende verplichtingen door de desbetreffende lidstaat worden nagekomen?
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Amsterdam, 4 november 2024,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑10‑2024
HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742 en HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1743.
Bijv. EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Açik and Others/Turkije), EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02 e.a. (Nurettin Aldemir and Others/Turkije) en EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen). Roorda, Brouwer en Schilder stellen: ‘Van een ‘chilling effect’ kan sprake zijn (…) als een demonstrant strafrechtelijk wordt vervolgd, ongeacht of dit leidt tot een veroordeling. Dus ook als het Openbaar Ministerie de zaak seponeert of de rechter de demonstrant vrijspreekt.’ Zie B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 116.
In de officiele teksten: ‘prevention of disorder’ en ‘la défense de l'ordre’.
Vgl. EHRM 15 oktober 2015, nr. 27510/08 (Perinçek/Zwitserland): ‘Article 10 § 2 of the Convention, as well as Articles 8 § 2 and 11 § 2, contains, whereas Article 6 § 1 of the Convention and Article 1 § 2 of Protocol No. 7 speak of the ‘interests of public order’, Article 9 § 2 of the Convention uses the formula ‘protection of public order’, and Article 2 § 3 of Protocol No. 4 refers to the ‘maintenance of ordre public’. While, as noted in paragraph 134 above, when using the same term the Convention and its Protocols must in principle be taken to refer to the same concept, differences in the terms used must normally be presumed to denote a variation in meaning. Seen in this context, the latter formulas appear to bear a wider meaning, based on the broad sense of the notion of public order (ordre public) used in continental countries (see paragraph 16 of the explanatory report to Protocol No. 4) — where it is often taken to refer to the body of political, economic and moral principles essential to the maintenance of the social structure, and in some jurisdictions even encompasses human dignity — whereas the former appears to convey a narrower significance, understood in essence in cases of this type as riots or other forms of public disturbance.’
Bijv. EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk (nr. 1)), EHRM 18 januari 2001, nr. 24876/94, EHRM 4 december 2008, nrs. 30562/04 en 30566/04 (S. and Marper/Verenigd Koninkrijk), EHRM 19 november 2019, nr. 58954/09 (Obote/Rusland) en EHRM 30 juni 2015, nr. 41418/04 (Khoroshenko/Rusland). Zie ook A.J. Nieuwenhuis, M. den Heijer en A.W. Hins, Hoofdstukken Grondrechten, 2021, p. 113; J.H. Gerards, SDU Commentaar EVRM, C.5.4.3 en J.H. Gerards, How to improve the necessity test of the European Court of Human Rights, International Journal of Constitutional Law, 2013, p. 467. A-G Paridaens wijst erop dat bij de beoordeling van de proportionaliteit de beoordelingsruimte van de staat — de ‘margin of appreciation’ — per zaak verschilt. Zij stelt (voetnoten weggelaten): ‘Die is onder meer afhankelijk van de vraag of het onderwerp onder de verdragspartijen controversieel is, of de kern van een recht in het geding is en of er plaatselijke omstandigheden meespelen die beter door de staat kunnen worden beoordeeld. Ook hecht het EHRM daarbij in toenemende mate waarde aan de kwaliteit van de toetsing op nationaal niveau.’ Zie conclusie A-G Paridaens 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:769.
Roorda, Brouwer en Schilder stellen dat daarvan sprake kan zijn reeds als een demonstrant strafrechtelijk wordt vervolgd, ongeacht of dit leidt tot een veroordeling. Zie B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 89 en p. 116. Zij verwijzen naar EHRM 1 december 2011, nr. 8080/08, 8577/08 (Schwabe and M.G./Duitsland). Zie ook EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik and Others/Turkije), EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02 e.a. (Aldemir and Others/Turkije), EHRM 13 oktober 2020, nrs. 35880/14, 75926/17 (Zakharov and Varzhabetyan/Rusland) en EHRM 10 november 2020, nr. 75186/12 (Navalnyy and Gunko/Rusland).
Vgl. bijv. EHRM 2 oktober 2012, nr. 1484/07 (Kakabadze and Others/Georgië).
‘An analysis of the Court's case-law […] reveals that the Contracting States' discretion in punishing illegal conduct intertwined with expression or association, although wide, is not unlimited.’ Vgl. bijv. EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taranenko/Rusland).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 114. Zij verwijzen naar EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen) en EHRM 17 november 2009, nr. 26258/07, 26255/07 (Rai and Evans/Verenigd Koninkrijk).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 115.
EHRM 26 april 2016, nr. 25501/07 e.a. (Novikova and Others/Rusland). Zie ook EHRM 14 april 2015, nr. 36443/06 (Lütfiye Zengin and Others/Turkije), EHRM 4 december 2014, nr. 76204/11 (Navalnyy and Yashin/Rusland).
EHRM 13 januari 2009, nr. 31451/03 (Açik and Others/Turkije).
Dit is in UK Supreme Court 25 juni 2021, 2019/0106 (Director of Public Prosecutions v. Ziegler and others) als volgt verwoord door Uw collega's in het Verenigd Koninkrijk: ‘Article 11(2) states that ‘No restrictions shall be placed’ except ‘such as are prescribed by law and are necessary in a democratic society …’ In Kudrevičius v Lithuania (2016) 62 EHRR 34, para 100 the European Court of Human Rights (‘ECtHR’) stated that ‘The term ‘restrictions’ in article 11(2) must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards’ so that it accepted at para 101 ‘that the applicants' conviction for their participation in the demonstrations at issue amounted to an interference with their right to freedom of peaceful assembly’. Arrest, prosecution, conviction, and sentence are all ‘restrictions’ within both articles. Different considerations may apply to the proportionality of each of those restrictions. The proportionality of arrest, which is typically the police action on the ground, depends on, amongst other matters, the constable's reasonable suspicion. The proportionality assessment at trial before an independent impartial tribunal depends on the relevant factors being proved beyond reasonable doubt and the court being sure that the interference with the rights under articles 10 and 11 was necessary. The police's perception and the police action are but two of the factors to be considered. It may have looked one way at the time to the police (on which basis their actions could be proportionate) but at trial the facts established may be different (and on that basis the interference involved in a conviction could be disproportionate).’
Besluit van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (2005/370/EG). In HvJ-EU 4 mei 2010, ECLI:EU:C:2010:243 (TNT Express Nederland BV/AXA Versicherung AG, C-533/08) overwoog de Grote Kamer: ‘Wat internationale verdragen betreft, staat vast dat de verdragen die zijn gesloten door de Unie een integrerend bestanddeel zijn van de rechtsorde van de Unie (…).’
Dit Comité houdt ingevolge artikel 15 van het verdrag toezicht op de naleving van het verdrag.
UN Special Rapporteur on Environmental Defenders under the Aarhus Convention, ‘State repression of environmental protest and civil disobedience: a major threat to human rights and democracy’, februari 2024, p. 6. Hij verwijst naar de ‘Findings and recommendations with regard to communication ACCC/C/2014/102 concerning compliance by Belarus’, ECE/MP.PP/C.1/2017/19, par. 66.
VN-speciale rapporteur inzake Environmental Defenders, ‘State repression of environmental protest and civil disobedience: a major threat to human rights and democracy’, februari 2024, p. 6.
Idem, p. 21
Vgl. HR 16 december 1969, ECLJ:NL:HR:1969:AB5039.
Conclusie A-G Paridaens 27 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:769
HvJ-EU (Grote Kamer) 4 mei 2010, ECLI:EU:C:2010:243 (TNT Express Nederland BV/AXA Versicherung AG, C-533/08).