Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1879.
HR, 12-11-2024, nr. 22/02236
ECLI:NL:HR:2024:1623
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-11-2024
- Zaaknummer
22/02236
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Internationaal publiekrecht (V)
Staatsrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1623, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1879
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:769
ECLI:NL:PHR:2024:769, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑08‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1623
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑05‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0272
M en R 2025/13 met annotatie van R. Croes
NJ 2025/39 met annotatie van N. Rozemond
AB 2025/81 met annotatie van A. Vleugel
NTS 2024/68
Uitspraak 12‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen lokaalvredebreuk bij pensioenfonds tijdens demonstratie (art. 138.1 Sr). Verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van strafvervolging met art. 10 en 11 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:126 m.b.t. optreden van autoriteiten i.v.m. strafbaar feit dat tijdens demonstratie is begaan en uit HR:2023:1742 m.b.t. betekenis die kan toekomen aan omstandigheid dat “private property” in het geding is bij beantwoording van vraag of beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering in democratische samenleving noodzakelijk is. Hof heeft verweer verworpen en geoordeeld dat bewezenverklaard feit kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit maar dat voor deze lokaalvredebreuk geen straf of maatregel wordt opgelegd. Hof heeft er echter aan voorbijgezien dat bij beoordeling of door justitiële autoriteiten getroffen maatregelen o.g.v. art. 10.2 en 11.2 EVRM toegelaten zijn, niet alleen acht moet worden geslagen op de door justitiële autoriteiten getroffen maatregelen in aanloop naar of tijdens betreffende bijeenkomst maar ook op maatregelen die na afloop daarvan zijn getroffen. Dat betekent dat hof al bij beantwoording van vraag of bewezenverklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd, had moeten betrekken of optreden dat is gevolgd op verwijderen van verdachte en medeverdachten uit lobby van gebouw van pensioenfonds (aanhouding, ophouden voor verhoor en uitreiken van strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk) o.g.v. art. 10.2 en 11.2 EVRM toegelaten was. Nu hof (in cassatie onbestreden) heeft vastgesteld dat door optreden tegen verdachte en medeverdachten dat is gevolgd op hun verwijdering uit gebouw, zij demonstratierecht niet op andere wijze konden voortzetten en heeft geoordeeld dat dit optreden in concrete omstandigheden van geval disproportioneel was en daarmee ontoelaatbare beperking van recht op vrijheid van vreedzame vergadering betrof, had hof art. 138 Sr buiten toepassing moeten laten en verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging. HR merkt op dat en licht toe waarom voorliggende zaak verschilt van zaak die heeft geleid tot HR:2022:126. In HR:2022:126 had hof geoordeeld dat (ook al had achteraf bezien demonstratie op andere manier kunnen worden beëindigd) optreden van justitiële autoriteiten in omstandigheden van die zaak niet disproportioneel was. HR doet zaak zelf af door verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Samenhang met 22/02234, 22/02235, 22/02237, 22/02240, 22/02241, 22/02242 en 22/02243.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02236
Datum 12 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 juni 2022, nummer 20-003035-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, de strafbaarverklaring van de verdachte daarvoor en de strafoplegging, tot ontslag van de verdachte van alle rechtsvervolging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij:
“op 17 juni 2021 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, in het besloten lokaal, te weten een bedrijfspand bij APG Pensioenfonds in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met haar mededaders, niet op vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.”
2.2.2
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘lokaalvredebreuk’ en over de strafbaarheid onder meer overwogen:
“Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte en de medeverdachten dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het strafrechtelijk ingrijpen tijdens de demonstratie op 17 juni 2021 een beperking vormt op het demonstratierecht, het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op een vreedzame vergadering van verdachte en de medeverdachten.
Deze inbreuk was, gelet op de artikelen 10 en 11 Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) niet noodzakelijk in een democratische samenleving nu sprake was van een conform het internationale recht beschermde demonstratievorm (een zogenaamde “sit-in”), die vreedzaam van karakter was en beperkt in duur. Er werd geen schade veroorzaakt maar slechts een geringe inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van APG (de benadeelde), terwijl geen redelijk alternatief voor de sit-in werd geboden. Voorts werd bij de aanhouding geen verzet gepleegd en hebben verdachte en de medeverdachten zich direct gelegitimeerd. Verdachte en de medeverdachten zijn daarna onnodig lang (ongeveer drie uur) opgehouden voor onderzoek na aanhouding.
(...)
Het oordeel van het hof
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte en de medeverdachten hebben op 17 juni 2020 (de Hoge Raad begrijpt: 2021) een zogenaamde “sit-in” gehouden in Heerlen in de lobby van het gebouw van Algemeen Pensioen Groep NV (hierna: APG), uitvoeringsorganisatie binnen de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) en hebben geweigerd het pand op vordering van de rechthebbende te verlaten.
In de aanloop naar dat feit hadden verdachte en de medeverdachten reeds meermalen vanaf 2013 in wisselende samenstellingen en (al dan niet) deel uit makend van samenwerkingsverbanden als “Fossielvrij”, “ABP fossielvrij”, “Extinction Rebellion” en (al dan niet) in een samenwerking van (gemeente-)ambtenaren, met brieven, gesprekken, petities en demonstraties aandacht gevraagd voor hun principiële (milieu)bezwaren tegen beleggingsactiviteiten van het ABP in de fossiele industrie en voor hun wens dat ABP met die beleggingen zou stoppen. Verdachte en de medeverdachten zijn vanwege hun werk als (gemeente)ambtenaar via hun pensioenregeling automatisch aangesloten bij ABP. Weliswaar zijn er gesprekken geweest en zijn de wensen en noden van verdachte en de medeverdachten kenbaar gemaakt, echter was er geen significante wijziging gekomen in de beleggingsportefeuille van ABP op het punt van de fossiele industrie.
Dit veroorzaakte bij verdachte en de medeverdachten gevoelens van onmacht en een toenemend gevoel van urgentie om daartegen te ageren. Dit leidde tot de beslissing om op 17 juni 2020 (de Hoge Raad begrijpt: 2021) naar het gebouw van APG toe te gaan, alwaar het ABP mede gevestigd is. Daar hebben verdachte en de medeverdachten vanaf ongeveer 12 uur ’s middags in de lobby een vreedzaam en deels zittend protest uitgevoerd met spandoeken. Bezoekers en passanten in de lobby konden vrijelijk in en uit. Schade is niet toegebracht. Verdachte en de medeverdachten zijn die hele middag ongemoeid gelaten.
Rond 19 uur diezelfde dag is door de beveiliging van het gebouw van verdachte en de medeverdachten gevorderd het gebouw te verlaten. Dit mede vanwege het sluitingsuur van het gebouw. Verdachte en de medeverdachten hebben aan die vordering niet voldaan en de politie heeft vervolgens het gebouw ontruimd, zonder daarbij geweld te hoeven gebruiken, hoewel enkele van de verdachten weggedragen moesten worden omdat zij zelf weigerden mee te lopen naar buiten. Zij zijn allen aangehouden en een krappe drie uur opgehouden voor verhoor en het uitreiken van een strafbeschikking.
Het hof overweegt over het toepasselijke recht het navolgende.
Het demonstratierecht is op verschillende wijzen verankerd in het internationale en nationale recht. Internationaal in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, als de vrijheid van meningsuiting respectievelijk de vrijheid van vreedzame vergadering en nationaal in artikel 9 van de Grondwet, als de vrijheid van vergadering en betoging.
Belangrijk vereiste is het vreedzame karakter van de vele vormen waarin van deze vrijheden gebruik kan worden gemaakt, zoals demonstraties, protestmarsen en sit-ins. Zonder vreedzaam karakter, waarbij overigens de meeste betekenis toekomt aan de intenties van organisatoren en deelnemers en niet zozeer hoe ordelijk het feitelijk verloop is, kan bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM niet worden ingeroepen.
Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) blijkt dat de uit bedoelde artikelen voortvloeiende demonstratievrijheid, een essentieel recht vormt binnen een democratische samenleving, waarin ruimte moet bestaan voor ontwikkeling en verandering van maatschappelijke opvattingen. Standpunten over maatschappelijke thema’s en actuele problemen moeten daartoe binnen bepaalde grenzen vrijelijk kunnen worden geuit, ook als dat gebeurt op een manier die door anderen als storend wordt ervaren. Die essentiële betekenis van het demonstratierecht voor de democratische rechtsstaat vraagt van politie en van overheidsambtenaren in het algemeen een bijzondere waakzaamheid om voor de uitoefening van dat recht zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, ruimte te bieden.
Het hof is van oordeel dat dit echter niet betekent dat het demonstratierecht een absoluut recht is; het demonstratierecht is, ondanks de essentiële betekenis ervan voor een goed functionerende democratie, niet onbeperkt. Uit de jurisprudentie van het EHRM leidt het hof af dat vanwege die essentiële betekenis de beperking van het demonstratierecht - kort samengevat - dient te zijn voorzien bij wet en noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving met het oog op de bescherming van een aantal opgesomde belangen, waaronder het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten of met het oog op de bescherming van de rechten van een ander.
Het recht toegepast op het onderhavige geval brengt het hof tot de volgende overwegingen.
De door verdachte en de medeverdachten georganiseerde en uitgevoerde demonstratie valt gezien de vreedzame wijze waarop deze is vorm gegeven, op zichzelf onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het EVRM.
Het hof ziet zichzelf vervolgens voor de vraag gesteld of in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor de beperking van het de verdachte en de medeverdachten toekomende demonstratierecht is voldaan en beantwoordt die vraag bevestigend.
De beperking bij wet betreft het gestelde in artikel 138 Wetboek van Strafrecht, dat de bescherming van het huisrecht van de ander voorop stelt.
De noodzaak van de beperking van het demonstratierecht, die bij wet is voorzien, wordt in dit geval gevonden in de bescherming van de rechten van een ander. Immers, met het huisrecht wordt het gebruiksrecht van woningen, besloten lokalen en erven beschermd. Legitimatie voor beperking van het demonstratierecht wordt daarbij in dit geval aldus gevonden in de bescherming van het huisrecht van een ander (APG), het recht om ongestoord gebruik te kunnen maken van het gebouw. Hiervan was in dezen sprake nu APG als gebruiker van het gebouw, een besloten lokaal in de zin van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, bescherming van zijn huisrecht mocht inroepen. De omstandigheden waaronder het protest plaatsvond, zoals die door de raadsvrouw zijn aangevoerd, maken dit niet anders.
Daarbij acht het hof van belang dat APG de demonstratie de gehele middag heeft toegestaan. De stelling van de raadsvrouw dat het protest maar van korte duur was, deelt het hof alleen al daarom niet. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is door verdachte en de medeverdachten aan de beveiliging meegedeeld dat het gebouw door hen pas verlaten zou worden als het ABP hun eisen zou inwilligen. Dat zij tot onderhandeling hierover bereid waren, is in dit verband niet van belang omdat dit uit hun uitingen niet is gebleken.
Voorts was het voor de verdachte en de medeverdachten mogelijk om - na daartoe gevorderd te zijn - het gebouw te verlaten en de demonstratie elders en in de buurt van het gebouw voort te zetten. De stelling dat dit geen zoden aan de dijk zou zetten, zoals door de verdachte ter zitting is aangevoerd, is - nog daargelaten wat de relevantie daarvan is voor de omvang van het gebruik van het huisrecht - niet vast te stellen.
Dit alles brengt het hof tot de navolgende conclusie.
Bij deze stand van zaken stelt het hof vast dat er sprake is geweest van een toelaatbare inperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk in ons recht verankerde demonstratierecht. Het hof verwerpt het verweer dan ook.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”
2.2.3
Het hof heeft de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Het hof heeft daartoe in zijn strafmotivering overwogen:
“Het hof heeft bij het bepalen van de vraag of er in dit geval een straf dient te worden opgelegd of dat volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, zoals door de verdediging is bepleit, gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ‘lokaalvredebreuk’ door zich niet meteen te verwijderen uit de lobby van het kantoorpand van APG nadat zij daartoe was gevorderd door de rechthebbende. (De beveiliger van) APG heeft uiteindelijk de politie ingeschakeld om de verdachte en de mededemonstranten uit het gebouw te verwijderen.
Hiervoor heeft het hof reeds overwogen hoe fundamenteel het demonstratierecht is, zolang dit vreedzaam wordt uitgeoefend. Ook heeft het hof overwogen dat dit niet maakt dat het demonstratierecht absoluut is. Een beperking ervan kan en mag worden toegepast in een democratische samenleving ter bescherming van een aantal specifiek omschreven belangen. Het fundamentele karakter van het demonstratierecht brengt wel met zich dat het hof dient te beoordelen of de wijze waarop dit recht in het onderhavige geval is ingeperkt de toets der proportionaliteit kan doorstaan.
De uitoefening van het demonstratierecht binnen het gebouw van de APG is met een beroep op bescherming van de rechten van anderen en onder toepassing van het wettelijk voorschrift van artikel 138 Wetboek van Strafrecht, beëindigd. De vraag is of de daarop volgende aanhouding, het ophouden voor verhoor en de ingezette strafvervolging met het uitreiken van een strafbeschikking, terecht waren, afgezet tegen de inperking van het demonstratierecht die dit voor de verdachte en de medeverdachten met zich bracht.
Dit is naar het oordeel van het hof niet het geval. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Het staat vast dat deze demonstratie een vreedzaam karakter had. Tijdens de demonstratie is niemand gehinderd bij het in- of uitgaan van de lobby van het gebouw van APG. Evenmin is schade toegebracht of andere hinder veroorzaakt. Onder die omstandigheden dient een gerechtvaardigde inperking van het demonstratierecht tot een absoluut minimum beperkt te blijven. Hierbij moet meegewogen worden dat met een op zichzelf gerechtvaardigde inperking van het demonstratierecht niet bereikt mag worden dat van de wijze van die inperking een verder beperkende werking (waaronder het “chilling effect”) naar de uitoefening van het demonstratierecht uitgaat.
Het hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat volstaan had kunnen worden met het verwijderen van de verdachte en de medeverdachten uit de lobby van het gebouw. Daarna zou het recht om te demonstreren voor de verwijderde demonstranten niet verder zijn beperkt. De aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking leidden er nu toe dat de verdachte en de medeverdachten op dat moment hun demonstratierecht niet meer voort konden zetten. Die consequentie acht het hof niet proportioneel.
De door de advocaat-generaal geuite vrees voor onbeperkte inperking van eigendomsrechten of niet voldoen aan aanwijzingen van de politie, zou artikel 9a Wetboek van Strafrecht worden toegepast, wordt niet door het hof gedeeld. Mochten demonstranten zich verzetten tegen ontruiming dan wel terugkeren naar de plaats waar de politie hen zojuist verwijderd had, dan ontstaan nieuwe en andere strafbare feiten waarvoor aangehouden en vervolgd kan worden.
Het hof heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 maart 2022, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan onderhavig feit niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof heeft tot slot gelet op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Alles afwegende zal het hof toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van strafrecht, waardoor de verdachte weliswaar wordt schuldig verklaard aan het haar tenlastegelegde maar aan haar geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”
2.3.1
In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 138 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
- Artikel 10 EVRM in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
- Artikel 11 EVRM in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
2.3.2
Het onder meer in artikel 10 en artikel 11 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting en op vrijheid van vreedzame vergadering staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM toegelaten - te weten: een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke - beperking van die vrijheden vormt.
2.3.3
Over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering heeft het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in zijn uitspraak van 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius en anderen tegen Litouwen) het volgende overwogen:
“100. (...) the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards (see Ezelin, cited above, § 39; Kasparov and Others v. Russia, no. 21613/07 (https://hudoc.echr.coe.int/eng), § 84, 3 October 2013; Primov and Others, cited above, § 93; and Nemtsov, cited above, § 73). For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally (see Kasparov and Others, cited above, § 84, with further references).”
2.3.4
Over de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, heeft het EHRM in diezelfde uitspraak onder meer overwogen:
“144. The proportionality principle demands that a balance be struck between the requirements of the purposes listed in paragraph 2 on the one hand, and those of the free expression of opinions by word, gesture or even silence by persons assembled on the streets or in other public places, on the other (see Osmani and Others, cited above; Skiba, cited above; Fáber, cited above, § 41; and Taranenko, cited above, § 65).
(...)
146. The nature and severity of the penalties imposed are also factors to be taken into account when assessing the proportionality of an interference in relation to the aim pursued (see Öztürk v. Turkey [GC], no. 22479/93, § 70, ECHR 1999-VI; Osmani and Others, cited above; and Gün and Others, cited above, § 82). Where the sanctions imposed on the demonstrators are criminal in nature, they require particular justification (see Rai and Evans, cited above). A peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction (see Akgöl and Göl v. Turkey, nos. 28495/06 and 28516/06, § 43, 17 May 2011), and notably to deprivation of liberty (see Gün and Others, cited above, § 83). Thus, the Court must examine with particular scrutiny the cases where sanctions imposed by the national authorities for non-violent conduct involve a prison sentence (see Taranenko, cited above, § 87).
(...)
149. (...) the freedom to take part in a peaceful assembly is of such importance that a person cannot be subject to a sanction - even one at the lower end of the scale of disciplinary penalties - for participation in a demonstration which has not been prohibited, so long as that person does not himself commit any reprehensible act on such an occasion (see Ezelin, cited above, § 53; Galstyan, cited above, § 115; and Barraco, cited above, § 44). This is true also when the demonstration results in damage or other disorder (see Taranenko, cited above, § 88).”
2.3.5
Waar het gaat om het optreden van de autoriteiten in verband met een strafbaar feit dat tijdens een demonstratie is begaan, is van belang dat in de rechtspraak van het EHRM wordt benadrukt dat “a peaceful demonstration should not, in principle, be rendered subject to the threat of a criminal sanction, and notably to deprivation of liberty”. Als zo’n strafbaar feit wordt vervolgd, moet de rechter zich daarom ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden - waaronder ook de bestraffing - niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering. (Vgl. ook HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.)
2.3.6
Bij de beantwoording van de vraag of een beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering in een democratische samenleving noodzakelijk is, kan mede betekenis toekomen aan de omstandigheid dat “private property” (privé-eigendom) in het geding is, bijvoorbeeld als in het verband van een demonstratie een strafbaar feit plaatsvindt dat het ongestoorde genot van “private property” (privé-eigendom) aantast. (Vgl. ook HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742.)
2.4.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. De verdachte heeft samen met de medeverdachten een “sit-in” demonstratie gehouden in de lobby van het gebouw van de Algemeen Pensioen Groep NV (hierna: APG), een uitvoeringsorganisatie van de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) om te protesteren tegen de beleggingsactiviteiten van ABP in de fossiele industrie. Het protest verliep vreedzaam, er is geen schade toegebracht en niemand is gehinderd bij het in- en uitgaan van de lobby. De verdachte en de medeverdachten zijn gedurende de gehele middag ongemoeid gelaten, maar hebben aan het einde van de dag niet voldaan aan de vordering van de beveiliging om het gebouw te verlaten vanwege de sluiting van het pand. De politie heeft vervolgens het gebouw ontruimd. De verdachte en haar medeverdachten zijn aangehouden en een krappe drie uur opgehouden voor verhoor en voor het uitreiken van een strafbeschikking.
2.4.2
Het hof heeft het verweer van de raadsvrouw verworpen dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege onverenigbaarheid van de strafvervolging met de artikelen 10 en 11 EVRM. Deze verwerping berust allereerst op de overweging van het hof dat, kort gezegd, de verdachte en de medeverdachten met het onder 2.4.1 omschreven handelen een inbreuk hebben gemaakt op het recht van APG als gebruiker van het gebouw en dat dit handelen op zichzelf een beperking op het demonstratierecht in de vorm van strafrechtelijk optreden wegens lokaalvredebreuk tegen de aanwezige demonstranten rechtvaardigt. Vervolgens heeft het hof overwogen dat bij dit optreden had kunnen worden volstaan met het uit de lobby van het gebouw van APG verwijderen van de verdachte en de medeverdachten. Het verderstrekkende optreden dat bestond uit de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk is door het hof als disproportioneel aangemerkt, omdat de verdachte en de medeverdachten als gevolg van dit optreden hun demonstratierecht niet meer konden voortzetten, waarbij het hof kennelijk het oog had op het voortzetten van de demonstratie op een andere locatie in de buurt van het gebouw. Op grond van dit alles heeft het hof geoordeeld dat het bewezenverklaarde feit kan worden gekwalificeerd als strafbaar feit, maar dat voor deze lokaalvredebreuk geen straf of maatregel wordt opgelegd.
2.4.3
Daarmee heeft het hof eraan voorbijgezien dat, zoals onder 2.3 is vooropgesteld, bij de beoordeling of de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen op grond van artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM toegelaten zijn, niet alleen acht moet worden geslagen op de door de justitiële autoriteiten getroffen maatregelen in aanloop naar of tijdens de betreffende bijeenkomst, maar ook op de maatregelen die na afloop daarvan zijn getroffen. Dat betekent dat het hof al bij de beantwoording van de vraag of het bewezenverklaarde als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd, had moeten betrekken of het optreden dat is gevolgd op het verwijderen van de verdachte en de medeverdachten - de aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking vanwege lokaalvredebreuk - op grond van artikel 10 lid 2 en artikel 11 lid 2 EVRM toegelaten was.Nu het hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat door het optreden tegen de verdachte en de medeverdachten dat is gevolgd op hun verwijdering, zij het demonstratierecht niet op andere wijze konden voortzetten en heeft geoordeeld dat dit optreden in de concrete omstandigheden van het geval disproportioneel was en daarmee een ontoelaatbare beperking van het recht op vrijheid van vreedzame vergadering betrof, had het hof artikel 138 Sr buiten toepassing moeten laten en de verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging.
2.4.4
De Hoge Raad merkt hierbij op dat de voorliggende zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126. In die laatstgenoemde zaak ging het om een optreden tegen demonstranten die weigerden een besloten lokaal te verlaten, ook nadat aan hen telkens een redelijk alternatief was geboden om de demonstratie buiten of bij de ingang van het betreffende gebouw voort te zetten, waarbij dat optreden bestond uit het aanhouden, het gedurende meerdere uren ophouden voor verhoor en een daarop volgende strafvervolging. Het hof kwalificeerde de gedragingen van de verdachte in die zaak als strafbaar feit, maar betrok - in aanmerking genomen dat het strafrechtelijke optreden, waaronder de bestraffing, niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vreedzame vergadering - de wijze van het optreden tegen de demonstratie bij de beslissing om geen straf of maatregel op te leggen. De Hoge Raad heeft in die zaak het cassatieberoep verworpen. Het relevante verschil met de nu voorliggende zaak is erin gelegen dat in de zaak die tot het arrest van 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126 leidde, het hof had geoordeeld dat - ook al had achteraf bezien de demonstratie op een andere manier kunnen worden beëindigd - het optreden van de justitiële autoriteiten in de omstandigheden van die zaak niet disproportioneel was.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Gelet op de beslissing die hierna volgt, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, de strafbaarverklaring van de verdachte daarvoor en de strafoplegging;
- ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2024.
Conclusie 27‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Huisvredebreuk (art. 138 Sr). Demonstratierecht (art. 11 EVRM). 'Sit-in' bij pensioenfonds. Is verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging met beroep op demonstratierecht toereikend gemotiveerd verworpen? Conclusie strekt tot partiële vernietiging en tot ontslag van alle rechtsvervolging.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02236
Zitting 27 augustus 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 juni 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, waarbij de verdachte is veroordeeld wegens het “wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen”, bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en met verbetering van de overwegingen over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde. Het hof heeft de verdachte veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.1.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 22/02234, 22/02235, 22/02237, 22/02240, 22/02241, 22/02242 en 22/02243. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging en over het oordeel dat het bewezenverklaarde strafbaar is.
5. Hieronder geef ik eerst de relevante delen van de processtukken weer (onder 6-8). Daarna volgt het toepasselijke juridische kader (onder 9-17) en de beoordeling van het middel (onder 18-20).
De relevante delen van de processtukken
6. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij:
“op 17 juni 2021 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, in het besloten lokaal, te weten een bedrijfspand bij APG Pensioenfonds in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met haar mededaders, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd”.
7. Het hof heeft het namens de verdachte gevoerde verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging als volgt samengevat en verworpen:
“Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte en de medeverdachten dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het strafrechtelijk ingrijpen tijdens de demonstratie op 17 juni 2021 een beperking vormt op het demonstratierecht, het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op een vreedzame vergadering van verdachte en de medeverdachten.
Deze inbreuk was, gelet op de artikelen 10 en 11 Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) niet noodzakelijk in een democratische samenleving nu sprake was van een conform het internationale recht beschermde demonstratievorm (een zogenaamde “sit-in”), die vreedzaam van karakter was en beperkt in duur. Er werd geen schade veroorzaakt maar slechts een geringe inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van APG (de benadeelde), terwijl geen redelijk alternatief voor de sit-in werd geboden. Voorts werd bij de aanhouding geen verzet gepleegd en hebben verdachte en de medeverdachten zich direct gelegitimeerd. Verdachte en de medeverdachten zijn daarna onnodig lang (ongeveer drie uur) opgehouden voor onderzoek na aanhouding.
[…]
Het oordeel van het hof
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte en de medeverdachten hebben op 17 juni 2020 een zogenaamde “sit-in” gehouden in Heerlen in de lobby van het gebouw van Algemeen Pensioen Groep NV (hierna: APG), uitvoeringsorganisatie binnen de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) en hebben geweigerd het pand op vordering van de rechthebbende te verlaten.
In de aanloop naar dat feit hadden verdachte en de medeverdachten reeds meermalen vanaf 2013 in wisselende samenstellingen en (al dan niet) deel uit makend van samenwerkingsverbanden als “Fossielvrij”, “ABP fossielvrij”, “Extinction Rebellion” en (al dan niet) in een samenwerking van (gemeente-)ambtenaren, met brieven, gesprekken, petities en demonstraties aandacht gevraagd voor hun principiële (milieu)bezwaren tegen beleggingsactiviteiten van het ABP in de fossiele industrie en voor hun wens dat ABP met die beleggingen zou stoppen. Verdachte en de medeverdachten zijn vanwege hun werk als (gemeente)ambtenaar via hun pensioenregeling automatisch aangesloten bij ABP. Weliswaar zijn er gesprekken geweest en zijn de wensen en noden van verdachte en de medeverdachten kenbaar gemaakt, echter was er geen significante wijziging gekomen in de beleggingsportefeuille van ABP op het punt van de fossiele industrie.
Dit veroorzaakte bij verdachte en de medeverdachten gevoelens van onmacht en een toenemend gevoel van urgentie om daartegen te ageren. Dit leidde tot de beslissing om op 17 juni 2020 naar het gebouw van APG toe te gaan, alwaar het ABP mede gevestigd is. Daar hebben verdachte en de medeverdachten vanaf ongeveer 12 uur ’s middags in de lobby een vreedzaam en deels zittend protest uitgevoerd met spandoeken. Bezoekers en passanten in de lobby konden vrijelijk in en uit. Schade is niet toegebracht. Verdachte en de medeverdachten zijn die hele middag ongemoeid gelaten.
Rond 19 uur diezelfde dag is door de beveiliging van het gebouw van verdachte en de medeverdachten gevorderd het gebouw te verlaten. Dit mede vanwege het sluitingsuur van het gebouw. Verdachte en de medeverdachten hebben aan die vordering niet voldaan en de politie heeft vervolgens het gebouw ontruimd, zonder daarbij geweld te hoeven gebruiken, hoewel enkele van de verdachten weggedragen moesten worden omdat zij zelf weigerden mee te lopen naar buiten. Zij zijn allen aangehouden en een krappe drie uur opgehouden voor verhoor en het uitreiken van een strafbeschikking.
Het hof overweegt over het toepasselijke recht het navolgende.
Het demonstratierecht is op verschillende wijzen verankerd in het internationale en nationale recht. Internationaal in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, als de vrijheid van meningsuiting respectievelijk de vrijheid van vreedzame vergadering en nationaal in artikel 9 van de Grondwet, als de vrijheid van vergadering en betoging.
Belangrijk vereiste is het vreedzame karakter van de vele vormen waarin van deze vrijheden gebruik kan worden gemaakt, zoals demonstraties, protestmarsen en sit-ins. Zonder vreedzaam karakter, waarbij overigens de meeste betekenis toekomt aan de intenties van organisatoren en deelnemers en niet zozeer hoe ordelijk het feitelijk verloop is, kan bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM niet worden ingeroepen.
Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) blijkt dat de uit bedoelde artikelen voortvloeiende demonstratievrijheid, een essentieel recht vormt binnen een democratische samenleving, waarin ruimte moet bestaan voor ontwikkeling en verandering van maatschappelijke opvattingen. Standpunten over maatschappelijke thema’s en actuele problemen moeten daartoe binnen bepaalde grenzen vrijelijk kunnen worden geuit, ook als dat gebeurt op een manier die door anderen als storend wordt ervaren. Die essentiële betekenis van het demonstratierecht voor de democratische rechtsstaat vraagt van politie en van overheidsambtenaren in het algemeen een bijzondere waakzaamheid om voor de uitoefening van dat recht zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, ruimte te bieden.
Het hof is van oordeel dat dit echter niet betekent dat het demonstratierecht een absoluut recht is; het demonstratierecht is, ondanks de essentiële betekenis ervan voor een goed functionerende democratie, niet onbeperkt. Uit de jurisprudentie van het EHRM leidt het hof af dat vanwege die essentiële betekenis de beperking van het demonstratierecht - kort samengevat - dient te zijn voorzien bij wet en noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving met het oog op de bescherming van een aantal opgesomde belangen, waaronder het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten of met het oog op de bescherming van de rechten van een ander.
Het recht toegepast op het onderhavige geval brengt het hof tot de volgende overwegingen.
De door verdachte en de medeverdachten georganiseerde en uitgevoerde demonstratie valt gezien de vreedzame wijze waarop deze is vorm gegeven, op zichzelf onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het EVRM.
Het hof ziet zichzelf vervolgens voor de vraag gesteld of in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor de beperking van het de verdachte en de medeverdachten toekomende demonstratierecht is voldaan en beantwoordt die vraag bevestigend.
De beperking bij wet betreft het gestelde in artikel 138 Wetboek van Strafrecht, dat de bescherming van het huisrecht van de ander voorop stelt.
De noodzaak van de beperking van het demonstratierecht, die bij wet is voorzien, wordt in dit geval gevonden in de bescherming van de rechten van een ander. Immers, met het huisrecht wordt het gebruiksrecht van woningen, besloten lokalen en erven beschermd. Legitimatie voor beperking van het demonstratierecht wordt daarbij in dit geval aldus gevonden in de bescherming van het huisrecht van een ander (APG), het recht om ongestoord gebruik te kunnen maken van het gebouw. Hiervan was in dezen sprake nu APG als gebruiker van het gebouw, een besloten lokaal in de zin van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, bescherming van zijn huisrecht mocht inroepen. De omstandigheden waaronder het protest plaatsvond, zoals die door de raadsvrouw zijn aangevoerd, maken dit niet anders.
Daarbij acht het hof van belang dat APG de demonstratie de gehele middag heeft toegestaan. De stelling van de raadsvrouw dat het protest maar van korte duur was, deelt het hof alleen al daarom niet. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is door verdachte en de medeverdachten aan de beveiliging meegedeeld dat het gebouw door hen pas verlaten zou worden als het ABP hun eisen zou inwilligen. Dat zij tot onderhandeling hierover bereid waren, is in dit verband niet van belang omdat dit uit hun uitingen niet is gebleken.
Voorts was het voor de verdachte en de medeverdachten mogelijk om - na daartoe gevorderd te zijn - het gebouw te verlaten en de demonstratie elders en in de buurt van het gebouw voort te zetten. De stelling dat dit geen zoden aan de dijk zou zetten, zoals door de verdachte ter zitting is aangevoerd, is – nog daargelaten wat de relevantie daarvan is voor de omvang van het gebruik van het huisrecht – niet vast te stellen.
Dit alles brengt het hof tot de navolgende conclusie.
Bij deze stand van zaken stelt het hof vast dat er sprake is geweest van een toelaatbare inperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk in ons recht verankerde demonstratierecht. Het hof verwerpt het verweer dan ook.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”
8. Voor de beoordeling van het middel is verder van belang dat het hof ten aanzien van de schuldigverklaring zonder oplegging van straf heeft overwogen:
“Het hof heeft bij het bepalen van de vraag of er in dit geval een straf dient te worden opgelegd of dat volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, zoals door de verdediging is bepleit, gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voorsoortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ‘lokaalvredebreuk’ door zich niet meteen te verwijderen uit de lobby van het kantoorpand van APG nadat zij daartoe was gevorderd door de rechthebbende. (De beveiliger van) AGP heeft uiteindelijk de politie ingeschakeld om de verdachte en de mededemonstranten uit het gebouw te verwijderen.
Hiervoor heeft het hof reeds overwogen hoe fundamenteel het demonstratierecht is, zolang dit vreedzaam wordt uitgeoefend. Ook heeft het hof overwogen dat dit niet maakt dat het demonstratierecht absoluut is. Een beperking ervan kan en mag worden toegepast in een democratische samenleving ter bescherming van een aantal specifiek omschreven belangen. Het fundamentele karakter van het demonstratierecht brengt wel met zich dat het hof dient te beoordelen of de wijze waarop dit recht in het onderhavige geval is ingeperkt de toets der proportionaliteit kan doorstaan.
De uitoefening van het demonstratierecht binnen het gebouw van de APG is met een beroep op bescherming van de rechten van anderen en onder toepassing van het wettelijk voorschrift van artikel 138 Wetboek van Strafrecht, beëindigd. De vraag is of de daarop volgende aanhouding, het ophouden voor verhoor en de ingezette strafvervolging met het uitreiken van een strafbeschikking, terecht waren, afgezet tegen de inperking van het demonstatierecht die dit voor de verdachte en de medeverdachten met zich bracht.
Dit is naar het oordeel van het hof niet het geval. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Het staat vast dat deze demonstratie een vreedzaam karakter had. Tijdens de demonstratie is niemand gehinderd bij het in- of uitgaan van de lobby van het gebouw van APG. Evenmin is schade toegebracht of andere hinder veroorzaakt. Onder die omstandigheden dient een gerechtvaardigde inperking van het demonstratierecht tot een absoluut minimum beperkt te blijven. Hierbij moet meegewogen worden dat met een op zichzelf gerechtvaardigde inperking van het demonstratierecht niet bereikt mag worden dat van de wijze van die inperking een verder beperkende werking (waaronder het “chilling effect”) naar de uitoefening van het demonstratierecht uitgaat.
Het hof is gezien het vorenstaande van oordeel dat volstaan had kunnen worden met het verwijderen van de verdachte en de medeverdachten uit de lobby van het gebouw. Daarna zou het recht om te demonstreren voor de verwijderde demonstranten niet verder zijn beperkt. De aanhouding, het ophouden voor verhoor en het uitreiken van de strafbeschikking leidden er nu toe dat de verdachte en de medeverdachten op dat moment hun demonstratierecht niet meer voort konden zetten. Die consequentie acht het hof niet proportioneel.
De door de advocaat-generaal geuite vrees voor onbeperkte inperking van eigendomsrechten of niet voldoen aan aanwijzingen van de politie, zou artikel 9a Wetboek van Strafrecht worden toegepast, wordt niet door het hof gedeeld. Mochten demonstranten zich verzetten tegen ontruiming dan wel terugkeren naar de plaats waar de politie hen zojuist verwijderd had, dan ontstaan nieuwe en andere strafbare feiten waarvoor aangehouden en vervolgd kan worden.
Het hof heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 maart 2022, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan onderhavig feit niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof heeft tot slot gelet op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Alles afwegende zal het hof toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van strafrecht, waardoor de verdachte weliswaar wordt schuldig verklaard aan het haar tenlastegelegde maar aan haar geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”
Het juridische kader
9. Het middel bevat onder meer de klacht dat het hof bij de verwerping van het verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging uitsluitend heeft uitgelegd waarom het ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ in de zin van art. 10 lid 2 EVRM en art. 11 lid 2 EVRM was dat (de deelname van de verdachte aan) de demonstratie werd beëindigd, maar dat het hof niet is ingegaan op het standpunt van de verdediging dat daarmee had kunnen worden volstaan en dat de daaropvolgende aanhouding en vervolging disproportioneel zijn in het licht van het doel van het voorkomen van publieke wanorde of van het beschermen van rechten van anderen. Volgens de steller van het middel heeft het hof daarmee miskend dat ook maatregelen na de (beëindigde) demonstratie kunnen bijdragen aan het oordeel dat tegenover de verdachte art. 10 en 11 EVRM zijn geschonden en heeft het hof bij de verwerping van het verweer ten onrechte in het midden gelaten waarom noodzakelijk was dat de verdachte ongeveer drie uren van haar vrijheid is beroofd en daarna strafrechtelijk is vervolgd.
10. Art. 10 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”
11. Art. 11 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:
“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.”
12. Art. 138 lid 1 Sr luidt:
“Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
13. Art. 94 Grondwet luidt:
“Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.”
14. Uit vaste rechtspraak van het EHRM blijkt dat klachten over een arrestatie in de context van een demonstratie worden getoetst aan art. 11 EVRM.2.In dat geval geldt art. 11 EVRM als een lex specialis ten opzichte van art. 10 EVRM.3.Wel beoordeelt het EHRM klachten over art. 11 EVRM onder omstandigheden in het licht van zijn rechtspraak over art. 10 EVRM, omdat een van de doelen van het vergaderingsrecht is dat individuele opvattingen kunnen worden geuit en juist dat laatste doel wordt beschermd door art. 10 EVRM.4.Daarom heeft het hof in lijn met rechtspraak over art. 10 EVRM onder meer geoordeeld dat een demonstratie onder art. 11 EVRM “may annoy or give offence” en dat de vorm van de demonstratie niet van belang is.5.Omdat voor de beoordeling van de voorliggende zaak de rechtspraak over art. 10 EVRM niet van belang is, beperk mij hierna tot art. 11 EVRM.
15. De reikwijdte van de vrijheid van vreedzame vergadering (art. 11 EVRM) wordt door het EHRM ruim uitgelegd. Daaronder vallen onder meer allerlei vormen van demonstraties. De Hoge Raad heeft in dit verband gewezen op protestmarsen, blokkades, bezettingen en – zoals in de voorliggende zaak – sit-ins.6.Ook de vraag welke vormen van overheidsoptreden als ‘beperkingen’ van het vergaderingsrecht in de zin van art. 11 lid 2 EVRM moeten worden gezien, wordt door het EHRM ruim beantwoord. Als beperking geldt niet alleen het feitelijk afbreken van een demonstratie, maar ook eventueel daaropvolgend strafrechtelijk optreden.7.De Hoge Raad heeft in dat kader gewezen op de volgende overwegingen van het EHRM in de zaak Kudrevičius en anderen/Litouwen:
“[...] the Court will establish whether the applicants’ right to freedom of assembly has been interfered with. It reiterates that the interference does not need to amount to an outright ban, legal or de facto, but can consist in various other measures taken by the authorities. The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards […]. For instance, a prior ban can have a chilling effect on the persons who intend to participate in a rally and thus amount to an interference, even if the rally subsequently proceeds without hindrance on the part of the authorities. A refusal to allow an individual to travel for the purpose of attending a meeting amounts to an interference as well. So too do measures taken by the authorities during a rally, such as dispersal of the rally or the arrest of participants, and penalties imposed for having taken part in a rally […].”8.
16. Wanneer sprake is van een beperking van het vergaderingsrecht, moet volgens art. 11 lid 2 EVRM worden getoetst of die beperking (i) een grondslag in het recht heeft,9.(ii) een van de in lid 2 genoemde doelen dient en (iii) noodzakelijk in een democratische samenleving is. Onder die laatste toets valt onder meer de proportionaliteit van de overheidsmaatregel: is de maatregel proportioneel ten opzichte van het in lid 2 omschreven doel waarop de beperking ziet? Bij de beoordeling van de proportionaliteit verschilt de beoordelingsruimte van de staat – de ‘margin of appreciation’ – per zaak. Die is onder meer afhankelijk van de vraag of het onderwerp onder de verdragspartijen controversieel is, of de kern van een recht in het geding is en of er plaatselijke omstandigheden meespelen die beter door de staat kunnen worden beoordeeld.10.Ook hecht het EHRM daarbij in toenemende mate waarde aan de kwaliteit van de toetsing op nationaal niveau.11.
17. Indien het overheidsoptreden na afloop van een demonstratie disproportioneel is ten opzichte van de in art. 11 lid 2 EVRM genoemde doelen, dan is de beperking van het vergaderingsrecht niet ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ en levert dit strijd op met art. 11 EVRM. Indien dan toch wordt vervolgd, zal de strafrechter naar Nederlands recht op grond van art. 94 Grondwet de strafbepaling(en) waarop de dagvaarding berust buiten toepassing dienen te laten. Een geslaagd beroep op art. 11 EVRM brengt mee dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is en dit leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging (art. 350 Sv jo. art. 352 lid 2 eerste volzin Sv).12.
De beoordeling van het middel
18. In de voorliggende zaak heeft het hof kort gezegd geoordeeld dat (i) het afbreken van de demonstratie een gerechtvaardigde beperking van de in art. 10 en 11 EVRM omschreven rechten is geweest en (ii) de daaropvolgende aanhouding, ophouding voor verhoor en de ingezette strafvervolging met het uitreiken van een strafbeschikking disproportioneel zijn geweest omdat de verdachten daardoor hun demonstratie niet meer konden voortzetten. Het hof heeft het onder (i) weergegeven oordeel gegeven in het kader van de vraag naar de strafbaarheid van het feit en het onder (ii) weergegeven oordeel pas in het kader van de strafoplegging. Het hof heeft het feit strafbaar geacht en heeft de verdachte vervolgens veroordeeld zonder oplegging van een straf of maatregel.
19. Met de steller van het middel ben ik van oordeel dat het hof ten onrechte het onder (ii) weergegeven oordeel niet al heeft betrokken bij de vraag naar de strafbaarheid van het feit maar pas bij de strafoplegging. Uit de hiervoor weergegeven rechtspraak van het EHRM volgt immers dat niet alleen het feitelijk afbreken van de demonstratie onderdeel is van de beperking van het in art. 11 EVRM omschreven recht, maar ook het daaropvolgende strafrechtelijke ingrijpen. In het licht van art. 94 Grondwet had het hof dan ook bij de beoordeling van het verweer en de strafbaarheid van het feit al moeten toetsen of het overheidsoptreden na afloop van de demonstratie ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ was ter bescherming van de in art. 11 lid 2 EVRM omschreven doelen, en had het hof – bij een negatieve beantwoording van die vraag – art. 138 Sr buiten toepassing moeten laten en de verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging. Daarmee geven de verwerping van het verweer dat strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging en het daaropvolgende oordeel dat het bewezenverklaarde strafbaar is, blijk van een onjuiste rechtsopvatting en slaagt het middel.
20. Ik heb mij vervolgens afgevraagd of het voorgaande tot terugwijzing moet leiden of dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.13.In dat verband is van belang dat het hof bij de strafmotivering ondubbelzinnig heeft geoordeeld dat onder meer de ingezette strafvervolging met het uitreiken van de strafbeschikking disproportioneel was omdat mede daardoor de demonstranten hun demonstratierecht niet konden voortzetten. Dat oordeel is sterk verweven met vaststellingen van feitelijke aard, zodat in cassatie van die beoordeling van het hof kan worden uitgegaan.14.Het probleem in deze zaak is slechts dat het hof daaraan in het beslissingsmodel een onjuiste conclusie heeft verbonden, namelijk dat die disproportionaliteit moet worden verdisconteerd bij de strafoplegging in plaats van bij de beoordeling van de strafbaarheid van het feit. Daarmee kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door de juiste juridische conclusie te verbinden aan de beoordeling van het hof, namelijk dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Slotsom
21. Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
22. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 20 juni 2022. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Gelet op de beslissing die ik hierna voorstel, kan de Hoge Raad mijn inziens volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.15.Ook verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, de strafbaarverklaring van de verdachte daarvoor en de strafoplegging, tot ontslag van de verdachte van alle rechtsvervolging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑08‑2024
EHRM (GK) 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a., par. 101 (Navalnyy/Rusland). Daar wordt verwezen naar EHRM 26 april 1991, nr. 11800/85, par. 35 (Ezelin/Frankrijk). In Jacobs, White and Ovey. The European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2021, p. 530 wordt in dat kader gesteld dat het EHRM art. 11 EVRM en niet art. 10 EVRM toepast als “the essence of the applicant’s complaint relates to participation in a demonstration” (met enkele uitzonderingen in de voetnoot daarbij).
EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 37553/05, par. 85 (Kudrevičius en anderen/Litouwen) en EHRM (GK) 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a., par. 101 (Navalnyy/Rusland).
EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 37553/05, par. 86 (Kudrevičius en anderen/Litouwen) en EHRM (GK) 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a., par. 101-102 (Navalnyy/Rusland). Zie voor een bekend voorbeeld waarin het EHRM tot een schending komt van art. 11 EVRM en daarbij art. 9 en 10 EVRM meeweegt maar niet zelfstandig bespreekt: EHRM 13 augustus 1981, nr. 7601/76 en 7806/77, par. 57 en 66 (Young, James en Webster/Verenigd Koninkrijk).
Harris, O’Boyle and Warbrick. Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2023, p. 693.
HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742, r.o. 2.3.2 (Shell) en HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1743, r.o. 3.3.2 (demonstratie in vliegtuig). Voor sit-ins wijs ik op EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99, par. 39-40 (Cisse/Frankrijk).
Mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt wijst er in zijn conclusie van 19 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:815, onder 22, op dat het EHRM bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van een beperking een ‘overall’ toets aanlegt: “Ingeval verschillende maatregelen zijn genomen, beschouwt het Hof deze gezamenlijk als de ‘interference’. Als bijvoorbeeld een betoging is beëindigd, iemand is aangehouden, in voorarrest heeft gezeten, is vervolgd en veroordeeld (al dan niet tot een gevangenisstraf), vormen al die maatregelen tezamen de beperking waarover het Hof zich buigt.” Hij wijst daarbij op onder meer EHRM (GK) 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a., par. 113 (Navalnyy/Rusland): “the dispersal of the gathering and the applicant’s arrest, transfer to a police station, detention and the administrative sanctions constituted an interference”.
EHRM (GK) 15 oktober 2015, nr. 37553/05, par. 100 (Kudrevičius en anderen/Litouwen). Herhaald in EHRM (GK) 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a., par. 103 (Navalnyy/Rusland). Geciteerd in HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126, NJ 2022/222, m.nt. E.J. Dommering, r.o. 2.3.3 (RAI), HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1742, r.o. 2.3.4 (Shell) en HR 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1743, r.o. 3.3.4 (demonstratie in vliegtuig).
Deze definitie is ruim en omvat al het geschreven en ongeschreven recht dat toegankelijk en voorzienbaar is. Zie EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74, par. 47 en 49 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk).
Voor voorbeelden zie Jacobs, White and Ovey. The European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2021, p. 366-373 en Harris, O’Boyle and Warbrick. Law of the European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2023, p. 14-17.
Jacobs, White and Ovey. The European Convention on Human Rights, Oxford University Press 2021, p. 81-82 en 366-367. Daar wordt onder meer verwezen naar EHRM 22 april 2013 (GK), nr. 48876/08, par. 108 (Animal Defenders International/Verenigd Koninkrijk). Daarin staat onder meer: “It emerges from that case-law that, in order to determine the proportionality of a general measure, the Court must primarily assess the legislative choices underlying it […]. The quality of the parliamentary and judicial review of the necessity of the measure is of particular importance in this respect, including to the operation of the relevant margin of appreciation […].”
Zoals door het hof was geoordeeld in de zaken die ten grondslag lagen aan HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7750, NJ 2009/379, m.nt. E.J. Dommering (Reisbureau Rita) en HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:220, NJ 2017/259, m.nt. E.J. Dommering (Mein Kampf). Vgl. ook de conclusie van procureur-generaal Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2023:815, onder 23.
Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1683 en ECLI:NL:HR:2020:1687, r.o. 2.5.
Het oordeel lijkt mij ook niet onbegrijpelijk, gelet op de vaststellingen van het hof over het vreedzame verloop van de demonstratie.
Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.3.
Beroepschrift 03‑05‑2023
SCHRIFTUUR, HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
In de zaak tegen
verzoekster | [verdachte] |
geboortedatum | [geboortedatum] 1986 |
adres | [adres] |
postcode en woonplaats | [postcode] [woonplaats] |
Bestreden uitspraak
instantie | gerechtshof 's‑Hertogenbosch |
datum uitspraak | 13 juni 2022 |
parketnummer | 20-003035-21 |
Middel
Het recht (waaronder de artikelen 10 en 11 EVRM en de artikelen 19 en 21 IVBPR) is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften, doordat het door het hof ten onrechte heeft bevestigd het vonnis ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde en/of doordat 's hof op onjuiste en/of onbegrijpelijke, althans ontoereikend gemotiveerde, gronden het bewezenverklaarde strafbaar heeft geoordeeld en/of 's hofs verwerping van het verweer, strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans het hof dit verweer op onbegrijpelijke, althans ontoereikende gronden heeft verworpen.
Toelichting
1.
De door het hof bevestigde bewezenverklaring houdt in dat ten laste van verzoekster bewezen is verklaard dat zij
‘op 17 juni 2021 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, in het besloten lokaal, te weten een bedrijfspand bij APG Pensioenfonds in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met zijn mededaders, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd’.
2.
Verzoeksters raadsvrouw mr. N.C.M.L. Bloebaum heeft bepleit dat verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de jegens verzoekster genomen strafrechtelijke maatregelen, de aanhouding, het ophouden voor het onderzoek en de strafrechtelijke vervolging, niet ‘necessary in a democratic society’ als bedoeld in artikel 10 lid 2 en/of artikel 11 lid 2 EVRM kan worden geoordeeld. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd (met weglating van de voetnoten):
‘Ovar
Het op 17 juni jl. tijdens de demonstratie van cliënten strafrechtelijk ingrijpen vormt een beperking op het demonstratierecht van cliënten, op het recht op vrijheid van meningsuiting en/of op het recht op een vreedzame vergadering. Zo'n beperking is gelet op de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 van het EVRM enkel toelaatbaar als deze necessary in a democratic society (noodzakelijk in een democratische samenleving) is. Er is bijzonder veel Europese rechtspraak 1 op dit gebied te vinden, maar ik zal vandaag enkel de meest belangrijke en recente onderdelen daarvan met u bespreken. Vervolgens zal ik een opsomming maken van belangrijke onderdelen die tezamen maken dat ik meen dat het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van het EVRM zijn geschonden.
1. Demonstratievorm komt bescherming EVRM/IVBPR toe
De demonstratie was een zogenaamde ‘sit-in’ bezetting die als demonstatievorm bescherming toekomt van het IVBPR en het EVRM.
2. Demonstratie was vreedzaam
Cliënten zaten in de lobby van het ABP gebouw op de grond en er lagen spandoeken voor ze op de grond. Er is op geen enkele wijze geweld gebruikt en er zijn geen vernielingen aangebracht. Er is door het merendeel van de verdachten geen verzet bij aanhouding gepleegd (enkele personen pleegden passief verzet) en de actie is op geen enkele wijze gepaard gegaan met strafbare feiten en/of wanordelijkheden. Bovendien heeft er geen blokkade plaatsgevonden door de demonstratie: eenieder kon probleemloos in en uit het gebouw lopen. Daar kom ik overigens later, bij punt 9., nog op terug.
Een intentie tot ernstige verstoring van de openbare orde was, gezien de aard van de actie, volstrekt niet aan de orde. Cliënten hebben hun actie zorgvuldig uitgevoerd. Dat zij enkel vreedzame intenties hadden, blijkt ook uit de aanwezigheid van woordvoerders. Het was uiteraard de bedoeling de actie in goede banen te laten verlopen.
3. Demonstratie was van beperkte duur
De actie was van beperkte duur en is vrij snel na aanvang reeds tot een eind gekomen. De actie heeft in totaal slechts enkele uren geduurd, en dit is voor een demonstratie zeer zeker een beperkte duur. Ik noem in dat kader bijvoorbeeld de demonstratie in het Sterrebos, nog niet zo lang geleden bij VDL in Born. Die actie heeft ruim anderhalve week geduurd. Maar ook de actie van afgelopen week in Rotterdam heeft bijvoorbeeld een hele dag geduurd.
4. Geringe inbreuk op eigendomsrecht ABP
Er is geen aangifte gedaan door het ABP. Sterker nog, het ABP heeft zeer onlangs2 nog besloten om inderdaad te stoppen met het beleggen in producenten van fossiele brandstoffen: exact hetgeen de actie van 17 juni jl. op zag.
Ik meen dan ook dat er geen, of hoogstens slechts zeer geringe, inbreuk op de rechten van het ABP en de daar werkzame personen is gemaakt.
5. Geen schade
Ik zei het al eerder onder punt 2: er is geen schade veroorzaakt door cliënten.
6. Geen verzet bij aanhouding
Ook dit valt onder het eerder genoemde punt 2: er is geen actief verzet bij aanhouding gepleegd door cliënten. Het passieve verzet van enkele verdachten heeft niet geleid tot enig probleem bij aanhouding.
7. Cliënten hebben zich allen direct gelegitimeerd
Cliënten hebben zich allen direct gelegitimeerd met een geldig legitimatiebewijs. Ook dit is bij verschillende demonstraties zeer regelmatig niet het geval.
8. Langdurig ophouden voor onderzoek i.p.v. volstaan met verwijderen uit gebouw
Cliënten zijn van mening dat in dit geval volstaan had kunnen en moeten worden met de verwijdering van cliënten uit het ABP gebouw. Zoals bij u bekend zijn cliënten echter aangehouden en zijn zij vervolgens ongeveer drie uren van hun vrijheid beroofd.
9. Geen redelijk alternatief geboden
Tot slot één van de belangrijkste punten die wat mij betreft moet leiden tot de conclusie dat er hier sprake is van strijd met de artikelen 10 en 11 van het EVRM: er is aan cliënten géén alternatief geboden om op een andere locatie verder te demonstreren. Dit had wel gemoeten wanneer je aan het noodzakelijkheidsvereiste van het strafrechtelijk ingrijpen wilt voldoen. En in de praktijk zien we ook dat dit eigenlijk altijd wel gebeurt en dat dat dan ook het punt is waarop het verweer vanuit de zijde van de verdediging wordt verworpen.
Het bieden van een redelijk alternatief om elders te demonstreren was bijvoorbeeld in het geval van Gerechtshof Amsterdam d.d. 28 augustus 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2378 wel gebeurd. Het Hof neemt in die uitspraak het feit dat de demonstranten een redelijk alternatief werd geboden om op een andere locatie verder te demonstreren, maar dat de verdachten daaraan geen gevolg wilden geven, mee als onderbouwing om (toch) tot een bewezenverklaring te komen. Het hof overweegt:
‘Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrijheid om te demonstreren geen absoluut recht is en zijn grenzen vindt in de rechten van anderen. Aan de verdachten is vervolgens een redelijk alternatief geboden om buiten het RAI-gebouw te demonstreren, waaraan zij geen gevolg wilden geven. Op het moment dat de verdachten — zonder reden — aangaven geen gebruik te willen maken van dit meermalen geboden alternatief om op een andere plaats hun demonstratierecht (verder) uit te oefenen, bestond naar het oordeel van het hof een dringende maatschappelijke noodzaak het recht op demonstratie te beperken.’
In de cassatieprocedure van deze zaak heeft inmiddels de Hoge Raad uitspraak gedaan op 8 februari 2022. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is, en neemt het bijzonder in overweging dat is gebleken dat de verdachten meermaals de mogelijkheden geboden kregen om op een andere locatie, te weten bij de ingang van de vakbeurs hun demonstratie voort te zetten (r.o. 2.5.2).
Een ander punt wat de Hoge Raad overweegt om de conclusie van het Hof dat er geen schending met de artikelen 10 en 11 van het EVRM heeft plaatsgevonden als begrijpelijk en juist te bestempelen, is dat in dat geval er tevens sprake was van een belemmering van het bouwbedrijf om haar activiteiten in de RAI te verwezenlijken door de plaats van de demonstratie (r.o. 2.5.1).
Beide punten die door de Hoge Raad zo van belang worden geacht om tot de conclusie te komen dat het oordeel van het Hof niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is (en het verweer van de verdediging derhalve werd verworpen), zijn in de onderhavige strafzaak echt wezenlijk anders. Cliënten kregen geen redelijk alternatief geboden om verder te demonstreren en hebben bovendien geen werkzaamheden of ingangen belemmerd. Dat maakt dat ik tot de volgende conclusie kom.
Conclusie
Door cliënten aan te houden op 17 juni jl. en hen vervolgens op te houden voor onderzoek werd het demonstratierecht ingeperkt, is inbreuk gemaakt op hun recht op vrijheid van meningsuiting en op hun recht op vreedzame vergadering. De inbreuk op de artikelen 10 en 11 van het EVRM kunnen gelet op het voorgaande niet necessary in a democratic society (noodzakelijk in een democratische samenleving) worden geacht. Evenmin kan de aanhouding en strafrechtelijke vervolging van cliënten proportioneel worden geacht in het licht van het doel van het voorkomen van publieke wanorde of van het beschermen van de rechten van anderen. Zeker niet nu het ABP zelf notabene geen aangifte heeft gedaan en in zekere zin gehoor heeft gegeven aan de boodschap die cliënten op 17 juni jl. hadden: het verzoek om te stoppen met investeringen in fossiele brandstoffen.
Het gaat om hele fundamentele rechten, waarvan niet alleen Europa, maar ook Nederland vindt, dat die slechts onder bepaalde omstandigheden mogen worden ingeperkt. Juist een demonstratie als deze, onder de omstandigheden zoals die waren op 17 juni 2021 en waarin aan alle punten die in de Europese en Nederlandse jurisprudentie belangrijk worden gevonden wordt voldaan, zo'n demonstratie moeten wij met zijn allen niet willen inperken en beperken door het strafrecht. En dat is ook de reden waarom wij hier vandaag opnieuw zijn.
Dit onderwerp leeft. Er worden zeer regelmatig uitspraken op dit punt gedaan door verschillende rechters in het land. Als u het mij vraagt is het heel erg belangrijk dat er een hele concrete afbakening wordt gegeven van wat wél en wat niet door de beugel kan bij demonstraties. We hebben uit de jurisprudentie al een hele lijst met voorwaarden gekregen, die hebben we uitvoerig besproken, en dat kan dan in dat geval maar tot één conclusie leiden.
Artikel 94 van de Grondwet luidt:
‘Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.’
Ik ga u gelet op het voorgaande primair verzoeken cliënten te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu ik meen dat u artikel 138 Sr buiten toepassing zou moeten laten wegens strijd met de artikelen 10 en 11 van het EVRM.’
3.
Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:
‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte en de medeverdachten dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het strafrechtelijk ingrijpen tijdens de demonstratie op 17 juni 2021 een beperking vormt op het demonstratierecht, het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op een vreedzame vergadering van verdachte en de medeverdachten.
Deze inbreuk was, gelet op de artikelen 10 en 11 Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) niet noodzakelijk in een democratische samenleving nu sprake was van een conform het internationale recht beschermde demonstratievorm (een zogenaamde ‘sit-in’), die vreedzaam van karakter was en beperkt in duur. Er werd geen schade veroorzaakt maar slechts een geringe inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van APG (de benadeelde), terwijl geen redelijk alternatief voor de sit-in werd geboden. Voorts werd bij de aanhouding geen verzet gepleegd en hebben verdachte en de medeverdachten zich direct gelegitimeerd. Verdachte en de medeverdachten zijn daarna onnodig lang (ongeveer drie uur) opgehouden voor onderzoek na aanhouding.
(…)
Het oordeel van het hof
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte en de medeverdachten hebben op 17 juni 2020 een zogenaamde ‘sit-in’ gehouden in Heerlen in de lobby van het gebouw van Algemeen Pensioen Groep NV (hierna: APG), uitvoeringsorganisatie binnen de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) en hebben geweigerd het pand op vordering van de rechthebbende te verlaten.
In de aanloop naar dat feit hadden verdachte en de medeverdachten reeds meermalen vanaf 2013 in wisselende samenstellingen en (al dan niet) deel uit makend van samenwerkingsverbanden als ‘Fossielvrij’, ‘ABP fossielvrij’, ‘Extinction Rebellion’ en (al dan niet) in een samenwerking van (gemeente-)ambtenaren, met brieven, gesprekken, petities en demonstraties aandacht gevraagd voor hun principiële (milieu)bezwaren tegen beleggingsactiviteiten van het ABP in de fossiele industrie en voor hun wens dat ABP met die beleggingen zou stoppen. Verdachte en de medeverdachten zijn vanwege hun werk als (gemeente)ambtenaar via hun pensioenregeling automatisch aangesloten bij ABP.
Weliswaar zijn er gesprekken geweest en zijn de wensen en noden van verdachte en de medeverdachten kenbaar gemaakt, echter was er geen significante wijziging gekomen in de beleggingsportefeuille van ABP op het punt van de fossiele industrie.
Dit veroorzaakte bij verdachte en de medeverdachten gevoelens van onmacht en een toenemend gevoel van urgentie om daartegen te ageren. Dit leidde tot de beslissing om op 17 juni 2020 naar het gebouw van APG toe te gaan, alwaar het ABP mede gevestigd is.
Daar hebben verdachte en de medeverdachten vanaf ongeveer 12 uur 's middags in de lobby een vreedzaam en deels zittend protest uitgevoerd met spandoeken. Bezoekers en passanten in de lobby konden vrijelijk in en uit. Schade is niet toegebracht. Verdachte en de medeverdachten zijn die hele middag ongemoeid gelaten.
Rond 19 uur diezelfde dag is door de beveiliging van het gebouw van verdachte en de medeverdachten gevorderd het gebouw te verlaten. Dit mede vanwege het sluitingsuur van het gebouw. Verdachte en de medeverdachten hebben aan die vordering niet voldaan en de politie heeft vervolgens het gebouw ontruimd, zonder daarbij geweld te hoeven gebruiken, hoewel enkele van de verdachten weggedragen moesten worden omdat zij zelf weigerden mee te lopen naar buiten. Zij zijn allen aangehouden en een krappe drie uur opgehouden voor verhoor en het uitreiken van een strafbeschikking.
Het hof overweegt over het toepasselijke recht het navolgende.
Het demonstratierecht is op verschillende wijzen verankerd in het internationale en nationale recht. Internationaal in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, als de vrijheid van meningsuiting respectievelijk de vrijheid van vreedzame vergadering en nationaal in artikel 9 van de Grondwet, als de vrijheid van vergadering en betoging.
Belangrijk vereiste is het vreedzame karakter van de vele vormen waarin van deze vrijheden gebruik kan worden gemaakt, zoals demonstraties, protestmarsen en sit-ins. Zonder vreedzaam karakter, waarbij overigens de meeste betekenis toekomt aan de intenties van organisatoren en deelnemers en niet zozeer hoe ordelijk het feitelijk verloop is, kan bescherming van de artikelen 10 en 11 EVRM niet worden ingeroepen.
Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) blijkt dat de uit bedoelde artikelen voortvloeiende demonstratievrijheid, een essentieel recht vormt binnen een democratische samenleving, waarin ruimte moet bestaan voor ontwikkeling en verandering van maatschappelijke opvattingen. Standpunten over maatschappelijke thema's en actuele problemen moeten daartoe binnen bepaalde grenzen vrijelijk kunnen worden geuit, ook als dat gebeurt op een manier die door anderen als storend wordt ervaren. Die essentiële betekenis van het demonstratierecht voor de democratische rechtsstaat vraagt van politie en van overheidsambtenaren in het algemeen een bijzondere waakzaamheid om voor de uitoefening van dat recht zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, ruimte te bieden.
Het hof is van oordeel dat dit echter niet betekent dat het demonstratierecht een absoluut recht is; het demonstratierecht is, ondanks de essentiële betekenis ervan voor een goed functionerende democratie, niet onbeperkt. Uit de jurisprudentie van het EHRM leidt het hof af dat vanwege die essentiële betekenis de beperking van het demonstratierecht — kort samengevat — dient te zijn voorzien bij wet en noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving met het oog op de bescherming van een aantal opgesomde belangen, waaronder het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten of met het oog op de bescherming van de rechten van een ander.
Het recht toegepast op het onderhavige geval brengt het hof tot de volgende overwegingen.
De door verdachte en de medeverdachten georganiseerde en uitgevoerde demonstratie valt gezien de vreedzame wijze waarop deze is vorm gegeven, op zichzelf onder de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het EVRM.
Het hof ziet zichzelf vervolgens voor de vraag gesteld of in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor de beperking van het de verdachte en de medeverdachten toekomende demonstratierecht is voldaan en beantwoordt die vraag bevestigend.
De beperking bij wet betreft het gestelde in artikel 138 Wetboek van Strafrecht, dat de bescherming van het huisrecht van de ander voorop stelt.
De noodzaak van de beperking van het demonstratierecht, die bij wet is voorzien, wordt in dit geval gevonden in de bescherming van de rechten van een ander. Immers, met het huisrecht wordt het gebruiksrecht van woningen, besloten lokalen en erven beschermd. Legitimatie voor beperking van het demonstratierecht wordt daarbij in dit geval aldus gevonden in de bescherming van het huisrecht van een ander (APG), het recht om ongestoord gebruik te kunnen maken van het gebouw. Hiervan was in dezen sprake nu APG als gebruiker van het gebouw, een besloten lokaal in de zin van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, bescherming van zijn huisrecht mocht inroepen. De omstandigheden waaronder het protest plaatsvond, zoals die door de raadsvrouw zijn aangevoerd, maken dit niet anders.
Daarbij acht het hof van belang dat APG de demonstratie de gehele middag heeft toegestaan. De stelling van de raadsvrouw dat het protest maar van korte duur was, deelt het hof alleen al daarom niet. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is door verdachte en de medeverdachten aan de beveiliging meegedeeld dat het gebouw door hen pas verlaten zou worden als het ABP hun eisen zou inwilligen. Dat zij tot onderhandeling hierover bereid waren, is in dit verband niet van belang omdat dit uit hun uitingen niet is gebleken.
Voorts was het voor de verdachte en de medeverdachten mogelijk om — na daartoe gevorderd te zijn — het gebouw te verlaten en de demonstratie elders en in de buurt van het gebouw voort te zetten. De stelling dat dit geen zoden aan de dijk zou zetten, zoals door een der verdachten ter zitting is aangevoerd, en dat door verdachte werd beaamd, is — nog daargelaten wat de relevantie daarvan is voor de omvang van het gebruik van het huisrecht — niet vast te stellen.
Dit alles brengt het hof tot de navolgende conclusie.
Bij deze stand van zaken stelt het hof vast dat er sprake is geweest van een toelaatbare inperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk in ons recht verankerde demonstratierecht. Het hof verwerpt het verweer dan ook.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.’
De klacht
4.
's Hofs verwerping van het verweer tot ontslag van alle rechtsvervolging, en/of diens bevestiging van het oordeel dat het bewezenverklaarde strafbaar is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd.
5.
Het volgende juridisch kader is van belang.
6.
Vooropgesteld zij dat de omstandigheid, dat sprake is van een inbreuk op het door het EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, volgens Uw Raad van belang is voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit strafbaar is.1. Aannemelijk is dat hetzelfde geldt voor een inbreuk op het recht op vreedzame vergadering zoals neergelegd in artikel 11 EVRM.
7.
Het EHRM beschouwt het recht op vreedzame vergadering, waarvan de demonstratievrijheid — naast de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM — wordt afgeleid, als één van de fundamenten van een democratische samenleving.2. Om die reden mag dit recht niet restrictief worden geïnterpreteerd. Als gevolg daarvan worden allerhande samenkomsten onder artikel 11 EVRM gebracht, waaronder demonstraties, statische protesten, sit-ins, bezettingen en blokkades.3.
8.
Ook protesten die niet plaatsvinden op een openbare plaats zoals bedoeld in de Wet openbare manifestaties worden beschermd door de fundamentele vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 10 en 11 EVRM.4.
9.
Artikel 11 EVRM omvat het recht om de tijd, plaats en het verloop van de bijeenkomst te kiezen:
‘The right to freedom of assembly includes the right to choose the time, place and manner of conduct of the assembly in question, within the limits established in paragraph 2 of Article 11 (…).’5.
10.
Volgens het EHRM is namelijk een van de doelstellingen van de vrijheid van vergadering
‘to secure a forum for public debate and the open expression of protest (…). The protection of opinions and the freedom to express them is one of the objectives of the freedom of assembly enshrined in Article 11 (…).’6.
11.
In bijvoorbeeld Lashmankin and Others tegen Rusland heeft het EHRM overwogen dat het doel van een bijeenkomst vaak verbonden is met een bepaalde locatie en tijd, zodat deze kan plaatsvinden in het zicht en binnen gehoorsafstand van het doelwit, op een tijdstip waarop de boodschap de grootste impact kan hebben.7.
12.
Het recht de meest geschikte tijd en plaats voor de bijeenkomst te kiezen gaat in de sfeer van de vrijheid van expressie echter niet zover dat artikel 10 EVRM de burger ‘any freedom of forum for the exercise of that right’ toekent, en evenmin ‘the automatic creation of rights of entry to private property’ vereist.8.
13.
De inhoud van de tijdens een demonstratie te openbaren gedachten en gevoelens is volgens Loof, Barkhuyzen en Gerards niet relevant.9. Dit blijkt ook uit de Wet openbare manifestaties, waarin de wetgever bepaalt dat een beperking van een betoging geen betrekking kan hebben op de inhoud van de te openbaren gedachten of gevoelens.10. Meningsuiting kan zich tijdens een demonstratie op vele verschillende manieren openbaren. ‘De creativiteit van activisten bij de keuze van de middelen lijkt hier onbeperkt gezien de steeds weer nieuwe varianten die de publiciteit halen’, aldus Schilder.11. Betogers zijn volgens het EHRM in beginsel vrij om onder meer de demonstratievorm en -inhoud zelf te kiezen.12. De inhoud van de boodschap die de organisator van een demonstratie wenst te uiten is op zichzelf geen reden om een vergadering buiten het beschermingsbereik van artikel 11 EVRM te plaatsen.13. Ook een uiting tijdens een demonstratie die provocerend is, valt dientengevolge onder de bescherming van artikel 10 en 11 EVRM.14.
14.
De rechten die de artikelen 10 en 11 EVRM garanderen zijn, zo bleek deels al uit het vorenstaande, niet absoluut. Deze kunnen worden ingeperkt, mits de beperkende maatregelen voldoen aan de strikte eisen die zijn neergelegd in telkens het tweede lid van beide bepalingen. Zo moet een inperking bij wet zijn voorzien en een legitiem doel dienen als vervat deze bepalingen. Deze doelen zijn restrictief opgesomd en luiden onder meer:
‘the prevention of disorder or crime’
en
‘the protection of the (…) rights of others.’
15.
Het enkele bestaan van een legitiem doel is echter niet voldoende om te beslissen dat een genomen maatregel rechtmatig is.15. Een belangrijk volgend vereiste is dat een genomen maatregel ‘necessary in a democratic society’ is.
16.
In het Sunday Times-arrest heeft het EHRM het noodzakelijkheidsvereiste ingedeeld in een aantal aspecten.16. In de eerste plaats dient de beperkende maatregel geschikt te zijn om het gestelde doel te bereiken. In de tweede plaats dient er geen minder vergaande maatregel te zijn die hetzelfde doel kan bereiken. Dit zogenoemde subsidiariteitsvereiste komt erop neer dat wanneer duidelijk is dat de autoriteiten hadden kunnen volstaan met minder vergaande beperkingen, deze alternatieven gekozen hadden moeten worden. In de derde plaats dient het door de maatregel gediende belang op te wegen tegen de beperking: de beperking moet beantwoorden aan een ‘pressing social need’, proportioneel zijn in relatie tot het nagestreefde doel en gebaseerd zijn op ‘relevant and sufficient reasons’.17.
17.
Wat betreft de toetsing van de vraag of sprake is van een ‘pressing social need’ heeft het EHRM geoordeeld dat de lidstaten slechts een zekere beoordelingsvrijheid hebben:
‘The Court reiterates that the notion of necessity implies that the interference corresponds to a pressing social need and, in particular, that it is proportionate to the legitimate aim pursued. The Contracting States have a certain margin of appreciation in assessing whether such a need exists, but it is for the Court to give the final ruling on whether a restriction is reconcilable with the rights protected by the Convention. In carrying out its scrutiny, the Court must look at the interference complained of in the light of the case as a whole and determine, after having established that it pursued a legitimate aim, whether it was proportionate to that aim and whether the reasons adduced by the national authorities to justify it were ‘relevant and sufficient’ (…).’18.
18.
Blijkens de rechtspraak van het EHRM ligt bij de beoordeling van de vraag, of een beperking voldoet aan de eisen van artikel 11 lid 2 EVRM, het zwaartepunt bij de ‘necessity’-test.19. Ten aanzien van deze test stelt het EHRM voorop dat de lidstaten
‘must not only safeguard the right to assemble peacefully but also refrain from applying unreasonable indirect restrictions upon that right. In view of the essential nature of freedom of assembly and its close relationship with democracy there must be convincing and compelling reasons to justify an interference with this right (…).’20.
19.
In dit licht bezien is het begrijpelijk dat in Straatsburg aan ‘necessary’ een strikte betekenis wordt gegeven. Dit vereiste mag niet worden ingevuld met ‘nuttig’, ‘redelijk’ of ‘wenselijk’.21.
20.
Als de ‘necessity’-test niet wordt gehaald, vormt het feit dat een relatief lage sanctie is opgelegd niet een compenserende factor:
‘That the amount of the fine was relatively small does not detract from the fact that the interference was not ‘necessary in a democratic society’.’22.
21.
Volgens Roorda, Brouwer en Schilder zijn niet alleen de aard en de ernst van de (strafbare) gedraging van de demonstrant, maar ook de aard en de ernst van de beperkende maatregel relevante factoren bij de beoordeling of de beperking proportioneel is in relatie tot het beoogde doel. In het bijzonder vereisen, zo stellen zij vast, maatregelen van strafrechtelijke aard rechtvaardiging.23.
22.
In verband hiermee komt ook gewicht toe aan maatregelen, die door de autoriteiten zijn genomen na een ‘act of assembly’24. Het gaat dan om bijvoorbeeld de arrestatie van een demonstrant25., daarop aansluitende detentie in het politiebureau26., strafrechtelijke vervolging27. en het opleggen van bestraffende maatregelen.28. Deze maatregelen kunnen, op zichzelf of in samenhang beschouwd, de balans doen omslaan in het oordeel, dat artikel 10 en/of 11 EVRM is geschonden.
23.
Wat betreft de aanhouding van een demonstrant dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de perceptie van de politie ter plaatse, die mag overgaan tot aanhouding op grond van een redelijk schuldvermoeden, en de beoordeling van de proportionaliteit van die aanhouding achteraf tijdens het onderzoek ter terechtzitting, in het licht van de artikelen 10 en 11 EVRM. Dit is als volgt verwoord door het Supreme Court van het Verenigd Koninkrijk:
‘Article 11(2) states that ‘No restrictions shall be placed’ except ‘such as are prescribed by law and are necessary in a democratic society …’ In Kudrevičius v Lithuania (2016) 62 EHRR 34, para 100 the European Court of Human Rights (‘ECtHR’) stated that ‘The term ‘restrictions’ in article 11(2) must be interpreted as including both measures taken before or during a gathering and those, such as punitive measures, taken afterwards’ so that it accepted at para 101 ‘that the applicants' conviction for their participation in the demonstrations at issue amounted to an interference with their right to freedom of peaceful assembly’. Arrest, prosecution, conviction, and sentence are all ‘restrictions’ within both articles. Different considerations may apply to the proportionality of each of those restrictions. The proportionality of arrest, which is typically the police action on the ground, depends on, amongst other matters, the constable's reasonable suspicion. The proportionality assessment at trial before an independent impartial tribunal depends on the relevant factors being proved beyond reasonable doubt and the court being sure that the interference with the rights under articles 10 and 11 was necessary. The police's perception and the police action are but two of the factors to be considered. It may have looked one way at the time to the police (on which basis their actions could be proportionate) but at trial the facts established may be different (and on that basis the interference involved in a conviction could be disproportionate).’29.
24.
Bij de beoordeling van de proportionaliteit van een strafrechtelijke maatregel moet ook het ‘chilling effect’ daarvan in ogenschouw worden genomen. Roorda, Brouwer en Schilder stellen daarover, in hun in 2021 gepubliceerde Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken (in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties):
‘Van een ‘chilling effect’ kan sprake zijn als een demonstrant wordt gearresteerd, wordt veroordeeld of in detentie wordt geplaatst, maar ook al als een demonstrant strafrechtelijk wordt vervolgd, ongeacht of dit leidt tot een veroordeling. Dus ook als het Openbaar Ministerie de zaak seponeert of de rechter de demonstrant vrijspreekt. De vervolging kan immers een ontmoedigend effect hebben op de bereidheid van de demonstrant om in de toekomst deel te blijven nemen aan demonstraties.’30.
25.
Volgens deze auteurs is strafrechtelijke vervolging en sanctionering van vreedzame demonstranten in beginsel niet toegestaan, zolang die persoon geen laakbaar (‘reprehensible’) gedrag vertoont tijdens de manifestatie. Dit geldt volgens hen ook indien de demonstratie leidt tot schade of andere wanorde.31.
26.
Op 8 februari 2022 stelde Uw Raad het criterium ‘reprehensible’ gedrag centraal bij de beoordeling van de vraag of een arrestatie, ophouden voor verhoor en strafrechtelijke vervolging van vreedzame demonstranten een ontoelaatbare inbreuk maakt op de artikelen 10 en/of 11 EVRM.32.
27.
Wat als ‘reprehensible’ gedrag kan worden aangemerkt, wordt blijkens de rechtspraak van het EHRM bepaald door ‘the extent of the ‘disruption of ordinary life’’ die de demonstratie veroorzaakt.33. De mate van de ontwrichting van het dagelijks leven is dus bepalend, wil de vereiste ‘necessity’ worden bereikt.34. Volgens Roorda, Brouwer en Schilder kan dat het geval zijn wanneer het dagelijkse leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig worden verstoord, in een grotere mate dus dan in geval van een ‘normale’ uitoefening van de demonstratievrijheid. Strafrechtelijk optreden is volgens hen bijvoorbeeld in beginsel gerechtvaardigd
‘als demonstranten zich niet of minder vreedzaam gedragen, bijvoorbeeld als zij gewelddadigheden begaan of hiertoe aanzetten.’35.
28.
Niet voldoende voor het vaststellen van ‘reprehensible’ gedrag is echter dat de demonstratie schade of wanorde heeft veroorzaakt, of ergernis opwekt, of tijdelijk de activiteiten van derden (ver)hindert.
29.
Het EHRM oordeelt dat bij iedere vorm van betoging een ontwrichting van het dagelijkse leven (‘disruption to ordinary life’) kan plaatsvinden. Dat op zichzelf maakt dus nog niet dat sprake is van ‘reprehensible’ gedrag. In gevallen van ‘disruption to ordinary life’ wordt door het EHRM van autoriteiten tolerantie verlangd. Zolang de betoging maar vreedzaam is.36. Het begrip ‘vreedzaam’ heeft hier een bredere inhoud dan men intuïtief misschien zou aannemen. Vreedzaam is namelijk ook
‘conduct that may annoy or give offence, and even conduct that temporarily hinders, impedes or obstruct the activities of third parties.’37.
30.
Wat is nu een voorbeeld van ernstige verstoring van het dagelijks leven en dus van ‘reprehensible’ gedrag in deze context? In de zaak Steel and Others tegen het Verenigd Koninkrijk werd onder meer beoordeeld een protest tegen de verkoop van gevechtshelikopters. De klagers in deze zaak bezochten een conferentiecentrum waar een conferentie werd gehouden over gevechtshelikopters en deelden flyers out en hielden spandoeken omhoog met de tekst ‘Work for peace and not war’. Het EHRM overwoog dat ook een protest in de vorm van fysiek belemmeren van activiteiten een vorm van meningsuiting is in de zin van artikel 10 EVRM en oordeelde de arrestatie en detentie disproportioneel omdat de ‘particular form of protest activity’ niet een ‘risk of disorder’ kon vormen.38.
31.
In de zaak Açik and Others tegen Turkije waren de verzoeksters studenten van de universiteit van Istanbul. Zij klaagden over hun aanhouding bij de openingsceremonie van het academische jaar en de daaropvolgende detentie in een politiecel. De studenten riepen leuzen en hielden spandoeken en plakkaten omhoog. Na een waarschuwing zetten zij hun protest voort, waarna 19 studenten werden gearresteerd. De studenten werden, nadat zijn naar het openbaar ministerie waren gebracht, vrijgelaten. Het EHRM oordeelde:
‘In the instant case, the Court notes that the applicants' protests took the form of shouting slogans and raising banners, thereby impeding the proper course of the opening ceremony and, particularly, the speech of the Chancellor of Istanbul University. As such, their actions no doubt amounted to an interference with the Chancellor's freedom of expression and caused disturbance and exasperation among some of the audience, who had the right to receive the information being conveyed to them. Against this background, the Court considers that the decision to remove the applicants from the university hall, even though it interfered with their freedom of expression, may be deemed to have been proportionate to the aim of protecting the rights of others. (…) However, the Court observes that the applicants did not resort to insults or violence. Moreover, it repeats that they were not likely to cause serious public disorder. This is supported by the fact that no criminal proceedings were subsequently brought against them. The Court considers that the applicants' protest could have been countered by less draconian measures, such as denying them re-entry into the conference hall, rather than resorting to the extreme measures of arrest and detention, even for a few hours. In these circumstances, the Court finds that the authorities' response was disproportionate to the aims of preventing public disorder or protecting the rights of others. It was not therefore ‘necessary in a democratic society’. (…) It follows that there has been a violation of Article 10 of the Convention.’39.
32.
In Tuskia and Others tegen Georgië werd geen schending van artikel 10 en 11 EVRM aangenomen. Ten minste 20 protesterende hoogleraren waren binnengedrongen in het kantoor van de rector van hun universiteit, slogans scanderend. Dit handelen verstoorde, aldus het EHRM, het functioneren van de universiteit. De demonstranten weigerden te vertrekken en het kostte de politie meer dan een uur onderhandelen voordat zij het gebouw verlieten.40. De demonstranten werden echter niet gearresteerd of gedetineerd en niet strafrechtelijk vervolgd.
33.
De omstandigheid dat demonstranten eisen stellen, vormt op zichzelf niet een legitieme reden tot het beëindigen van de demonstratie. In EHRM Mustafa Hajili and Others tegen Azerbeidzjan ging het de demonstranten om politieke eisen, in EHRM United Macedonian Organisation Ilinden and Others tegen Bulgarije) om onder meer de eis van ‘fundamental constitutional and territorial changes’.41. In gevallen waarin de duur van een demonstratie afhankelijk wordt gesteld van het inwilligen van eisen woog het EHRM mee of de demonstranten voldoende gelegenheid werd geboden die eisen naar voren te brengen dan wel de autoriteiten (grote) tolerantie hadden betracht jegens de demonstranten.42.
34.
In HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126 ging het om demonstranten die op een bouwbeurs in de RAI tegen een bouwbedrijf protesteerden en op vordering van de RAI en later de politie weigerden de RAI te verlaten. Uw Raad oordeelde dat hiermee aan het vereiste van ‘reprehensible’ werd voldaan en overwoog daartoe onder meer:
‘Daarbij betrekt de Hoge Raad ook dat in deze zaak uit de vaststellingen van het hof volgt dat de verdachte en de mededader weliswaar zijn beperkt in hun mogelijkheid om in de directe nabijheid van het kraampje van het bouwbedrijf en zich voordoende als medewerkers van het bouwbedrijf folders uit te delen en borden met teksten te tonen, maar dat zij wel meermalen de mogelijkheid geboden kregen om bij de ingang van de vakbeurs hun demonstratie tegen het bouwbedrijf voort te zetten. De aanhouding door de politie was er dan ook niet op gericht aan de verdachte en haar mededader de mogelijkheid te ontnemen om tegenover het publiek dat de bouwvakbeurs bezocht, hun mening te uiten over de activiteiten van het bouwbedrijf en de detentie van minderjarigen, maar vond zijn oorzaak in het belemmeren van het bouwbedrijf in zijn promotieactiviteiten en van de bezoekers van de beurs in de mogelijkheid om kennis te nemen van de informatie van het bouwbedrijf, en de daarop volgende lokaalvredebreuk door te volharden in de weigering op vordering vanwege de rechthebbende het RAI-gebouw te verlaten.’
Verzoeksters zaak
35.
's Hofs verwerping van het verweer, dat verzoekster dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat haar aanhouding, vrijheidsberoving en strafrechtelijke vervolging niet ‘neccesary in a democratic society’ kunnen worden geoordeeld, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
36.
Het hof heeft aan de verwerping van het verweer, samengevat de volgende omstandigheden ten grondslag gelegd:
- —
APG heeft de demonstratie de gehele middag toegestaan;
- —
verzoekster en haar medeverdachten zouden het gebouw pas verlaten als het ABP hun eisen zou inwilligen;
- —
voor verzoekster en haar medeverdachten was het mogelijk om — na daartoe gevorderd te zijn — het gebouw te verlaten en de demonstratie elders en in de buurt van het gebouw voort te zetten.
37.
Zodoende heeft het hof, in het licht van hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd. Het heeft er blijkens zijn overwegingen uitsluitend aandacht aan besteed waarom het in zijn ogen ‘necessary’ in de zin van artikel 10 lid 2 EVRM en/of 11 lid 2 EVRM was dat verzoeksters deelname aan de demonstratie in het APG-gebouw zou worden beëindigd dan wel door verwijdering van haar en haar medeverdachten uit het gebouw de demonstratie, waaraan zij deelnam, werd beëindigd.
38.
De raadsvrouw heeft echter aangevoerd dat volstaan had kunnen worden met verzoeksters verwijdering uit het gebouw in plaats van haar aan te houden en vervolgens ongeveer drie uur van haar vrijheid te beroven (waarmee kennelijk is bedoeld te zeggen dat zij ongeveer drie uur is opgehouden voor onderzoek), alsook dat verzoeksters aanhouding en strafrechtelijke vervolging in dit geval niet proportioneel kunnen worden geacht in het licht van het doel van het voorkomen van publieke wanorde of van het beschermen van de rechten van anderen.
39.
Daarop is het hof niet ingegaan. Zodoende heeft het miskend dat ook maatregelen, door de autoriteiten jegens een demonstrant genomen na een ‘act of assembly’, kunnen bijdragen aan het oordeel dat jegens hem of haar artikel 10 of 11 EVRM is geschonden. Dat geldt, indien het hof heeft bedoeld te zeggen dat verzoeksters aanhouding ‘necessary’ was om haar te kunnen verwijderen van de locatie alwaar zij demonstreerde, in ieder geval voor verzoeksters ophouden voor onderzoek en strafrechtelijke vervolging.
40.
Aldus heeft het hof de vraag, waarom het noodzakelijk in een democratische samenleving kan worden geoordeeld dat verzoekster wegens het enkele niet voldoen aan de vordering om het gebouw te verlaten ongeveer drie uur van haar vrijheid werd beroofd en vervolgens strafrechtelijk werd vervolgd, ten onrechte in het midden gelaten.
41.
Ook heeft het hof ten onrechte in het midden gelaten hetgeen overigens door de raadsvrouw — en door het hof onweersproken — naar voren is gebracht, namelijk dat APG geen aangifte jegens verzoekster en haar mededemonstranten heeft gedaan. Daaruit kan bezwaarlijk anders worden afgeleid dan dat APG het ter bescherming van haar eigendomsrecht (door het hof kennelijk abusievelijk ook ‘huisrecht’ genoemd) niet noodzakelijk achtte dat verzoekster strafrechtelijk zou worden vervolgd. In verband daarmee had het hof ook betekenis moeten toekennen aan een aspect van zijn vaststelling dat APG de demonstratie gedurende de gehele middag toeliet. Daaruit blijkt immers dat gedurende die tijd geen inbreuk werd gemaakt op haar eigendomsrecht.
42.
Al met al wordt in de overwegingen van het hof de vraag, waarom in dit geval sprake zou zijn van het door verzoekster opzettelijk ernstig verstoren van het dagelijkse leven dan wel de openbare orde43. en de door APG rechtmatig uitgevoerde activiteiten, niet beantwoord. Dat geldt evenzeer voor het impliciete oordeel, dat van de jegens verzoekster genomen strafrechtelijke maatregelen niet een ‘chilling effect’ uitgaat.
43.
Door aan de verwerping van het verweer van de raadsvrouw ten grondslag te leggen de mededeling van verzoekster en diens medeverdachten, dat zij het gebouw pas zouden verlaten als het ABP hun eisen zou inwilligen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Althans is in zoverre zijn oordeel onbegrijpelijk en/of niet toereikend gemotiveerd. Bedoelde mededeling drukt immers evident de urgentie uit die verzoekster en haar mededemonstranten wensten over te brengen voor hun standpunt, althans kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan een vorm van met die urgentie samenhangende provocatie. Zij behoort derhalve tot de inhoud van de mening die verzoekster en diens mededemonstranten hebben geuit. Op de inhoud van de gedachten of gevoelens kan een beperking van een betoging geen betrekking hebben.
44.
Tot slot is het aan de verwerping van het verweer ten grondslag leggen van deze mededeling ook onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, om de volgende reden. Het verweer had er betrekking op dat verzoeksters aanhouding en ophouden voor onderzoek en/of haar strafrechtelijke vervolging wegens lokaalvredebreuk niet ‘necessary in a democratic society’ kan worden geacht en dientengevolge artikel 138 Sr wegens strijd met artikel 10 en/of 11 EVRM buiten toepassing dient te blijven. Door dit verweer te verwerpen op grond van verzoeksters reden om niet te voldoen aan de vordering het gebouw te verlaten heeft het hof slechts tot uitdrukking gebracht waarom de delictsbestanddelen van artikel 138 Sr werden vervuld maar nog niet waarom in dit geval de strafwet moest worden toegepast.
45.
Daar komt bij dat de vrijheid van meningsuiting verzoekster niet een ‘freedom of forum’ geeft dit recht te beoefenen in het besloten lokaal van APG, zodat het evident was dat APG te allen tijde uit hoofde van haar eigendomsrecht een einde kon (laten) maken aan de bijeenkomst waaraan verzoekster deelnam.
46.
In het licht van al deze omstandigheden geeft de verwerping van het verweer blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de verwerping onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd. Dat betekent tevens dat het hof niet heeft vastgesteld dat de beperking van verzoeksters rechten als neergelegd in de artikelen 10 en 11 EVRM niet gebaseerd zijn op ‘relevant and sufficient reasons’ in de zin van de rechtspraak van het EHRM.
47.
Het arrest kan mitsdien niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. W.H. Jebbink, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam aan het Singel 362, die bij dezen verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoekster in cassatie.
Amsterdam, 3 mei 2023,
W.H. Jebbink
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 03‑05‑2023
HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633.
De artikelen 10 en 11 EVRM worden in geval van een demonstratie door het EHRM in samenhang gelezen. Zie bijv. EHRM [GC] 15 november 2018, nrs. 29580/12 e.a. (Navalnyy/Rusland): ‘According to its settled case-law, a complaint about one's arrest in the context of a demonstration falls to be examined under Article 11 of the Convention on the basis that Article 10 is to be regarded as a lex generalis in relation to Article 11, which is a lex specialis (…)’, EHRM 10 juli 2012, nr. 34202/06 (Berladir/Rusland): ‘The Court considers that it is appropriate to examine this case under Article 11 of the Convention, in the light of Article 10’ en EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others/Georgië): ‘The Court notes at the outset that in relation to the same facts the applicants relied on two separate Convention provisions: Article 10 and Article 11 of the Convention. It further notes that it has already considered a number of cases where protests took place on either private or State property under Article 10 of the Convention, read in the light of Article 11 (…).’
EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen); EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan/Armenië); ECRM 10 oktober 1979, nr. 8191/78 (Rassemblement Jurassien Unité Jurassienne/Zwitersland); EHRM 18 juni 2013, nr. 8029/07 (Gün and Others/Turkije); EHRM 27 juni 2006, nr. 75569/01 (Cetinkaya/Turkije); EHRM 5 december 2006, nr. 74552/01 (Oya Ataman/Turkije); EHRM 21 oktober 2010, nr. 4916/07, 25924/08 en 14599/09 (Alekseyev/Rusland); ECRM 16 juli 1980, nr. 8440/78 (Christians Against Fascism and Racism/Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 oktober 2008, nr. 10877/04 (Sergey Kuznetsov/Rusland); ECRM 6 maart 1989, nr. 13079/87 (G./Duitsland); EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik/Turkije); EHRM 9 april 2002, nr. 51346/99 (Cisse/Frankrijk).
B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss. Groningen 2016, m.n. p. 24–26.
EHRM 8 maart 2022, nr. 10613/10 (Ekrem Can and Others/Turkije). Zie ook EHRM 27 november 2012, nr. 58050/08 (Sáska/Hongarije).
EHRM 6 oktober 2022, nrs. 69483/13, 76319/13 en 30456/14 (Mustafa Hajili and Others/Azerbeidjan) en EHRM 7 oktober 2008, nr. 10346/05 (Éva Molnár/Hongarije), alsook bijv. EHRM 8 december 1999, nr. 23885/94 (Freedom and Democracy Party (ÖZDEP)/Turkije).
‘(T)he purpose of an assembly is often linked to a certain location and/or time, to allow it to take place within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact (…).’ EHRM 7 februari 2017, nrs. 57818/09 e.a. (Lashmankin and Others/Rusland). Zie ook EHRM 24 mei 2016, nrs. 37273/10 e.a (Süleyman Çelebi and Others/Turkije). Vgl. ook European Commission for Democracy through Law (Venetië Commissie), Compilation of Venice Commission Opinions Concerning Freedom of Assembly, 1 juli 2014 (CDL-PI(2014)0003).
EHRM 6 mei 2003, nr. 44306/98 (Appleby and Others/Verenigd Koninkrijk).
J.P. Loof/T. Barkhuysen/J.H. Gerards, Grenzen aan de demonstratievrijheid: over de reikwijdte van het betogingsrecht, RIS 149708, 2007, p. 5. Idem: B. Roorda/J. Brouwer/A.E. Schilder, Evaluatie Wet openbare manifestaties, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2015, p. 31.
A.E. Schilder, Het recht tot vergadering en betoging; een rechtsvergelijkende studie naar het Nederlandse en Westduitse recht, Arnhem, 1989, p. 34. Zie ook J.P. Loof/T. Barkhuysen/J.H. Gerards, a.w., p. 8.
Vgl. o.m. EHRM 2 oktober 2001, nrs. 29221/95 en 29225/95 (Stankov/Bulgarije); EHRM 17 juli 2007, nr. 25691/04 (Bukta/Hongarije); EHRM 15 november 2007, nr. 26986/03 (Galstyan/Armenië); EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik/Turkije) en EHRM 18 december 2007, nr. 32124/02 (Aldemir and Others/Turkije).
‘A demonstration may annoy or give offence to persons opposed to the ideas or claims that it is seeking to promote.’ Vgl. EHRM 21 juni 1988, appl. nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärtze für das Leben’/Oostenrijk).
Bijv. EHRM 1 februari 2022, nr. 9157/08 (Manannikov/Rusland).
Zie expliciet onder meer EHRM 28 maart 2013, nr. 14087/08 (Novaya Gazeta and Borodyanskiy/Rusland): ‘The sole existence of a legitimate aim for an interference with the freedom of expression is not sufficient to indicate the presence of a pressing social need for such interference.’
EHRM 26 april 1979, nr. 6538/74 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk (nr. 1)). Gerards merkt op dat ‘in de praktijk’ deze factoren en de toetsing daarvan door elkaar lopen en licht dat als volgt toe: ‘Regelmatig overweegt het Hof bijvoorbeeld dat het bestaan van een ‘pressing social need’ een redelijke mate van proportionaliteit tussen doel en beperking vereist, ja nou ik terwijl deze vereisten in Sunday Times als afzonderlijke toetsingscriteria worden gepresenteerd. Op soortgelijke wijze blijkt de constatering dat een rechtvaardiging niet ‘sufficient’ is, vooral een conclusie te zijn die voortvloeit uit een integrale beoordeling van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de inmenging. Het Hof stelt dan vast dat de aangevoerde redenen wel relevant zijn, maar oordeelt dat deze niet zwaarwegend genoeg zijn om de inmenging van de vrijheid van meningsuiting te kunnen rechtvaardigen.’ Zie J.H. Gerards, in: SDU Commentaar EVRM, C.5.4.1.
Bijv. EHRM 18 januari 2001, nr. 24876/94, EHRM 4 december 2008, nrs. 30562/04 en 30566/04 (S. and Marper/Verenigd Koninkrijk), EHRM 19 november 2019, nr. 58954/09 (Obote/Rusland) en EHRM [GC] 30 juni 2015, nr. 41418/04 (Khoroshenko/Rusland). Zie ook A.J. Nieuwenhuis/M. den Heijer/A.W. Hins, a.w., p. 113; J.H. Gerards, a.w., C.5.4.3 en J.H. Gerards, How to improve the necessity test of the European Court of Human Rights, International Journal of Constitutional Law, 2013, p. 467.
Vgl. EHRM 29 juni 2006, nr. 76900/01 (Öllinger/Oostenrijk)
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 114.
Bijv. EHRM 15 december 2015, 41479/10 (Budaházy/Hongarije).
EHRM 23 oktober 2008, 10877/04 (Sergey Kuznetsov/Rusland).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 114. Zij verwijzen naar EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen) en EHRM 17 november 2009, nr. 26258/07, 26255/07 (Rai and Evans/Verenigd Koninkrijk). In verband met de eis dat ‘relevant and sufficient reasons’ moeten bestaan voor de inmenging, stellen Nieuwenhuis e.a.: ‘De vraag of de inmenging proportioneel is, zal vrijwel steeds beantwoord dienen te worden door te onderzoeken of er relevante en voldoende redenen zijn voor de inmenging. Daarbij kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen. Het Hof toetst met andere woorden in concreto of er een billijke afweging is gemaakt.’ Zie A.J. Nieuwenhuis/M. den Heijer/A.W. Hins, a.w., p. 119.
‘The term ‘restrictions’ in Article 11 § 2 must be interpreted as including both measures taken before or during an act of assembly and those, such as punitive measures, taken afterwards (…).’ Bijv. EHRM 19 januari 2016, nr. 17526/10 (Gülcü/Turkije), EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen).
Bijv. EHRM 13 januari 2009, no. 31451/03 (Açik and Others/Turkije).
Idem.
Bijv. EHRM 18 december 2007, nos. 32124/02 e.a. (Nurettin Aldemir and Others/Turkije). Vgl. ook Tuskia and Others/Georgië, waarin de demonstranten niet werden gearresteerd, gedetineerd en strafrechtelijk werden vervolgd en waarin het EHRM oordeelde dat de artikelen 10 en 11 EVRM niet waren geschonden: EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others/Georgië).
Bijv. EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen) en EHRM 15 mei 2014, nr. 19554/05 (Taranenko/Rusland).
UK Supreme Court 25 juni 2021, 2019/0106 (Director of Public Prosecutions v. Ziegler and others).
B. Roorda, J.G. Brouwer en A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021, p. 89 en p. 116. Zij verwijzen naar EHRM 1 december 2011, nr. 8080/08, 8577/08 (Schwabe and M.G./Duitsland). Zie ook EHRM 29 november 2007, nr. 0025/02 (Balçik and Others/Turkije), EHRM 18 december 2007, nrs. 32124/02 e.a. (Aldemir and Others/Turkije), EHRM 13 oktober 2020, nrs. 35880/14, 75926/17 (Zakharov and Varzhabetyan/Rusland) en EHRM 10 november 2020, nr. 75186/12 (Navalnyy and Gunko/Rusland).
B. Roorda, J.G. Brouwer, A.E. Schilder, Antwoorden op recente demonstratie- en vergaderingsrechtelijke vraagstukken, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1 november 2021.
‘In dat verband is mede van belang dat uit de door het EHRM geformuleerde uitgangspunten volgt dat het recht van vrijheid op vreedzame vergadering zich niet ertegen verzet dat een persoon die deelneemt aan een vreedzame demonstratie, kan worden onderworpen aan de dreiging van een straf of maatregel als de betreffende persoon zelf een ‘reprehensible act’ pleegt tijdens de demonstratie.’ Zie HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:126.
EHRM 26 april 2016, nrs. 25501/07 e.a. (Novikova and Others/Rusland) en EHRM 3 mei 2022, 18079/15 (Bumbes/Roemenië).
Dat kan ook worden afgeleid uit bijvoorbeeld de volgende overweging uit de zaak Bumbes/Roemenië: ‘(T)he Court notes that when dismissing the applicant's challenge against the police report and the fine imposed on him, the national courts did not assess the level of disturbance his actions had caused, if any.’ Zie EHRM 3 mei 2022, 18079/15 (Bumbes/Roemenië).
Idem, p. 115 en 116.
‘As a general principle, the Court nevertheless reiterates that any demonstration in a public place inevitably causes a certain level of disruption to ordinary life, including disruption of traffic, and that it is important for the public authorities to show a certain degree of tolerance towards peaceful gatherings if the freedom of assembly guaranteed by Article 11 of the Convention is not to be deprived of all substance.’ Bijv. EHRM 26 november 2013, nr. 37553/05 (Kudrevičius/Litouwen).
Guidelines van de OSCE/Venetiëcommissie, OSCE/ODIHR & Venetiëcommissie 2010, p. 15, zie ook EHRM 21 juni 1988, nr. 10126/82 (Plattform ‘Ärtze für das Leben’/Oostenrijk), alsook B. Roorda, Het recht om te demonstreren, diss., 2016, p. 22.
‘The Court recalls its above finding that the measures taken against Ms Needham, Mr Polden and Mr Cole were not ‘lawful’ or ‘prescribed by law’, since it is not satisfied that the police had grounds reasonably to apprehend that the applicants' peaceful protest would cause a breach of the peace (…). For similar reasons, as developed in paragraph 64 above, it considers that the interference with the exercise by the applicants of their right to freedom of expression was also disproportionate to the aims of preventing disorder and protecting the rights of others, and was not, therefore, ‘necessary in a democratic society.’’ Zie EHRM 23 september 1998, nrs. 67/1997/851/1058 (Steel and Others/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 13 januari 2009, no. 31451/03 (Açik and Others/Turkije).
EHRM 11 oktober 2018, nr. 14237/07 (Tuskia and Others/Georgië).
EHRM 6 oktober 2022, nrs. 69483/13 e.a. (Mustafa Hajili and Others/Azerbeidzjan) en EHRM 19 april 2006, nr. 59491/00 (United Macedonian Organisation Ilinden and Others/Bulgarije). Het EHRM overweegt in laatstgenoemde zaak: ‘(T)he mere fact that a group of persons calls for autonomy or even requests secession of part of a country's territory — thus demanding fundamental constitutional and territorial changes — cannot automatically justify interferences with their rights under Article 11.’
Bijv. EHRM 1 september 2022, nrs. 23158/20 e.a. (Makarashvili and Others/Georgië) en EHRM [GC] 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius and Others/Litouwen). In eerstgenoemde zaak werden de betrokkenen niet strafrechtelijk vervolgd en administratieve sancties opgelegd.
Artikel 138 Sr is immers een misdrijf tegen de openbare orde.