Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.6.4.2
III.6.4.2 Beperkte schadelijkheid van onterechte veroordelingen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598619:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stumer 2010, p. 177.
Men zou nog verder kunnen gaan en ook de niet zonder meer strafbare, maar wel zeker moreel laakbare verdachte het voordeel van de twijfel kunnen ontnemen. Dat zou bewijskwesties als die in de zaak tegen negen Hell’s Angels (Hof Amsterdam 15 juni 2007, NJ 2009, 370 m.nt. Buruma) en in de Nijmeegse scooterzaak (HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1966) kunnen helpen ‘oplossen’. Daarvoor gelden dan wel de nadelen die kleven aan het niet-toepassen van de onschuldpresumptie op de kwalificatie beïnvloedende feitelijkheden. Dat vergt daarnaast een antwoord op de nauwelijks bevredigend te beantwoorden vraag wat als (voldoende) moreel laakbaar moet worden beschouwd.
Vgl. ook over de toepasselijkheid van de bewijsdimensie op dergelijke bestanddelen reeds § III.5.3.2.
Vgl. Stumer 2010, p. 164-167 met verdere verwijzingen.
Het risico van onterechte veroordelingen is beter te verteren wanneer het daarmee gedane onrecht beperkter is. Daartoe zijn in de literatuur twee omstandigheden aangevoerd.
De eerste is dat de betrokkene met zijn gedrag het gevaar van te zware bestraffing over zichzelf heeft afgeroepen. Zo meent Stumer dat wanneer eenmaal de wederrechtelijkheid van een gedraging is vastgesteld, het geen zuiver onschuldige meer betreft in wiens positie iedere burger terecht had kunnen komen. Over de verwijtbaarheid hoeft daarom volgens hem niet op dezelfde wijze bij twijfel ten gunste van de verdachte te worden beslist:
“a defendant who successfully pleads duress or insanity has not negated the wrongfulness of his or her conduct, but rather taken advantage of a rule of law that allows a ‘concession to human frailty.’”1
Het moge bekend zijn dat het schuldbeginsel in het Engelse materiële strafrecht niet dezelfde systematische en algemene erkenning geniet als in Nederland. In het licht van dat schuldbeginsel komt de veroordeling van iemand aan wie geen enkel verwijt kan worden gemaakt mij niet als een wezenlijk minder kwaad voor dan de veroordeling van iemand die geoorloofd handelde.
De gedachte zou niettemin kunnen aanspreken in gevallen waarin wel duidelijk is dát iemand een strafbaar feit heeft begaan, maar niet hoe ernstig dat feit is.2 Bewijslastomkering ter zake van bijvoorbeeld kwalificerende bestanddelen is in die benadering minder ernstig als men te zware bestraffing als minder ernstig beschouwt dan geheel onterechte bestraffing. Dat kan het gezag en vertrouwen in de juistheid van strafrechtelijke veroordelingen en kwalificaties serieus aantasten. In deze gevallen staat tegenover een verminderde ernst van de mogelijke gevolgen van onterechte veroordeling bovendien ook een verminderde ernst van de mogelijke gevolgen van gebrek aan bewijs. Voor het lichtere feit is dan immers alsnog veroordeling mogelijk.3
Van een andere orde is het argument dat de schadelijkheid van onterechte veroordeling sterk vermindert bij feiten van zeer geringe ernst. Eerder zijn tegen de grote ernst van het feit als grond voor beperking belangrijke bezwaren opgeworpen. Bij een ernstig strafbaar feit groeit de door onterechte veroordeling te veroorzaken schade namelijk mee. In die lijn ligt het te verdedigen dat weliswaar bij minder ernstige feiten het recht op een eerlijk proces nooit aan de kant mag worden geschoven, maar dat het belang daarvan wel enigszins afneemt. Daar kan dan aan worden toegevoegd dat ook het belang bij effectieve bestrijding van die lichte criminaliteit niet zo groot is. Grote publieke belangen zijn soms echter ook in het geding bij delicten van een minimale zwaarte. Te denken valt bijvoorbeeld aan de – in Nederland administratiefrechtelijk gehandhaafde – snelheidsovertredingen in het wegverkeer. Deze komen in groten getale voor en het niet-handhaven daarvan zou vermoedelijk grote maatschappelijke consequenties hebben. Tegelijkertijd is de in het individuele geval geriskeerde straf laag en het stigmatiserende effect van een veroordeling te verwaarlozen. Dat kan ertoe leiden dat het belang onterechte veroordelingen te voorkomen relatief lager gewaardeerd wordt. Gaat het dan bovendien om zeer moeilijk volwaardig te bewijzen feiten dan is een lichter bewijsregime, dat aan de bewijsdimensie minder recht doet, wel te verdedigen.4