Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.6.4.1
III.6.4.1 Beperkte kans op onterechte veroordelingen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600896:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo begrijp ik ook Reijntjes 1996, p. 1011.
Dit probleem kan de strafwetgever overigens ontwijken door niet het niet-hebben, maar het niet-tonen van een document strafbaar te stellen, vgl. de Wet op de identificatieplicht.
Zie voor vindplaatsen Hamer 2007, p. 161 e.v.; Stumer 2010, p. 172-176.
Vgl. bijv. House of Lords 22 mei 2003, [2003] UKHL 28 (R/Johnstone): “So also [has to be taken into account] the extent to which the burden on the accused relates to facts which, if they exist, are readily provable by him as matters within his own knowledge or to which he has ready access.”
Zie bijv. Tadros & Tierney 2004, p. 427; Ashworth 2006, p. 87; Stumer 2010, p. 172-175; Hamer 2011, p. 427.
HR 3 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:AV1127. De gang naar Straatsburg leverde een manifeste ongegrondverklaring op, EHRM 18 januari 2000, nr. 49226/99, dec. (De Arriz Porras/Nederland).
Zie wel op die manier Dawkins 1987, p. 216.
Underwood (1977, p. 1337) verwoordt het als volgt: “Moreover, even after an improbable claim has been identified, there is no reason to regard it as especially vulnerable to inaccurate decisionmaking. The unusual character of a claim should ordinarily affect the factfinder's evaluation of the evidence. The factfinder is quite properly skeptical of a story that seems to him improbable in the light of his common-sense knowledge of ordinary human events. If, having discounted the defendant's claim for its improbability, he nevertheless finds the case a close one, it would be redundant to use a burden-of-proof rule that directs him to discount the claim still further for its improbability. Under such a rule, the defendant with an unusual claim is doubly damned for it.” Vgl. ook Stumer 2010, p. 188.
De kans op een onterechte veroordeling is in de eerste plaats beperkt indien het van de verdachte verlangde bewijs voor een onschuldige verdachte eenvoudig te leveren zou zijn. Het voorbeeld bij uitstek is het bewijs van het hebben van een vergunning. Een verdachte die daadwerkelijk een vergunning heeft, zal weinig moeite hebben dit aan te tonen, terwijl het de overheid enorme moeite kan kosten de afwezigheid daarvan te bewijzen. Het risico dat een onschuldige wordt veroordeeld is gering.1 Dat betekent overigens niet dat een dergelijke bewijslast met de onschuldpresumptie nooit op gespannen voet staat. De tweede grondslag voor de onschuldpresumptie die vergt dat in een rechtsstaat schuld wordt aangetoond, verlangt van de overheid op zijn minst een begin van bewijs. Bewijsomkering voor het bestanddeel ‘zonder vergunning’ lijkt in dat licht niet problematisch wanneer een in beginsel verboden gedraging reeds is bewezen. Met het oog op de tweede (en derde) grondslag zou het evenwel dubieuzer zijn indien het delict niet of nauwelijks meer behelst dan het niet-hebben van hetgeen de verdachte moet aantonen. Dan zou bij (lukrake) vervolging van de verdachte kunnen worden verlangd dat hij zijn onschuld aan de (vrijwel) gehele tenlastelegging bewijst. Denk aan een strafbaarstelling van illegaal verblijf in een land, waarbij eenieder wordt vermoed illegaal op het grondgebied te verblijven tenzij hij aantoont een verblijfsvergunning te hebben.2
Een hiermee samenhangende – in de Engelse rechtspraak voorkomende – grond voor beperking van de bewijsdimensie is de zogeheten peculiar knowledge doctrine.3 Deze rechtvaardigt verschuivingen van de bewijsrisicoverdeling voor feiten die in het bijzonder binnen het kennisdomein van de verdachte liggen. Deze doctrine verwart wetenschap echter met bewijsbaarheid.4 Een verdachte kan weliswaar weten dat hij geen opzet had, of in noodweer handelde, maar dan nog kan het voor hem een onmogelijke opgave blijken om dat te bewijzen. Dat een feit binnen het kennisdomein van de verdachte valt, kan reden geven een beslissing daaromtrent afhankelijk te stellen van actief verweer, maar is geen overtuigend argument om ook bewijs van dat feit van de verdediging te verlangen. Het risico dat de verdachte ten onrechte wordt veroordeeld neemt daardoor immers niet af. Tegen een verschuiving van het bewijsrisico op grond van deze doctrine wordt in de Engelse literatuur dan ook terecht ferm stelling genomen.5
Een tweede argument om de bewijsdimensie te beperken steunt op de reeds wel bewezen feiten. Heeft het Openbaar Ministerie voor de strafwaardigheid essentiële onderdelen van het strafbare feit al bewezen, dan verzet als gezegd in elk geval de tweede grondslag zich minder tegen bewijslastverschuivingen. Gesteld is daarnaast wel dat ook de kans op onterechte veroordelingen dan klein is, indien de feiten ter zake waarvan de verdediging een bewijslast draagt een rational connection hebben met de door de overheid reeds bewezen feiten. Vloeit het vermoede feit in de empirische werkelijkheid vrijwel altijd voort uit de wel bewezen feiten, dan is de kans dat het vermoede feit zich niet heeft voorgedaan klein. Zo overwoog het gerechtshof Amsterdam omtrent het opzet van een met drugs op vliegveld Schiphol aangetroffen verdachte eens dat “[a]ls uitgangspunt geldt dat degene die de eigen bagage inpakt en op reis meeneemt, weet wat hij bij zich heeft. Dat kan onder omstandigheden anders liggen maar in het onderhavige geval ontbreken daarvoor alle aanknopingspunten.”6 Het hof nam aldus een bewezen feit (drugs in bagage) in aanmerking en leidde daaruit een als zodanig niet-bewezen feit (wetenschap, en daarmee opzet) af, zolang geen ontlastende omstandigheden naar voren kwamen. Opzettelijkheid, die de verdachte ontkende, hield rationeel verband met de reeds bewezen feiten. Gelet op de bewezen feiten, is het bestaan van opzet immers zo waarschijnlijk dat de aanwezigheid ervan mag worden vermoed en bewijs niet nodig is.
Dergelijke ervaringsregels en daaruit voortvloeiende waarschijnlijkheidsvermoedens spelen bij de rechterlijke bewijswaardering veelvuldig een rol. Zij zijn nuttig om niet in elke strafzaak opnieuw de juistheid van dezelfde gevolgtrekkingen te hoeven aantonen. De onschuldpresumptie verlangt geen direct bewijs van elk bestanddeel. In het gegeven voorbeeld heeft het Hof alle bewijsmateriaal bekeken en gewaardeerd en vervolgens geoordeeld dat geen redelijke twijfel bestaat over de schuld van de verdachte aan alle bestanddelen en elementen. Men kan het met ’s hofs bewijswaardering oneens zijn, bijvoorbeeld omdat men het uitgangspunt dat iemand doorgaans weet wat er in zijn koffer zit niet overtuigend genoeg vindt, of omdat men in dit geval wél aanknopingspunten voor twijfel ziet, maar van een bewijsrisicoverschuiving blijkt niets. Het uitgangspunt bracht het hof voorlopig tot het oordeel dat geen reasonable doubt bestond over verdachtes opzet. Op de verdachte lag pas daarna slechts de last aanknopingspunten voor twijfel aan te dragen, een bewijsvoeringslast dus. Had de verdachte iets aangevoerd wat één redelijk aanknopingspunt bood, dan was op grond van het overwogene ruimte geweest voor vrijspraak. Tegen zo’n gang van zaken verzetten de bewijsdimensie en haar grondslagen zich niet.
Met de eerste grondslag van de bewijsdimensie staat het echter op gespannen voet wanneer de rationele waarschijnlijkheid van het vermoede feit aanleiding geeft om van de verdediging meer te verlangen dan dat zij het vermoeden zelf (wie zijn koffer heeft ingepakt, weet wat er in zit), of de toepassing ervan in het concrete geval (deze verdachte heeft zijn koffer ingepakt, dus wist hij wat er in zat) betwijfelbaar maakt. Dat het vermoeden zelf in de overgrote meerderheid van de gevallen opgeld moet doen, ligt voor de hand. Vereist men voor bestanddelen bewijs buiten redelijke twijfel, dan moet het vermoeden eenzelfde waarschijnlijkheid vertegenwoordigen. Voldoet het vermoeden aan die eis, dan zou de intuïtieve neiging kunnen bestaan van de verdachte meer te verlangen dan dat hij de juistheid in de concrete zaak van de op die waarschijnlijkheid gebaseerde aanname op losse schroeven zet.7 De gedachtegang is in het gegeven voorbeeld dan dat opzet op de aanwezigheid van drugs zó waarschijnlijk is, dat een reëel alternatief meer moet doen dan twijfel zaaien, maar echt waarschijnlijk moet worden. Een dergelijke gedachtegang zou onjuist zijn. Dat een verweer, gelet op de door de overheid bewezen feiten, onwaarschijnlijk wordt, is bij de bewijswaardering reeds ingecalculeerd. Als de onwaarschijnlijkheid van een alternatief in de bewijswaardering is meegenomen, maar ondanks die onwaarschijnlijkheid serieuze twijfels bestaan, zou het dubbelop zijn met die algemene onwaarschijnlijkheid in de toe te passen bewijsmaatstaven opnieuw rekening te houden. Dat het alternatief twijfelachtig is, wordt dan tweemaal verdisconteerd. Dat zou de kans op onterechte veroordelingen zonder reden doen groeien.8