Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/273:273 Uitgangspunt juridisch kansloze zaken: terughoudendheid
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/273
273 Uitgangspunt juridisch kansloze zaken: terughoudendheid
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455860:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146, NJ 2010, 172, JBPr 2010, 42, m.nt. H.L.G. Wieten en JIN 2010, 340, m.nt. M.A.J.G. Janssen (Chip(s)hol/Staat).
Het hof gebruikte de woorden “geen enkel rechtens te respecteren belang”.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechter moet ver gaan in zijn hulp aan een verzoeker die in zijn verzoekschrift een kansloze vordering presenteert, zo blijkt uit een Chipsholzaak.1 Chipshol verzocht een voorlopig getuigenverhoor teneinde te achterhalen of de vervanging van alle drie de rechters in een door Chipshol gevoerde bodemprocedure een standaardbeslissing in het kader van het rouleerbeleid was dan wel een manier van het gerechtsbestuur om de uitkomst van de bodemprocedure te manipuleren. De vordering in de hoofdzaak in het kader van dit voorlopig getuigenverhoor was volgens Chipshol een actie uit onrechtmatige daad, waarin Chipshol als schade het verschil wilde vorderen tussen het bedrag dat de nieuwe rechters hadden vastgesteld en het bedrag dat de oude rechters zouden hebben vastgesteld. Het hof constateerde dat deze vordering een in de hoofdzaak onhaalbare kaart was (Chipshol had alleen beroep in cassatie kunnen instellen tegen de uitspraak over de hoogte van de schadevergoeding) en wees het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor af op grond van onvoldoende belang.2 De Hoge Raad hielp Chipshol echter aan een vordering die voldoende kansrijk was voor toewijzing van een voorlopig getuigenverhoor: als de door Chipshol gestelde gang van zaken zou komen vast te staan, dan zou Chipshol een verklaring voor recht wegens schending van art. 6 EVRM kunnen vorderen. Als de verzoeker in zijn verzoekschrift een kansloze vordering opvoert, dan dient de rechter het verzoek toch toe te wijzen als de verzoeker op basis van de aangevoerde feiten en omstandigheden een andere, niet kansloze vordering heeft (vgl. art. 25 Rv). De Hoge Raad lijkt erop te willen wijzen dat de rechter niet te snel een verzoek mag afwijzen vanwege de aanname dat een vordering in de hoofdzaak van de verzoeker onbestaanbaar is, zeker als op grond van de omschreven, te bewijzen concrete feiten moet worden geconcludeerd dat de verzoeker linksom of rechtsom een vordering heeft op de verweerder en de verzoeker in ernstige informatienood verkeert waardoor de waarheidsvinding in het geding is. In een dergelijk geval – waarin, simpel gezegd, de rechter op zijn klompen kan aanvoelen dat de verzoeker een vordering heeft, maar zonder voorlopig getuigenverhoor de waarheid niet boven tafel zal krijgen – dient de rechter het de verzoeker niet onmogelijk of moeilijk te maken om informatie boven water te krijgen. Juist het verkrijgen van duidelijkheid omtrent de feiten stelt de verzoeker in staat te beoordelen tegen wie hij die vordering kan instellen en hoe hij zijn vordering precies dient te formuleren.