Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.4.1
V.4.1 Een materieel schuldbeginsel?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598626:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ III.5.2.
Of art. 6 lid 2 EVRM van de verdragsstaten aanvaarding van het beginsel ‘geen straf zonder (enige) schuld’ verlangt, werd in 1975 al eens voorgelegd aan de ECieRM in het kader van art. 40 WVW (oud). De klacht werd toen niet-ontvankelijk verklaard, zie ECieRM 26 mei 1975, nr. 6170/73, dec., NJ 1975, 508, m.nt. Van Veen (X./Nederland). Het deed het debat daarover echter niet verstommen. Zie voor een overzicht van de gezichtspunten vóór Salabiaku: Feteris, annotatie bij: EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, FED 1990, 420 (Salabiaku/Frankrijk) en in het bijzonder ook Keijzer 1987.
Overtuigend bewijs van het tegendeel bestaat evenmin, maar daarvoor bestaan wél aanwijzingen. Zie CRM 18 oktober 1999, nr. 777/1997 (Sánchez López/Spanje), waarin de eigenaar van een voertuig werd gestraft voor het niet-meewerken aan het achterhalen van de identiteit van de bestuurder. De klacht viel buiten de scope of application van art. 14 lid 2 IVBPR. Zie daarnaast CRM 27 maart 2003, nr. 1142/2002 (Van Grinsven/Nederland), waarin de stelling dat de verdachte zijn vrouw had gedood ter noodzakelijke verdediging van zijn kinderen een klacht over de onschuldpresumptie niet substantieerde.
Zie over (het gebrek aan) op de mensenrechtencatalogus van de EU gebaseerde erkenning van het schuldbeginsel Van Kempen & Bemelmans 2015, p. 551-553.
House of Lords 18 juni 2008, [2008] UKHL 37 (R/G). Vgl. ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 463.
Zie o.a. Spronken 1989; Stavros 1993, p. 224-225; Lensing & Mulder 1994, p. 65; Kristen 1998, p. 49; Hartmann 1998, p. 108-109; Wiewel 2001, p. 25; Corstens & Pradel 2003, p. 492; Keulen 2004, p. 109; Schalken, annotatie bij: EHRM 30 augustus 2011, nr. 37334/ 08, dec. NJ 2012, 469 (G./Verenigd Koninkrijk); Blomsma 2012, p. 225 e.v.; Krabbe 2014, p. 285-286; De Hullu 2015, p. 213-215; Van Luijk 2015, p. 307-387; Van Kempen & Bemelmans 2015; Knigge & Wolswijk 2015, p. 51-52.
Panebianco 2015, i.h.b. p. 50-51.
Zo is de aansprakelijkheid van de kentekenhouder voor met zijn auto begane snelheidsovertredingen enerzijds op te vatten als een risicoaansprakelijkheid voor de door een ander begane snelheidsovertreding, anderzijds ook als aansprakelijkheid van de eigenaar voor zijn eigen nalaten met zijn voertuig begane snelheidsovertredingen te voorkomen, ongeacht of dat verwijtbaar is. Dat ligt dicht bij elkaar.
HR 14 februari 1916, NJ 1916, 681 (Melk en water).
Zie in vergelijkbare zin Trechsel 2005, p. 157-158.
Stelt de onschuldpresumptie naast eisen aan het bewijs van schuld, ook eisen aan de schuld die bewezen moet worden? Met andere woorden: heeft de te bewijzen schuld een autonome betekenis, of onderzoeken toezichthoudende organen alleen de wijze waarop de nationaalrechtelijke voorwaarden voor strafbaarheid zijn vervuld? In hoofdstuk III kwam naar voren dat het ogenschijnlijk paradoxale effect van die laatste, zuiver procedurele invulling zich bij nader inzien goed laat verdedigen, maar dat de onschuldpresumptie er in beginsel evenmin aan in de weg staat om aan guilt materiële eisen te stellen, zij het dat de onschuldpresumptie zelf die eisen niet kan verklaren of onderbouwen.1
De positiefrechtelijke vraag of uit het verdragsrecht op de onschuldpresumptie strafbaarheidsvoorwaarden zelfstandig voortvloeien, is al jaren onderwerp van discussie. Vooral aanvaarding van het materiële schuldbeginsel over de band van de onschuldpresumptie is bepleit.2 Dat ligt niet aan het IVBPR en de zienswijzen van het VN Mensenrechtencomité. Zij bieden geen aanknopingspunten voor een autonome interpretatie van ‘guilty’.3 Evenmin schrijft de richtlijn of het Hv lidstaten voor bepaalde strafbaarheidsvoorwaarden in hun materiële strafrecht te incorporeren.4 De Straatsburgse rechtspraak is daarentegen rijk aan casuïstiek. Over de betekenis daarvan bestaat evenwel verdeeldheid. Zo oordeelde het toenmalige House of Lords in 2008 op basis van die jurisprudentie dat artikel 6 lid 2 EVRM louter procedurele eisen stelt en dus uitsluitend beschermt tegen verschuivingen in de bewijslast of het te gemakkelijk aannemen van bewijs.5 Daarentegen is de in de Nederlandse literatuur heersende opvatting dat het EHRM over de band van de onschuldpresumptie op zijn minst enige materiële voorwaarden aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid stelt, hetgeen veelvuldig (mede) wordt ontleend aan de rechtspraak van het Hof over rechtsvermoedens.6
Mijns inziens stelt het EHRM aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid een autonoom vereiste, maar reikt dit vereiste niet zover als het Nederlandse schuldbeginsel reikt. Ter verduidelijking van hetgeen het EHRM volgens mij wel en niet van het nationale recht verlangt, is het Italiaanse schuldbeginsel zoals besproken door Panebianco instructief.7 Het Italiaanse recht maakte volgens Panebianco van oudsher onderscheid tussen een verbod op strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de gedragingen van een ander en aansprakelijkheid voor eigen, wederrechtelijke gedragingen waarbij iedere vorm van mens rea ontbreekt, bijvoorbeeld door feitelijke of juridische dwaling. Dat eerste is een vorm van risicoaansprakelijkheid die het Italiaanse schuldbeginsel sinds jaar en dag verbiedt. Een verbod op straf zonder verwijtbare cognitieve toestand was minder vanzelfsprekend en geldt pas sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw. Tegen deze differentiatie pleit dat het onderscheid tussen beide tamelijk vloeiend kan zijn.8 Net als het Italiaanse recht, verbiedt het Nederlandse recht in beginsel dan ook beide.9 Uit de rechtspraak van het EHRM volgt nochtans rechtstreeks en met zoveel woorden dat bestraffing voor de gedragingen van een ander ongeoorloofd is, terwijl een breder verbod op bestraffing bij afwezigheid van verwijtbaarheid daarin mijns inziens niet (zonder meer) ligt besloten.10