Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.3.4
V.3.3.4 Sanctietoemeting
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602083:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 juni 1976, nr. 5100/71, NJ 1978, 223, par. 90, m.nt. Meuwissen (Engel e.a./Nederland). Zie daarvoor reeds ECieRM 18 juli 1974, nr. 5620/72, dec. (X./Bondsrepubliek Duitsland); ECieRM 12 juli 1976, nr. 7058/75, dec. (X./Bondsrepubliek Duitsland).
Zie o.a. EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98, par. 36 (Phillips/Verenigd Koninkrijk); EHRM 19 september 2006, nr. 23037/04, par. 46 (Matijašević/Servië); EHRM 16 juni 2015, nr. 48621/07, par.53 (Dìcle en Sadak/Turkije).
EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98, par. 34 (Phillips/Verenigd Koninkrijk); EHRM 5 juli 2005, nr. 19581/04, dec. (Van Offeren/Nederland); EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349, par. 44, m.nt. Borgers (Geerings/Nederland); EHRM 23 september 2008, nrs. 19955/ 05 en 15085/06, par. 37 (Grayson en Barnham/Verenigd Koninkrijk). Overigens wel alleen als die ontneming plaatsvindt na afloop van de strafzaak, vgl. EHRM 12 mei 2015, nr. 36862/05 (Gogitidze e.a./Georgië).
Zie daarover § III.5.3.5. Zie ook art. 6 van de richtlijn: “[…] the burden of proof for establishing guilt […] is on the prosecution”.
CRM 24 juli 2006, nr. 1421/2005, par. 7.4 (Larrañaga/Filipijnen).
Dat schuldvaststelling in een daarop gerichte strafprocedure de onschuldpresumptie beëindigt, roept ook de vraag op of het vermoeden van onschuld op bepaalde aspecten van die procedure dientengevolge toepassing mist. In veel landen, waaronder Nederland, geschieden schuldvaststelling en strafoplegging feitelijk gelijktijdig, te weten bij de einduitspraak. Niettemin heeft het EHRM al in Engel e.a./Nederland daartussen onderscheiden en geoordeeld dat de onschuldpresumptie alleen op de schuldvaststelling van toepassing is: “As its wording shows, it deals only with the proof of guilt and not with the kind or level of punishment.”1 Dat de schuldvaststelling de onschuldpresumptie beeindigt, is sindsdien het vaste uitgangspunt in de rechtspraak van het Hof.2 Beslissingen over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel stelt het EHRM in beginsel aan de straftoemeting gelijk.3
Ten aanzien van de bewijsdimensie van het vermoeden van onschuld is voor deze beperking veel te zeggen. Er zijn zwaarwegende argumenten om van de voor strafoplegging relevante feiten niet in dezelfde mate bewijs te verlangen als van de voor schuldvaststelling noodzakelijke omstandigheden.4 Ook bejegening als schuldige aan het ten laste gelegde feit kan logischerwijs niet verboden zijn nadat schuld aan dat feit is vastgesteld. Een rechter kan immers geen straf opleggen wegens een delict waaraan hij de verdachte niet schuldig mag achten. In zoverre houdt ook de behandelingsdimensie op te gelden na schuldvaststelling. Opmerkelijk is dan ook het van een andere opvatting uitgaande oordeel van het VN Mensenrechtencomité in Larrañaga/Filipijnen. Nadat de verdachte reeds schuldig was bevonden, kon een publieke oproep tot oplegging van de doodstraf nog bijdragen aan de vaststelling dat de onschuldpresumptie was geschonden.5
De vraag is echter wel of bij de strafoplegging ook de schuld van de verdachte aan een ander feit dan het tenlastegelegde feit mag worden aangenomen. Nu het hier een aspect van het toepassingsbereik betreft dat alleen de behandelingsdimensie raakt, bespreek ik deze kwestie verder in paragraaf VI.2.2.