Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/7.5
7.5 De vierde vraag: Welke maatregelen staan de Ondernemingskamer bij toepassing van art. 26 WOR ter beschikking?
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS595027:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Of een de Ondernemingskamer na een gegrond beroep op art. 26 lid 4 WOR een voorziening treft, vereist een eigen afweging. Zie Hof Amsterdam (OK) 2 februari 2009, ARO 2009, 42, (Stichting Ambulance Oost).
Hof Amsterdam (OK) 21 juni 1990, NJ 1992, 101 (Ziekenhuis De Heel), Hof Amsterdam (OK) 13 december 1993, JAR 1994, 14 zie ook TVVS 1994, p. 64 OR OBA groep waarin de Ondernemingskamer de gevraagde voorziening, gelet op het gevaar voor de continuïteit bij toewijzing, gemotiveerd afwees.
In de praktijk zal dat vaak gaan doordat de ondernemer een besluit neemt om niet over te gaan tot uitvoering van het eerder genomen besluit.
Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2002, JOR 2003, 10 (OR NS Reizigers BV) De ondernemer moest in dit geval samen met de ondernemingsraad onderzoeken of en onder welke voorwaarden het mogelijk was alsnog mee te dingen naar een concessie. Eerder had de ondernemer besloten dat niet te doen.
Sanders/Westbroek p. 524.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt net als het verzoek om een onmiddellijke voorziening in een enquêteprocedure via een spoedprocedure behandeld. In zeer spoedeisende gevallen kan een kort geding (nog steeds) uitkomst bieden. Zie Pres. Rb. Haarlem, 27 april 1981, NJ 1981 (Van Gelder) en Pres. Rb. Groningen 24 april 1981, NJ 1981, NJ 1981, 452, m.nt. Ma (Avebe).
Hof Amsterdam (OK) 21 augustus 1980, NJ 1981, 578, Hof Amsterdam (OK) 16 december 1993, NJ 1995, 49 en Hof Amsterdam (OK) 22 juli 1999, NJ 1999, 805.
Als de Ondernemingskamer oordeelt dat het beroep gegrond is, volgt een declaratoire uitspraak. Daarin wordt verklaard dat de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen. De uitvoering van een besluit wordt daardoor overigens niet gehinderd of opgeschort.1 Op verzoek van de ondernemingsraad kan de Ondernemingskamer een of meer voorzieningen treffen. In dat kader is in de WOR meer mogelijk dan bij toepassing van de art. 2:14 en 15 BW. In art 26 lid 5 WOR is vastgelegd welke voorzieningen de Ondernemingskamer aan een ondernemer kan opleggen:
de verplichting om het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;
een verbod om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of onderdelen daarvan.
De bevoegdheid van de rechter in art. 26 WOR is een discretionaire.2 Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen de gevraagde voorzieningen toe- of afgewezen worden.3 Luidt het oordeel dat het besluit `kennelijk onredelijk' is, dan kan een voorziening worden opgelegd die verplicht tot het ongedaan maken van het besluit. Hoe een besluit ongedaan gemaakt moet worden is niet in de WOR vastgelegd. De Ondernemingskamer kan een besluit niet vernietigen maar kan de ondernemer wel verplichten een besluit in te trekken en bepaalde gevolgen van het besluit ongedaan te maken.4 Eventueel al ter uitvoering van het eerdere besluit verrichte handelingen moeten worden teruggedraaid. De Ondernemingskamer gaat op pragmatische wijze met de haar gegeven mogelijkheid tot het treffen van een voorziening om. Zo kan, als invulling van de verplichting om een besluit ongedaan te maken, aan de ondernemer worden opgedragen in overleg met de ondernemingsraad te onderzoeken onder welke voorwaarden een ander besluit mogelijk is.5 Mogelijkheden om een besluit te schorsen of te vernietigen kent de WOR niet maar door het combineren van maatregelen kan het effect van een schorsing of vernietiging benaderd worden.6 Bijvoorbeeld door het opleggen van een verbod om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van een besluit. Daardoor wordt de feitelijke uitvoering van het besluit onmogelijk.
Behalve een gegrondverklaring van het beroep in combinatie met een voorziening, kan de Ondernemingskamer op verzoek van de ondernemingsraad een voorlopige voorziening opleggen, zie art. 26 lid 8 WOR. Voorwaarde hiervoor is dat het verzoekschrift waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van de ondernemer, ingediend is.7 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt alleen toegewezen als daarvoor zwaarwichtige redenen aanwezig zijn en er bovendien voldoende aanwijzingen zijn dat de beslissing naar aanleiding van het ingestelde beroep zal zijn dat de ondernemer in redelijkheid niet tot zijn beslissing had kunnen komen.8