Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/7.2
7.2 De eerste vraag: Welke besluiten kunnen op grond van art. 26WOR aan de Ondernemingskamer worden voorgelegd?
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS597367:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Duk 1992, Roest 1996, Huizink 2011, nr. 31 ev. Zie verder ook de jaarlijkse kronieken die door de vereniging voor corporate litigation gepubliceerd worden in de serie vanwege het Van der Heijden Instituut en de in het tijdschrift ArbeidsRecht gepubliceerde rechtspraak-overzichten van de hand van Verburg.
Kamerstukken I 1978/1979, 13 954 nr. 8d, p. 15, Kamerstukken I 1996/1997, nr. 9, p. 10, Kamerstukken I 1995/1996, 24 615, nr. 3, p. 41. Als voorbeelden ter illustratie verwijs ik naar de volgende beschikkingen van de Ondernemingskamer: Hof Amsterdam (OK) 7 januari 1999, ROR 1999, 2.(GVB Amsterdam), Hof Amsterdam 19 oktober 2001, JAR 2001, 235 (BBA), Hof Amsterdam (OK) 20 juli 2005, JAR 2005, 219 (Arbeidsinspectie Ministerie SZW), Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2006, JAR 2006, 95 (Holland Casino), Hof Amsterdam 22 maart 2006, JAR 2006, 133 (Stichting Isala Klinieken).
Wet Herziening Wet op de Ondernemingsraden, Kamerstukken II 13 954, nota van wijziging p. 4 en 12.
Zie hierover Duk 200a, p. 59, Asser - Maeijer 2.I112000, nr. 477, Sanders/Westbroek p. 506.
Hof Amsterdam (OK) 23 oktober 1997, ROR 1997, 22; JAR 1997, 243 (OR NS Reizigers BV) en Hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2002, JOR 2002, 10 (OR NS Reizigers BV). Aanleiding voor deze uitspraken was een beslissing van het bestuur van de NS, de ondernemer, niet mee te dingen naar een concessie. Die beslissing was niet voor advies aan de ondernemingsraad voorgelegd. De ondernemingsraad stelde daartegen beroep in. De Ondernemingskamer oordeelde dat de ondernemingsraad op dat moment nog niet kon klagen omdat er nog geen besluit was. Enige tijd later werd de kwestie opnieuw aan de Ondernemingskamer voorgelegd. De Ondernemingskamer besliste nu dat het recht om te adviseren over de beslissing niet mee te dingen naar de concessie wel aan de ondernemingsraad toekwam. Dat vond zijn oorzaak in de toezeggingen die de ondernemer in een eerder stadium hierover aan de ondernemingsraad had gedaan. Zie verder Hof Amsterdam (OK) 1 juli 1999, JOR 1999, 227, Hof Amsterdam (OK) 10 mei 2011, RO 2011, 50 (Novio).
Hierover wordt ook wel anders gedacht. In die visie wordt ervan uitgegaan dat een besluit om iets niet te doen en ook het niet nemen van een besluit in de zin van de WOR onder omstandigheden gevolgen kan hebben voor de werknemers. De ondernemingsraad zou in dergelijke situaties via de overlegvergadering, art. 23 WOR of via art. 36 (naleving ) WOR kunnen optreden. Inzicht 2006, p. 114.
Volgens de WOR dient een ondernemer de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over door hem voorgenomen besluiten over een van de in art. 25 sub a tot en met n WOR genoemde onderwerpen. Het moet daarbij gaan om, zoals de tekst van art. 25 WOR aangeeft belangrijke besluiten. De vraag of een besluit belangrijk is, komt in de literatuur en de rechtspraak nogal eens aan de orde1 De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Met name wordt dan bezien of het gaat om een voor de ondernemer bijzonder, niet alledaags besluit.2 Qua onderwerp hebben de besluiten die in art. 25 WOR genoemd worden veelal betrekking op financieel, bedrijfs-economische en organisatorische aangelegenheden. Op de vraag of een voorgenomen besluit kwalificeert als één van de besluiten genoemd in art. 25 lid 1 WOR zal ik hier niet verder ingaan.3 Het gaat in mijn onderzoek niet zozeer om de kwalificatie van een besluit als besluit in de zin van art. 25 lid 1 WOR maar om de juridische kwalificatie van een op rechtsgevolg gerichte beslissing van een orgaan van een rechtspersoon dat daarmee kwalificeert als besluit in de zin van boek 2 BW.
Het begrip besluit in de zin van de WOR omvat beslissingen over de in art. 25 lid 1 WOR genoemde onderwerpen. In de context van de WOR is het niet noodzakelijk dat de beslissing op rechtsgevolg gericht is zoals dat wel het geval is bij een besluit in de zin boek 2 BW. Aanvankelijk werden in art. 25 WOR lid 1 de woorden: 'elk door hem voorgenomen besluit met betrekking tot' gebruikt. Om beter tot uitdrukking te laten komen dat het gaat om besluiten om iets te doen, zijn de woorden 'met betrekking tot' bij de herziening van de WOR in 1979 uit de tekst van art. 25 WOR geschrapt.4 Door het gebruik van de woorden 'elk door hem voorgenomen besluit tot' in de tekst van art. 25 WOR zou duidelijker worden aangegeven dat in het artikel besluiten om in positieve zin iets te doen bedoeld werden. Een voorgenomen besluit om iets niet te doen of na te laten zou daar dan niet onder vallen. De Ondernemingskamer heeft echter in een aantal beschikkingen aangegeven daar anders over te denken. De stelling dat een besluit om iets niet te doen, buiten het adviesrecht valt, is naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet onder alle omstandigheden juist.5 Een voorbeeld van een beslissing iets niet te doen, is het voornemen van de ondernemer om afwijzend te beslissen op een door de ondernemingsraad geïnitieerd voorstel om een besluit over een van de in art. 25 WOR genoemde onderwerpen te nemen. Daarover zou geen advies gevraagd te hoeven worden. In de rechtspraak van de Ondernemingskamer wordt onder omstandigheden een uitzondering op deze regel gemaakt. Naar aanleiding van een conflict tussen de ondernemer en de ondernemingsraad van NS reizigers, besliste de Ondernemingskamer dat de stelling van een ondernemer 'dat een besluit iets niet te doen geen besluit in de zin van art. 25 WOR is', niet onder alle omstandigheden juist behoeft te zijn'. Als in het verleden door de ondernemer toezeggingen gedaan zijn aan de ondernemingsraad, kan dat aanleiding vormen om een beslissing om iets niet te doen, toch voor advies aan de ondernemingsraad voor te leggen.6 In deze uitspraak wordt het voornemen om iets niet te doen als adviesplichtig besluit beschouwd. Het zou te ver voeren uit deze beschikking af te leiden dat in het vervolg alle besluiten om iets niet te doen onder de adviesplicht vallen, maar de uitspraak laat wel zien dat de Ondernemingskamer in haar overwegingen toezeggingen of afspraken uit het verleden in de beoordeling betrekt. Dat kan tot gevolg hebben dat een beslissing iets niet te doen, onder de omstandigheden zoals die zich in het hierboven genoemde geval voordeden, een voor beroep vatbaar besluit oplevert.7