Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/7.3
7.3 De tweede vraag: Wie kan volgens art. 26 WOR een verzoek indienen?
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS596163:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het beroep wordt via een verzoekschriftprocedure bij de Ondernemingskamer aanhangig gemaakt. De Ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed, na de indiening van het verzoekschrift volgt een mondelinge behandeling waarin de bezwaren door ondernemingsraad en ondernemer kunnen worden toegelicht. Daarna volgt beraad door de Ondernemingskamer die vervolgens een uitspraak doet. Tegen deze beschikking kan cassatie worden ingesteld. Het betreft hier dus een rechtsgang in twee instanties waarbij de Ondernemingskamer zowel over de feiten als over de juiste toepassing van het recht oordeelt. Tegelijkertijd functioneert de Ondernemingskamer in deze procedures als kortgedingrechter indien een of meer voorlopige voorzieningen gevraagd worden.
Het antwoord op de vraag wie volgens de WOR een verzoek kan indienen is te vinden in art. 26 WOR. Volgens dit artikel is de ondernemingsraad bevoegd tot het instellen van beroep.1