Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/7.1
7.1 Inleiding
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS600790:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2 lid 1 jo art. 10 lid 2 van de WOR 1950 verplichtte ondernemingen waarin ten minste 25 werknemers werkzaam waren die 21 jaar of ouder waren en ten minste een dienstjaar hadden, tot het instellen van een ondernemingsraad.
De herziening van de WOR in 1971 bracht wijzigingen in de verhouding tussen de ondernemer en de ondernemingsraad. Het harmoniemodel waarin ondernemer en ondernemingsraad in eendrachtige samenwerking het belang van de onderneming dienden, maakte plaats voor stelsel waarin die doelstelling voor wat betreft de ondernemingsraad werd uitgebreid. De ondernemingsraad vertegenwoordigt ook (het belang van) het personeel van de onderneming.
Zie hierover ook Van het Kaar (Rechtspersonen) Algemene Inleiding aant. 1 - 26.
Zie over het begrip onderneming: Nieuwe Weme, 1998 en ook Kamerstukken II 2003/2004, 29 708, nr. 3, p. 26 en de daar vermelde literatuur en jurisprudentie. In boek 2 BW is het begrip rechtspersoon het centrale begrip. De term onderneming komt wel in boek 2 BW voor, bijvoorbeeld in art. 2:140 lid 2/250 lid 2 BW, doch is daarin geen kernbegrip.
Niet alleen de door de rechtspersoon in stand gehouden onderneming, ook een filiaal of bijkantoor wordt door de WOR als onderneming aangemerkt. De uit deze omschrijving af te leiden kernelementen, organisatorisch verband, samenwerkingsverband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of aanstelling arbeid wordt verricht, in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend, bepalen of er in een concreet geval sprake is van een onderneming in de zin van de WOR.
De verwijzing naar de Nederlandse maatschappij in art. 1 lid 1 c WOR beperkt de reikwijdte van de wet tot Nederland. Aan het slot van art. 25 lid 1 WOR is de zogenaamde buitenlandclausule opgenomen. De WOR geldt voor alle in Nederland gevestigde ondernemingen die aan de criteria van de WOR voldoen. Waar de ondernemer gevestigd is, is voor de toepasselijkheid van de WOR niet relevant. Door de territoriaal gebonden werkingssfeer is de WOR niet van toepassing op buitenlandse ondernemingen die door een in Nederland gevestigde ondernemer in stand gehouden worden. In de Wet op de Europese Ondernemingsraden (WEOR) is de instelling van een Europese ondernemingsraad geregeld. Diens bevoegdheid is beperkt tot vraagstukken die van belang zijn voor de gehele (communautaire) onderneming. Gezien het beperkte belang dat dit onderdeel heeft voor de toetsing van besluiten blijft de Europese ondernemingsraad buiten beschouwing.
Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 74.
Huizink 2005, p. 201.
In de voorbereidende fase is de ondernemer niet verplicht met de ondernemingsraad te overleggen. De art. 24 lid 1 en 31a lid 6 WOR vormen een uitzondering op die regel.
Het voorgenomen advies dient gemotiveerd te zijn en de ondernemer moet bij het vragen van het advies een overzicht geven van de gevolgen die het besluit voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben, alsmede een overzicht van de maatregelen die hij zich naar aanleiding van het besluit voorneemt, zie art. 25 lid 2 en 3 WOR. Het op correcte wijze naleven van deze voorschriften kan leiden tot spanning in het besluitvormingstraject. Enerzijds moet het besluit zo tijdig mogelijk voor advies worden voorgelegd, anderzijds zullen op dat moment nog niet alle gevolgen van het te nemen besluit bekend zijn. In dit kader heeft zich ook de problematiek van de gelede besluitvorming ontwikkeld. Daarbij gaat het om de vraag of voor iedere beslissing in bijvoorbeeld een reorganisatietraject een nieuw of aanvullend advies van de ondernemingsraad vereist is. Verder is relevant of over beleidsopties een advies gevraagd moet worden. Door de invoering van het recht op voorinformatie, art. 24 lid 1 WOR worden vragen die op dit onderdeel van de toepassing van de WOR gesteld kunnen worden, beantwoord. Zie bijv. Hof Amsterdam (OK) 13 december 2001, JAR 2002, 14 (PTT Post), Hof Amsterdam (OK) 12 maart 2002, JOR 2002, 228 (Rohm & Haas).
Om de toetsing van besluiten van organen van rechtspersonen in een breder perspectief te plaatsen, is het interessant om te bezien hoe de toetsing van besluiten in andere ondernemingsrechtelijke wetgeving gestalte heeft gekregen. Daarvoor heb ik de toetsing van besluiten zoals die in Wet op de Ondernemingsraden vorm gekregen heeft, bestudeerd. Zowel voor wat betreft het begrip besluit als voor wat betreft de toetsingsmaatstaf biedt de Wet op de Ondernemingsraden interessant vergelijkingsmateriaal.
In hoofdstuk 3, § 7.1 noemde ik het naoorlogse streven naar grotere openheid in de vennootschappelijke verhoudingen en de vervlechting van de mogelijkheid van invloed en medezeggenschap van werknemers daarin. Als uitvloeisel daarvan werd in 1950 de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) ingevoerd. De WOR verplichtte ondernemingen met een bepaalde omvang, tot instelling van een ondernemingsraad.1 Deze had tot taak, onder erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer, naar vermogen bij te dragen tot een zo goed mogelijk functioneren van de onderneming. De bevoegdheden van de ondernemingsraad waren nog zeer beperkt. In 1971 werd de WOR ingrijpend herzien.2 Deze herziening was - net als de herziening van het enquêterecht gebaseerd op de voorstellen van de Commissie Verdam. De herziening had ten doel bij te dragen aan de verbreding van medezeggenschap van werknemers in ondernemingen. De ondernemingsraad kreeg de bevoegdheid om over in de wet genoemde onderwerpen advies uit te brengen aan de ondernemer alvorens deze daarover een besluit kon nemen. Weliswaar werd door de adviesbevoegdheid de positie van de ondernemingsraad versterkt, tegen besluiten die afweken van of in strijd waren met het advies van de ondernemingsraad was geen beroep op de rechter mogelijk. Dat zou pas bij de herziening van de WOR in 1979 komen. De WOR zoals na die de herziening van 1971 luidde, geeft geen antwoord op de in hoofdstuk 1 geformuleerde onderzoeksvragen. De wet voorzag immers nog niet in een beroepsmogelijkheid tegen besluiten van de ondernemer. De herziening van de WOR per 1 september 1979 bracht wijzigingen in de samenstelling en de bevoegdheden van de ondernemingsraad en de invoering van een beroepsrecht voor de ondernemingsraad in art. 26 WOR.3 Van de na 1979 in de WOR aangebrachte wijzigingen wijs ik nog op de invoering van de verplichting tot het verstrekken van voorinformatie aan de ondernemingsraad.
De WOR kende en kent ook nu nog, een eigen begrippenapparaat waarin de begrippen onderneming en ondernemer centraal staan. Daarin wordt, in tegenstelling tot in andere ondernemingsrechtelijk getinte wetgeving, zoals de handelsregisterwet, het begrip onderneming wel gedefinieerd.4 In die omschrijving (art. 1 lid 1 sub c WOR) is het aan de OR ten grondslag liggende uitgangspunt te herkennen dat de ondernemingsraad tot taak heeft, onder erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer, naar vermogen bij te dragen tot een zo goed mogelijk functioneren van de onderneming en daarbij de belangen van het in de onderneming werkzame personeel te behartigen. Daarin wordt de onderneming beschouwd als een werkgemeenschap die verbonden is met de arbeidsorganisatie. Daarbij aansluitend wordt de onderneming in art. 1 lid 1 sub c WOR omschreven als elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin op grond van een arbeidsovereenkomst of op grond van een publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht. Het samenwerkingsverband moet als zelfstandige eenheid in de maatschappij optreden. Dat gaat echter niet zo ver dat steeds sprake moet zijn van juridische zelfstandigheid in de vorm van een aparte rechtspersoon.5 De eis dat de organisatie aan het economisch verkeer deelneemt wordt in de WOR niet gesteld zodat ook niet-commerciële organisaties onder de werkingssfeer van de wet vallen.6 De in de WOR gebruikte kernbegrippen zoals onderneming en ondernemer sluiten aan bij de economische realiteit en vallen niet (per definitie) samen met de rechtspersonenrechtelijke begrippen rechtspersoon en bestuurder. De onderneming in de zin van de WOR is niet dezelfde als de organisatie van de rechtspersoon waarvoor boek 2 BW de organisatierechtelijke regels geeft.7 In de systematiek van de WOR is er meer dan in andere ondememingsrechtelijke wetgeving aandacht voor het feit dat aan het nemen van een besluit een proces van besluitvorming ten grondslag ligt.8 Als het proces van besluitvorming met betrekking tot onderwerpen die in art. 25 WOR genoemd worden, zover gevorderd is dat gesproken kan worden van 'een voorgenomen besluit' dient de ondernemer advies te vragen aan de ondernemingsraad.9 Dat dient te gebeuren op een zodanig tijdstip dat het advies nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. In dat stadium mag het voornemen van de ondernemer nog niet definitief zijn, al zal het voornemen wel zo geconcretiseerd moeten zijn dat voor alle betrokkenen duidelijk is waarop het uiteindelijke besluit betrekking zal hebben en welke gevolgen dat zal hebben. Uit de rechtspraak rond de vraag of een besluit, een besluit in de zin van de WOR is en vooral op welk moment een voorgenomen besluit zodanig gerijpt is dat daarover het voor advies aan de ondernemingsraad gevraagd moet worden, is af te leiden dat de besluitvorming nog niet zo ver geconcretiseerd mag zijn dat daarop geen invloed van of door de ondernemingsraad meer mogelijk is.10 Pas nadat advies of in een aantal gevallen instemming van de ondernemingsraad is verkregen, mag de ondernemer het besluit nemen. Deze procedure waarborgt dat een besluit over een van de in art. 25 lid 1 WOR genoemde onderwerpen door de ondernemer pas genomen wordt na afweging van de belangen van de ondernemer, de onderneming en de daarin werkzame personen. In 1979 werd de adviesbevoegdheid van de ondernemingsraad uitgebreid met een beroepsmogelijkheid. De enige grond voor het instellen van beroep tegen een beslissing van een ondernemer is dat het besluit bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid genomen had kunnen worden, art. 26 lid 4 WOR.