RvdW 2024/492:Seksueel misbruik van 9-jarige/11-jarige kleindochter van partner van verdachte, meermalen gepleegd (art. 244 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht handelingen van verdachte wat betreft daarvoor redengevend gebruik van relaas van verbalisant en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten m.b.t. bewijsmotivering. 2. Duur van proeftijd, art. 14b lid 2 (oud) en art. 14c lid 1 Sr. Kon hof de duur van proeftijd bepalen op 3 jaren? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Relaas van verbalisant, waaruit niet z.m. zou blijken welke beschuldigingen de verdachte zou hebben erkend, is in het licht van overige bewijsmiddelen wel degelijk redengevend voor bewijs. Als relaas zou worden weggedacht, is er bovendien nog meer dan voldoende steunbewijs voor verklaring van aangeefster. Bewezenverklaring is daarom naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Hof heeft aangevoerde kennelijk en niet onbegrijpelijk niet opgevat als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten a.b.i. art. 359 lid 2 Sv, zodat hof niet gehouden was tot nadere motivering. Ad. 2. Hof heeft in strijd met art. 14b (oud) Sr aan algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan strafbaar feit, proeftijd verbonden van 3 jaren. HR herstelt deze misslag en merkt op dat kennelijke misslag als onderhavige zich bij uitstek leent voor herstel door hof zelf (vgl. NJ 2012/248, m.nt. M.J. Borgers en NJ 2012/490, m.nt. M.J. Borgers). HR doet zaak zelf af door duur van proeftijd te verminderen in die zin dat is voldaan aan destijds wettelijk bepaald maximum van 2 jaren.