Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.2.4
3.2.4 Initiatieven om deskundigen op te leiden en de kwaliteit van deskundigenonderzoeken te bevorderen
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451872:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Groot & Elbers 2008, p. 92, 94 en 135.
Hoogendijk 2009, p. 13.
Ook in de literatuur is aandacht voor kwaliteitsborging van deskundigenberichten. Zie bijvoorbeeld Van Spaendonck & Keijser 2014. Op deelgebieden die voor de vergelijking met het onderzoek in de enquêteprocedure niet relevant zijn, zijn er andere initiatieven tot stand gekomen, waarop ik hier niet verder inga. Zie Van Ettekoven 2016.
De hierna vermelde gegevens zijn ontleend aan de voormalige website van SDR, sdrnet.nl, die inmiddels niet meer in de lucht is.
Vgl. Giard 2009, p. 89 met verdere gegevens.
Beide documenten zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Zowel uit empirisch onderzoek1 als uit de literatuur2 blijkt dat rechters het als een probleem ervaren dat zij niet weten welke materiedeskundigen voldoen aan de vereisten die worden gesteld om als gerechtelijk deskundige in een (civiele) procedure op te treden. In feite gaat het hierbij om twee deelproblemen: te weinig materiedeskundigen voldoen aan de vereisten die worden gesteld om als gerechtelijk deskundige in een civiele procedure op te treden, en voor zover die materiedeskundigen aan die vereisten voldoen, kan de rechter hen niet vinden. Een oplossing voor het tweede deelprobleem is registratie van deskundigen die bereid en in staat zijn als gerechtelijk deskundige in civiele procedures op te treden. In de volgende paragraaf ga ik daar verder op in. In deze paragraaf bespreek ik kort een aantal initiatieven die zijn genomen om te bevorderen dat materiedeskundigen ook voldoen aan de vereisten die nodig zijn om als gerechtelijk deskundige in civiele procedures op te treden.3
In de eerste plaats kan hierbij worden gewezen op de inmiddels opgeheven Stichting Studiekring Deskundigen en Rechtspleging “SDR”.4 De reden van de oprichting van de SDR was om de imaginaire kloof te overbruggen tussen enerzijds de rechtsplegers, te weten de rechters, officieren van justitie en advocaten, en anderzijds de verschillende deskundigen in de verschillende disciplines. De SDR beoogde een bijdrage te leveren aan de verbetering van de kwaliteit van de rol van de deskundigen en de rechtsplegers binnen de verschillende disciplines die binnen de rechtspleging betrokken zijn bij geschillenbeslechting. De SDR heeft verder met de Universiteit Leiden de PAO Specialisatieopleiding Gerechtelijk Deskundige opgezet. Indirect heeft de SDR daarmee ook aan de basis gestaan van het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (“LRGD”), dat uit deze specialisatieopleiding is voortgevloeid en dat in de volgende paragraaf wordt besproken. Deze initiatieven richten zich op deskundigen in brede zin. Specifiek voor medische deskundigenonderzoeken zijn er ook allerlei initiatieven. Ik ga hierop verder niet in en verwijs naar de literatuur.5
Naast deze particuliere initiatieven heeft de Rechtspraak ook initiatieven genomen om de kwaliteit van gerechtelijk deskundigenonderzoeken in civiele procedures te versterken. Zo is er een Leidraad deskundigen in civiele zaken opgesteld, alsmede een model deskundigenbericht.6 Door de aanbevelingen in de Leidraad deskundigen in civiele zaken op te volgen en het deskundigenbericht volgens het model op te stellen, wordt min of meer automatisch bewerkstelligd dat de deskundige vermeldt van welke stukken hij kennis heeft genomen, van welke feiten hij is uitgegaan en dat hij de regels van hoor en wederhoor in acht neemt. Daardoor wordt zo veel mogelijk voorkomen dat deskundigen processuele uitglijders maken.