Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/6.2
6.2 De bevoegdheden van deskundigen in de civiele procedure
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de uitkoop- en de uitstotingsprocedure is bepaald dat de door de Ondernemingskamer benoemde deskundigen de bevoegdheden hebben van de onderzoekers in de enquêteprocedure. Zie artikel 2:92a/201a lid 5 BW en artikel 2:359c lid 6 BW.
In de jurisprudentie werd deze regel al eerder aanvaard. Zie HR 12 juni 1953, NJ 1954/61, m.nt. D.J. Veegens (Bloedproef) en HR 28 april 1978, NJ 1979/104 (X/De Magistrat der Landeshauptstadt Linz (Jugendamt)).
Van Mierlo & Bart 2002, p. 372.
Vgl. De Groot 2008, p. 293-296, die dit niet als een probleem signaleert. Kritisch is Van der Wiel 2004, p. 333, die opmerkt dat zowel de beslissingsvrijheid van de rechter als de vage formulering maken dat deze sanctie geen effectief middel is om partijen aan de geldende normen te houden. Van der Wiel draagt geen verder bewijs voor deze stelling aan.
De griffier deelt de deskundige mede wie de contactpersoon is. Zie Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 7. Of dat een rechter, een gerechtssecretaris of een griffiemedewerker is, blijkt niet uit de leidraad.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 97.
Zie § 9.2.4.
HR 8 februari 2013, NJ 2013/107, JOR 2013/127, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (DB Schenker/ ProRail).
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat geen bepaling die deskundigen specifieke bevoegdheden geeft, zoals in het enquêterecht.1Artikel 198 lid 3 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn mee te werken aan een onderzoek door deskundigen. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Deze bepaling is eerst bij de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002 in de wet opgenomen.2 De memorie van toelichting bepaalt niet meer dan dat deze bepaling in de wet is opgenomen in het verlengde van de in artikel 21 Rv neergelegde verplichting van partijen.3 De medewerkingsplicht ligt dus in het verlengde van de verplichting van partijen om de voor de beslissing van belang zijnde feiten naar waarheid aan te voeren. Uit de literatuur blijkt niet dat het ontbreken van formele bevoegdheden van de deskundigen de uitvoering van een deskundigenonderzoek bemoeilijkt.4 De Leidraad deskundigen in civiele zaken bepaalt dat partijen moeten voldoen aan redelijke verzoeken van de deskundige om informatie en toezending van stukken. Voorts moeten zij gemaakte afspraken met de deskundige tijdig nakomen of tijdig gemotiveerd om uitstel vragen. De leidraad adviseert de deskundige om de contactpersoon5 in te schakelen als hij de indruk heeft dat het onderzoek ernstige vertraging oploopt of ernstig wordt bemoeilijkt doordat een partij niet meewerkt.6
Indien het onderzoek plaatsvindt onder leiding van een rechter-commissaris kan deze de nodige bevelen geven als een partij niet meewerkt.7 Mocht een partij weigeren relevante documenten aan de deskundige te geven, dan kan de wederpartij deze partij hangende de uitvoering van het deskundigenbericht in kort geding dagvaarden om de exhibitieplicht van artikel 843a Rv af te dwingen.8