RvdW 2021/481:Openlijke geweldpleging, art. 141 Sr. Eigen waarneming van de rechter als bewijsmiddel, art. 339 lid 1 Sv jo art. 340 Sv. Is verdachte verrast door het gebruik van eigen waarneming hof zonder dat inhoud van die waarneming ttz. ter sprake is gebracht? HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2007/134, m.nt. Reijntjes t.a.v. ratio van art. 340 Sv en NJ 2019/465, m.nt. Reijntjes m.b.t. de vraag wanneer de rechter gehouden is de eigen waarneming van opname van beeld en/of geluid nader ttz. aan de orde te stellen. In casu is een p-v van de politie ter sprake gebracht waarin is gerelateerd dat op camerabeelden is waargenomen dat verdachte ‘meerdere malen een duwende beweging maakt richting de steward’. Ook is ter sprake gebracht dat verdachte bij politie n.a.v. getoonde camerabeelden heeft verklaard dat hij de steward ‘een paar duwen en flinke tikken gaf, welke niet raak waren’. Verder heeft raadsman van verdachte zich ttz. in h.b. in relatie tot die verklaring uitgelaten over getoonde camerabeelden, en heeft hij in zijn pleitnota in h.b. een standpunt ingenomen over duwende bewegingen richting steward, bedoeld in voornoemde p-v van politie. Kennelijke oordeel hof dat, gelet op dit procesverloop en op inhoud van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal, verdediging niet verrast zou worden door gebruik voor het bewijs van waarneming van het hof, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR neemt hierbij mede in aanmerking dat die waarneming — die er kort gezegd op neerkomt dat gedragingen van verdachte zich niet beperkten tot een eenmalige duw — niet wezenlijk verschilt van inhoud van door het hof voorgehouden stukken. Volgt verwerping.