RvdW 2021/477:Diefstal (art. 310 Sr) en (eenvoudig) (schuld)witwassen (artt. 420bis lid 1 ahf en onder b, 420bis lid 1, 420quater lid 1 ahf en onder b en 420quater lid 1 Sr). HR herhaalt relevante overweging uit NJ 2017/218, m.nt. Mevis m.b.t. onderscheid tussen eenvoudig (schuld)witwassen en gewoon (schuld)witwassen en uit NJ 2011/316, m.nt. Mevis m.b.t. voorwaarden waaronder alternatieve tll toelaatbaar is. In tll zijn vier alternatieven omschreven: witwassen, eenvoudig witwassen, schuldwitwassen dan wel eenvoudig schuldwitwassen. Door bewezen te verklaren dat voorwerpen afkomstig waren ‘uit enig misdrijf’ (en niet ‘uit enig eigen misdrijf’) en dat die voorwerpen ‘onmiddellijk of middellijk’ (en niet uitsluitend ‘onmiddellijk’) afkomstig waren uit enig misdrijf, heeft hof in bewezenverklaring keuze gemaakt tussen eenvoudig (schuld)witwassen en gewoon (schuld)witwassen. Maar door in het midden te laten of verdachte ‘wist’ dan wel ‘redelijkerwijs moest vermoeden’ dat voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig waren, heeft hof in bewezenverklaring geen keuze gemaakt tussen gewoon witwassen en gewoon schuldwitwassen. Die keuze had niet achterwege mogen blijven, omdat de in art. 420bis Sr tegen gewoon witwassen bedreigde gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren hoger is dan de in art. 420quater Sr op gewoon schuldwitwassen gestelde gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. feit 2 en strafoplegging) en terugwijzing.