Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/II.8
II.8 Intermezzo: de onschuldpresumptie in de common law
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596273:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo op het Europese continent o.a. Hochuli 1954, p. 252; Pompe 1959, p. 149; Veegens 1960, p. 46 en 54; Elibol 1965, p. 28 e.v.; Franke 1965, p. 20 en 45; Meuwissen 1968, p. 446. Krauss 1971, p. 154 veronderstelt de Anglo-Amerikaanse afstamming zelfs bekend en acht een verwijzing kennelijk overbodig. In de common law-landen zelf wordt iets soortgelijks onder andere verdedigd door Holdsworth 1923, p. 620. Clementi 1977, p. 68-76 komt op weinig overtuigende wijze tot deze conclusie. In de door hem geanalyseerde documenten uit de veertiende eeuw komt de onschuldpresumptie in het geheel niet voor (zie p. 72-73). Zie voor voorbeelden van auteurs die deze stelling innemen op basis van Amerikaans Supreme Court 4 maart 1895, 156 U.S. 432 (Coffin/United States), Stuckenberg 1998, p. 254, voetnoot 10.
Zie Trechsel 1997, p. 98.
Zo ook Durstewitz 1965, p. 16 e.v. i.h.b. ook de tabel op p. 30; Köster 1979, p. 69-84.
Zie op die manier Hochuli 1954, p. 252; Elibol 1965, p. 37.
Geciteerd uit Van Kempen 2010, p. 1179.
De oudste bekende vindplaats is bij Bracton (ca. 1260), geciteerd door Thayer 1895, p. 553. William of Ockham haalde het goedheidsvermoeden in zijn Dialogus (ca. 1335) ook aan, zo vond Quintard-Morénas 2010, p. 124.
Zie over de invloed van de romeins-canonieke rechtstraditie in het algemeen en van Bernardus Parmensis in het bijzonder op Bracton, Post 1946, p. 215-216.
Shapiro 1991, i.h.b. p. 207 e.v.: “By the time Bracton was writing, concepts of presumption had already been developed by the canonists. Bracton's [...] comments on presumption, which did not appear in connection with crime, owed a good deal to the Romano-canon doctrine. Both Bracton [...] and Coke were thus extremely important for the entry and popularization of the Romano-canon concepts […]. Neither Bracton nor Coke indicated his indebtedness to non-English sources, and subsequent English commentators, either deliberately or out of ignorance, would cite only them. […] [T]he English of the late medieval and the early modern eras were particularly reluctant to draw attention to foreign elements in their law.”
Köster 1979, p. 72-73.
Stephen (1883, p. 397) stelt daarover: “No one can be brought to trial till a grand jury has upon oath pronounced him guilty, as the form of every indictment shows. [...] Why should a man be presumed to be innocent when at least twelve men have positively sworn to his guilt ? [...] [T]he presentment of a grand jury went a long way towards a conviction, and a man who came before a petty jury under that prejudice was by no means in the same position as a man against whose innocence nothing at all was known. [...] [I]ndeed in all the trials of that time, the sentiment continually displays itself, that the prisoner is half, or more than half, proved to be an enemy to the King, and that, in the struggle between the King and the suspected man, all advantages are to be secured to the King, whose safety is far more important to the public than the life of such a questionable person as the prisoner. A criminal trial in those days was not unlike a race between the King and the prisoner, in which the King had a long start and the prisoner was heavily weighted.”
Vgl. Meyer 1971, p. 1444-1445.
Allen (1931) 1977, p. 271. Een en ander wordt voorafgegaan door een kleurrijke bespreking van de presumption of guilt die zijns inziens de facto gold, p. 259-271. Vgl. ook Stuckenberg 1998, p. 254-255. Anders: Keijzer 1987, p. 240-241.
Zo bijvoorbeeld Amerikaans Supreme Court 4 maart 1895, 156 U.S. 432 (Coffin/United States), met verwijzingen naar onder andere Fortescue, Hale en Blackstone.
Voor achtergrond en referenties zie Köster 1979, p. 73-75; Laufer 1995, p. 349-350.
Citaat ontleend aan Thayer 1895, p. 552.
Zie ook Guradze 1971, p. 155-158; Schubarth 1978, p. 1. Vgl. ook het anonieme State of Crime in England and France 1827, p. 467.
Zie nader Stephen 1883, p. 381-383; Thayer 1895.
Quintard-Morénas 2010, p. 125-130.
Zie wel het kort na Beccaria’s werk verschenen Barrington 1766, p. 344: “[...] [T]he power of taking bail in all but the most atrocious and dangerous offences to the public, seems to be a necessary consequence of the criminal being presumed innocent, till conviction.”
De these van Jellinek ((1902) 1964, p. 8 e.v. en p. 67) dat de Franse DDHC een kind is van het Amerikaanse recht en de Amerikaanse revolutie, gaat voor de onschuldpresumptie derhalve niet op. De ter staving door hem in verband met art. 9 DDHC aangedragen bepalingen (art. 12, 14 en 26 van de Bill of Rights van de staat Massachusetts, bevatten geen onschuldvermoeden). Jellineks stelling stuitte in zijn eigen tijd reeds op verzet. Vgl. o.a. Rees 1912, p. 26-60; Hashagen (1924) 1964, p. 162.
Vgl. Keijzer 1987, p. 241.
Allen ((1931) 1977, p. 276 e.v.) ziet dit als één van de twee redenen voor de toename van de aandacht voor de onschuldpresumptie. De andere is dat alleen een vredige samenleving, die niet het gevaar loopt in chaos te raken en waarin politie en justitie goed georganiseerd zijn, het zich kan permitteren genereus te zijn naar een verdachte. Zo ook Stephen 1883, p. 354.
Bijvoorbeeld: Best 1845, §49, p. 53-55.
Shapiro 1991, i.h.b. p. 24 e.v., Fletcher 1968, p. 880; Laufer 1995, p. 349-350.
Allen (1931) 1977, p. 282-283. Vgl. ook Pennington 2003, p. 108; Reid 2005, p. 292.
Zie daarover kritisch: Thayer 1895; Allen (1931) 1977, p. 293-294; Pennington 2003, p. 106 e.v.; Reid 2005, p. 286-292. Het Supreme Court wijst onder andere op diverse Romeinse digestenteksten als besproken in § II.2 en op de reïteratie in de diverse handboeken van de idee dat het beter is een (of meer) schuldige(n) vrij te spreken dan een onschuldige te veroordelen. De verwijzing naar de zaak McKinley van 1814 moet worden genuanceerd, aangezien het een Schotse zaak betrof die derhalve niet tot de common law moet worden gerekend en bovendien betreft het geciteerde een dissenting opinion. Zo ook Thayer 1895, p. 557.
Thayer 1895, p. 554.
Allen (1931) 1977, p. 293-294. Eveneens kritisch over de conclusies uit ‘Coffin’ is Pennington 2003, p. 106 e.v.
Amerikaans Supreme Court 14 mei 1979, 441 U.S. 520, 533 (Bell/Wolfish).
Kritisch over een gebrek aan erkenning van een behandelingsaspect in de Verenigde Staten zijn bijvoorbeeld Quintard-Morénas 2010; Baradaran 2011.
Waar in Frankrijk aan het eind van de achttiende eeuw het uit de onschuldpresumptie afgeleide bejegeningsrecht het oorspronkelijke aan het bewijs in strafzaken gerelateerd begrip van het principe naar de achtergrond drong, is die laatste betekenis voor de op het Engelse recht geënte rechtsstelsels juist van groot belang gebleven. Vaak verkondigd is de opvatting dat de onschuldpresumptie van oorsprong een common law-principe is en dat daaraan de huidige positie als fundamenteel grondrecht te danken is.1 In velerlei opzicht was het Engelse strafproces zijn continentale evenknie in de middeleeuwen vermoedelijk inderdaad vooruit.2 Die voorsprong was evenwel nu juist niet gelegen in een verder gevorderde ontwikkeling van de onschuldpresumptie.3
Verdedigd is dat reeds de Magna Carta (1215) een vermoeden van onschuld bevatte.4 Die stelling berust op artikel 39 van de Magna Carta:
“No freeman shall be taken or imprisoned or disseised or exiled or in anyway destroyed, nor will we go upon him nor send upon him, except by the lawful judgment of his peers or by the law of the land.”5
Het betreft een vroege codificatie van een eis van rechtsstatelijkheid die tegenwoordig wel als uitwerking van de onschuldpresumptie wordt beschouwd. Van een vermoeden van onschuld in woordelijke zin is echter geen sprake.
Als eerste bij Bracton (1210-1268), kwam vanaf de dertiende eeuw een goedheidsvermoeden voor in de Engelse rechtsgeleerdheid: “De quolibet ho-mine praesumitur quod sit bonus homo donec probetur in contrarium.”6 Dit betreft evenwel geen autonoom common law adagium. Bracton ontleende het hoogstwaarschijnlijk rechtstreeks aan Bernardus Parmensis. Bracton geldt namelijk als één van de belangrijkste verantwoordelijken voor de overname in het Engelse recht van rechtsfiguren uit de romeins-canonieke rechtstraditie in het algemeen,7 en van rechtsvermoedens in het bijzonder.8 Het goedheidsvermoeden haalt Bracton overigens aan in een civielrechtelijke context.9
Van een algemeen het strafproces structurerend principe kon ook geen sprake zijn, gelet op de wijze waarop het Engelse strafproces was ingericht. Zo werd na afschaffing van de godsoordelen de Grand Jury geïnstitutionaliseerd. Deze moest oordelen of voldoende grond bestond om te komen tot berechting van de verdachte ten overstaan van een Petty Jury.10 Daarnaast was de positie van de (petty) jury nauwelijks gereguleerd. De jury hoefde zich van het bewijs niets aan te trekken, er bestond geen verbod om in zowel de grand als petty jury plaats te nemen en eisen als onafhankelijkheid en onpartijdigheid werden niet gesteld.11 Allen is dan ook stellig over het Engelse strafproces zoals dat gold tot de zeventiende eeuw: “The presumption of innocence was not only absent from, but antoganistic to, the whole system of penal procedure.”12 Auteurs die het tegendeel beweren, baseren zich op vindplaatsen van de wél diepgewortelde Trajanusregel, maar een vermoeden van onschuld ontbreekt.13
Via hoofdzakelijk het werk van Menochius vond het op de theorie van Alciatus gebaseerde gebruik van vermoedens als bewijslastverdelingsmechanisme ook ingang in het Angelsaksische recht.14 In deze betekenis liet ook het General Court, een wetgevend orgaan van kolonie Massachusetts, zich over de onschuldpresumptie uit (1657):
“Whereas, in all civil cases depending in suit, the plaintiff affirmeth that the defendant hath done him wrong and accordingly presents his case for judgment and satisfaction – it behoveth the court and jury to see that the affirmation be proved by sufficient evidence, else the case must be found for the defendant; and so it is also in a criminal case, for, in the eye of the law every man is honest and innocent, unless it be proved legally to the contrary”.15
Het is de oudste bekende vindplaats van de onschuldpresumptie als bewijslastregel in het Angelsaksische recht.
Nadien groeide de bekendheid van het bewijsrechtelijk adagium in de common law,16 alhoewel de impact op het bewijsrecht aanvankelijk vermoedelijk klein was.17 Quintard-Morénas stelt dat vanaf de zeventiende eeuw de onschuldpresumptie niet langer enkel bewijslastregel was, maar ook diende als een de verdachte beschermend schild tegen aan veroordeling voorafgaande bestraffing.18 De door hem aangehaalde bronnen laten zien dat op grond van de onschuldpresumptie tegen aantastingen van de goede naam van een verdachte werd geageerd. Dit was op het Europese vasteland nog niet het geval. Hoewel Quintard-Morénas anders wil doen geloven, is in elk geval tot aan de verschijning van Beccaria’s Dei delitti e delle pene (1764) in de door hem aangehaalde bronnen van een verdergaand verbod van op veroordeling anticiperende bestraffing evenwel geen sprake.19 Er lijkt dan ook weinig reden aan te nemen dat de onschuldpresumptie als tegen premature bestraffing beschermend principe een Angelsaksische oorsprong heeft.20
In het begin van de negentiende eeuw neemt de interesse voor het vermoeden van onschuld in de common law aanzienlijk toe. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw ontplooide zich het adversariële karakter van het Angelsaksische strafproces zoals we dat tegenwoordig kennen. Daardoor kwam de verantwoordelijkheid voor de bewijsvoering bij de partijen te rusten, terwijl het vooronderzoek een relatief beperkte rol toekwam.21 Aan het begin van de negentiende eeuw ontstond tegen die achtergrond een law of evidence.22 In de belangrijkste bewijsrechtelijke handboeken en in de rechtspraak vindt men vanaf die tijd de onschuldpresumptie als bewijslastverdelingsmechanisme terug.23 Pas halverwege diezelfde eeuw werd zij in verband gebracht met de zelfstandig tot ontwikkeling gekomen bewijsmaatstaf van reasonable doubt.24 Wanneer de onschuldpresumptie exact tot het positieve recht van Engeland en Amerika is doorgedrongen, is onduidelijk. Allen legt de definitieve opname van de onschuldpresumptie in het Engelse recht in 1865, in de zaak Reg v. White. Hij is tevens van mening dat in de Verenigde Staten de onschuldpresumptie tot de uitspraak van het Supreme Court in Coffin/United States in 1895 niet tot volle wasdom was gekomen.25
Dat het hoogste gerecht van de Verenigde Staten van Amerika in 1895 in Coffin/USA de onschuldpresumptie “the undoubted law, axiomatic and elementary, [...] [whose] enforcement lies at the foundation of the administration of our criminal law” noemt, lijkt – ook gelet op de gegeven onderbouwing26 – vanuit historisch perspectief overdreven. Op basis van onderzoek naar enkele Engelse zaken uit de negentiende eeuw, stelde Thayer dat:
“[...] in English practice, down to our time, the presumption of innocence – except as a synonym for the general principle incorporated in that total phrase which expresses the rule about a reasonable doubt, namely that an accused must be proved (cursief bij Thayer, JB) guilty, and that beyond a reasonable doubt – plays a very small part indeed. [...] The prisoner is, indeed, carefully protected, but this bulwark is not found in any emphatic or strained application of the phrase or the fact of a presumption of innocence.”27
Ook Allen zag een beperkte rol voor de onschuldpresumptie:
“[...] [t]he presumption of innocence amounts to little more than a caution to the jury not to arrive at hasty inferences and a reminder that affirmative allegations must be proved by those who make them, not disproved by those against whom they are made.”28
Ofschoon ook in de Angelsaksische rechtsgeschiedenis rudimenten zijn te vinden van een begrip van de onschuldpresumptie als beginsel dat het individu beschermt tegen bestraffing zonder veroordeling, is de betekenis steeds primair die van bewijslastregel geweest. In 1979 bevestigde het Supreme Court van de Verenigde Staten nog dat “[t]he presumption of innocence is a doctrine that allocates the burden of proof in criminal trials.”29 De onschuldpresumptie had daarom volgens het Hof pertinent geen betrekking op de wijze waarop voorlopige hechtenis wordt tenuitvoergelegd en op het vooronderzoek in het algemeen.30