Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/11.2.6
11.2.6 Toezending van het verslag
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS453004:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Ondernemingskamer is hiertoe niet wettelijk verplicht, maar pleegt dit – terecht – te doen, zoals blijkt uit Aandachtspunt 4.6. Zie § 11.3.
Kamerstukken II 1968/69, 9595, 9596, 6, p. 15. Aanvankelijk bepaalde de wet dat de Verzekeringskamer en DNB het verslag zouden ontvangen. In verband met de opeenvolgende wijzigingen in de toezichtwetten is dat DNB, de ECB en/of de AFM geworden.
Haantjes & Olden 2013, p. 110 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 30-31).
Haantjes & Olden 2013, p. 110 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 30-31); Haantjes & Olden 2013, p. 189 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 39).
Zie voor de reikwijdte van het gedragstoezicht afdeling 4.1.1 Wft.
Dit overzicht is niet volledig. Bovendien verandert het overheidstoezicht op maatschappelijke ondernemingen met grote regelmaat. Het beschrijven van alle mogelijk betrokken toezichthouders op rechtspersonen die voorwerp van een enquête kunnen zijn, valt buiten de scope van mijn onderzoek.
Nu in de Uitvoeringswet verordening bankentoezicht in artikel 2:353 lid 2 BW de woorden ‘De Nederlandsche Bank NV’ onderscheidenlijk ‘de Stichting Autoriteit Financiële Markten’ zijn vervangen door “de op de rechtspersoon toezichthoudende instelling”, zou men zich kunnen afvragen of de wettekst niet ruim genoeg is om dit mogelijk te maken. Echter, uit de toelichting blijkt uitdrukkelijk dat de wetswijziging daarvoor niet was bedoeld. Bovendien zou ook artikel 2:348 BW in deze zin kunnen worden aangepast.
Tenzij de Ondernemingskamer anders heeft bepaald, mag de betreffende toezichthouder het onderzoeksverslag overigens niet aan de verantwoordelijk minister toezenden. Dat kan problemen opleveren met de ministeriële verantwoordelijkheid voor de toezichthouder, maar is een consequentie van het wenselijk systeem.
Omdat de Ondernemingskamer onderzoeksverslagen die niet voor “een ieder” ter inzage liggen, ter inzage pleegt te leggen voor “belanghebbenden”, betekent dit dat de voorzitter van de Ondernemingskamer, alvorens op het machtigingsverzoek te beslissen, de voorvraag moet beantwoorden of degene die daarom vraagt een ‘belanghebbende’ is voor wie het onderzoeksverslag ter inzage ligt. Zie § 11.4.5.
Op 30 september 2015 waren dit de onderzoeksverslagen in vier zaken: Meavita, Van der Moolen Holding, Fortis en Jeemer (Slotervaartziekenhuis). Sommige rechtspersonen publiceren het verslag ook op hun eigen website. In § 11.2.7 ga ik hier verder op in.
Voorzieningenrechter Rb. Den Haag 11 juli 2014, ARO 2014/89 (Middle Europe Investments c.s.); Hof Den Haag 24 februari 2015, JOR 2015/225, m.nt. A. Knigge (Middle Europe Investments c.s.); HR 2 december 2016, NJ 2017/1,JOR 2017/86, m.nt. R.G.J. de Haan, Ondernemingsrecht 2017/28, p. 178-180, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Middle Europe Investments c.s.).
De griffier zendt een exemplaar van het verslag toe aan de advocaat-generaal, de rechtspersoon alsmede de verzoekers en hun advocaten. Andere procespartijen ontvangen niet automatisch een afschrift van het verslag, maar alleen als het verslag voor hen ter inzage ligt.1 Dat de verzoeker en de rechtspersoon het verslag ontvangen, spreekt voor zich. De reden dat de advocaat-generaal het verslag ontvangt, is dat hij de bevoegdheid heeft om redenen van openbaar belang de Ondernemingskamer te verzoeken wanbeleid vast te stellen en voorzieningen te treffen (artikel 2:355 lid 1 BW). DNB, de ECB en/of de AFM ontvangen het verslag indien de rechtspersoon wegens het bedrijf dat hij uitoefent aan hun toezicht is onderworpen. De ratio hiervan was volgens de wetgever in 1971 dat een zekere coördinatie met het toezicht dat DNB over financiële ondernemingen uitoefent wenselijk is.2 In de memorie van toelichting op de Wet aanpassing enquêterecht heeft de minister hieraan toegevoegd dat de indiening van een enquêteverzoek tot intensivering van het toezicht aanleiding zou kunnen geven.3 Dit geldt uiteraard ook voor de inhoud van het onderzoeksverslag. In de Wet aanpassing enquêterecht is toegevoegd dat ook de AFM een afschrift van een verslag met betrekking tot aan haar toezicht onderworpen rechtspersonen ontvangt. De memorie van toelichting wijst erop dat de AFM optreedt als gedragstoezichthouder van beursvennootschappen. Haar toezicht strekt zich onder meer uit tot de jaarrekening van de vennootschap en de wijze waarop met koersgevoelige informatie wordt omgegaan.4 Ook vele niet-beursvennootschappen zijn aan het toezicht van de AFM onderworpen.5 De memorie van toelichting legt niet uit waarom ook met betrekking tot die vennootschappen de AFM een afschrift van het verslag moet ontvangen. Aannemelijk lijkt dat het argument uit 1971 dat een zekere coördinatie met het toezicht (van naast DNB ook de AFM) op financiële ondernemingen wenselijk is, nog steeds valide is. In de Uitvoeringswet verordening bankentoezicht is artikel 2:353 lid 2 BW nog aangepast aan de situatie dat het toezicht op sommige banken niet langer door DNB, maar door de ECB wordt uitgeoefend. Een inhoudelijke wijziging is hiermee niet bedoeld.
Naast financiële ondernemingen en beursvennootschappen, die aan het toezicht van DNB, de ECB en/of de AFM zijn onderworpen, zijn er meer rechtspersonen die onderwerp van een enquête kunnen zijn aan overheidstoezicht onderworpen. Te denken valt bijvoorbeeld aan zorginstellingen, die onder toezicht staan van de Nederlandse Zorgautoriteit (“NZa”), en woningbouwcorporaties, die onder toezicht staan van de Autoriteit Woningcorporaties (“AW”).6 Dezelfde ratio waarom DNB, de ECB en de AFM onderzoeksverslagen over financiële ondernemingen en beursvennootschappen ontvangen, brengt mee dat zij ook verslagen van onderzoeken over ondernemingen die aan hun toezicht zijn onderworpen zouden moeten ontvangen. Ik zou mij kunnen voorstellen dat de wet in deze zin wordt aangepast.7 Zolang dat niet het geval is, zou de Ondernemingskamer kunnen bepalen dat een verslag voor deze toezichthouders ter inzage ligt (als het verslag al niet ter inzage wordt gelegd voor eenieder).8
Indien het onderzoek betrekking heeft op een effecten uitgevende onderneming, kan de inlevering van het verslag koersgevoelig zijn en de contactpersoon nopen tot het uitgeven van een persbericht. Om die reden is het wenselijk dat de griffier het verslag in dat geval na het sluiten van de effectenbeurs aan partijen toestuurt, zodat de uitgevende onderneming kan beoordelen of zij een persbericht moet uitbrengen.
Opmerking verdient dat bestuurders en commissarissen van verzoekers en de rechtspersoon feitelijk wel kennis zullen (kunnen) nemen van het verslag als het aan verzoekers en de rechtspersoon wordt toegezonden, maar dat het verslag daarmee nog niet voor hen ter inzage ligt. Willen zij een tweedefaseverzoek doen of de voorzitter van de Ondernemingskamer verzoeken hen te machtigen tot het doen van mededelingen uit het verslag, dan zullen zij eerst de Ondernemingskamer moeten verzoeken het verslag voor hen ter inzage te leggen.9
Indien het verslag voor eenieder ter inzage ligt, publiceert de Ondernemingskamer het verslag soms op haar website.10 Indien de Ondernemingskamer een verslag dat voor eenieder ter inzage ligt niet op haar website heeft gepubliceerd, pleegt zij het verslag desverzocht toe te zenden aan ieder die daarom vraagt. In de zaak-Middle Europe Investments c.s. heeft een belanghebbende de Staat in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de (griffier van de) Ondernemingskamer zou worden verboden dit te doen, zodat belangstellenden het verslag alleen ter griffie zouden kunnen inzien. Deze vordering is in drie instanties – terecht – afgewezen.11