Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.3.1
V.3.3.1 Veroordeling in een juridisch onvolmaakte procedure
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598625:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo Poncet 1977, p. 84 e.v.; Trechsel 1981, p. 324. Ook Grabenwarter (2014, p. 166) legt proved according to law uit als according to national law. De officiële Nederlandse vertaling van het IVBPR (“volgens de wet is bewezen”) wijst eveneens in die richting, terwijl het EVRM, het Hv en art. 3 van de richtlijn neutraler (“in rechte is komen vast te staan”) zijn vertaald.
HR 5 december 1995, NJ 1996, 411, m.nt. Schalken: “De genoemde verdragsbepalingen houden voor wat betreft de bewijsvoering in dat deze moet voldoen aan de dienaangaande in de desbetreffende Staat bestaande regelen.”
EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84, par. 51 (Schenk/Zwitserland). Terecht onderscheidt Feteris (2002, p. 359) tussen de hier aan de orde gestelde onrechtmatige verkrijging van bewijs en het eventueel onrechtmatig gebruik daarvan. Voor zijn stelling dat art. 6 lid 2 EVRM in het bijzonder zich wel verzet tegen onrechtmatig gebruik van bewijs, heb ik in de rechtspraak geen steun gevonden.
Zie bijv. uitdrukkelijk de Grote Kamer-uitspraken: EHRM (GK) 12 februari 2004, nr. 47287/99, par. 82 (Perez/Frankrijk); EHRM (GK) 1 juni 2010, nr. 22978/05, par. 162 (Gäfgen/Duitsland); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012, 306, par. 37, m.nt. T.M. Schalken (Lalmahomed/Nederland); EHRM (GK) 7 juni 2012, nr. 38433/09, par. 197 (Centro Europa 7 S.R.L. en Di Stefano/Italië). Hetzelfde uitgangspunt hanteert het CRM: zie o.a. CRM 30 maart 2005, nr. 971/2001 (Arutyuniantz/Oezbekistan); CRM 25 oktober 2010, nr. 1390/2005 (Koreba/Wit-Rusland).
CRM 11 november 2003, nr. 842/1998 (Romanov/Oekraïne); CRM 30 maart 2005, nr. 971/ 2001 (Arutyuniantz/Oezbekistan); CRM 1 november 2013, nr. 1856/2008 (Sevostyanov/ Rusland); CRM 23 juli 2015, nr. 2437/2014 (V.S./Litouwen).
Zie bijv. CRM 30 maart 2005, nr. 971/2001, par. 6.4 (Arutyuniantz/Oezbekistan); CRM 24 juli 2006, nr. 1421/2005, par. 7.4 (Larrañaga/Filipijnen).
Vgl. bijv. Den Hartog 1992, p. 57; Knigge, annotatie bij: EHRM 25 februari 1993, nr. 10828/84, NJ 1994, 485 (Funke/Frankrijk); De Hert 2004, p. 521.
Zie daarover § II.10. Vgl. ook art. 11(d) van de Canadian Charter of Rights and Free-doms: “Any person charged with an offence has the right [...] to be presumed innocent until proven guilty according to law in a fair and public hearing by an independent and impartial tribunal.”
Zie o.a. EHRM 25 maart 1983, nr. 8660/79, NJ 1986, 698, m.nt. Alkema, par. 37 (Minelli/Zwitserland); EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, NJ 1988, 938, m.nt. Alkema, par. 59-60 (Lutz/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 26 maart 1996, nr. 17314/90 (Leutscher/ Nederland); EHRM 6 juli 1999, nr. 31716/96, dec. (Suart/Nederland); EHRM 19 september 2000, nr. 35436/97, dec. (Hristov/Bulgarije); EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97, par. 54 (Böhmer/Duitsland); EHRM 26 januari 2006, nr. 14755/03 (Z./Letland); EHRM 6 november 2008, nr. 34162/06, dec. (Trifunovic/Kroatië); EHRM 18 december 2008, nr. 43529/07, par. 23 (Nerattini/Griekenland).
Den Hartog 1992, p. 57.
Dat wordt bevestigd door enkele opmerkelijke arresten waarin de onschuldpresumptie niet geschonden is geacht, nu weliswaar de verdachte niet was veroordeeld, maar deze ten overstaan van de schuldvaststellende rechterlijke autoriteit wel degelijk zijn verdedigingsrechten had kunnen uitoefenen, zie o.a. EHRM 26 maart 1996, nr. 17314/90 (Leutscher/Nederland); EHRM 19 juni 2012, nr. 21534/05, par. 57 (Constantin Florea/Roemenië).
Contrasteer bijv. EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83, par. 67(Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje), EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, par. 25 en par. 31 (Salabiaku/Frankrijk) en EHRM 23 april 1998, nr. 22885/93, par. 37 (Bernard/Frankrijk) met de uiteenlopende gevolgen dat de klacht enkel onder lid 1, enkel onder lid 2, respectievelijk onder lid 1 en 2 gezamenlijk werd onderzocht. Zie voor uitvoerige kritiek op zulke inconsistenties in de interne structuur van art. 6 EVRM Goss 2014, p. 65-88.
Vgl. wel op die manier de rechtspraak van het CRM over de oplegging van de doodstraf overeenkomstig art. 6 lid 2 IVBPR. Die bepaling is automatisch geschonden als die straf het resultaat is van een strafprocedure die strijdt met art. 14 IVBPR. Zo als gevolg van schending van de onschuldpresumptie CRM 29 oktober 2012, nr. 2120/2011 (Kovaleva en Kozyar/Wit-Rusland); CRM 6 november 2015, nr. 2289/2013 (Selyun/Wit-Rusland).
Is een schuldvaststelling steeds in strijd met het vermoeden van onschuld wanneer deze berust op een procedure waaraan strafprocessuele gebreken kleven? Zowel een vereiste van conformiteit aan het nationale recht als aan het verdragsrecht is in according to law wel gelezen.
Wordt schuld vastgesteld in een strafprocedure waarin het nationale strafprocesrecht is geschonden, dan leidt dat tot een schending van de onschuldpresumptie, zo is wel betoogd.1 Ook de Hoge Raad heeft het vereiste op die manier gelezen.2 In deze zienswijze incorporeert het onschuldvermoeden een strafprocesrechtelijke legaliteitseis. Eventueel met de beperking dat het moet gaan om wetsconformiteit in de bewijsrechtelijke sfeer (“proved [...] according to law”). In Schenk/Zwitserland wees het EHRM die opvatting van de hand door te oordelen dat een veroordeling die stoelde op naar nationaal recht onrechtmatig verkregen bewijs de onschuldpresumptie niet raakte.3 Terughoudendheid van het Hof in dit opzicht wekt uiteraard weinig verbazing. Een rol als fourth instance proberen de toezichthoudende organen in beginsel te vermijden.4 Het EHRM weet zich ondanks de bewoordingen van artikel 6 lid 2 EVRM in het kader van de onschuldpresumptie goed aan dat voornemen te houden en ziet in according to law geen aanleiding de naleving van het nationale recht te toetsen. Het VN Mensenrechtencomité toetst de toepassing van het nationale recht en de waardering van het bewijs niet, “unless it can be ascertained that the conduct of the trial or the evaluation of facts and evidence or interpretation of legislation was manifestly arbitrary or amounted to a denial of justice.”5 In die gevallen waarin het Comité een denial of justice aannam en dus ook de onschuldpresumptie geschonden achtte, ging het echter steeds om een willekeurige bewijswaardering, maar niet om een arbitraire uitleg of toepassing van het nationale recht.6 Ook de jurisprudentie van het Comité biedt derhalve geen steun voor de opvatting dat een naar nationaal recht gebrekkige bewijsvoering als zodanig de onschuldpresumptie schendt.
Verdedigbaar is anderzijds dat according to law niet ziet op nationale maatstaven, maar op een behoorlijke procedure die in zijn geheel in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als neergelegd in de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR.7 Een dergelijke uitleg van de onschuldpresumptie komt tot uitdrukking in artikel 11 UVRM (“until proved guilty according to law in a public trial at which he has had all the guarantees necessary for his defence”) en een vroege versie van artikel 6 EVRM waarin de rechten uit het huidige derde lid waren opgenomen aan het einde van lid 2.8 Elke schending van het recht op een eerlijk proces maakt de daaropvolgende veroordeling strijdig met het onschuldvermoeden. Volgens Den Hartog wijst op een dergelijke invulling de door het EHRM gebezigde overweging dat “[...] the presumption of innocence will be violated if, without the accused having previously been proved guilty according to law and, notably, without his having had the opportunity of exercising his rights of defence, a judicial decision or a statement concerning him reflects an opinion that he is guilty.”9 Uit de passage over schending van enig verdedigingsrecht leidt zij af dat de onschuldpresumptie alleen kan worden beëindigd door een procedure die overeenkomstig de wet is én waarin alle verdedigingsrechten zijn gewaarborgd.10 Mijns inziens kan dat uit de geciteerde passage niet worden afgeleid. Zo uit deze – in de rechtspraak niet meer gangbare – bijzin iets is af te leiden, dan toch eerder dat de onschuldpresumptie alleen geschonden is als de procedure én niet according to law heeft plaatsgehad, en evenmin op andere wijze de verdedigingsrechten van de betrokkene in acht zijn genomen (“and, notably, without”).11 Ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat het EHRM of het VN Mensenrechtencomité schendingen van het recht op een eerlijk proces steeds ook als schending van de onschuldpresumptie opvat. Tussen het beginsel en andere aspecten van het recht op een eerlijk strafproces bestaat in hun jurisprudentie weliswaar op meerdere punten overlap, met welke overlap zij op inconsistente wijze omgaan,12 maar die overlap heeft betrekking op de inhoud van het recht voor onschuldig te worden gehouden. Uitspraken waarin schending van het recht op een eerlijk proces ipso facto schending van de onschuldpresumptie opleverde, heb ik niet aangetroffen.13