Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.3.5
V.3.3.5 Niet-onherroepelijke schuldvaststelling: onschuldpresumptie in beroep en cassatie?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS599798:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. EHRM 19 september 2006, nr. 23037/04, par. 48 (Matijašević/Servië); EHRM 6 februari 2007, nr. 14348/02, par. 71 (Garycki/Polen); EHRM 9 december 2008, nr. 5422/04, par. 54 (Wojciechowski/Polen); EHRM 20 september 2011, nr. 39602/05, par. 88 (Fedorenko/ Rusland); EHRM 12 januari 2012, nr. 36650/03, par. 48 (Dovzhenko/Oekraïne); EHRM 13 november 2012, nr. 4488/03, par. 42 (E.M.B./Roemenië); EHRM 1 oktober 2013, nr. 38494/04, par. 74 (Gonta/Roemenië); EHRM 21 juli 2015, nr. 23319/08 (Neagoe/Roemenië); EHRM 18 februari 2016, nr. 6091/06, par. 208 (Rywin e.a./Polen). In EHRM 16 juni 2015, nr. 48621/07, par. 55 e.v. (Dìcle en Sadak/Turkije) was het beginsel eveneens van toepassing op de procedure na toewijzing van een herzieningsverzoek.
ECieRM 9 oktober 1985, nr. 10282/83, rep., par. 49 (Englert/Bondsrepubliek Duitsland); EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07, par. 35 (Konstas/Griekenland). Zie ook EHRM 25 augustus 1987, nr. 10300/83 (Nölckenbockhoff/Bondsrepubliek Duitsland). In casu was na veroordeling in eerste aanleg hoger beroep ingesteld en was de verdachte vervolgens overleden. Hoewel van schending geen sprake was, was art. 6 lid 2 wel van toepassing.
CRM 24 oktober 2014, nr. 2165/2012, par. 8.3 (Pinchuk/Wit-Rusland).
Voor de bewijsdimensie is dat vanzelfsprekend. Waarom de bewijslast met betrekking tot dezelfde vragen bij een herbeoordeling anders zou moeten worden verdeeld, valt niet in te zien. Volgens Van Sliedregt (2015, p. 18-19) verschuift het zwaartepunt van de behandelingsdimensie evenwel in beroep van het belang van de verdachte niet onterecht als schuldige te worden bejegend, naar de openheid en onzekerheid van de procedure. Die laatste zijn in beroep inderdaad zonder meer nog van belang.
Zie stellig afwijzend over de toepasselijkheid in cassatie EHRM-rechter Loucaides in zijn dissenting opinion bij EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97 (Khalfaoui/Frankrijk).
EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97(Khalfaoui/Frankrijk); EHRM 25 juli 2002, nr. 54210/00 (Papon/Frankrijk).
EHRM 16 september 2003, nr. 55052/00, dec. (C. en D.L./Frankrijk). Evenals de in de vorige voetnoot vermelde uitspraken contrasteert daarmee ook de merkwaardige uitspraak EHRM 3 mei 2011, nr. 5689/08 (Giosakis/Griekenland) waarin een schending werd aangenomen omdat de cassatierechter een vrijspraak vernietigde, zonder de zaak terug te wijzen in verband met de verjaring van het feit. Daardoor, “il a cristallisé le sentiment que seule la prescription a pu éviter au requérant une condamnation”.
EHRM 31 oktober 2013, nr. 20824/09 (Perica Oreb/Kroatië).
EHRM 19 juni 2012, nr. 36937/06 (Hajnal/Servië).
Dat deze rechtspraak niet correspondeert met het uitgangspunt dat de onschuldpresumptie niet van toepassing zou zijn op de strafoplegging en alleen geldt in relatie tot the particular offence charged, komt aan de orde in § VI.2.2.
Vgl. o.a. EHRM 2 maart 1987, nrs. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991, 165, par. 56, m.nt. Alkema (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk); EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97, par. 37 (Khalfaoui/Frankrijk); EHRM 26 juli 2007, nrs. 32911/96, 35237/97 en 34595/97, par. 41 (Meftah e.a./Frankrijk). Zie nader Pesselse 2018, hfdst. 4, par. 2d.
Zie daarover § VI.7.2.
Zo is toelaatbaar aan de bestaande veroordeling als ‘objectief feit’ te refereren, zie EHRM 24 mei 2011, nr. 53466/07, par. 34 (Konstas/Griekenland).
Eindigt een strafzaak in een veroordeling dan doorbreekt dat de onschuldpresumptie. Hiervoor bleek de onschuldpresumptie volgens het EHRM op de strafoplegging al niet meer van toepassing. De aanwending van rechtsmiddelen stelt een veroordeling echter opnieuw ter discussie. Herleeft de onschuldpresumptie als het ware door de aanwending van rechtsmiddelen tegen een veroordeling?
In algemene zin is het antwoord daarop bevestigend. Volgens de vaste rechtspraak van het EHRM geldt de onschuldpresumptie “in the absence of a final conviction”.1 Want, zo stelt het Hof ook: “It is the essence of the principle of presumption of innocence that it can only be invalidated by a final conviction in accordance with the law.”2 De richtlijn geldt blijkens artikel 2 eveneens “until the decision on the final determination of whether that person has committed the criminal offence concerned has become definitive”. En ook het VN Mensenrechtencomité heeft publieke uitlatingen over schuld na veroordeling in eerste aanleg met de onschuldpresumptie strijdig geoordeeld.3 Op de keper beschouwd is de toepasselijkheid van artikel 6 lid 2 EVRM dus niet lineair. De schuldvaststelling in eerste aanleg stelt de bepaling buiten bedrijf ten aanzien van de strafoplegging, maar het vermoeden van onschuld geldt opnieuw in hogere instantie.
Omdat hoger beroep vaak een integrale herbeoordeling van zowel de feiten als rechtsvragen uit de eerste aanleg behelst, ligt de toepasselijkheid van het beginsel in appel voor de hand.4 Of de onschuldpresumptie ook in meer met cassatie vergelijkbare procedurefasen in dezelfde mate heeft te gelden, is minder zeker.5 Een drietal Straatsburgse arresten lijken moeilijk met elkaar te rijmen. In alle drie ging het om een Franse regeling waarin een cassatieberoep enkel in behandeling wordt genomen, indien de verdachte zich laat insluiten op de dag voor de uitspraak op het verzoek tot cassatie. In twee zaken had de verdachte dat geweigerd en was dus geen uitspraak gedaan, hetgeen een onaanvaardbare beperking van het recht op toegang tot een rechter opleverde.6 Daarbij overwoog het Hof dat “[m]ore fundamentally, respect for the presumption of innocence, combined with the suspensive effect of appeals on points of law, militates against the obligation for a defendant at liberty to surrender to custody, however short a time his incarceration may last”. Hoewel de klacht dus vanwege een ontoelaatbare toegangsbelemmering tot schending leidde, was de onschuldpresumptie voor dat oordeel mede bepalend. In de derde zaak echter, had de verdachte zich wél vrijwillig in hechtenis laten nemen. Het cassatieberoep werd verworpen en de verdachte klaagde in Straatsburg niet over schending van het recht op toegang, hij was immers ontvangen, maar van de onschuldpresumptie. De klacht was manifest ongegrond, nu de verdachte in twee instanties op tegenspraak was veroordeeld.7
Dat de onschuldpresumptie in beginsel geldt tot de schuld van de verdachte onherroepelijk is vastgesteld, uit zich niet alleen in de toepasselijkheid van dat beginsel op de appel- en cassatiefase. Een en ander brengt ook mee dat met andere strafrechtelijke veroordelingen van de verdachte, bij bijvoorbeeld de bepaling van herhalingsgevaar in het kader van de voorlopige hechtenis,8 of bij de vaststelling van recidive als strafverzwarende omstandigheid,9 pas rekening mag worden gehouden nadat die andere veroordeling onherroepelijk is geworden.10
Aan de andere kant brengt de onherroepelijkheidseis niet mee dat een veroordeling in eerste aanleg voor de werking van het onschuldvermoeden helemaal betekenisloos is. Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat de aard van een beroepsprocedure kan meebrengen dat sommige van de rechten uit artikel 6 in die fase van het strafproces een andere invulling krijgen.11 In het kader van de onschuldpresumptie betekent dit onder meer dat de straf die in een eerste procedurefase is opgelegd onder omstandigheden kan worden geëxecuteerd.12 Ook is de veroordeling van de verdachte in eerste aanleg een relevante factor bij de beoordeling of publieke uitlatingen over de verdachte de grenzen van de behandelingsdimensie overschrijden.13