Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.4.1
2.4.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454290:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.3.2.
In § 2.4.2 werk ik dit standpunt uit.
Vaste rechtspraak. Zie bijvoorbeeld OK 10 januari 2002, JOR 2003/218 (Elenses).
Zie bijvoorbeeld OK 24 februari 2014, ARO 2014/54(Body Control Concepts Holding), r.o. 3.10; OK 27 mei 2014, ARO 2014/103 (Arc en Ciel Investments (ACI)), r.o. 3.8; OK 8 december 2015,ARO 2016/15 (Trends-in-Center-Aalsmeer (TICA)), r.o. 3.6.
OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita), r.o. 10.13 (klacht buiten beschouwing gelaten op de grond dat de daaraan ten grondslag liggende feiten buiten de onderzoeksperiode vielen) en r.o. 11.11 (klacht behandeld ondanks dat de daaraan ten grondslag liggende feiten buiten de onderzoeksperiode vielen, op de grond dat partijen daarover zonder bezwaar de discussie zijn aangegaan).
Uit de tekst van artikel 2:345 lid 1 BW vloeit voort dat de Ondernemingskamer het onderzoek kan beperken tot een bepaald tijdvak. Een bepaald tijdvak heeft noodzakelijkerwijs een begindatum en een einddatum. De wet bepaalt niet of de Ondernemingskamer volledig vrij is in het bepalen van een begin- en een einddatum, of dat zij daarbij beperkingen in acht moet nemen. In de jurisprudentie worden wel beperkingen met betrekking tot de einddatum aangenomen.
Over de begindatum valt niet veel te zeggen. De begindatum kan niet zijn gelegen voor de datum van oprichting van de rechtspersoon, wat overigens niet betekent dat de onderzoekers niet ook naar de periode daarvoor kunnen kijken, als hetgeen toen heeft plaatsgevonden relevant is voor het onderzoek naar de rechtspersoon in de onderzoeksperiode. De Ondernemingskamer kan wel een latere begindatum voor het onderzoek vaststellen. Zij is daarin volledig vrij.1
Het tijdvak waarop het onderzoek betrekking heeft, kan uiteraard niet verder doorlopen dan tot het moment waarop het onderzoek eindigt. Dat is het moment waarop de onderzoekers hun verslag ter griffie inleveren. De vraag is echter of de structuur van het enquêterecht niet meebrengt dat het moment waarop de onderzoeksperiode eindigt, de datum is van de beschikking van de Ondernemingskamer. In de literatuur wordt dit doorgaans aangenomen, maar ik ben het daar niet zonder meer mee eens.2 In de overgrote meerderheid van de gevallen beslist de Ondernemingskamer dat het onderzoek eindigt op de datum van de beschikking waarbij zij het onderzoek gelast. Dat is ook het uitgangspunt als de Ondernemingskamer niets over de einddatum van het onderzoek beslist.3
Het belang van de mogelijkheid het onderzoek tot een bepaald tijdvak te beperken moet overigens niet worden overschat. In de eerste plaats niet omdat een beperking van het onderzoek tot bepaalde onderwerpen een veel effectievere methode is om de omvang van het onderzoek te beperken dan een beperking van de onderzoeksperiode. In de tweede plaats niet omdat volgens vaste jurisprudentie de onderzoekers niet strikt gebonden zijn aan de onderzoeksperiode. Het staat de onderzoekers immers vrij aandacht te besteden aan feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan of juist na het einde van de onderzoeksperiode, indien zij dat voor het goede begrip van de te onderzoeken aangelegenheden nuttig of noodzakelijk achten.4 Een bepaalde onderzoeksperiode kan overigens wel meebrengen dat de Ondernemingskamer stellingen van partijen die gebaseerd zijn op gebeurtenissen buiten de onderzoeksperiode in de tweedefaseprocedure buiten beschouwing laat. Het beleid van de Ondernemingskamer is echter niet consistent.5