Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.4.3
2.4.3 Beperkingen op grond van de omvang van de rechtsstrijd
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455489:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 30 maart 2007, NJ 2007/293, m.nt. J.M.M. Maijer, JOR 2007/138, m.nt. M.W. Josephus Jitta (ATR). De Hoge Raad volgt in deze uitspraak grotendeels Geerts 2006, p. 47-52.
De Hoge Raad verwijst naar HR 6 juni 2003, NJ 2003/486, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/161, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Scheipar).
De Hoge Raad verwijst naar HR 20 november 1996, NJ 1997/188, m.nt. J.M.M. Maeijer (Wijsmuller).
Zie over deze uitspraak Storm 2008, p. 15-17.
Een ander voorbeeld waarin de Hoge Raad in een inquisitoire enquête een cassatieklacht verwerpt met een redenering die alleen opgaat voor curatieve enquêtes, is HR 8 april 2005, NJ 2006/ 443, m.nt. G. van Solinge, JOR 2005/119, m.nt. M. Brink, Ondernemingsrecht 2005/98, p. 290-295,m.nt. P.G.F.A. Geerts (Laurus). In deze inquisitoire enquête besliste de Hoge Raad in r.o. 3.9 dat mede gelet op de aard van de tweede procedure van de enquête, waarin de wetgever eveneens spoed geboden achtte, moet worden aangenomen dat de Ondernemingskamer niet is gehouden in te gaan op een aanbod tot bewijslevering. Die spoed is er echter alleen in een curatieve (en een antagonistische) enquête, en niet in een inquisitoire enquête. Zie voorts § 1.3.5.
Evenmin zouden zij een door de verzoeker en de rechtspersoon gewenste beëindiging van het onderzoek moeten kunnen tegenhouden. Zie hierna § 11.5.3.
Zie § 2.2.2.
Zie over het instrumenteel gebruik van de enquêteprocedure § 1.2.2.
In antagonistische enquêtes kan de rechtspersoon er belang bij hebben dat het onderzoek zich ook uitstrekt tot het gedrag van de verzoeker.
Artikel 24 Rv bepaalt dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen de partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Dit betekent volgens de Hoge Raad niet dat de Ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. De beoordelingsvrijheid van de Ondernemingskamer brengt volgens de Hoge Raad mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt mogen kenbaar maken, dus niet alleen over de al dan niet toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de Ondernemingskamer te bevelen onderzoek.1 Als de Ondernemingskamer van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, dient zij de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, te bepalen. De Ondernemingskamer komt daarbij een grote mate van vrijheid toe.2 De enige beperking die de Ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van artikel 24 Rv, in acht moet nemen, is dat zij geen beslissing mag geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Om die reden staat het de Ondernemingskamer, aldus nog steeds de Hoge Raad, niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd. De Hoge Raad motiveert deze beslissing met de redenering dat als zij gebruikmaakt van haar wettelijke bevoegdheden, de Ondernemingskamer een ruime mate van vrijheid in haar beoordeling heeft. Het is in beginsel aan het oordeel van de Ondernemingskamer overgelaten het verzoek tot een enquête al dan niet toe te wijzen, met dien verstande dat ingevolge artikel 2:350 BW het verzoek slechts toewijsbaar is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid van de betrokken rechtspersoon te twijfelen.3 De Ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop, aldus nog steeds de Hoge Raad.4
Met deze uitspraak kan ik instemmen voor zover het gaat om een curatieve enquête, die ertoe strekt orde op zaken te stellen. Dan staat het belang van de rechtspersoon voorop en is het begrijpelijk dat de partijautonomie van de procespartijen daaraan ondergeschikt is. In de ATR-zaak waren de rechtspersonen waarnaar een enquête werd verzocht, echter allang failliet! Hier was sprake van een zuivere inquisitoire enquête. Om dan de beslissing te rechtvaardigen met een verwijzing naar het belang van de rechtspersoon is onzinnig. Dat belang kan per definitie geen enkele rol meer spelen. Mijn kritiek op de Hoge Raad is dat hij in deze uitspraak ten onrechte geen rekening houdt met de verschillende typen enquêteprocedures.5 Hij gebruikt een argument dat uitsluitend opgaat in een curatieve enquête om een beslissing te rechtvaardigen in een inquisitoire enquête.
Ik meen dat bij inquisitoire enquêtes, waarbij het doel niet is orde op zaken te stellen, maar bewijs te verzamelen met het oog op het verkrijgen van schadevergoeding, het beginsel van de partijautonomie voorop moet staan en de Ondernemingskamer geen onderzoek mag bevelen dat ruimer is dan de verzoeker en de rechtspersoon hebben verzocht. Voor zover belanghebbenden zelfstandig de enquêtebevoegdheid hebben, kan de Ondernemingskamer uiteraard op hun standpunt acht slaan, maar anderszins meen ik dat zij niet de mogelijkheid moeten krijgen de omvang van de rechtsstrijd uit te breiden.6 Er is geen reden om de regels die gelden voor het bepalen van de inhoud en reikwijdte van de onderzoeksopdracht bij het deskundigenbericht, die meebrengen dat de rechter is gebonden aan de door partijen gedefinieerde omvang van de rechtsstrijd,7 niet ook toe te passen op de inquisitoire enquête. Deze is immers gericht op het verkrijgen van schadevergoeding, en is te beschouwen als een eerste stap in een daarop gerichte procedure.8 Hetzelfde geldt naar mijn mening voor antagonistische enquêtes, waarbij partijen (met inbegrip van belanghebbenden) voor hun eigen belangen opkomen.9 Ook dan is er geen reden waarom het belang van de rechtspersoon zou moeten prevaleren boven de partijautonomie die in artikel 24 Rv is neergelegd.