Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.3.3.2
V.3.3.2 Schuldvaststelling buiten de procedure: toch according to law?
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593968:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Mevis 1992, i.h.b. 757-758.
EHRM 26 maart 1996, nr. 17314/90 (Leutscher/Nederland); EHRM 19 juni 2012, nr. 21534/05, par. 57 (Constantin Florea/Roemenië).
Zie bijv. in met Minelli vergelijkbare context al niet meer: EHRM 25 augustus 1993, nr. 13126/87, NJ 1994, 1, m.nt. Knigge (Sekanina/Oostenrijk); EHRM 21 maart 2000, nr. 28389/95 (Rushiti/Oostenrijk).
EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98, NJ 2004, 261, NJCM-bull. 2004, p. 234-238, m.nt. Myjer (Baars/Nederland); EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1, m.nt. Fernhout (Del Latte/Nederland); EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349, m.nt. Borgers (Geerings/Nederland).
Zie nader § II.10, resp. § IV.3.
EHRM 3 oktober 2002, nr. 37568/97, par. 67 (Böhmer/Duitsland). Vgl. bijv. ook EHRM 21 september 2006, nr. 8599/02, par. 45 (Grabchuk/Oekraïne); EHRM 11 oktober 2016, nr. 20758/04, par. 19 (Turyev/Rusland). Op een dergelijke uitleg wijst ook de relatie die het Hof ziet tussen de onschuldpresumptie en het in art. 5 lid 1 sub a en art. 7 EVRM gebezigde‘conviction. Zie daarover hierna § V.4.2.
Onder vele EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, par. 28 (Salabiaku/Frankrijk).
Een alternatieve lezing van according to law houdt in dat bewijs van schuld niet alleen kan plaatsvinden in de op schuldvaststelling gerichte (strafrechtelijke) procedure, maar ook daarbuiten. Zolang die vaststelling van schuld maar door het nationale recht wordt mogelijk gemaakt. Een dergelijke zienswijze is in het verleden geopperd.1According to law zou dan bijvoorbeeld niet eraan in de weg staan dat ook een rechter die oordeelt over een schadevergoedingsverzoek voor ondergane dwangmiddelen schuld mag vaststellen, mits hij dit maar expliciet onderbouwt. Ook dit standpunt lijkt steun te ontlenen aan de in de vorige subparagraaf geciteerde passage waarin het EHRM bij constatering van schending nadruk legt op schuldvaststelling zonder de mogelijkheid verdedigingsrechten uit te oefenen. In enkele zaken heeft het Straatsburgse Hof deze benadering ook gehanteerd en een bejegening als schuldige buiten de op schuldvaststelling gerichte procedure niet in strijd met de onschuldpresumptie geacht, omdat de verdachte over voldoende verdedigingsmogelijkheden beschikte.2
Toch is deze uitleg in het algemeen onjuist gebleken. Aan de zinsnede “and, notably, without his having had the opportunity of exercising his rights of defence” moet weinig belang meer worden gehecht. Ten eerste werd de overweging oorspronkelijk gebezigd in Minelli/Zwitserland waarin de schuld van de betrokkene én niet was vastgesteld in een daarop gerichte procedure én de verdachte zijn verdedigingsrechten niet had kunnen uitoefenen. Het Hof kán met de overweging bedoeld hebben dat één van de twee voldoende was geweest om schending te voorkomen, maar even goed is mogelijk dat het Hof het niet-uitoefenen van de verdedigingsrechten in casu zag als een omstandigheid die een aanvullende rechtvaardiging voor het aannemen van schending van artikel 6 lid 2 EVRM vormde. Minelli/Zwitserland werd het standaardarrest, maar de overweging over de verdedigingsrechten heeft in de rechtspraak nauwelijks nog gewicht en komt thans weinig meer voor.3 De vaststelling van schuld in de Nederlandse schadevergoedingsprocedure op grond van artikel 89 Sv achtte het EHRM dan ook in voorkomende gevallen wel degelijk strijdig met artikel 6 lid 2 EVRM.4 Dat past ook bij de vormgeving van artikel 11 UVRM, de oorspronkelijke bedoeling van artikel 6 lid 2 EVRM en bij de behandelingsdimensie, voor zover deze de exclusiviteit van de procedure als schuldvaststellingsforum beoogt te waarborgen.5
De benadering heeft het EHRM expliciet afgewezen in Böhmer/Duitsland. De Duitse regering verdedigde zich in die zaak met de stelling dat de verdachte voldoende verdedigingsrechten waren geboden in de procedure waarin de strafrechter moest beslissen of een eerder opgelegde voorwaardelijke straf zou worden tenuitvoergelegd vanwege het begaan van een nieuw strafbaar feit. Het Hof was evenwel van oordeel dat “[t]he presumption of innocence, considered in the light of the general obligation of a fair criminal trial under Article 6 § 1, excludes a finding of guilt outside the criminal proceedings before the competent trial court, irrespective of the procedural safeguards in such parallel proceedings and notwithstanding general considerations of expediency.”6 Het gaat er derhalve om dat de procedure door de wetgever gericht is op vaststelling van de schuld van de betrokkene aan het strafbare feit waarover de in die procedure bevoegde rechter/autoriteit heeft te oordelen. Kortom, de determination of a criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM moet aan de orde zijn. Aan die determination stelt het onschuldvermoeden uiteraard inhoudelijke eisen. Immers, “[t]he national legislature would be free to [...] deprive the presumption of innocence of its substance, if the words ‘according to law’ were construed exclusively with reference to domestic law.”7 Die determination moet daarnaast voldoen aan de andere eisen van artikel 6 EVRM, maar niet op grond van de onschuldpresumptie, maar op basis van lid 1 en lid 3. Zoals in de vorige subparagraaf bleek, fungeert het according to law-vereiste van het tweede lid namelijk niet als ‘kapstok’ voor die andere rechten in die zin dat iedere schending van artikel 6 ook het vereiste van according to law schendt.